De krijgsmacht krijgt er volgend jaar 220 miljoen euro bij, oplopend naar 345 miljoen in 2020. Het is de vierder keer op rij dat er geld bij komt. Hiermee continueert het kabinet de ingezette opwaartse lijn. De verhoging past in het meerjarig perspectief dat het kabinet voor ogen staat. De aanhoudende conflicten, evenals de structureel hogere eisen die onder meer de Navo in dat verband aan de krijgsmacht stelt, geven hiertoe alle aanleiding. Verder worden in de begroting voor 2016 de mogelijkheden voor de financiering van de inzet van de krijgsmacht in internationale missies verruimd. Het budget wordt daartoe met € 60 miljoen structureel verhoogd. Immers, “onze vrijheid begint bij die van een ander”, zo stelt minister Hennis-Plasschaert.
“Veel Nederlanders maken zich terecht zorgen over de ontwikkeling van de veiligheidssituatie, dichtbij en elders in de wereld. Het kabinet gaat de verantwoordelijkheid hiervoor niet uit de weg,” aldus Hennis. Prioriteit wordt gegeven aan de versterking van de basisgereedheid van de krijgsmacht. Ook verlegt Defensie de grenzen van de internationale samenwerking, bijvoorbeeld door de samenwerking met Duitsland vergaand te verdiepen. Het investeringsbudget wordt voorts beperkt verhoogd, waarbij geldt dat de ambities moeten aansluiten bij de beschikbare middelen.
Basisgereedheid versterken
“De afgelopen decennia is een zware wissel getrokken op Defensie. Defensie kan veel aan, maar de hedendaagse ambities en uitdagingen zijn omvangrijk. Daarom komen er meer mensen en materieel beschikbaar ten behoeve van training en opleiding, bijvoorbeeld voor de snelle inzet van operationele eenheden”, aldus de minister. “Met meer reservedelen en munitie kunnen voorraden worden verhoogd. Ook kan met extra onderhoudscapaciteit het materieel sneller worden gerepareerd. Hierdoor wordt de basisgereedheid van de krijgsmacht versterkt. Dit vergt een meerjarige aanpak, en is een zaak van langere adem”, schrijft de minister in haar beleidsagenda. Met deze maatregelen beoogt het kabinet de komende jaren een bijdrage te leveren aan de Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) van de Navo. Doel is om de VJTF medio 2016 operationeel te verklaren.
In februari van dit jaar heeft het kabinet al laten weten dat het maatregelen het treft in het kader van terrorismebestrijding. Zo krijgt de Koninklijke Marechaussee extra capaciteit voor de bewaking en beveiliging van kwetsbare objecten. Verder worden de Dienst Speciale Interventies en de MIVD versterkt.
Internationaal samenwerken
Om de dreigingen en risico’s het hoofd te kunnen blijven bieden, is bovendien verdere verdieping van de defensiesamenwerking noodzakelijk. Duitsland en Nederland zijn voornemens de 43e Gemechaniseerde Brigade in Havelte te integreren in een Duitse pantserdivisie. Daarbij integreert Duitsland een tankbataljon in de Nederlandse brigade en levert Nederland het personeel voor een compagnie van dit Duitse tankbataljon. Als onderdeel van deze samenwerking zal Nederland de laatste zestien resterende Leopard 2A6 tanks inbrengen. Hiermee blijft kennis en expertise over het optreden met en tegen tanks behouden en kunnen de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht worden versterkt. Ook kunnen ontbrekende capaciteiten worden gecompenseerd. Deze geïntegreerde eenheid is eind 2019 operationeel. Ook met andere landen wordt op tal van terreinen intensiever samengewerkt. Eind 2016, na parlementaire instemming van de drie landen, zal de gezamenlijke luchtruimbewaking in Benelux-verband in de drie landen van start gaan.
Vernieuwen in het operationele domein
Defensie investeert in de toekomstbestendigheid van de krijgsmacht. Het gaat om instandhoudingsprogramma’s, vervangingsinvesteringen, het benutten van nieuwe technieken en de aanschaf van nieuw materieel. Het komende jaar ontplooit Defensie initiatieven om kleinschalige innovatie dichtbij de werkvloer aan te jagen, bijvoorbeeld het Innovatiecentrum Air van de luchtmacht. De extra middelen in deze begroting worden voorts gebruikt om de kennisbasis van de krijgsmacht gericht te versterken en om belangrijke investeringen de komende jaren te kunnen uitvoeren.
Voor het komende jaar is budget beschikbaar voor de uitvoering van een aantal investeringen, waarbij Defensie in 2016 een eerste aanbetaling zal doen voor de acht F-35 toestellen die in 2019 worden geleverd. Ook investeert Defensie in de modernisering van de SMART-L radars aan boord van de Luchtverdedigings- en Commandofregatten (LC-fregatten). Verder vult Defensie de slagkracht van de krijgsmacht aan door een investering in diverse kapitale munitiesoorten, waaronder precision guided munition voor de pantserhouwitser, MK-48 torpedo’s voor de onderzeeboten en SM-2 geleide raketten voor de LC-fregatten.
Voor het investeringsbudget geldt dat de ambities moeten aansluiten bij de beschikbare middelen. Dit leidt tot het maken van keuzes. Diverse projecten zijn herschikt. De projecten Vervanging en modernisering Chinook en Defensiebrede Vervanging Operationele Wielvoertuigen (DVOW) sluiten beter aan op de verwachte of gewenste realisatie. Projecten waaronder MALE UAV, het licht indirect vurend wapensysteem (LIVS) en de beschermingspakketten van het infanterie gevechtsvoertuig en de Capability Upgrade Elektronische Oorlogsvoering (CUP EOV) worden vertraagd.
Investeren in personeel
Militairen en burgers zijn het belangrijkste kapitaal van Defensie. Defensie en de meerderheid van de centrales van Defensiepersoneel (met uitzondering van de ACOP) bereikten vorige week een voorlopig onderhandelingsresultaat. Er is overeengekomen dat de loonruimte uit het zogenoemde bovensectoraal akkoord van 10 juli jl. ongewijzigd wordt uitgevoerd in de eigen sector. Al het defensiepersoneel krijgt dus in totaal 5,05% loonsverhoging en een eenmalig bedrag van € 500 (bruto).
Defensiekrant over maatregelen
Meer details over de Defensiebegroting staan vandaag in een speciale Defensiekrant (nr. 17, 2015). In de Prinsjesdag-uitgave staat ook een interview met minister Jeanine Hennis-Plasschaert en Commandant der Strijdkrachten generaal Tom Middendorp.
(bron: ministerie van Defensie)
Posts tonen met het label Tweede Kamer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tweede Kamer. Alle posts tonen
dinsdag 15 september 2015
vrijdag 10 juli 2015
Inzetscenario’s Very High Readiness Joint Task Force (VJTF)
(passage uit Kamerbrief d.d. 9 juli 2015)
In de geannoteerde agendabrief voor de Defensieministeriële (Kamerstuk 28676
nr. 225, 12 juni 2015) heb ik toegezegd in het verslag een nadere toelichting te
geven op de parlementaire betrokkenheid bij de inzet van de VJTF. De VJTF is in
de eerste plaats opgericht voor de collectieve verdediging in het licht van de
verslechterde veiligheidssituatie op de oostflank van het bondgenootschap. Inzet
van de VJTF voor andere doeleinden is echter niet uitgesloten. De mate van
parlementaire betrokkenheid is afhankelijk van de inzetomstandigheden.
Hieronder worden vier scenario’s geschetst ter verduidelijking.
Crisisbeheersing buiten het Navo-verdragsgebied
De Noord-Atlantische Raad (NAR) kan besluiten Navo-eenheden in te zetten voor
crisisbeheersing buiten het Navo-verdragsgebied. In situaties die vragen om een
urgente reactie, zou de VJTF kunnen worden ingezet. Op grond van artikel 100
van de Grondwet zullen de Nederlandse eenheden die deel uitmaken van de VJTF
doorgaans niet voor crisisbeheersing worden ingezet voordat de regering aan de
hand van het Toetsingskader inlichtingen heeft verstrekt aan uw Kamer. Voorts
heeft Nederland via de NAR invloed op de inzet van de VJTF, omdat hiervoor een
unaniem besluit van de 28 bondgenoten nodig is.
Artikel 5-situatie
Artikel 5 van het Noord-Atlantisch (Navo) Verdrag bepaalt dat een gewapende
aanval tegen een of meer van de bondgenoten als een aanval tegen alle
bondgenoten wordt beschouwd. De Navo-bondgenoten bespreken in de NAR of
sprake is van een gewapende aanval. Alleen als zij unaniem vaststellen dat dit
het geval is, bezien zij hoe de aangevallen bondgenoot kan worden bijgestaan.
Het is mogelijk dat de VJTF in een artikel 5-situatie wordt ingezet als initiële
reactiemacht. In dat geval is sprake van de verdediging van het Koninkrijk en zijn
bondgenoten. Deze taak valt niet onder artikel 100 van de Grondwet. Er bestaat
daarom geen verplichting uw Kamer voorafgaand aan de inzet van de VJTF te
informeren. Het kabinet zal evenwel altijd trachten dit te doen. Gezien de
urgentie van een artikel 5-situatie is het echter denkbaar dat uw Kamer pas
wordt geïnformeerd als de VJTF-eenheden al onderweg zijn naar het inzetgebied.
Oplopende spanningen
Een Navo-bondgenoot die zich bedreigd voelt, kan op grond van artikel 4 van het
Navo-verdrag vragen om consultaties. De NAR zou na deze consultaties een
unaniem besluit kunnen nemen de VJTF preventief in te zetten. In het geval van
oplopende spanningen is het voorts mogelijk dat de SACEUR voorstelt de VJTF
preventief te ontplooien. Ook in dit geval is een unaniem besluit van de NAR
nodig. In beide scenario’s is sprake van een afschrikwekkende maatregel in het
kader van de collectieve verdediging en bestaat geen verplichting uw Kamer
voorafgaand aan de inzet van de VJTF te informeren. Het kabinet zal niettemin
altijd trachten dit te doen. Het is echter denkbaar dat de VJTF op zeer korte
termijn moet reageren op een dreiging, waardoor uw Kamer niet voorafgaand aan
de inzet van de VJTF kan worden geïnformeerd.
Reguliere oefeningen
De VJTF oefent regelmatig op het grondgebied van Navo-bondgenoten. Deze
oefeningen zijn gericht op het verbeteren van de gevechtscapaciteit en
interoperabiliteit en maken deel uit van het reguliere takenpakket van de VJTF.
Evenals bij andere oefeningen wordt uw Kamer in beginsel niet over deze
gereedstellingsactiviteiten geïnformeerd.
Aan het einde van elk jaar informeer ik uw Kamer over de Nederlandse deelname
aan de NRF, de EUBG en Frontex voor het komende jaar. Daarbij zal ik vanaf dit
jaar expliciet aandacht besteden aan de eventuele Nederlandse deelname aan de
VJTF, de wijze waarop deze inzet gestalte krijgt en de voorziene inzet, voorzover
bekend en openbaar.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(bron: Kamerbrief, 9 juli 2015)
In de geannoteerde agendabrief voor de Defensieministeriële (Kamerstuk 28676
nr. 225, 12 juni 2015) heb ik toegezegd in het verslag een nadere toelichting te
geven op de parlementaire betrokkenheid bij de inzet van de VJTF. De VJTF is in
de eerste plaats opgericht voor de collectieve verdediging in het licht van de
verslechterde veiligheidssituatie op de oostflank van het bondgenootschap. Inzet
van de VJTF voor andere doeleinden is echter niet uitgesloten. De mate van
parlementaire betrokkenheid is afhankelijk van de inzetomstandigheden.
Hieronder worden vier scenario’s geschetst ter verduidelijking.
Crisisbeheersing buiten het Navo-verdragsgebied
De Noord-Atlantische Raad (NAR) kan besluiten Navo-eenheden in te zetten voor
crisisbeheersing buiten het Navo-verdragsgebied. In situaties die vragen om een
urgente reactie, zou de VJTF kunnen worden ingezet. Op grond van artikel 100
van de Grondwet zullen de Nederlandse eenheden die deel uitmaken van de VJTF
doorgaans niet voor crisisbeheersing worden ingezet voordat de regering aan de
hand van het Toetsingskader inlichtingen heeft verstrekt aan uw Kamer. Voorts
heeft Nederland via de NAR invloed op de inzet van de VJTF, omdat hiervoor een
unaniem besluit van de 28 bondgenoten nodig is.
Artikel 5-situatie
Artikel 5 van het Noord-Atlantisch (Navo) Verdrag bepaalt dat een gewapende
aanval tegen een of meer van de bondgenoten als een aanval tegen alle
bondgenoten wordt beschouwd. De Navo-bondgenoten bespreken in de NAR of
sprake is van een gewapende aanval. Alleen als zij unaniem vaststellen dat dit
het geval is, bezien zij hoe de aangevallen bondgenoot kan worden bijgestaan.
Het is mogelijk dat de VJTF in een artikel 5-situatie wordt ingezet als initiële
reactiemacht. In dat geval is sprake van de verdediging van het Koninkrijk en zijn
bondgenoten. Deze taak valt niet onder artikel 100 van de Grondwet. Er bestaat
daarom geen verplichting uw Kamer voorafgaand aan de inzet van de VJTF te
informeren. Het kabinet zal evenwel altijd trachten dit te doen. Gezien de
urgentie van een artikel 5-situatie is het echter denkbaar dat uw Kamer pas
wordt geïnformeerd als de VJTF-eenheden al onderweg zijn naar het inzetgebied.
Oplopende spanningen
Een Navo-bondgenoot die zich bedreigd voelt, kan op grond van artikel 4 van het
Navo-verdrag vragen om consultaties. De NAR zou na deze consultaties een
unaniem besluit kunnen nemen de VJTF preventief in te zetten. In het geval van
oplopende spanningen is het voorts mogelijk dat de SACEUR voorstelt de VJTF
preventief te ontplooien. Ook in dit geval is een unaniem besluit van de NAR
nodig. In beide scenario’s is sprake van een afschrikwekkende maatregel in het
kader van de collectieve verdediging en bestaat geen verplichting uw Kamer
voorafgaand aan de inzet van de VJTF te informeren. Het kabinet zal niettemin
altijd trachten dit te doen. Het is echter denkbaar dat de VJTF op zeer korte
termijn moet reageren op een dreiging, waardoor uw Kamer niet voorafgaand aan
de inzet van de VJTF kan worden geïnformeerd.
Reguliere oefeningen
De VJTF oefent regelmatig op het grondgebied van Navo-bondgenoten. Deze
oefeningen zijn gericht op het verbeteren van de gevechtscapaciteit en
interoperabiliteit en maken deel uit van het reguliere takenpakket van de VJTF.
Evenals bij andere oefeningen wordt uw Kamer in beginsel niet over deze
gereedstellingsactiviteiten geïnformeerd.
Aan het einde van elk jaar informeer ik uw Kamer over de Nederlandse deelname
aan de NRF, de EUBG en Frontex voor het komende jaar. Daarbij zal ik vanaf dit
jaar expliciet aandacht besteden aan de eventuele Nederlandse deelname aan de
VJTF, de wijze waarop deze inzet gestalte krijgt en de voorziene inzet, voorzover
bekend en openbaar.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(bron: Kamerbrief, 9 juli 2015)
Labels:
artikel 100,
flitsmacht,
NAVO,
NRF,
Tweede Kamer,
VJTF
donderdag 11 juni 2015
Kamerbrief: Visie op de toekomst van de onderzeedienst
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
11 juni 2015
Inleiding
Hierbij bied ik u de brief aan over de toekomst van de Nederlandse onderzeedienst. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie-Knops (Kamerstuk 33 763, nr. 18 van 6 november 2013) en licht ik het, reeds in de nota In het belang van Nederland vastgestelde, belang van de vervanging van de Walrusklasse nader toe. Het ontwerp van de Walrusklasse markeerde in de jaren zeventig van de vorige eeuw een ingrijpende omwenteling op het vlak van de bouw, de bedrijfsvoering en de inzet van onderzeeboten. Sinds de invoering begin jaren negentig van de vorige eeuw heeft dit concept zijn toegevoegde waarde bewezen. Om de huidige onderzeeboten vanaf 2025 te kunnen vervangen, moet in 2015 worden begonnen met de voorbereiding daarvan (zie ook antwoorden op de vragenlijst inzake de vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2015, brief van 23 oktober 2014). De komende jaren zijn nodig om op zorgvuldige wijze de vervanging van dit complexe wapensysteem gestalte te geven. Vanzelfsprekend kan op de goede ervaringen met de Walrusklasse worden voortgebouwd, maar ook andere vervangingsopties zullen worden overwogen. Optimale benutting van de samenwerkingsmogelijkheden met partnerlanden vormt het uitgangspunt. Ook de nationale kennisinstituten en de defensie- en veiligheidgerelateerde industrie worden in een vroeg stadium bij de vervanging betrokken.
Belang voor Nederland
Voor Nederland, met zijn grote zeehavens en maritieme belangen in Europa, het Caribisch gebied en andere delen van de wereld, is een militaire capaciteit om onder water te kunnen optreden van belang. Vanwege hun specifieke eigenschappen zijn de Nederlandse onderzeeboten een relevante nichecapaciteit voor de Navo en de EU. De internationale machtsverhoudingen verschuiven en een toenemend aantal spelers wil de zee in strategische zin en voor eigen gewin benutten. Alleen de onderzeeboot kan gedurende langere tijd onopgemerkt blijven, ook in een omgeving waar de dreiging groot is en geen militair overwicht bestaat. De onderzeeboot is zeer geschikt voor de bescherming van scheepvaart en handelsroutes, voor de ondersteuning van militaire interventies, en om vijandelijke eenheden bewegingsvrijheid te ontnemen. Met een relatief beperkte militaire inzet kan in uiteenlopende inzetscenario's, op en vanuit zee, een groot effect worden bereikt. Het afdwingen van een wapenembargo door middel van een maritieme blokkade en het (ver)hinderen van maritieme operaties van de tegenstander zijn hier voorbeelden van.
Als gevolg van de afstoting van de maritieme patrouillevliegtuigen en de vermindering van het aantal M-fregatten, beschikt de Nederlandse krijgsmacht uitsluitend nog over onderzeeboten voor de verdediging van vlootverbanden op grotere afstand. De Nederlandse onderzeeboten hebben voorts, eventueel in combinatie met de inzet van special forces, een belangrijke inlichtingenfunctie. In internationaal verband leveren zij bovendien een unieke capaciteit. De huidige Nederlandse onderzeeboten kunnen namelijk verder van een thuishaven en gedurende een langere periode worden ingezet dan de conventionele onderzeeboten van andere Europese landen. Een dergelijke expeditionaire onderzeebootcapaciteit is voor Nederland tevens van belang met het oog op de veiligheid van het Koninkrijk in het Caribisch gebied. Met de beoogde vervanging van zijn onderzeebootcapaciteit zou Nederland een aanzienlijke bijdrage leveren aan de vervulling van de in Navo-kader vastgestelde prioritaire behoeften op het gebied van onderzeebootbestrijding, beeldopbouw en inlichtingenvergaring.
Veiligheidspolitieke context
Verslechterde veiligheidssituatie
De wereld is er de afgelopen jaren niet veiliger op geworden. De beleidsbrief ‘Turbulente Tijden in een Instabiele Omgeving’ (Kamerstuk 33 694, nr. 6 van 14 november 2014) bevat een analyse van de internationale veiligheidssituatie, in aanvulling op de eerder vastgestelde Internationale Veiligheidsstrategie. Veiligheidsrisico’s die al langer werden onderkend, hebben zich inmiddels gemanifesteerd als reële bedreigingen. Er lijkt zich een multipolaire wereldorde af te tekenen, waarin de Europese veiligheid en de internationale rechtsorde in toenemende mate onder druk staan. Conflicten en destabiliserende krachten dringen zich in de (directe) nabijheid van Europa op. De Nederlandse samenleving ondervindt daarvan rechtstreeks de gevolgen, mede omdat de interne en externe veiligheid steeds nauwer verweven zijn. Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van voortdurende instabiliteit aan de zuid- en oostflanken van Europa. In dit licht vergt ook de collectieve verdediging nadrukkelijk de aandacht. Bovendien kunnen zich nieuwe crises aandienen, zowel in de omgeving van Europa als verder weg. Van de Europese landen wordt in bondgenootschappelijk verband verwacht dat zij meer verantwoordelijkheid nemen voor hun veiligheid en de bescherming van hun belangen. Dit vergt, ook van Nederland, inspanningen ter versterking van de gezamenlijke slagkracht en een verdere verdieping van de samenwerking.
Het maritieme domein
Naar verwachting zal er, in de komende decennia, bij veel bedreigingen, spanningen en conflicten sprake zijn van een maritieme dimensie. De Nederlandse maritieme strategie 2015-2025 (Kamerstuk 31 409, nr. 70 van 16 januari 2015), de maritieme strategie van de Navo en de maritieme veiligheidsstrategie van de EU geven hiervan blijk. De afgelopen jaren is er sprake van een toenemend bewustzijn over het feit dat zeetransportroutes, zeestraten en maritieme knooppunten overal ter wereld kwetsbaar zijn. Steeds meer staten en niet-statelijke actoren beconcurreren elkaar over het gebruik van - en de controle over - dergelijke zeegebieden. Ook nieuwe routes en gebieden die in economische zin belangrijker worden, zoals de Arctische regio, zullen de komende decennia extra aandacht vergen. Het vrije gebruik van de zee is gereguleerd door het internationale zeerecht, maar niet alle staten hanteren dezelfde interpretatie daarvan. Disputen kunnen ertoe leiden dat staten diplomatieke en economische machtsmiddelen kracht bijzetten met maritieme presentie en militaire inzet.
Beperking of ontwrichting van het internationale scheepvaartverkeer, ook op grote afstand van Nederland, kan onze veiligheid en welvaart onmiddellijk treffen. De maritieme militaire machtsopbouw in Rusland en Azië, inclusief de proliferatie van moderne onderzeeboten, fregatten en raketsystemen, baart zorgen. Ook in Latijns-Amerika is sprake van een toenemende inzet van moderne marines waarvan onderzeeboten deel uitmaken. In de steeds diffusere veiligheidsomgeving zijn surveillance, beeldopbouw en goede inlichtingen cruciaal om te kunnen anticiperen op mogelijke dreigingen en conflicten, en zo ook om expeditionaire militaire operaties veilig en doelgericht te kunnen uitvoeren. Bovendien moeten de Navo-lidstaten, ook in het maritieme domein, beschikken over voldoende escalatiedominantie en het vermogen om vitale belangen mondiaal te beschermen.
Het wapensysteem
De onderzeeboot is een van de belangrijke grote wapensystemen waaraan de krijgsmacht zijn slagkracht ontleent. In het militaire optreden is het een van de weinige mogelijkheden om langdurig onopgemerkt te blijven. In tegenstelling tot oppervlakteschepen kunnen onderzeeboten kustgebieden of vijandelijke eenheden zeer dicht naderen zonder te worden opgemerkt. Dat geldt ook voor gebieden waar de tegenstander beschikt over het vermogen om anderen de toegang te ontzeggen (Anti Access, Area Denial). Voor de politieke en militaire besluitvorming kan de onderzeeboot cruciale informatie opleveren die niet op een andere manier kan worden verkregen. Verder kan de onderzeeboot niet alleen de situatie op zee, maar ook op land beïnvloeden. Zelfs in ondiep water waar de manoeuvreerruimte voor de onderzeeboot beperkt is, vergt het immers een relatief grote militaire inspanning om onderzeeboten op te sporen en te volgen. Conventionele onderzeeboten, zoals de huidige Walrusklasse, zijn beter geschikt voor operaties in ondiepe wateren dan de, over het algemeen grotere, nucleaire onderzeeboten. De voordelen van nucleair aangedreven onderzeeboten, waaronder de zeer grote actieradius en het vermogen om langdurig hogere snelheden vol te houden, gelden vooral in diepere wateren. De verschillende typen onderzeeboten zijn in internationaal verband complementair.
De kracht van de huidige Nederlandse onderzeeboot
De Nederlandse onderzeeboten van de Walrusklasse treden op als verkenner, wapendrager en uitvalsbasis voor speciale operaties. De inzet is gericht op de beïnvloeding van het gedrag van staten en de bestrijding van internationaal georganiseerd terrorisme en zware criminaliteit. Voorbeelden vormen het afdwingen van een maritieme blokkade zoals midden jaren negentig van de vorige eeuw in de Adriatische zee, de bestrijding van drugssmokkel in het Caribisch gebied en, recenter, de inzet voor piraterijbestrijding in de wateren rondom de Hoorn van Afrika. Ook in de toekomst moet de Nederlandse onderzeeboot in staat zijn om, zowel geïntegreerd in een maritieme taakgroep als zelfstandig, langdurig operaties uit te voeren ver van een thuisbasis, ook in gebieden waar een hoog dreigingsniveau heerst. In het operatiegebied moeten verschillende taken kunnen worden uitgevoerd in de opeenvolgende fases van het maritieme optreden. De bundeling van vier specifieke vermogens in één platform bepalen de kracht en veelzijdigheid van de Nederlandse onderzeeboot:
- Verzamelen, analyseren en delen van inlichtingen – het vermogen om, weken aaneengesloten, heimelijk in een gebied activiteiten van (potentiële) tegenstanders te observeren en real time te analyseren. De verzamelde inlichtingen over de gereedheid, capaciteiten en operatiepatronen vergroten de mogelijkheid om de intenties en feitelijke gedragingen van (potentiële) tegenstanders te beoordelen. Hiermee versterkt Nederland tevens zijn internationale inlichtingenpositie die berust op het principe quid pro quo. Voorafgaand aan en tijdens een conflict kunnen de operationele en tactische inlichtingen van de onderzeeboot bepalend zijn voor de doelgerichtheid van maritieme operaties. De inlichtingenfunctie is van groot belang voor de beeldopbouw en de vergroting van situational awareness.
- Speciale operaties – het vermogen om als uitvalsbasis te dienen voor de heimelijke inzet van special forces nabij en op het grondgebied van een (potentiële) tegenstander om inlichtingen te verzamelen, strategische doelen of infrastructuur uit te schakelen, of voorbereidingen te treffen voor vervolgoperaties. Dergelijke acties kunnen onder meer betrekking hebben op de voorbereiding van een amfibische operatie, een doelgerichte aanval, bevrijding van gijzelaars, of de evacuatie van Nederlandse staatsburgers onder bedreigende omstandigheden.
- Strategische beïnvloeding – het vermogen om met een relatief beperkte militaire inzet het gedrag van tegenstanders doelgericht te beïnvloeden. Dit vermogen vormt eigenlijk de optelsom van de hiervoor genoemde kenmerken. De dreiging die van de aangekondigde of vermoede aanwezigheid van onderzeeboten uitgaat, kan de tegenstander dwingen tot ingrijpende voorzorgsmaatregelen en aanpassing van zijn strategie en operatiepatroon.
De nieuwe onderzeebootcapaciteit
De uitgangspunten zoals verwoord in de nota In het belang van Nederland zijn leidend voor de vervanging en daarmee voor de vaststelling van de behoefte en de functionele eisen voor de opvolger van de Walrusklasse. De huidige inzetbaarheidsdoelstelling is: het onafgebroken beschikbaar hebben van één onderzeeboot voor langdurige inzet, of twee onderzeeboten voor een kortere periode. De inzetbaarheid van onderzeeboten valt of staat ook in de toekomst met de robuustheid van de ondersteunende organisatie en de personele beschikbaarheid.
Veelzijdigheid en aanpassingsvermogen
De Nederlandse onderzeeboot is door de bundeling van specifieke vermogens voor verschillende taken inzetbaar. De bescherming van de belangen van het Koninkrijk, ook in het Caribisch gebied, is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de inzet in nieuwe maritieme aandachtsgebieden. Met het oog op de veranderlijke aard van de veiligheidsomgeving moeten militaire capaciteiten over ‘groeipotentieel’ beschikken. Het aanpassingsvermogen gedurende de (relatief lange) levensduur van de onderzeeboot wordt onder meer bereikt door reserves en flexibiliteit in te bouwen met het oog op modificaties, modulaire aanpassing van bemensing en functionaliteit, instandhoudingsprogramma’s en de toekomstige toevoeging van externe sensoren zoals Unmanned Underwater Vehicles (UUV’s). De toepassing van nieuwe technologie maakt het waarschijnlijk mogelijk om op nieuwe onderzeeboten kleinere bemanningen in te zetten zonder daarmee afbreuk te doen aan de prestaties. Het is onwaarschijnlijk dat de komende decennia onbemande systemen beschikbaar komen die de beoogde combinatie van taken langdurig autonoom kunnen uitvoeren.
Het diffuse dreigingsbeeld en de proliferatie van wapentechnologie kunnen de komende decennia voorts nopen tot betere zelfverdediging en verbreding van de mogelijkheden tot wapeninzet. De huidige onderzeeboot beschikt alleen over zware torpedo’s tegen doelen op zee en onder water. Deze bieden grote slagkracht, maar zijn minder goed bruikbaar tegen kleine oppervlaktedoelen en hebben geen nut tegen vijandelijke torpedo’s, vliegtuigen en helikopters. Differentiatie van de bewapening van de nieuwe onderzeeboot verhoogt de operationele effectiviteit. Daarbij kunnen overwegingen van proportionaliteit en niet-letale effecten worden betrokken (schepen onklaar maken in plaats van deze te vernietigen). Ook kan het nodig blijken de nieuwe onderzeeboot toe te rusten met voorzieningen voor de lancering van missiles. Of naast de beoogde ‘provisions for’ deze wapens werkelijk deel moeten uitmaken van de vervanging is, afgezien van financiële overwegingen, mede afhankelijk van de ontwikkeling van het dreigingsbeeld en de in internationaal kader vastgestelde behoeften.
Financiële aspecten
De besluitvorming over de vervanging vergt een integrale afweging op basis van een overzicht van alle met de vervanging gepaard gaande kosten, waaronder de instandhouding en de ondersteuning van de onderzeebootcapaciteit gedurende de gehele levensduur (Life Cycle Costing - LCC). Gezien de complexiteit van het wapensysteem en de keuze om de vervanging gestalte te geven in nauwe samenwerking met partners, zowel nationaal als internationaal, zal het inzicht in de kosten stapsgewijs toenemen. De verschillende fasen in het defensiematerieelproces (DMP) voorzien, op weg naar een finaal besluit, in steeds preciezere informatieverstrekking over de hoogte van de investering. Het uiteindelijke besluit over de vervanging wordt volgens de planning verwacht in 2018, binnen de dan geldende budgettaire kaders.
Internationale samenwerking
De beoogde vervanging van de Walrusklasse levert een belangrijke bijdrage aan de gezamenlijke slagkracht in Navo en EU-kader. Nederland kan zich een capabele en betrouwbare bondgenoot tonen door te investeren in prioritaire capaciteitsgebieden en door capaciteiten te vervangen die in andere Europese landen niet of beperkt voorhanden zijn. Met uitzondering van Nederland beschikken de overige Europese landen op dit ogenblik niet over expeditionair inzetbare conventionele onderzeeboten voor verkenning en inlichtingenvergaring (‘NATO priority shortfall area Joint Intelligence Surveillance and Reconnaissance (JISR)’). Ook heeft de Navo onderzeebootbestrijding aangemerkt als een capaciteitsgebied waarop tekorten bestaan (‘NATO priority shortfall area Anti Submarine Warfare (ASW)').
Nauwe samenwerking met partnerlanden bij het ontwerp, de bouw, de instandhouding en de inzet van onderzeeboten biedt voordelen. Ook vergroot het de mogelijkheden om de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen te versterken. De voordelen bij onderzeebootsamenwerking worden niet zozeer bereikt door operationele inzet vanuit een gezamenlijke pool of een gedeelde capaciteit. De reden hiervoor is dat de meeste landen hun onderzeeboten op grond van nationale veiligheidsoverwegingen zelfstandig willen kunnen inzetten. De voordelen worden eerder gevonden op het terrein van de operationele gereedheid (opleiding en training) en de materiële gereedheid (onderhoud, reservedelen, programma’s voor levensduurverlenging). De onderzeedienst werkt op dergelijke terreinen ook nu al samen met verschillende landen (zie het overzicht in de bijlage bij deze brief).
Voor de vervanging van de Walrusklasse wordt onderzocht hoe de doelmatigheid, met het oog op de total cost of ownership, verder kan worden vergroot. Nederland streeft daarom naar vergaande samenwerking gedurende de gehele levenscyclus van het materieel en stelt geen harde grens aan de reikwijdte van de samenwerking. Zelfs de inzet van multinationale bemanningen bij oefeningen of operaties moet worden overwogen. Nederland draagt deze ambitie uit in de internationale contacten, maar is tegelijk afhankelijk van de bereidheid van partners om stappen te zetten. Om maximaal voordeel uit samenwerking te kunnen behalen, moeten de Nederlandse onderzeeboten waar mogelijk over dezelfde eigenschappen, systemen en gebruiksfilosofieën beschikken als die van de partnerlanden. Bij een complex technisch geïntegreerd systeem zoals een onderzeeboot kan een beperkte afwijking al van invloed zijn op de diepgang van de samenwerking.
De samenwerking met partnerlanden
Nederland volgt de ontwikkelingen betreffende de vervanging van onderzeeboten in een aantal landen op de voet. Waar mogelijk zal Nederland kansen benutten om partners te betrekken bij het eigen vervangingstraject. Hiermee kunnen de voordelen van samenwerking worden vergroot en is de beoogde verdieping niet afhankelijk van de bereidheid van één partner. De ontwikkelingen in Australië, Canada, Duitsland, Noorwegen en Zweden bieden hiervoor op dit moment de meeste aanknopingspunten:
- Australië hanteert een min of meer gelijke termijn voor de vervanging van zes conventionele Collinsklasse onderzeeboten. De behoefte gaat momenteel uit naar een veel grotere, duurdere onderzeeboot. Afhankelijk van het ontwerp kan samenwerking nader worden onderzocht, al is de geografische afstand een beperkende factor. Australië hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren. Het land heeft op 20 februari jl. aangekondigd werven in Duitsland, Frankrijk en Japan voorstellen te laten doen voor een nieuw ontwerp;
- Canada bereidt besluitvorming voor over levensverlengend onderhoud van de huidige vier conventionele Victoriaklasse onderzeeboten. Canada hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren, maar oriënteert zich vooralsnog niet op een vervangende onderzeebootcapaciteit;
- Duitsland beschikt over een nationale onderzeebootbouwindustrie (TKMS). Gezamenlijke of gelijktijdige vervanging met Duitsland is momenteel niet aan de orde omdat het net heeft geïnvesteerd in zes conventionele T212 onderzeeboten. Anderzijds kan betrokkenheid van de Duitse industrie interessant zijn, mede met het oog op de bredere maritieme samenwerking met het land. Duitsland hanteert wel een ander concept van opereren dan Nederland;
- de Noorse regering heeft eind november 2014 formeel besloten om vanaf midden jaren twintig zes conventionele Ulaklasse onderzeeboten te vervangen. De vervanging van de Nederlandse onderzeeboten is (in de planning) voorzien in dezelfde periode. Noorwegen is een strategische partner en al vele jaren is er sprake van samenwerking op tal van terreinen, ook op onderzeebootgebied. Noorwegen hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren. Om deze redenen lijkt de samenwerking met Noorwegen vooralsnog goede vooruitzichten te bieden op verdere verdieping. Wel oriënteert Noorwegen zich op kleinere onderzeeboten die minder geschikt zijn voor expeditionaire inzet en geïntegreerd optreden met een maritieme taakgroep. De mate waarin de functionele eisen voor de vervangende capaciteit uiteindelijk overeenkomen, bepaalt in belangrijke mate hoe vergaand de samenwerking kan zijn;
- Zweden beschikt eveneens over een nationale onderzeebootindustrie (Saab-Kockums) en heeft reeds opdracht gegeven voor de bouw van nieuwe onderzeeboten vanaf midden 2020. Samenwerking met Zweden zal sterk worden beïnvloed door de Zweedse industriële belangen. Dit kan de mogelijkheden voor een goede positionering van de Nederlandse industrie beperken, maar het kan - zoals blijkt uit de recent aangekondigde samenwerking tussen Damen en Saab - ook kansen bieden. Zweden hanteert wel een ander concept van opereren dan Nederland.
Industriële participatie
De samenwerking met de nationale industrie en de kennisinstituten zal zoveel mogelijk geschieden in het kader van de Defensie Industrie Strategie (DIS) en het Convenant kennisgroep Nederlandse marinebouw. 1 De vijf prioritaire technologiegebieden uit de DIS komen allemaal in beeld bij de vervanging. Defensie onderkent dat de betrokkenheid van de industrie en kennisinstituten nodig is om voldoende kennis op te bouwen en te waarborgen, en om de technische risico’s beheersbaar te houden. Een volgende generatie onderzeeboten vergt de toepassing van hoogwaardige technologische kennis over signatuurreductie, systeemintegratie, bewapening en zelfbescherming. Defensie zal de beschikbare kennis hierover verder moeten vergroten om als smart buyer en smart specifier realistische en kosteneffectieve eisen te kunnen stellen aan het ontwerp, de bouw en de exploitatie.
De Nederlandse industrie met specifieke maritieme en onderzeebootkennis heeft zich verenigd in het Dutch Underwater Knowledge Center (DUKC), een samenwerkingsplatform onder de NIDV. De kennisinstituten TNO en MARIN beschikken eveneens over specifieke onderzeebootkennis. De kennisinstituten en het DUKC vervullen reeds een belangrijke rol in het instandhoudingsprogramma voor de Walrusklasse. Daarmee is belangrijke kennis opgedaan, behouden en uitgebreid. Het DUKC is betrokken bij de voorbereidende studies voor de vervangende onderzeebootcapaciteit en ondersteunt de contacten tussen Defensie en de nationale maritieme industrie. Het DUKC heeft de
onderzeebootkennis in Nederland geïnventariseerd. Denk daarbij aan het ontwerpen van de drukhuid, platformautomatisering, weerstand en voortstuwing, Combat Management System (CMS), Sensoren, Wapens en Communicatie (SEWACO), functioneel ontwerp en signaturen. Tegelijk stelt het DUKC vast dat specifieke kennis en ervaring voor de bouw van onderzeeboten in Nederland ontbreken. Het DUKC heeft de ambitie om deel te nemen aan de totstandkoming en exploitatie van de nieuwe capaciteit.2 Daarnaast hebben Damen Shipyards en het Zweedse SAAB-Kockums, zoals gezegd, strategische samenwerking op het gebied van onderzeebootbouw aangekondigd. Defensie zal voorstellen van de industrie betrekken bij de voorbereiding van de besluitvorming en zowel de baten als de kosten van industriële participatie in kaart brengen.
Industriële participatie
De samenwerking met de nationale industrie en de kennisinstituten zal zoveel mogelijk geschieden in het kader van de Defensie Industrie Strategie (DIS) en het Convenant kennisgroep Nederlandse marinebouw. 1 De vijf prioritaire technologiegebieden uit de DIS komen allemaal in beeld bij de vervanging. Defensie onderkent dat de betrokkenheid van de industrie en kennisinstituten nodig is om voldoende kennis op te bouwen en te waarborgen, en om de technische risico’s beheersbaar te houden. Een volgende generatie onderzeeboten vergt de toepassing van hoogwaardige technologische kennis over signatuurreductie, systeemintegratie, bewapening en zelfbescherming. Defensie zal de beschikbare kennis hierover verder moeten vergroten om als smart buyer en smart specifier realistische en kosteneffectieve eisen te kunnen stellen aan het ontwerp, de bouw en de exploitatie.
De Nederlandse industrie met specifieke maritieme en onderzeebootkennis heeft zich verenigd in het Dutch Underwater Knowledge Center (DUKC), een samenwerkingsplatform onder de NIDV. De kennisinstituten TNO en MARIN beschikken eveneens over specifieke onderzeebootkennis. De kennisinstituten en het DUKC vervullen reeds een belangrijke rol in het instandhoudingsprogramma voor de Walrusklasse. Daarmee is belangrijke kennis opgedaan, behouden en uitgebreid. Het DUKC is betrokken bij de voorbereidende studies voor de vervangende onderzeebootcapaciteit en ondersteunt de contacten tussen Defensie en de nationale maritieme industrie. Het DUKC heeft de onderzeebootkennis in Nederland geïnventariseerd. Denk daarbij aan het ontwerpen van de drukhuid, platformautomatisering, weerstand en voortstuwing, Combat Management System (CMS), Sensoren, Wapens en Communicatie (SEWACO), functioneel ontwerp en signaturen. Tegelijk stelt het DUKC vast dat specifieke kennis en ervaring voor de bouw van onderzeeboten in Nederland ontbreken. Het DUKC heeft de ambitie om deel te nemen aan de totstandkoming en exploitatie van de nieuwe capaciteit.2 Daarnaast hebben Damen Shipyards en het Zweedse SAAB-Kockums, zoals gezegd, strategische samenwerking op het gebied van onderzeebootbouw aangekondigd. Defensie zal voorstellen van de industrie betrekken bij de voorbereiding van de besluitvorming en zowel de baten als de kosten van industriële participatie in kaart brengen.
_______________________________________________________________________________
1 Op 17 september 2012 hebben de minister van Defensie en het Nederlands Marinebouw Cluster een convenant gesloten, om gezamenlijk de benodigde kennis voor de ontwikkeling en bouw van militaire oppervlakteschepen te waarborgen, deze kennis onderling beschikbaar te stellen en de inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van nieuwe generaties schepen op elkaar af te stemmen en te synchroniseren.
2 DUKC rapport ‘The Capabilities and Participation Objectives of Industries in the Netherlands – The Industrial Submarine Knowledge Base’ (2014).
_______________________________________________________________________________
Ten slotte
Deze brief onderstreept het belang dat Defensie hecht aan de vervanging van de Walrusklasse onderzeeboten. In de nota In het belang van Nederland is reeds kenbaar gemaakt dat Defensie de vervanging alleen kan realiseren als de nieuwe onderzeeboten samen met een of meer partnerlanden worden ontwikkeld, gebouwd en geëxploiteerd. Gedurende het DMP, dat het kader vormt voor de besluitvorming, zal daarom nadrukkelijk aandacht worden geschonken aan de internationale samenwerkingsmogelijkheden. Harmonisatie en standaardisatie leiden tot meer mogelijkheden tot samenwerking en kostenreductie. Daarentegen kan de wens om te blijven beschikken over een expeditionair inzetbare onderzeeboot grenzen stellen aan verdere verdieping van de onderzeebootsamenwerking met één of meer partnerlanden. De eerste stap in het DMP betreft de wijze waarop de behoefte moet worden vervuld. Tot de vervolgstappen behoren voorts kosten-batenanalyses en alternatievenvergelijkingen. Hierbij worden vanzelfsprekend operationele, financiële en industriële aspecten betrokken. Het uiteindelijke besluit wordt in 2018 verwacht.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(Bron)
11 juni 2015
Inleiding
Hierbij bied ik u de brief aan over de toekomst van de Nederlandse onderzeedienst. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie-Knops (Kamerstuk 33 763, nr. 18 van 6 november 2013) en licht ik het, reeds in de nota In het belang van Nederland vastgestelde, belang van de vervanging van de Walrusklasse nader toe. Het ontwerp van de Walrusklasse markeerde in de jaren zeventig van de vorige eeuw een ingrijpende omwenteling op het vlak van de bouw, de bedrijfsvoering en de inzet van onderzeeboten. Sinds de invoering begin jaren negentig van de vorige eeuw heeft dit concept zijn toegevoegde waarde bewezen. Om de huidige onderzeeboten vanaf 2025 te kunnen vervangen, moet in 2015 worden begonnen met de voorbereiding daarvan (zie ook antwoorden op de vragenlijst inzake de vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2015, brief van 23 oktober 2014). De komende jaren zijn nodig om op zorgvuldige wijze de vervanging van dit complexe wapensysteem gestalte te geven. Vanzelfsprekend kan op de goede ervaringen met de Walrusklasse worden voortgebouwd, maar ook andere vervangingsopties zullen worden overwogen. Optimale benutting van de samenwerkingsmogelijkheden met partnerlanden vormt het uitgangspunt. Ook de nationale kennisinstituten en de defensie- en veiligheidgerelateerde industrie worden in een vroeg stadium bij de vervanging betrokken.
Belang voor Nederland
Voor Nederland, met zijn grote zeehavens en maritieme belangen in Europa, het Caribisch gebied en andere delen van de wereld, is een militaire capaciteit om onder water te kunnen optreden van belang. Vanwege hun specifieke eigenschappen zijn de Nederlandse onderzeeboten een relevante nichecapaciteit voor de Navo en de EU. De internationale machtsverhoudingen verschuiven en een toenemend aantal spelers wil de zee in strategische zin en voor eigen gewin benutten. Alleen de onderzeeboot kan gedurende langere tijd onopgemerkt blijven, ook in een omgeving waar de dreiging groot is en geen militair overwicht bestaat. De onderzeeboot is zeer geschikt voor de bescherming van scheepvaart en handelsroutes, voor de ondersteuning van militaire interventies, en om vijandelijke eenheden bewegingsvrijheid te ontnemen. Met een relatief beperkte militaire inzet kan in uiteenlopende inzetscenario's, op en vanuit zee, een groot effect worden bereikt. Het afdwingen van een wapenembargo door middel van een maritieme blokkade en het (ver)hinderen van maritieme operaties van de tegenstander zijn hier voorbeelden van.
Als gevolg van de afstoting van de maritieme patrouillevliegtuigen en de vermindering van het aantal M-fregatten, beschikt de Nederlandse krijgsmacht uitsluitend nog over onderzeeboten voor de verdediging van vlootverbanden op grotere afstand. De Nederlandse onderzeeboten hebben voorts, eventueel in combinatie met de inzet van special forces, een belangrijke inlichtingenfunctie. In internationaal verband leveren zij bovendien een unieke capaciteit. De huidige Nederlandse onderzeeboten kunnen namelijk verder van een thuishaven en gedurende een langere periode worden ingezet dan de conventionele onderzeeboten van andere Europese landen. Een dergelijke expeditionaire onderzeebootcapaciteit is voor Nederland tevens van belang met het oog op de veiligheid van het Koninkrijk in het Caribisch gebied. Met de beoogde vervanging van zijn onderzeebootcapaciteit zou Nederland een aanzienlijke bijdrage leveren aan de vervulling van de in Navo-kader vastgestelde prioritaire behoeften op het gebied van onderzeebootbestrijding, beeldopbouw en inlichtingenvergaring.
Veiligheidspolitieke context
Verslechterde veiligheidssituatie
De wereld is er de afgelopen jaren niet veiliger op geworden. De beleidsbrief ‘Turbulente Tijden in een Instabiele Omgeving’ (Kamerstuk 33 694, nr. 6 van 14 november 2014) bevat een analyse van de internationale veiligheidssituatie, in aanvulling op de eerder vastgestelde Internationale Veiligheidsstrategie. Veiligheidsrisico’s die al langer werden onderkend, hebben zich inmiddels gemanifesteerd als reële bedreigingen. Er lijkt zich een multipolaire wereldorde af te tekenen, waarin de Europese veiligheid en de internationale rechtsorde in toenemende mate onder druk staan. Conflicten en destabiliserende krachten dringen zich in de (directe) nabijheid van Europa op. De Nederlandse samenleving ondervindt daarvan rechtstreeks de gevolgen, mede omdat de interne en externe veiligheid steeds nauwer verweven zijn. Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van voortdurende instabiliteit aan de zuid- en oostflanken van Europa. In dit licht vergt ook de collectieve verdediging nadrukkelijk de aandacht. Bovendien kunnen zich nieuwe crises aandienen, zowel in de omgeving van Europa als verder weg. Van de Europese landen wordt in bondgenootschappelijk verband verwacht dat zij meer verantwoordelijkheid nemen voor hun veiligheid en de bescherming van hun belangen. Dit vergt, ook van Nederland, inspanningen ter versterking van de gezamenlijke slagkracht en een verdere verdieping van de samenwerking.
Het maritieme domein
Naar verwachting zal er, in de komende decennia, bij veel bedreigingen, spanningen en conflicten sprake zijn van een maritieme dimensie. De Nederlandse maritieme strategie 2015-2025 (Kamerstuk 31 409, nr. 70 van 16 januari 2015), de maritieme strategie van de Navo en de maritieme veiligheidsstrategie van de EU geven hiervan blijk. De afgelopen jaren is er sprake van een toenemend bewustzijn over het feit dat zeetransportroutes, zeestraten en maritieme knooppunten overal ter wereld kwetsbaar zijn. Steeds meer staten en niet-statelijke actoren beconcurreren elkaar over het gebruik van - en de controle over - dergelijke zeegebieden. Ook nieuwe routes en gebieden die in economische zin belangrijker worden, zoals de Arctische regio, zullen de komende decennia extra aandacht vergen. Het vrije gebruik van de zee is gereguleerd door het internationale zeerecht, maar niet alle staten hanteren dezelfde interpretatie daarvan. Disputen kunnen ertoe leiden dat staten diplomatieke en economische machtsmiddelen kracht bijzetten met maritieme presentie en militaire inzet.
Beperking of ontwrichting van het internationale scheepvaartverkeer, ook op grote afstand van Nederland, kan onze veiligheid en welvaart onmiddellijk treffen. De maritieme militaire machtsopbouw in Rusland en Azië, inclusief de proliferatie van moderne onderzeeboten, fregatten en raketsystemen, baart zorgen. Ook in Latijns-Amerika is sprake van een toenemende inzet van moderne marines waarvan onderzeeboten deel uitmaken. In de steeds diffusere veiligheidsomgeving zijn surveillance, beeldopbouw en goede inlichtingen cruciaal om te kunnen anticiperen op mogelijke dreigingen en conflicten, en zo ook om expeditionaire militaire operaties veilig en doelgericht te kunnen uitvoeren. Bovendien moeten de Navo-lidstaten, ook in het maritieme domein, beschikken over voldoende escalatiedominantie en het vermogen om vitale belangen mondiaal te beschermen.
Het wapensysteem
De onderzeeboot is een van de belangrijke grote wapensystemen waaraan de krijgsmacht zijn slagkracht ontleent. In het militaire optreden is het een van de weinige mogelijkheden om langdurig onopgemerkt te blijven. In tegenstelling tot oppervlakteschepen kunnen onderzeeboten kustgebieden of vijandelijke eenheden zeer dicht naderen zonder te worden opgemerkt. Dat geldt ook voor gebieden waar de tegenstander beschikt over het vermogen om anderen de toegang te ontzeggen (Anti Access, Area Denial). Voor de politieke en militaire besluitvorming kan de onderzeeboot cruciale informatie opleveren die niet op een andere manier kan worden verkregen. Verder kan de onderzeeboot niet alleen de situatie op zee, maar ook op land beïnvloeden. Zelfs in ondiep water waar de manoeuvreerruimte voor de onderzeeboot beperkt is, vergt het immers een relatief grote militaire inspanning om onderzeeboten op te sporen en te volgen. Conventionele onderzeeboten, zoals de huidige Walrusklasse, zijn beter geschikt voor operaties in ondiepe wateren dan de, over het algemeen grotere, nucleaire onderzeeboten. De voordelen van nucleair aangedreven onderzeeboten, waaronder de zeer grote actieradius en het vermogen om langdurig hogere snelheden vol te houden, gelden vooral in diepere wateren. De verschillende typen onderzeeboten zijn in internationaal verband complementair.
De kracht van de huidige Nederlandse onderzeeboot
De Nederlandse onderzeeboten van de Walrusklasse treden op als verkenner, wapendrager en uitvalsbasis voor speciale operaties. De inzet is gericht op de beïnvloeding van het gedrag van staten en de bestrijding van internationaal georganiseerd terrorisme en zware criminaliteit. Voorbeelden vormen het afdwingen van een maritieme blokkade zoals midden jaren negentig van de vorige eeuw in de Adriatische zee, de bestrijding van drugssmokkel in het Caribisch gebied en, recenter, de inzet voor piraterijbestrijding in de wateren rondom de Hoorn van Afrika. Ook in de toekomst moet de Nederlandse onderzeeboot in staat zijn om, zowel geïntegreerd in een maritieme taakgroep als zelfstandig, langdurig operaties uit te voeren ver van een thuisbasis, ook in gebieden waar een hoog dreigingsniveau heerst. In het operatiegebied moeten verschillende taken kunnen worden uitgevoerd in de opeenvolgende fases van het maritieme optreden. De bundeling van vier specifieke vermogens in één platform bepalen de kracht en veelzijdigheid van de Nederlandse onderzeeboot:
- Geloofwaardige, grote en precieze maritieme slagkracht – het vermogen om onverhoeds grote slagkracht aan te wenden in gebieden waar (nog) geen militair overwicht is. Dit kan zowel defensieve als offensieve slagkracht betreffen tijdens interventies op en vanuit zee. Door de onderzeeboot gelanceerde torpedo’s kunnen met grote precisie schepen en onderzeeboten direct uitschakelen om de tegenstander het gebruik van de zee te ontzeggen of te beperken (Sea Denial en Sea Control) en een eigen vlootverband te beschermen. Nederland levert hiermee een belangrijke capaciteit in het maritieme concept van de NAVO voor Anti Submarine Warfare en Anti Surface Warfare.
- Verzamelen, analyseren en delen van inlichtingen – het vermogen om, weken aaneengesloten, heimelijk in een gebied activiteiten van (potentiële) tegenstanders te observeren en real time te analyseren. De verzamelde inlichtingen over de gereedheid, capaciteiten en operatiepatronen vergroten de mogelijkheid om de intenties en feitelijke gedragingen van (potentiële) tegenstanders te beoordelen. Hiermee versterkt Nederland tevens zijn internationale inlichtingenpositie die berust op het principe quid pro quo. Voorafgaand aan en tijdens een conflict kunnen de operationele en tactische inlichtingen van de onderzeeboot bepalend zijn voor de doelgerichtheid van maritieme operaties. De inlichtingenfunctie is van groot belang voor de beeldopbouw en de vergroting van situational awareness.
- Speciale operaties – het vermogen om als uitvalsbasis te dienen voor de heimelijke inzet van special forces nabij en op het grondgebied van een (potentiële) tegenstander om inlichtingen te verzamelen, strategische doelen of infrastructuur uit te schakelen, of voorbereidingen te treffen voor vervolgoperaties. Dergelijke acties kunnen onder meer betrekking hebben op de voorbereiding van een amfibische operatie, een doelgerichte aanval, bevrijding van gijzelaars, of de evacuatie van Nederlandse staatsburgers onder bedreigende omstandigheden.
- Strategische beïnvloeding – het vermogen om met een relatief beperkte militaire inzet het gedrag van tegenstanders doelgericht te beïnvloeden. Dit vermogen vormt eigenlijk de optelsom van de hiervoor genoemde kenmerken. De dreiging die van de aangekondigde of vermoede aanwezigheid van onderzeeboten uitgaat, kan de tegenstander dwingen tot ingrijpende voorzorgsmaatregelen en aanpassing van zijn strategie en operatiepatroon.
De nieuwe onderzeebootcapaciteit
De uitgangspunten zoals verwoord in de nota In het belang van Nederland zijn leidend voor de vervanging en daarmee voor de vaststelling van de behoefte en de functionele eisen voor de opvolger van de Walrusklasse. De huidige inzetbaarheidsdoelstelling is: het onafgebroken beschikbaar hebben van één onderzeeboot voor langdurige inzet, of twee onderzeeboten voor een kortere periode. De inzetbaarheid van onderzeeboten valt of staat ook in de toekomst met de robuustheid van de ondersteunende organisatie en de personele beschikbaarheid.
Veelzijdigheid en aanpassingsvermogen
De Nederlandse onderzeeboot is door de bundeling van specifieke vermogens voor verschillende taken inzetbaar. De bescherming van de belangen van het Koninkrijk, ook in het Caribisch gebied, is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de inzet in nieuwe maritieme aandachtsgebieden. Met het oog op de veranderlijke aard van de veiligheidsomgeving moeten militaire capaciteiten over ‘groeipotentieel’ beschikken. Het aanpassingsvermogen gedurende de (relatief lange) levensduur van de onderzeeboot wordt onder meer bereikt door reserves en flexibiliteit in te bouwen met het oog op modificaties, modulaire aanpassing van bemensing en functionaliteit, instandhoudingsprogramma’s en de toekomstige toevoeging van externe sensoren zoals Unmanned Underwater Vehicles (UUV’s). De toepassing van nieuwe technologie maakt het waarschijnlijk mogelijk om op nieuwe onderzeeboten kleinere bemanningen in te zetten zonder daarmee afbreuk te doen aan de prestaties. Het is onwaarschijnlijk dat de komende decennia onbemande systemen beschikbaar komen die de beoogde combinatie van taken langdurig autonoom kunnen uitvoeren.
Het diffuse dreigingsbeeld en de proliferatie van wapentechnologie kunnen de komende decennia voorts nopen tot betere zelfverdediging en verbreding van de mogelijkheden tot wapeninzet. De huidige onderzeeboot beschikt alleen over zware torpedo’s tegen doelen op zee en onder water. Deze bieden grote slagkracht, maar zijn minder goed bruikbaar tegen kleine oppervlaktedoelen en hebben geen nut tegen vijandelijke torpedo’s, vliegtuigen en helikopters. Differentiatie van de bewapening van de nieuwe onderzeeboot verhoogt de operationele effectiviteit. Daarbij kunnen overwegingen van proportionaliteit en niet-letale effecten worden betrokken (schepen onklaar maken in plaats van deze te vernietigen). Ook kan het nodig blijken de nieuwe onderzeeboot toe te rusten met voorzieningen voor de lancering van missiles. Of naast de beoogde ‘provisions for’ deze wapens werkelijk deel moeten uitmaken van de vervanging is, afgezien van financiële overwegingen, mede afhankelijk van de ontwikkeling van het dreigingsbeeld en de in internationaal kader vastgestelde behoeften.
Financiële aspecten
De besluitvorming over de vervanging vergt een integrale afweging op basis van een overzicht van alle met de vervanging gepaard gaande kosten, waaronder de instandhouding en de ondersteuning van de onderzeebootcapaciteit gedurende de gehele levensduur (Life Cycle Costing - LCC). Gezien de complexiteit van het wapensysteem en de keuze om de vervanging gestalte te geven in nauwe samenwerking met partners, zowel nationaal als internationaal, zal het inzicht in de kosten stapsgewijs toenemen. De verschillende fasen in het defensiematerieelproces (DMP) voorzien, op weg naar een finaal besluit, in steeds preciezere informatieverstrekking over de hoogte van de investering. Het uiteindelijke besluit over de vervanging wordt volgens de planning verwacht in 2018, binnen de dan geldende budgettaire kaders.
Internationale samenwerking
De beoogde vervanging van de Walrusklasse levert een belangrijke bijdrage aan de gezamenlijke slagkracht in Navo en EU-kader. Nederland kan zich een capabele en betrouwbare bondgenoot tonen door te investeren in prioritaire capaciteitsgebieden en door capaciteiten te vervangen die in andere Europese landen niet of beperkt voorhanden zijn. Met uitzondering van Nederland beschikken de overige Europese landen op dit ogenblik niet over expeditionair inzetbare conventionele onderzeeboten voor verkenning en inlichtingenvergaring (‘NATO priority shortfall area Joint Intelligence Surveillance and Reconnaissance (JISR)’). Ook heeft de Navo onderzeebootbestrijding aangemerkt als een capaciteitsgebied waarop tekorten bestaan (‘NATO priority shortfall area Anti Submarine Warfare (ASW)').
Nauwe samenwerking met partnerlanden bij het ontwerp, de bouw, de instandhouding en de inzet van onderzeeboten biedt voordelen. Ook vergroot het de mogelijkheden om de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen te versterken. De voordelen bij onderzeebootsamenwerking worden niet zozeer bereikt door operationele inzet vanuit een gezamenlijke pool of een gedeelde capaciteit. De reden hiervoor is dat de meeste landen hun onderzeeboten op grond van nationale veiligheidsoverwegingen zelfstandig willen kunnen inzetten. De voordelen worden eerder gevonden op het terrein van de operationele gereedheid (opleiding en training) en de materiële gereedheid (onderhoud, reservedelen, programma’s voor levensduurverlenging). De onderzeedienst werkt op dergelijke terreinen ook nu al samen met verschillende landen (zie het overzicht in de bijlage bij deze brief).
Voor de vervanging van de Walrusklasse wordt onderzocht hoe de doelmatigheid, met het oog op de total cost of ownership, verder kan worden vergroot. Nederland streeft daarom naar vergaande samenwerking gedurende de gehele levenscyclus van het materieel en stelt geen harde grens aan de reikwijdte van de samenwerking. Zelfs de inzet van multinationale bemanningen bij oefeningen of operaties moet worden overwogen. Nederland draagt deze ambitie uit in de internationale contacten, maar is tegelijk afhankelijk van de bereidheid van partners om stappen te zetten. Om maximaal voordeel uit samenwerking te kunnen behalen, moeten de Nederlandse onderzeeboten waar mogelijk over dezelfde eigenschappen, systemen en gebruiksfilosofieën beschikken als die van de partnerlanden. Bij een complex technisch geïntegreerd systeem zoals een onderzeeboot kan een beperkte afwijking al van invloed zijn op de diepgang van de samenwerking.
De samenwerking met partnerlanden
Nederland volgt de ontwikkelingen betreffende de vervanging van onderzeeboten in een aantal landen op de voet. Waar mogelijk zal Nederland kansen benutten om partners te betrekken bij het eigen vervangingstraject. Hiermee kunnen de voordelen van samenwerking worden vergroot en is de beoogde verdieping niet afhankelijk van de bereidheid van één partner. De ontwikkelingen in Australië, Canada, Duitsland, Noorwegen en Zweden bieden hiervoor op dit moment de meeste aanknopingspunten:
- Australië hanteert een min of meer gelijke termijn voor de vervanging van zes conventionele Collinsklasse onderzeeboten. De behoefte gaat momenteel uit naar een veel grotere, duurdere onderzeeboot. Afhankelijk van het ontwerp kan samenwerking nader worden onderzocht, al is de geografische afstand een beperkende factor. Australië hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren. Het land heeft op 20 februari jl. aangekondigd werven in Duitsland, Frankrijk en Japan voorstellen te laten doen voor een nieuw ontwerp;
- Canada bereidt besluitvorming voor over levensverlengend onderhoud van de huidige vier conventionele Victoriaklasse onderzeeboten. Canada hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren, maar oriënteert zich vooralsnog niet op een vervangende onderzeebootcapaciteit;
- Duitsland beschikt over een nationale onderzeebootbouwindustrie (TKMS). Gezamenlijke of gelijktijdige vervanging met Duitsland is momenteel niet aan de orde omdat het net heeft geïnvesteerd in zes conventionele T212 onderzeeboten. Anderzijds kan betrokkenheid van de Duitse industrie interessant zijn, mede met het oog op de bredere maritieme samenwerking met het land. Duitsland hanteert wel een ander concept van opereren dan Nederland;
- de Noorse regering heeft eind november 2014 formeel besloten om vanaf midden jaren twintig zes conventionele Ulaklasse onderzeeboten te vervangen. De vervanging van de Nederlandse onderzeeboten is (in de planning) voorzien in dezelfde periode. Noorwegen is een strategische partner en al vele jaren is er sprake van samenwerking op tal van terreinen, ook op onderzeebootgebied. Noorwegen hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren. Om deze redenen lijkt de samenwerking met Noorwegen vooralsnog goede vooruitzichten te bieden op verdere verdieping. Wel oriënteert Noorwegen zich op kleinere onderzeeboten die minder geschikt zijn voor expeditionaire inzet en geïntegreerd optreden met een maritieme taakgroep. De mate waarin de functionele eisen voor de vervangende capaciteit uiteindelijk overeenkomen, bepaalt in belangrijke mate hoe vergaand de samenwerking kan zijn;
- Zweden beschikt eveneens over een nationale onderzeebootindustrie (Saab-Kockums) en heeft reeds opdracht gegeven voor de bouw van nieuwe onderzeeboten vanaf midden 2020. Samenwerking met Zweden zal sterk worden beïnvloed door de Zweedse industriële belangen. Dit kan de mogelijkheden voor een goede positionering van de Nederlandse industrie beperken, maar het kan - zoals blijkt uit de recent aangekondigde samenwerking tussen Damen en Saab - ook kansen bieden. Zweden hanteert wel een ander concept van opereren dan Nederland.
Industriële participatie
De samenwerking met de nationale industrie en de kennisinstituten zal zoveel mogelijk geschieden in het kader van de Defensie Industrie Strategie (DIS) en het Convenant kennisgroep Nederlandse marinebouw. 1 De vijf prioritaire technologiegebieden uit de DIS komen allemaal in beeld bij de vervanging. Defensie onderkent dat de betrokkenheid van de industrie en kennisinstituten nodig is om voldoende kennis op te bouwen en te waarborgen, en om de technische risico’s beheersbaar te houden. Een volgende generatie onderzeeboten vergt de toepassing van hoogwaardige technologische kennis over signatuurreductie, systeemintegratie, bewapening en zelfbescherming. Defensie zal de beschikbare kennis hierover verder moeten vergroten om als smart buyer en smart specifier realistische en kosteneffectieve eisen te kunnen stellen aan het ontwerp, de bouw en de exploitatie.
De Nederlandse industrie met specifieke maritieme en onderzeebootkennis heeft zich verenigd in het Dutch Underwater Knowledge Center (DUKC), een samenwerkingsplatform onder de NIDV. De kennisinstituten TNO en MARIN beschikken eveneens over specifieke onderzeebootkennis. De kennisinstituten en het DUKC vervullen reeds een belangrijke rol in het instandhoudingsprogramma voor de Walrusklasse. Daarmee is belangrijke kennis opgedaan, behouden en uitgebreid. Het DUKC is betrokken bij de voorbereidende studies voor de vervangende onderzeebootcapaciteit en ondersteunt de contacten tussen Defensie en de nationale maritieme industrie. Het DUKC heeft de
onderzeebootkennis in Nederland geïnventariseerd. Denk daarbij aan het ontwerpen van de drukhuid, platformautomatisering, weerstand en voortstuwing, Combat Management System (CMS), Sensoren, Wapens en Communicatie (SEWACO), functioneel ontwerp en signaturen. Tegelijk stelt het DUKC vast dat specifieke kennis en ervaring voor de bouw van onderzeeboten in Nederland ontbreken. Het DUKC heeft de ambitie om deel te nemen aan de totstandkoming en exploitatie van de nieuwe capaciteit.2 Daarnaast hebben Damen Shipyards en het Zweedse SAAB-Kockums, zoals gezegd, strategische samenwerking op het gebied van onderzeebootbouw aangekondigd. Defensie zal voorstellen van de industrie betrekken bij de voorbereiding van de besluitvorming en zowel de baten als de kosten van industriële participatie in kaart brengen.
Industriële participatie
De samenwerking met de nationale industrie en de kennisinstituten zal zoveel mogelijk geschieden in het kader van de Defensie Industrie Strategie (DIS) en het Convenant kennisgroep Nederlandse marinebouw. 1 De vijf prioritaire technologiegebieden uit de DIS komen allemaal in beeld bij de vervanging. Defensie onderkent dat de betrokkenheid van de industrie en kennisinstituten nodig is om voldoende kennis op te bouwen en te waarborgen, en om de technische risico’s beheersbaar te houden. Een volgende generatie onderzeeboten vergt de toepassing van hoogwaardige technologische kennis over signatuurreductie, systeemintegratie, bewapening en zelfbescherming. Defensie zal de beschikbare kennis hierover verder moeten vergroten om als smart buyer en smart specifier realistische en kosteneffectieve eisen te kunnen stellen aan het ontwerp, de bouw en de exploitatie.
De Nederlandse industrie met specifieke maritieme en onderzeebootkennis heeft zich verenigd in het Dutch Underwater Knowledge Center (DUKC), een samenwerkingsplatform onder de NIDV. De kennisinstituten TNO en MARIN beschikken eveneens over specifieke onderzeebootkennis. De kennisinstituten en het DUKC vervullen reeds een belangrijke rol in het instandhoudingsprogramma voor de Walrusklasse. Daarmee is belangrijke kennis opgedaan, behouden en uitgebreid. Het DUKC is betrokken bij de voorbereidende studies voor de vervangende onderzeebootcapaciteit en ondersteunt de contacten tussen Defensie en de nationale maritieme industrie. Het DUKC heeft de onderzeebootkennis in Nederland geïnventariseerd. Denk daarbij aan het ontwerpen van de drukhuid, platformautomatisering, weerstand en voortstuwing, Combat Management System (CMS), Sensoren, Wapens en Communicatie (SEWACO), functioneel ontwerp en signaturen. Tegelijk stelt het DUKC vast dat specifieke kennis en ervaring voor de bouw van onderzeeboten in Nederland ontbreken. Het DUKC heeft de ambitie om deel te nemen aan de totstandkoming en exploitatie van de nieuwe capaciteit.2 Daarnaast hebben Damen Shipyards en het Zweedse SAAB-Kockums, zoals gezegd, strategische samenwerking op het gebied van onderzeebootbouw aangekondigd. Defensie zal voorstellen van de industrie betrekken bij de voorbereiding van de besluitvorming en zowel de baten als de kosten van industriële participatie in kaart brengen.
_______________________________________________________________________________
1 Op 17 september 2012 hebben de minister van Defensie en het Nederlands Marinebouw Cluster een convenant gesloten, om gezamenlijk de benodigde kennis voor de ontwikkeling en bouw van militaire oppervlakteschepen te waarborgen, deze kennis onderling beschikbaar te stellen en de inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van nieuwe generaties schepen op elkaar af te stemmen en te synchroniseren.
2 DUKC rapport ‘The Capabilities and Participation Objectives of Industries in the Netherlands – The Industrial Submarine Knowledge Base’ (2014).
_______________________________________________________________________________
Ten slotte
Deze brief onderstreept het belang dat Defensie hecht aan de vervanging van de Walrusklasse onderzeeboten. In de nota In het belang van Nederland is reeds kenbaar gemaakt dat Defensie de vervanging alleen kan realiseren als de nieuwe onderzeeboten samen met een of meer partnerlanden worden ontwikkeld, gebouwd en geëxploiteerd. Gedurende het DMP, dat het kader vormt voor de besluitvorming, zal daarom nadrukkelijk aandacht worden geschonken aan de internationale samenwerkingsmogelijkheden. Harmonisatie en standaardisatie leiden tot meer mogelijkheden tot samenwerking en kostenreductie. Daarentegen kan de wens om te blijven beschikken over een expeditionair inzetbare onderzeeboot grenzen stellen aan verdere verdieping van de onderzeebootsamenwerking met één of meer partnerlanden. De eerste stap in het DMP betreft de wijze waarop de behoefte moet worden vervuld. Tot de vervolgstappen behoren voorts kosten-batenanalyses en alternatievenvergelijkingen. Hierbij worden vanzelfsprekend operationele, financiële en industriële aspecten betrokken. Het uiteindelijke besluit wordt in 2018 verwacht.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(Bron)
donderdag 28 mei 2015
Knelpunten materiële gereedheid
[De belangrijkste tekortkomingen zoals gesignaleerd door minister Hennis-Plasschaert in een Kamerbrief]
1. Luchtverdedigings- en commandofregatten
Algemene opmerking CZSK
Uit doelmatigheidsoverwegingen en vanwege budgettaire beperkingen zijn reservedelen minimaal aangeschaft. Tegenvallende betrouwbaarheid en lange levertijden leiden tot een lagere beschikbaarheid van systemen.
Het onderhoud aan systemen en reservedelen wordt uitgevoerd door de Directie Materiële Instandhouding (voorheen Marinebedrijf). Vooral de personele capaciteit om het onderhoud uit te voeren is echter beperkt, waardoor het langer duurt voordat deze onderdelen weer beschikbaar zijn. Er is daardoor een toename van verplaatsen van onderdelen van het ene schip naar het andere (herverdelingen). Dit heeft negatieve gevolgen voor de onderhoudscapaciteit en de gereedheid van eenheden in het voortzettingsvermogen.
Specifiek voor LCF
De LC-fregatten hebben nu vooral problemen met de beschikbaarheid van hun gasturbines. Door een verhoogde storingsgraad, intensiever dan geraamd gebruik en de beperkte onderhoudscapaciteit bij de fabrikant, is de beschikbaarheid lager dan gewenst. Het aantal draaiuren van de gasturbines per schip is teruggebracht om zo de storingsgraad te verminderen. Dit geldt ook voor de Multi-purpose fregatten.
Andere onderdelen die worden herverdeeld tussen de schepen zijn onder meer delen van de vuurleidingsradar (APAR).
2. Multipurpose fregatten
Zie algemene opmerking bij punt 01.
Verschillende systemen raken verouderd of worden niet meer ondersteund door de leverancier (obsolete) en moeten worden vervangen. Het betreft onder meer onderdelen van het combat management system, kruisvaartdiesels en de koppeling van de voortstuwing. Deze vervangingen zijn niet voorzien in het instandhoudingsprogramma M fregatten op grond van een schatting van het benodigde onderhoud aan de verschillende (deel)systemen in relatie tot het beschikbare budget. De instandhoudingsinspanningen hiervoor komen daarom ten laste van de exploitatiebudgetten.
3. Patrouilleschepen
Zie algemene opmerking bij punt 01.
De patrouilleschepen beschikken nog niet over de volledige functionaliteit omdat enkele onderdelen van het radarsysteem en de aansturing van de vuurwapens nog niet werkend zijn opgeleverd door het project. Dit wordt in overleg met de leveranciers opgelost. Bij storingen aan deze systemen moet vooralsnog worden teruggevallen op de leverancier, waardoor vertragingen ontstaan.
4. Landing Platform Docks
Zie algemene opmerking bij punt 01.
5. Joint Support Ship
Het schip is in 2014 aan Defensie overgedragen en eind 2014 al ingezet voor het transport van goederen voor de bestrijding van Ebola. Het schip was in 2014 echter nog niet in dienst gesteld en werd nog afgebouwd en getest. Op 24 april 2015 is het schip in dienst gesteld en de overdracht aan CZSK is gepland in september van dit jaar, waarna het schip gereed is voor het eerste opwerktraject.
6. Onderzeeboten
Zie algemene opmerking bij punt 01.
Verschillende systemen raken verouderd of worden niet meer ondersteund door de leverancier (obsolete). Het kost meer inspanningen om deze systemen voldoende beschikbaar te houden. Het betreft onder meer de apparatuur voor het onderscheppen en analyseren van radarsignalen en navigatieapparatuur.
7. Mijnenbestrijdingsvaartuigen
Deze vaartuigen hebben te maken met verouderde systemen zoals koudwatermakers, mijnopsporingssysteem en de onderwaterrobot met sonar. Het onderhoud wordt uitgevoerd door België. De instandhoudingscapaciteit in Zeebrugge is beperkt. Mede door veroudering van systemen wordt het lastiger om te voldoen aan de normen voor onderwatergeluid, waardoor de risico’s bij de bestrijding van akoestische mijnen toenemen.
8. CV9035NL Infanterie gevechtsvoertuigen
Er zijn onvoldoende voertuigen inzetbaar waardoor beperkingen ontstaan voor de geoefendheid en het voortzettingsvermogen. Uit doelmatigheidsoverwegingen en vanwege budgettaire krapte zijn reservedelen minimaal aangeschaft. Er is een tekort aan repareerbare reservedelen door de tegenvallende kwaliteit van componenten en langere doorlooptijden voor reparatie van componenten dan voorzien en door nog ontbrekende afroepcontracten met de industrie. De onderhandelingen over afroepcontracten zijn gaande.
9. Pantserwielvoertuigen
1. Luchtverdedigings- en commandofregatten
Algemene opmerking CZSK
Uit doelmatigheidsoverwegingen en vanwege budgettaire beperkingen zijn reservedelen minimaal aangeschaft. Tegenvallende betrouwbaarheid en lange levertijden leiden tot een lagere beschikbaarheid van systemen.
Het onderhoud aan systemen en reservedelen wordt uitgevoerd door de Directie Materiële Instandhouding (voorheen Marinebedrijf). Vooral de personele capaciteit om het onderhoud uit te voeren is echter beperkt, waardoor het langer duurt voordat deze onderdelen weer beschikbaar zijn. Er is daardoor een toename van verplaatsen van onderdelen van het ene schip naar het andere (herverdelingen). Dit heeft negatieve gevolgen voor de onderhoudscapaciteit en de gereedheid van eenheden in het voortzettingsvermogen.
Specifiek voor LCF
De LC-fregatten hebben nu vooral problemen met de beschikbaarheid van hun gasturbines. Door een verhoogde storingsgraad, intensiever dan geraamd gebruik en de beperkte onderhoudscapaciteit bij de fabrikant, is de beschikbaarheid lager dan gewenst. Het aantal draaiuren van de gasturbines per schip is teruggebracht om zo de storingsgraad te verminderen. Dit geldt ook voor de Multi-purpose fregatten.
Andere onderdelen die worden herverdeeld tussen de schepen zijn onder meer delen van de vuurleidingsradar (APAR).
2. Multipurpose fregatten
Zie algemene opmerking bij punt 01.
Verschillende systemen raken verouderd of worden niet meer ondersteund door de leverancier (obsolete) en moeten worden vervangen. Het betreft onder meer onderdelen van het combat management system, kruisvaartdiesels en de koppeling van de voortstuwing. Deze vervangingen zijn niet voorzien in het instandhoudingsprogramma M fregatten op grond van een schatting van het benodigde onderhoud aan de verschillende (deel)systemen in relatie tot het beschikbare budget. De instandhoudingsinspanningen hiervoor komen daarom ten laste van de exploitatiebudgetten.
3. Patrouilleschepen
Zie algemene opmerking bij punt 01.
De patrouilleschepen beschikken nog niet over de volledige functionaliteit omdat enkele onderdelen van het radarsysteem en de aansturing van de vuurwapens nog niet werkend zijn opgeleverd door het project. Dit wordt in overleg met de leveranciers opgelost. Bij storingen aan deze systemen moet vooralsnog worden teruggevallen op de leverancier, waardoor vertragingen ontstaan.
4. Landing Platform Docks
Zie algemene opmerking bij punt 01.
5. Joint Support Ship
Het schip is in 2014 aan Defensie overgedragen en eind 2014 al ingezet voor het transport van goederen voor de bestrijding van Ebola. Het schip was in 2014 echter nog niet in dienst gesteld en werd nog afgebouwd en getest. Op 24 april 2015 is het schip in dienst gesteld en de overdracht aan CZSK is gepland in september van dit jaar, waarna het schip gereed is voor het eerste opwerktraject.
6. Onderzeeboten
Zie algemene opmerking bij punt 01.
Verschillende systemen raken verouderd of worden niet meer ondersteund door de leverancier (obsolete). Het kost meer inspanningen om deze systemen voldoende beschikbaar te houden. Het betreft onder meer de apparatuur voor het onderscheppen en analyseren van radarsignalen en navigatieapparatuur.
7. Mijnenbestrijdingsvaartuigen
Deze vaartuigen hebben te maken met verouderde systemen zoals koudwatermakers, mijnopsporingssysteem en de onderwaterrobot met sonar. Het onderhoud wordt uitgevoerd door België. De instandhoudingscapaciteit in Zeebrugge is beperkt. Mede door veroudering van systemen wordt het lastiger om te voldoen aan de normen voor onderwatergeluid, waardoor de risico’s bij de bestrijding van akoestische mijnen toenemen.
8. CV9035NL Infanterie gevechtsvoertuigen
Er zijn onvoldoende voertuigen inzetbaar waardoor beperkingen ontstaan voor de geoefendheid en het voortzettingsvermogen. Uit doelmatigheidsoverwegingen en vanwege budgettaire krapte zijn reservedelen minimaal aangeschaft. Er is een tekort aan repareerbare reservedelen door de tegenvallende kwaliteit van componenten en langere doorlooptijden voor reparatie van componenten dan voorzien en door nog ontbrekende afroepcontracten met de industrie. De onderhandelingen over afroepcontracten zijn gaande.
9. Pantserwielvoertuigen
Fennek
Er zijn onvoldoende voertuigen inzetbaar waardoor beperkingen ontstaan voor de geoefendheid en het voortzettingsvermogen. Er staan een groot aantal artikelen op nalevering. De levertijden zijn lang, waardoor het aantal naleveringen langzaam afneemt. Het betreft artikelen van zeer uiteenlopende aard (van losse onderdelen tot en met versnellingsbakken). Er zijn weinig reservedelen in de keten aanwezig ten opzichte van de storingsgraad. Zo kent het waarnemingssysteem voor de verkenningsversies een tegenvallende betrouwbaarheid (obsolete). De problemen zijn versterkt door de omvangrijke aanpassingen van de bedrijfsvoering, onder meer vanwege de invoering van ERP.
Boxer
De invoering van de Boxer-voertuigen in verschillende configuraties is nog steeds gaande. Het deel dat reeds is ingevoerd laat geen bijzonderheden zien.
Bushmaster
De beschikbare Bushmasters worden intensief gebruikt in Mali. Dit gaat ten koste van de voertuigen in Nederland. De belangrijkste knelpunten zijn de Remote Controled Weapon stations, onvoldoende voorraad van reservedelen en ontbrekende gereedschapsets voor de monteurs (nog niet geleverd). De eigen mogelijkheden om het onderhoud uit te voeren zijn beperkt. Hierdoor blijft de afhankelijkheid van de industrie groot. De voertuigen zijn aangeschaft voor de operaties in Afghanistan. Later is besloten de systemen in te bedden in de organisatie, voordat de logistieke organisatie daarvoor volledig was opgezet. Daar wordt momenteel aan gewerkt, onder meer via de opleiding van het logistiek en technisch personeel.
10. Grondgebonden luchtverdediging
Patriot
De Patriot is tijdens de inzet in Turkije intensief gebruikt. Dit in combinatie met de ouderdom van dit wapensysteem leidde tot een grote belasting. De missie is beëindigd en het materieel is teruggekeerd in Nederland. Het systeem is nu niet inzetbaar door het uitvoeren van groot onderhoud.
Army Ground Based Air Defence System (AGBADS)
De AMRAAM pelotons (als afzonderlijke eenheden van het AGBADS systeem) zijn technisch en logistiek inzetbaar. De gegevensuitwisseling met het Navo-luchtverdedigingssysteem blijkt echter niet met het huidige radiosysteem te realiseren. Hiervoor wordt een snelle verwerving van een vervangend radiosysteem onderzocht.
Stinger
Een aantal Stinger Launch Systemen (SLS) is niet inzetbaar door problemen met het koelsysteem. Dit wordt opgelost binnen de exploitatie. Verder zijn minder systemen inzetbaar vanwege de beperkte beschikbaarheid van Fennek-onderstellen.
12. Ondersteunende tanks
Het betreft hier verouderde wapensystemen in kleine aantallen die veel onderhoud behoeven. Met veel inspanning worden deze voor oefeningen inzetbaar gemaakt. Een deel is niet inzetbaar door lange levertijden van reservedelen en niet gerepareerde reservedelen. De genietanks worden momenteel vervangen door de Kodiak. In de investeringsplannen wordt rekening gehouden met de vervanging of instandhouding van brugleggende tanks en bergingstanks.
13. Artillerie
De materiële gereedheid van de PzH2000 was in 2014 onvoldoende. Er was een tekort aan
onderdelen voor de rupsbanden, remblokken en -schijven. Dit kwam omdat de bevoorradingsketen nog niet optimaal functioneerde omdat de afroepcontracten nog niet in ERP waren verwerkt. Dit is inmiddels gebeurd. Ook voor andere onderdelen wordt gewerkt aan de versterking van de bevoorradingsketen.
16. Jachtvliegtuigen F-16
De capaciteit voor groot onderhoud is beperkt door een tekort aan ervaren technisch personeel. Er zijn lange levertijden van reservedelen en bedrijfsstoffen (bijvoorbeeld lijmen, kitten, diverse oliën). Het intensieve gebruik voor de inzet in Irak in combinatie met een ouder wordend airframe, vergt een bovenmatige onderhoudsinspanning. Daarom wordt het groot onderhoud deels uitbesteed aan een Belgisch bedrijf op basis van een raamcontract.
17. Tankvliegtuig KDC-10
Het geplande onderhoud bij de externe onderhoudsbedrijven kostte meer tijd dan voorzien. Daarbij is de KDC-10 een toestel op leeftijd. Dit zorgt voor risico’s ten aanzien van de beschikbaarheid van reservedelen en uitbesteedbaarheid van onderhoud (obsolescence).
18. Transportvliegtuigen C-130
De tijdige beschikbaarheid van reservedelen is een knelpunt. Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door vertraging van af te sluiten reparatie- en onderhoudscontracten door capaciteitsgebrek in de verwervingsketen en de overdracht van het takenpakket van DMO naar CLSK. Dit werd versterk door de gewijzigde bedrijfsvoering met ERP.
19. Gevechtshelikopters AH-64 Apache
Er is een achterstand in het groot onderhoud en onvoldoende voorraad. De stagnatie in het groot onderhoud is grotendeels te wijten aan een tekort aan ervaren technisch personeel. In verband hiermee wordt het groot onderhoud daarom deels uitbesteed. De aanvulling van reservedelen verloopt traag doordat nog niet alle voorraden in ERP zijn opgenomen. Er zijn ook lange levertijden voor bedrijfsstoffen door een achterstand bij het Defensie Brand- en Bedrijfsstoffen Bedrijf (DBBB) na de migratie naar ERP. De levertermijnen konden hierdoor niet altijd worden gehaald. Het DBBB werkt samen met CLSK aan een betere afstemming van afroep- en levertermijnen. Hierdoor worden de achterstanden ingelopen.
20. Transporthelikopters CH-47 Chinook
Er waren gemiddeld voldoende toestellen beschikbaar. Er is echter een beperkte capaciteit voor het uitvoeren van groot onderhoud door een tekort aan ervaren technisch personeel. De beschikbare voorraad reservedelen is laag. Ook de tijdige levering van bedrijfsstoffen blijft uit. Zie daarvoor de opmerkingen bij punt 19.
De materiële gereedheid van de defensiebrede systemen: Klein Kaliber Wapens (KKW), Kleding en Persoonlijke Uitrusting (KPU), Militaire Satelliet Communicatie, TITAAN commandovoeringsysteem en Mobile Combat Training Centre (MCTC) worden niet gemeten en gerapporteerd. Hier treden echter ook enkele beperkingen op, vooral op het gebied van communicatiemiddelen.
[Voor aanvullende details en de Kamerbrief in de originele opmaak, klik hier]
(Bron: ministerie van Defensie)
Labels:
AMRAAM,
Apache,
Boxer,
Bushmaster,
C-130,
Chinook,
CV90,
F-16,
Fennek,
Kamerbrief,
KDC-10,
LCF-fregatten,
M-fregatten,
materieel,
onderzeeboten,
Patriot,
patrouilleschepen,
PzH2000,
Stinger,
Tweede Kamer
woensdag 28 januari 2015
Kamerbrief over rol parlement bij nieuwe 'flitsmacht' NAVO
de Voorzitter van de Tweede Kamer
Datum 27 januari 2015
Betreft: Reactie op het verzoek van de vaste commissie voor Defensie inzake parlementaire betrokkenheid bij de inzet van de Very High Readiness Joint Task Force
Met deze brief reageer ik, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, op het verzoek van de vaste commissie voor Defensie van 20 januari 2015 met kenmerk 29521-276/2015D01660 en ga ik in op de vraag over parlementaire betrokkenheid bij de inzet van de Very High Readiness Joint Task Force (VJTF).
Readiness Action Plan
In het licht van de ontwikkelingen aan de zuid- en oostflank van het Navoverdragsgebied hebben de bondgenoten op de Top in Wales het Readiness Action Plan ( RAP) aangenomen. Het RAP voorziet in geruststellende maatregelen en aanpassingsmaatregelen die de gereedheid en het reactievermogen van de Navostrijdkrachten moeten verhogen. Binnen de NATO Response Force (NRF) wordt daarom de VJTF opgericht, die het mogelijk moet maken om binnen zeer korte tijd eenheden in te zetten, in beginsel voor geruststelling en afschrikking, maar zo nodig ook in oorlogssituaties.
De VJTF
De VJTF is een zeer snel inzetbaar onderdeel van de NRF. De eenheden die de rol van VJTF vervullen, hebben een zeer hoge gereedheid en kunnen met een korte reactietijd worden ontplooid. Een deel van deze eenheden moet binnen 48 uur gereed kunnen staan voor verplaatsing naar het inzetgebied. Deze hoge gereedheid stelt de Navo in staat om snel, flexibel en daadkrachtig te reageren op dreigingen aan de randen van het Navo-verdragsgebied.
De VJTF wordt in de eerste plaats opgericht omwille van de geloofwaardigheid van de collectieve verdediging van de bondgenoten. In het kader van de geruststellende maatregelen zal de VJTF regelmatig op het bondgenootschappelijk grondgebied werken aan het verbeteren van de gevechtscapaciteit en de interoperabiliteit met de gastlanden. Het is niet de bedoeling om omvangrijke eenheden permanent te stationeren op het grondgebied van deze bondgenoten. Voorts is de capaciteit om flexibel en op zeer korte termijn eenheden naar de randen van het Navo-verdragsgebied te kunnen verplaatsen een waardevol afschrikkingsinstrument. Een dergelijke verplaatsing is in beginsel een preventieve maatregel.
Informeren van het parlement
Wanneer de VJTF naar de randen van het Navo-verdragsgebied wordt verplaatst in reactie op een dreiging, is er sprake van een afschrikkende maatregel in het kader van de collectieve verdediging. Dit kan gebeuren om een artikel 4- of 5- situatie te voorkomen. In het geval van dergelijke inzet is er sprake van de verdediging en bescherming van de belangen van het Koninkrijk en haar bondgenoten, zoals bedoeld in artikel 97 van de Grondwet. Een dergelijke inzet valt niet onder artikel 100 van de Grondwet. Er bestaat daarom geen verplichting om het parlement vooraf te informeren, maar indien mogelijk zal uw Kamer vooraf worden geïnformeerd over de inzet van de VJTF in het kader van de collectieve verdediging. Het is echter altijd denkbaar dat de VJTF op zeer korte termijn zal moeten reageren op een opkomende of manifeste dreiging, waardoor uw Kamer niet vóór de inzet van de VJTF kan worden geïnformeerd. In een dergelijk geval zal uw Kamer zo spoedig mogelijk na de inzet van de VJTF worden geïnformeerd.
Het is voorts mogelijk dat de VJTF wordt ingezet in het kader van de collectieve verdediging in een artikel 5-situatie. In het geval dat een Navo-bondgenoot wordt aangevallen, hebben de overige bondgenoten de verdragsrechtelijke verplichting direct te hulp te komen. Vanwege de hoge gereedheid zou de VJTF kunnen worden ingezet als initiële reactiemacht. In een dergelijk geval wordt uw Kamer zo spoedig mogelijk geïnformeerd. Gezien de urgentie van een artikel 5-situatie en de korte termijn waarop de VJTF mogelijk zal moeten worden ontplooid, is het ook in dit geval denkbaar dat uw Kamer niet vóór de inzet kan worden geïnformeerd.
Activiteiten op het bondgenootschappelijk grondgebied die zijn gericht op het verbeteren van de gevechtscapaciteit en interoperabiliteit maken deel uit van het reguliere takenpakket van de VJTF. Deze ontplooiingen worden niet beschouwd als inzet, maar als activiteiten die noodzakelijk zijn voor het behoud van de hoge gereedheid en inzetbaarheid. Evenals bij andere (Navo-)oefeningen wordt uw Kamer in beginsel niet telkens over deze gereedstellingsactiviteiten geïnformeerd. Uw Kamer zal wel vooraf worden geïnformeerd over Nederlandse bijdragen aan de VTJF, zoals recent is gedaan in de brief over de Nederlandse bijdragen aan de EU Battlegroups, NATO Response Force en Frontex van 19 december 2014 (Kamerstuk 29 521, nr. 276).
Frontex
Over de huidige stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van Frontex zal ik u informeren voorafgaand aan het algemeen overleg over Europese en internationale samenwerking op 11 februari 2015.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(ministerie van Defensie, 27 januari 2015)
Datum 27 januari 2015
Betreft: Reactie op het verzoek van de vaste commissie voor Defensie inzake parlementaire betrokkenheid bij de inzet van de Very High Readiness Joint Task Force
Met deze brief reageer ik, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, op het verzoek van de vaste commissie voor Defensie van 20 januari 2015 met kenmerk 29521-276/2015D01660 en ga ik in op de vraag over parlementaire betrokkenheid bij de inzet van de Very High Readiness Joint Task Force (VJTF).
Readiness Action Plan
In het licht van de ontwikkelingen aan de zuid- en oostflank van het Navoverdragsgebied hebben de bondgenoten op de Top in Wales het Readiness Action Plan ( RAP) aangenomen. Het RAP voorziet in geruststellende maatregelen en aanpassingsmaatregelen die de gereedheid en het reactievermogen van de Navostrijdkrachten moeten verhogen. Binnen de NATO Response Force (NRF) wordt daarom de VJTF opgericht, die het mogelijk moet maken om binnen zeer korte tijd eenheden in te zetten, in beginsel voor geruststelling en afschrikking, maar zo nodig ook in oorlogssituaties.
De VJTF
De VJTF is een zeer snel inzetbaar onderdeel van de NRF. De eenheden die de rol van VJTF vervullen, hebben een zeer hoge gereedheid en kunnen met een korte reactietijd worden ontplooid. Een deel van deze eenheden moet binnen 48 uur gereed kunnen staan voor verplaatsing naar het inzetgebied. Deze hoge gereedheid stelt de Navo in staat om snel, flexibel en daadkrachtig te reageren op dreigingen aan de randen van het Navo-verdragsgebied.
De VJTF wordt in de eerste plaats opgericht omwille van de geloofwaardigheid van de collectieve verdediging van de bondgenoten. In het kader van de geruststellende maatregelen zal de VJTF regelmatig op het bondgenootschappelijk grondgebied werken aan het verbeteren van de gevechtscapaciteit en de interoperabiliteit met de gastlanden. Het is niet de bedoeling om omvangrijke eenheden permanent te stationeren op het grondgebied van deze bondgenoten. Voorts is de capaciteit om flexibel en op zeer korte termijn eenheden naar de randen van het Navo-verdragsgebied te kunnen verplaatsen een waardevol afschrikkingsinstrument. Een dergelijke verplaatsing is in beginsel een preventieve maatregel.
Informeren van het parlement
Wanneer de VJTF naar de randen van het Navo-verdragsgebied wordt verplaatst in reactie op een dreiging, is er sprake van een afschrikkende maatregel in het kader van de collectieve verdediging. Dit kan gebeuren om een artikel 4- of 5- situatie te voorkomen. In het geval van dergelijke inzet is er sprake van de verdediging en bescherming van de belangen van het Koninkrijk en haar bondgenoten, zoals bedoeld in artikel 97 van de Grondwet. Een dergelijke inzet valt niet onder artikel 100 van de Grondwet. Er bestaat daarom geen verplichting om het parlement vooraf te informeren, maar indien mogelijk zal uw Kamer vooraf worden geïnformeerd over de inzet van de VJTF in het kader van de collectieve verdediging. Het is echter altijd denkbaar dat de VJTF op zeer korte termijn zal moeten reageren op een opkomende of manifeste dreiging, waardoor uw Kamer niet vóór de inzet van de VJTF kan worden geïnformeerd. In een dergelijk geval zal uw Kamer zo spoedig mogelijk na de inzet van de VJTF worden geïnformeerd.
Het is voorts mogelijk dat de VJTF wordt ingezet in het kader van de collectieve verdediging in een artikel 5-situatie. In het geval dat een Navo-bondgenoot wordt aangevallen, hebben de overige bondgenoten de verdragsrechtelijke verplichting direct te hulp te komen. Vanwege de hoge gereedheid zou de VJTF kunnen worden ingezet als initiële reactiemacht. In een dergelijk geval wordt uw Kamer zo spoedig mogelijk geïnformeerd. Gezien de urgentie van een artikel 5-situatie en de korte termijn waarop de VJTF mogelijk zal moeten worden ontplooid, is het ook in dit geval denkbaar dat uw Kamer niet vóór de inzet kan worden geïnformeerd.
Activiteiten op het bondgenootschappelijk grondgebied die zijn gericht op het verbeteren van de gevechtscapaciteit en interoperabiliteit maken deel uit van het reguliere takenpakket van de VJTF. Deze ontplooiingen worden niet beschouwd als inzet, maar als activiteiten die noodzakelijk zijn voor het behoud van de hoge gereedheid en inzetbaarheid. Evenals bij andere (Navo-)oefeningen wordt uw Kamer in beginsel niet telkens over deze gereedstellingsactiviteiten geïnformeerd. Uw Kamer zal wel vooraf worden geïnformeerd over Nederlandse bijdragen aan de VTJF, zoals recent is gedaan in de brief over de Nederlandse bijdragen aan de EU Battlegroups, NATO Response Force en Frontex van 19 december 2014 (Kamerstuk 29 521, nr. 276).
Frontex
Over de huidige stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van Frontex zal ik u informeren voorafgaand aan het algemeen overleg over Europese en internationale samenwerking op 11 februari 2015.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(ministerie van Defensie, 27 januari 2015)
maandag 15 december 2014
Kamerbrief: de bijzondere positie van de militair
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 11 december 2014
Betreft: De bijzondere positie van de militair
Bijlage: Relevante wetsartikelen
de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Datum 11 december 2014
Betreft De bijzondere positie van de militair
Bijlage: Relevante wetsartikelen
Bij verschillende gelegenheden is in overleggen met de Kamer de bijzondere positie van de militair aan de orde geweest. In mijn brief van 28 oktober jl. over de agenda voor het personeelsbeleid van de toekomst heb ik toegezegd dat de Kamer voor het eind van dit jaar een brief over de bijzondere positie van de militair ontvangt. In het wetgevingsoverleg over personeel van 3 november jl. heb ik in reactie op een motie van de heer Knops deze toezegging herhaald en toegezegd daarbij ook in te gaan op de mogelijkheid en de wenselijkheid van een pakketvergelijking. Over de beschrijving van de bijzondere positie van de militair is eerder overeenstemming bereikt met de centrales van overheidspersoneel. In de bijlage bij deze brief zijn de relevante delen van wetten en voorschriften opgenomen, waarnaar door middel van eindnoten wordt verwezen.
Taak van de krijgsmacht
De bijzondere positie van de militair wordt ontleend aan de taakstelling en positionering van de krijgsmacht in de Nederlandse samenleving. De krijgsmacht beschermt op basis van artikel 97 van de Grondwet Nederland en de Nederlandse belangen wereldwijd en handhaaft de internationale rechtsorde. Om deze grondwettelijke taken te kunnen uitvoeren, moet Nederland onder alle omstandigheden een onmiddellijk en onvoorwaardelijk beroep op de krijgsmacht kunnen doen. De Nederlandse krijgsmacht moet nu en in de toekomst voorbereid zijn op onvoorspelbare dreigingen en risico’s. Deze bijzondere taak van de krijgsmacht betekent dat de militair voortdurend voorbereid en beschikbaar moet zijn op operationele inzet waar dan ook ter wereld en zo lang als nodig. Hij is verplicht de aan hem opgedragen taken, met alle daaraan verbonden gevaren, onvoorwaardelijk uit te voeren. Juist het onvoorwaardelijke karakter van deze inzet stelt eisen aan de militair die nergens in onze maatschappij in dezelfde mate en in die combinatie voorkomen.
Het unieke karakter van de militair
Het meest wezenlijke kenmerk van de krijgsmacht is dat de militair bij de onvoorwaardelijke uitvoering van de opgedragen taken het belangrijkste bezit wat hij heeft, namelijk zijn leven, op het spel zet. In het uiterste geval kan een militair gedood worden of ernstig gewond raken. Daarnaast kan de militair in de positie komen dat hij zelf, binnen het kader van de wet en zijn opdracht, dodelijk geweld tegen anderen moet gebruiken.
De verantwoordelijkheid van de militair blijft voorts niet beperkt tot zijn eigen veiligheid en handelen, maar geldt ook voor ieder die aan zijn zorg is toevertrouwd. De militair is, als leidinggevende of als onderdeel van de eenheid, medeverantwoordelijk voor de veiligheid van de militairen met wie hij optreedt. Bij het uitvoeren van zijn taken zet de militair niet alleen zijn eigen leven op het spel, maar ook dat van zijn eenheid. Militairen gaan door waar anderen moeten stoppen. Deze unieke plicht van militairen laat zich niet uitdrukken in kwantitatieve of meetbare termen.
Bijzondere kenmerken van de militair
De positie van de militair heeft ook andere bijzondere kenmerken die wederom vooral kwalitatief van aard zijn en daardoor moeilijk meetbaar. Het onvoorwaardelijke karakter van de militaire inzetbaarheid stelt allereerst hoge eisen aan de fysieke en mentale inzetbaarheid van militairen. Militairen zijn verplicht hun fysieke conditie op peil te houden. Militairen zijn verplicht gebruik te maken van de militaire gezondheidszorg en ondergaan verplicht periodieke medische keuringen, vaccinaties en conditietests. Zo heeft Defensie altijd inzicht in de belastbaarheid en daarmee de inzetbaarheid van militairen. Wanneer de militair niet meer aan de medische en psychische eisen voldoet, wordt hij dienstongeschikt verklaard en als militair ontslagen, ook al is van arbeidsongeschiktheid in maatschappelijke zin geen sprake.
Defensie hanteert een specifiek personeelssysteem waarin kennis- en ervaringsopbouw van doorslaggevend belang zijn in de ontwikkeling van de militaire loopbaan. Om kennis en ervaring op te bouwen, rouleert de militair allereerst over een groot aantal functies met verschillende standplaatsen en wordt in verschillende situaties ingezet. Daarnaast wordt de vereiste kennis en ervaring bereikt door een intensieve opleiding en training. Dit vereist deelname aan opleidingen binnen en buiten Defensie en aan oefeningen in Nederland en het buitenland. Het veelvuldig rouleren over functies, het deelnemen aan opleidingen en oefeningen en het daadwerkelijk inzetten betekent dat de militair langere tijd buiten zijn persoonlijke omgeving verkeert en gedurende langere tijd gescheiden van partner en gezin moet leven.
Om de effectiviteit en integriteit van de inzet van de militair te bewaken, is de militair onderworpen aan strenge veiligheids- en integriteitseisen. Alle militaire functies zijn vertrouwensfuncties als bedoeld in de Wet Veiligheidsonderzoeken. Dit betekent dat aan hun gedragingen, zowel onder werktijd als daarbuiten, veiligheids- en integriteitseisen worden gesteld die van doorslaggevend belang kunnen zijn voor het al dan niet kunnen vervullen van een vertrouwensfunctie. De reikwijdte van deze integriteitstoetsing strekt zich ook uit tot de gezinssituatie
en persoonlijke omgeving van de militair.
Beperkingen voor de militair
Om de inzetbaarheid van de krijgsmacht te garanderen is een aantal wettelijke maatregelen getroffen. Die wettelijke maatregelen houden ook beperkingen in voor de uitoefening van de grondrechten van militairen. Militairen leveren op grond van die wettelijke maatregelen tevens in op de autonomie van hun eigen maatschappelijke en arbeidsrechtelijke positie. Hieronder volgt een beschrijving van de belangrijkste wettelijke maatregelen.
De verplichting om de opgedragen taken uit te voeren is door de wetgever zo wezenlijk geacht, dat er in de Wet militair tuchtrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht aanvullende regels zijn vastgelegd die het ongestoorde functioneren van de krijgsmacht waarborgen. Het militair tuchtrecht onderscheidt daartoe gedragingen tegen de orde, gedragingen tegen de geheimhoudingsplicht, gedragingen tegen het dienstbevel en gedragingen die het functioneren van de krijgsmacht belemmeren. Het militair strafrecht regelt onder meer de strafbaarstelling van misdrijven tegen de staat, misdrijven waardoor de militair zich aan de dienstverplichtingen onttrekt, en strafbaarstelling van dienstweigering en de schending van krijgsplichten.
Daarnaast wordt bij oefenen en werkelijke inzet de Arbeidstijdenwet buiten werking gesteld en gelden er beperkingen op het gebied van arbeidsomstandigheden. Ook is het militairen verboden deel te nemen aan stakingen. Dit is een belangrijke inperking van de grondrechten van een militair. De verplichting voor de militair om de aan hem opgedragen taken te vervullen krijgt extra gewicht door de strafbaarstelling in het militair strafrecht. Zodra een militair wordt aangewezen om gedurende kortere of langere tijd een operationele missie in het buitenland te vervullen, is hij verplicht om aan deze oproep gehoor te geven. Wanneer een voor uitzending aangewezen militair niet verschijnt op het moment dat hij behoort te vertrekken naar het inzetgebied, maakt hij zich schuldig aan een strafbaar feit. Het is voor een militair niet mogelijk zich aan een oproep te onttrekken door een verzoek tot ontslag in te dienen.
Dit verzoek zal derhalve, en zeker wanneer operationele omstandigheden hiertoe noodzaken, worden afgewezen. De verplichting om aan opgedragen taken invulling te geven wordt op deze wijze door zowel strafrechtelijke als arbeidsrechtelijke instrumenten gewaarborgd. Er is geen enkele andere beroepsgroep in Nederland waarbij strafrechtelijke vervolging volgt bij het niet uitvoeren van de opgedragen taken.
Datum 11 december 2014
Betreft: De bijzondere positie van de militair
Bijlage: Relevante wetsartikelen
de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Datum 11 december 2014
Betreft De bijzondere positie van de militair
Bijlage: Relevante wetsartikelen
Bij verschillende gelegenheden is in overleggen met de Kamer de bijzondere positie van de militair aan de orde geweest. In mijn brief van 28 oktober jl. over de agenda voor het personeelsbeleid van de toekomst heb ik toegezegd dat de Kamer voor het eind van dit jaar een brief over de bijzondere positie van de militair ontvangt. In het wetgevingsoverleg over personeel van 3 november jl. heb ik in reactie op een motie van de heer Knops deze toezegging herhaald en toegezegd daarbij ook in te gaan op de mogelijkheid en de wenselijkheid van een pakketvergelijking. Over de beschrijving van de bijzondere positie van de militair is eerder overeenstemming bereikt met de centrales van overheidspersoneel. In de bijlage bij deze brief zijn de relevante delen van wetten en voorschriften opgenomen, waarnaar door middel van eindnoten wordt verwezen.
Taak van de krijgsmacht
De bijzondere positie van de militair wordt ontleend aan de taakstelling en positionering van de krijgsmacht in de Nederlandse samenleving. De krijgsmacht beschermt op basis van artikel 97 van de Grondwet Nederland en de Nederlandse belangen wereldwijd en handhaaft de internationale rechtsorde. Om deze grondwettelijke taken te kunnen uitvoeren, moet Nederland onder alle omstandigheden een onmiddellijk en onvoorwaardelijk beroep op de krijgsmacht kunnen doen. De Nederlandse krijgsmacht moet nu en in de toekomst voorbereid zijn op onvoorspelbare dreigingen en risico’s. Deze bijzondere taak van de krijgsmacht betekent dat de militair voortdurend voorbereid en beschikbaar moet zijn op operationele inzet waar dan ook ter wereld en zo lang als nodig. Hij is verplicht de aan hem opgedragen taken, met alle daaraan verbonden gevaren, onvoorwaardelijk uit te voeren. Juist het onvoorwaardelijke karakter van deze inzet stelt eisen aan de militair die nergens in onze maatschappij in dezelfde mate en in die combinatie voorkomen.
Het unieke karakter van de militair
Het meest wezenlijke kenmerk van de krijgsmacht is dat de militair bij de onvoorwaardelijke uitvoering van de opgedragen taken het belangrijkste bezit wat hij heeft, namelijk zijn leven, op het spel zet. In het uiterste geval kan een militair gedood worden of ernstig gewond raken. Daarnaast kan de militair in de positie komen dat hij zelf, binnen het kader van de wet en zijn opdracht, dodelijk geweld tegen anderen moet gebruiken.
De verantwoordelijkheid van de militair blijft voorts niet beperkt tot zijn eigen veiligheid en handelen, maar geldt ook voor ieder die aan zijn zorg is toevertrouwd. De militair is, als leidinggevende of als onderdeel van de eenheid, medeverantwoordelijk voor de veiligheid van de militairen met wie hij optreedt. Bij het uitvoeren van zijn taken zet de militair niet alleen zijn eigen leven op het spel, maar ook dat van zijn eenheid. Militairen gaan door waar anderen moeten stoppen. Deze unieke plicht van militairen laat zich niet uitdrukken in kwantitatieve of meetbare termen.
Bijzondere kenmerken van de militair
De positie van de militair heeft ook andere bijzondere kenmerken die wederom vooral kwalitatief van aard zijn en daardoor moeilijk meetbaar. Het onvoorwaardelijke karakter van de militaire inzetbaarheid stelt allereerst hoge eisen aan de fysieke en mentale inzetbaarheid van militairen. Militairen zijn verplicht hun fysieke conditie op peil te houden. Militairen zijn verplicht gebruik te maken van de militaire gezondheidszorg en ondergaan verplicht periodieke medische keuringen, vaccinaties en conditietests. Zo heeft Defensie altijd inzicht in de belastbaarheid en daarmee de inzetbaarheid van militairen. Wanneer de militair niet meer aan de medische en psychische eisen voldoet, wordt hij dienstongeschikt verklaard en als militair ontslagen, ook al is van arbeidsongeschiktheid in maatschappelijke zin geen sprake.
Defensie hanteert een specifiek personeelssysteem waarin kennis- en ervaringsopbouw van doorslaggevend belang zijn in de ontwikkeling van de militaire loopbaan. Om kennis en ervaring op te bouwen, rouleert de militair allereerst over een groot aantal functies met verschillende standplaatsen en wordt in verschillende situaties ingezet. Daarnaast wordt de vereiste kennis en ervaring bereikt door een intensieve opleiding en training. Dit vereist deelname aan opleidingen binnen en buiten Defensie en aan oefeningen in Nederland en het buitenland. Het veelvuldig rouleren over functies, het deelnemen aan opleidingen en oefeningen en het daadwerkelijk inzetten betekent dat de militair langere tijd buiten zijn persoonlijke omgeving verkeert en gedurende langere tijd gescheiden van partner en gezin moet leven.
Om de effectiviteit en integriteit van de inzet van de militair te bewaken, is de militair onderworpen aan strenge veiligheids- en integriteitseisen. Alle militaire functies zijn vertrouwensfuncties als bedoeld in de Wet Veiligheidsonderzoeken. Dit betekent dat aan hun gedragingen, zowel onder werktijd als daarbuiten, veiligheids- en integriteitseisen worden gesteld die van doorslaggevend belang kunnen zijn voor het al dan niet kunnen vervullen van een vertrouwensfunctie. De reikwijdte van deze integriteitstoetsing strekt zich ook uit tot de gezinssituatie
en persoonlijke omgeving van de militair.
Beperkingen voor de militair
Om de inzetbaarheid van de krijgsmacht te garanderen is een aantal wettelijke maatregelen getroffen. Die wettelijke maatregelen houden ook beperkingen in voor de uitoefening van de grondrechten van militairen. Militairen leveren op grond van die wettelijke maatregelen tevens in op de autonomie van hun eigen maatschappelijke en arbeidsrechtelijke positie. Hieronder volgt een beschrijving van de belangrijkste wettelijke maatregelen.
De verplichting om de opgedragen taken uit te voeren is door de wetgever zo wezenlijk geacht, dat er in de Wet militair tuchtrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht aanvullende regels zijn vastgelegd die het ongestoorde functioneren van de krijgsmacht waarborgen. Het militair tuchtrecht onderscheidt daartoe gedragingen tegen de orde, gedragingen tegen de geheimhoudingsplicht, gedragingen tegen het dienstbevel en gedragingen die het functioneren van de krijgsmacht belemmeren. Het militair strafrecht regelt onder meer de strafbaarstelling van misdrijven tegen de staat, misdrijven waardoor de militair zich aan de dienstverplichtingen onttrekt, en strafbaarstelling van dienstweigering en de schending van krijgsplichten.
Daarnaast wordt bij oefenen en werkelijke inzet de Arbeidstijdenwet buiten werking gesteld en gelden er beperkingen op het gebied van arbeidsomstandigheden. Ook is het militairen verboden deel te nemen aan stakingen. Dit is een belangrijke inperking van de grondrechten van een militair. De verplichting voor de militair om de aan hem opgedragen taken te vervullen krijgt extra gewicht door de strafbaarstelling in het militair strafrecht. Zodra een militair wordt aangewezen om gedurende kortere of langere tijd een operationele missie in het buitenland te vervullen, is hij verplicht om aan deze oproep gehoor te geven. Wanneer een voor uitzending aangewezen militair niet verschijnt op het moment dat hij behoort te vertrekken naar het inzetgebied, maakt hij zich schuldig aan een strafbaar feit. Het is voor een militair niet mogelijk zich aan een oproep te onttrekken door een verzoek tot ontslag in te dienen.
Dit verzoek zal derhalve, en zeker wanneer operationele omstandigheden hiertoe noodzaken, worden afgewezen. De verplichting om aan opgedragen taken invulling te geven wordt op deze wijze door zowel strafrechtelijke als arbeidsrechtelijke instrumenten gewaarborgd. Er is geen enkele andere beroepsgroep in Nederland waarbij strafrechtelijke vervolging volgt bij het niet uitvoeren van de opgedragen taken.
Waardering van de militair
Defensie voert een personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid dat recht doet aan de beschreven unieke en bijzondere positie van de militair. Dit beleid kenmerkt zich naast opleiding en training door zorg en beloning.
Het personeelsbeleid moet militairen niet alleen zo goed mogelijk voorbereiden op werkelijke inzet, maar moet er ook voor zorgen dat indien de risico’s van deze inzet zich manifesteren, de gevolgen daarvan zo goed mogelijk worden ondervangen. Deze opvang is het meest kenbaar in de vorm van een zorgstelsel dat ter beschikking staat van de militair en zijn thuisfront. De uitvoering van operationele taken en de soms blijvende gevolgen daarvan verplichten tot bijzondere zorg voor de militair, de gewezen militair en diens naasten. Daarnaast worden de gevolgen van de inzet van de militair zo goed mogelijk opgevangen door het sociale zekerheidsstelsel en de specifieke aanvullingen hierop.
Uit de beschrijving blijkt dat er voor de militair een reeks verplichtingen bestaat die sterk afwijken van wat maatschappelijk en arbeidsrechtelijk gebruikelijk is. Deze lopen uiteen van fysieke eisen tot beperkingen in de uitoefening van grondrechten. Het personeelsbeleid en het arbeidsvoorwaardenstelsel van Defensie weerspiegelen de bijzondere positie van de militair. Daarmee kan Defensie goed werkgeverschap vormgeven en worden de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht onder alle omstandigheden gewaarborgd.
De pakketvergelijking
In het algemeen overleg over personeel van 16 april 2013 heb ik de Kamer gemeld dat als eerste zou worden gewerkt aan de beschrijving van de bijzondere positie van de militair en dat daarna eventuele vervolgstappen zouden worden bezien. Hoewel een pakketvergelijking een complexe aangelegenheid is, heb ik toen ook gezegd met een open houding over de vervolgstappen met de centrales te willen spreken. Eind oktober jl. zijn de onderhandelingen voor een nieuwe CAO voor Defensie begonnen. Defensie streeft naar de modernisering van het arbeidsvoorwaardenstelsel. De bijzondere positie van de militair blijft daarbij het uitgangspunt, zonder de ontwikkelingen in andere overheidssectoren te negeren.
Een robuust en duurzaam stelsel is onmiskenbaar in het belang van het defensiepersoneel. Naar mijn mening, en die van de centrales, is een pakketvergelijking op dit moment geen voorwaarde om tot vruchtbaar overleg te kunnen komen. Wij zullen daartoe dan ook geen initiatief nemen.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(Bron)
dinsdag 7 oktober 2014
Kamerbrief over situatie in Kobani (Syrië)
Aan de Voorzitter van de Staten-Generaal
7 oktober 2014
Hierbij bied ik u, mede namens de minister van Defensie, de reactie aan op het verzoek van uw Kamer om een brief over de situatie in Kobani, met referentie 2014Z17392/2014D35411. Op 2 oktober jl. heeft het Kabinet uitgebreid met uw Kamer gesproken over de Nederlandse inzet binnen de coalitie tegen ISIS.
Algemeen
De situatie in Kobani baart het Kabinet grote zorgen. De ontwikkelingen in en rondom Kobani, en breder in de regio, voltrekken zich in een snel tempo. Uiteraard zijn deze ontwikkelingen voortdurend onderwerp van gesprek met partners, met name binnen de coalitie tegen ISIS. Deze gesprekken vormen een waardevolle bijdrage aan de duiding van (de implicaties van) de gebeurtenissen. Het Kabinet acht het van groot belang dat gedegen analyse en duiding de basis vormen voor het Nederlandse beleid.
Recente ontwikkelingen in Kobani
Half september begon ISIS in Syrië een offensief in Koerdisch gebied, in een poging om Kobani / Ayn al Arab te bereiken. Deze stad op de grens met Turkije is van strategische waarde omdat het een directe verbinding mogelijk maakt tussen gebieden onder ISIS-controle in Aleppo in het noordwesten van Syrië en Raqqa, het ISIS-hoofdkwartier in het oosten van Syrië. De groepering zou hiermee bovendien een groot deel van het Turks-Syrische grensgebied volledig in handen hebben.
In de afgelopen dagen heeft ISIS de stad belegerd vanuit het oosten, westen en zuiden. Koerdische strijders hebben de stad verdedigd, maar kwamen onder toenemende druk van het zwaarbewapende ISIS (tanks en artillerie). Volgens ooggetuigen is ISIS er op maandag in geslaagd de stad binnen te dringen aan de oostzijde, waar ze hun zwarte vlag hebben gehesen. Pogingen om de stad aan zuidwestelijke zijde binnen te dringen zouden gaande zijn. Bronnen spreken over honderden gevluchte burgers, bovenop de 160 000 Koerden die eerder al vluchtten voor het ISIS-offensief. Het centrum van de stad zou echter nog steeds in Koerdische handen zijn.
Internationale actie
Coalitie tegen ISIS
De coalitie tegen ISIS heeft inmiddels 341 luchtaanvallen uitgevoerd in Irak en Syrië, waarvan 86 in Syrië tegen ISIS in samenwerking met Saudi-Arabië, de VAE, Bahrein, Koeweit en Jordanië. Zowel vorige week als in de afgelopen 24 uur maakten ISIS-stellingen in en rond Kobani deel uit van de doelen van de coalitie. Ook vanochtend vinden luchtbombardementen plaats. Het Kabinet bespreekt één en ander in coalitieverband en beoordeelt op basis van gezamenlijke analyse eventueel te nemen vervolgactie.
Turkije
Het Turkse parlement heeft afgelopen donderdag een wetsvoorstel aanvaard, waarmee een mandaat wordt verschaft voor eventuele militaire operaties in Irak en Syrië, en voor de eventuele stationering van buitenlandse troepen in Turkije. De Turkse regering heeft aangetekend dat de militaire acties van de coalitie in Syrië zich niet zouden moeten beperken tot luchtaanvallen op ISIS. De verdrijving van de regering-Assad in Damascus, in Turkse optiek de hoofdverantwoordelijke voor de opkomst van ISIS, blijft voor Turkije een hoofddoel. Turkije heeft sinds enkele dagen artillerie en een aanzienlijk aantal tanks opgesteld bij de grens nabij Kobani. Turkije is bezorgd dat de strijd om Kobani overslaat naar Turks grondgebied, en heeft daarom de grens afgesloten. Wel staat het toe dat vluchtelingen uit Kobani, op de vlucht voor ISIS, de grens met Turkije oversteken. Turkije heeft inmiddels honderdduizenden mensen opgenomen die op de vlucht zijn geslagen voor het geweld in Syrië en Irak.
Koerdische positie en humanitaire situatie
Het kabinet heeft begrip voor de emotionele betrokkenheid die veel Koerden in Europa, en ook in Nederland, voelen bij de situatie in Kobani. De protesten die plaatsvonden in de Tweede Kamer afgelopen nacht, evenals gisteren in onder andere Wenen, Bern, Brussel, Kopenhagen, Stockholm en Berlijn, benadrukken het gevoel van verontrusting die de tragische berichten uit Kobani ook in onze samenleving teweegbrengen. Het Kabinet is voortdurend in gesprek met partners over mogelijke te nemen stappen ter bescherming van de burgerbevolking in Kobani en elders in Syrië en Irak. Zodra nadere informatie beschikbaar is, zal deze vanzelfsprekend met uw Kamer worden gedeeld.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Frans Timmermans
7 oktober 2014
Hierbij bied ik u, mede namens de minister van Defensie, de reactie aan op het verzoek van uw Kamer om een brief over de situatie in Kobani, met referentie 2014Z17392/2014D35411. Op 2 oktober jl. heeft het Kabinet uitgebreid met uw Kamer gesproken over de Nederlandse inzet binnen de coalitie tegen ISIS.
Algemeen
De situatie in Kobani baart het Kabinet grote zorgen. De ontwikkelingen in en rondom Kobani, en breder in de regio, voltrekken zich in een snel tempo. Uiteraard zijn deze ontwikkelingen voortdurend onderwerp van gesprek met partners, met name binnen de coalitie tegen ISIS. Deze gesprekken vormen een waardevolle bijdrage aan de duiding van (de implicaties van) de gebeurtenissen. Het Kabinet acht het van groot belang dat gedegen analyse en duiding de basis vormen voor het Nederlandse beleid.
Recente ontwikkelingen in Kobani
Half september begon ISIS in Syrië een offensief in Koerdisch gebied, in een poging om Kobani / Ayn al Arab te bereiken. Deze stad op de grens met Turkije is van strategische waarde omdat het een directe verbinding mogelijk maakt tussen gebieden onder ISIS-controle in Aleppo in het noordwesten van Syrië en Raqqa, het ISIS-hoofdkwartier in het oosten van Syrië. De groepering zou hiermee bovendien een groot deel van het Turks-Syrische grensgebied volledig in handen hebben.
In de afgelopen dagen heeft ISIS de stad belegerd vanuit het oosten, westen en zuiden. Koerdische strijders hebben de stad verdedigd, maar kwamen onder toenemende druk van het zwaarbewapende ISIS (tanks en artillerie). Volgens ooggetuigen is ISIS er op maandag in geslaagd de stad binnen te dringen aan de oostzijde, waar ze hun zwarte vlag hebben gehesen. Pogingen om de stad aan zuidwestelijke zijde binnen te dringen zouden gaande zijn. Bronnen spreken over honderden gevluchte burgers, bovenop de 160 000 Koerden die eerder al vluchtten voor het ISIS-offensief. Het centrum van de stad zou echter nog steeds in Koerdische handen zijn.
Internationale actie
Coalitie tegen ISIS
De coalitie tegen ISIS heeft inmiddels 341 luchtaanvallen uitgevoerd in Irak en Syrië, waarvan 86 in Syrië tegen ISIS in samenwerking met Saudi-Arabië, de VAE, Bahrein, Koeweit en Jordanië. Zowel vorige week als in de afgelopen 24 uur maakten ISIS-stellingen in en rond Kobani deel uit van de doelen van de coalitie. Ook vanochtend vinden luchtbombardementen plaats. Het Kabinet bespreekt één en ander in coalitieverband en beoordeelt op basis van gezamenlijke analyse eventueel te nemen vervolgactie.
Turkije
Het Turkse parlement heeft afgelopen donderdag een wetsvoorstel aanvaard, waarmee een mandaat wordt verschaft voor eventuele militaire operaties in Irak en Syrië, en voor de eventuele stationering van buitenlandse troepen in Turkije. De Turkse regering heeft aangetekend dat de militaire acties van de coalitie in Syrië zich niet zouden moeten beperken tot luchtaanvallen op ISIS. De verdrijving van de regering-Assad in Damascus, in Turkse optiek de hoofdverantwoordelijke voor de opkomst van ISIS, blijft voor Turkije een hoofddoel. Turkije heeft sinds enkele dagen artillerie en een aanzienlijk aantal tanks opgesteld bij de grens nabij Kobani. Turkije is bezorgd dat de strijd om Kobani overslaat naar Turks grondgebied, en heeft daarom de grens afgesloten. Wel staat het toe dat vluchtelingen uit Kobani, op de vlucht voor ISIS, de grens met Turkije oversteken. Turkije heeft inmiddels honderdduizenden mensen opgenomen die op de vlucht zijn geslagen voor het geweld in Syrië en Irak.
Koerdische positie en humanitaire situatie
Het kabinet heeft begrip voor de emotionele betrokkenheid die veel Koerden in Europa, en ook in Nederland, voelen bij de situatie in Kobani. De protesten die plaatsvonden in de Tweede Kamer afgelopen nacht, evenals gisteren in onder andere Wenen, Bern, Brussel, Kopenhagen, Stockholm en Berlijn, benadrukken het gevoel van verontrusting die de tragische berichten uit Kobani ook in onze samenleving teweegbrengen. Het Kabinet is voortdurend in gesprek met partners over mogelijke te nemen stappen ter bescherming van de burgerbevolking in Kobani en elders in Syrië en Irak. Zodra nadere informatie beschikbaar is, zal deze vanzelfsprekend met uw Kamer worden gedeeld.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Frans Timmermans
Labels:
Ayn al Arab,
Kobane,
Kobani,
Koerden,
Syrië,
Tweede Kamer
zondag 5 oktober 2014
Artikel 100-brief over deelname aan de internationale strijd tegen ISIS
Aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4
Den Haag
Datum 24 september 2014
Betreft Artikel 100-brief deelneming aan internationale strijd tegen ISIS
Ministerie van Buitenlandse Zaken
Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag Postbus 20061 Nederland www.rijksoverheid.nl
Onze Referentie
DVB/CV-178/2014
Met deze brief informeren wij u, in overeenstemming met artikel 100 van de Grondwet, over het besluit van het kabinet een Nederlandse bijdrage te leveren aan de strijd tegen ISIS. Tevens wordt hiermee voldaan aan het verzoek van de Kamer om een brief met het kabinetsstandpunt ten aanzien van het luchtoffensief op ISIS in Syrië (kenmerk 2014Z16349/2014D33223).
De terroristische organisatie ISIS heeft de afgelopen maanden delen van Syrië en Irak veroverd en daarbij een ongekende gewelddadigheid aan de dag gelegd, met ontwrichtende gevolgen, ook in omringende landen. De snelle opmars van ISIS en daaraan gelieerde organisaties vormt een directe dreiging voor de regio en veroorzaakt instabiliteit aan de grenzen van Europa, met potentieel vergaande gevolgen voor onze eigen veiligheid. Er is brede internationale steun, nadrukkelijk ook lokaal en regionaal, om de strijd met ISIS aan te gaan. De Verenigde Staten hebben hierbij het voortouw genomen. Op de korte termijn is de strategie van de Verenigde Staten gericht op het stoppen van de opmars van ISIS evenals het ondersteunen van de Iraakse en Koerdische strijdkrachten en de gematigde Syrische oppositie teneinde de militaire kracht van ISIS te breken. Een effectieve bestrijding van ISIS op de langere termijn vereist vergaande bestuurlijke en sociaaleconomische hervormingen, waarvoor vooral de nieuwe Iraakse regering verantwoordelijk is. Ook de invloedrijke buurlanden van Irak hebben een rol te spelen. Zij moeten het sektarische conflict dempen en de financiële, materiële en personele toevoerlijnen naar ISIS afsnijden. De internationale gemeenschap, waaronder Nederland, moet deze landen hierop blijven aanspreken.
Het kabinet heeft besloten om, naast politieke en humanitaire steun, ook een militaire bijdrage te leveren aan de strijd tegen ISIS in Irak, in samenwerking met de Verenigde Staten en andere (regionale) partners. De internationale inspanningen zijn gericht op het breken van de militaire kracht van ISIS op de korte termijn. Deze eerste fase van de strijd zal, naar Amerikaanse schatting, zes tot twaalf maanden duren. Nederland stelt in deze fase zes operationele F-16’s beschikbaar voor de duur van maximaal een jaar. Ook worden Iraakse en Koerdische strijdkrachten gedurende deze periode ondersteund met training en advies.
Met het oog op het planningsproces dat bij het Amerikaanse Central Command (CENTCOM) gaande is, wil het kabinet nu duidelijkheid verschaffen over de Nederlandse bijdrage. Het campagneplan voor de strijd tegen ISIS is nog in ontwikkeling. Dit betekent dat nog niet alle details van de uiteindelijke Nederlandse inzet beschikbaar zijn.
Gronden voor deelneming
Nederland steunt de legitieme Iraakse regering in de verdediging tegen de terreurorganisatie ISIS, die verschrikkelijke misdaden begaat tegen bevolkingsgroepen in Irak en Syrië. De crisis zorgt voor toenemende druk op de buurlanden, met name Turkije, Jordanië en Libanon, onder andere als gevolg van oplopende etnisch-religieuze spanningen en een toenemend aantal vluchtelingen. De Nederlandse inzet is er op gericht om, in het kader van de bevordering van de internationale rechtsorde, een bijdrage te leveren aan het de-escaleren van de situatie in de regio.
Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4
Den Haag
Datum 24 september 2014
Betreft Artikel 100-brief deelneming aan internationale strijd tegen ISIS
Ministerie van Buitenlandse Zaken
Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag Postbus 20061 Nederland www.rijksoverheid.nl
Onze Referentie
DVB/CV-178/2014
Met deze brief informeren wij u, in overeenstemming met artikel 100 van de Grondwet, over het besluit van het kabinet een Nederlandse bijdrage te leveren aan de strijd tegen ISIS. Tevens wordt hiermee voldaan aan het verzoek van de Kamer om een brief met het kabinetsstandpunt ten aanzien van het luchtoffensief op ISIS in Syrië (kenmerk 2014Z16349/2014D33223).
De terroristische organisatie ISIS heeft de afgelopen maanden delen van Syrië en Irak veroverd en daarbij een ongekende gewelddadigheid aan de dag gelegd, met ontwrichtende gevolgen, ook in omringende landen. De snelle opmars van ISIS en daaraan gelieerde organisaties vormt een directe dreiging voor de regio en veroorzaakt instabiliteit aan de grenzen van Europa, met potentieel vergaande gevolgen voor onze eigen veiligheid. Er is brede internationale steun, nadrukkelijk ook lokaal en regionaal, om de strijd met ISIS aan te gaan. De Verenigde Staten hebben hierbij het voortouw genomen. Op de korte termijn is de strategie van de Verenigde Staten gericht op het stoppen van de opmars van ISIS evenals het ondersteunen van de Iraakse en Koerdische strijdkrachten en de gematigde Syrische oppositie teneinde de militaire kracht van ISIS te breken. Een effectieve bestrijding van ISIS op de langere termijn vereist vergaande bestuurlijke en sociaaleconomische hervormingen, waarvoor vooral de nieuwe Iraakse regering verantwoordelijk is. Ook de invloedrijke buurlanden van Irak hebben een rol te spelen. Zij moeten het sektarische conflict dempen en de financiële, materiële en personele toevoerlijnen naar ISIS afsnijden. De internationale gemeenschap, waaronder Nederland, moet deze landen hierop blijven aanspreken.
Het kabinet heeft besloten om, naast politieke en humanitaire steun, ook een militaire bijdrage te leveren aan de strijd tegen ISIS in Irak, in samenwerking met de Verenigde Staten en andere (regionale) partners. De internationale inspanningen zijn gericht op het breken van de militaire kracht van ISIS op de korte termijn. Deze eerste fase van de strijd zal, naar Amerikaanse schatting, zes tot twaalf maanden duren. Nederland stelt in deze fase zes operationele F-16’s beschikbaar voor de duur van maximaal een jaar. Ook worden Iraakse en Koerdische strijdkrachten gedurende deze periode ondersteund met training en advies.
Met het oog op het planningsproces dat bij het Amerikaanse Central Command (CENTCOM) gaande is, wil het kabinet nu duidelijkheid verschaffen over de Nederlandse bijdrage. Het campagneplan voor de strijd tegen ISIS is nog in ontwikkeling. Dit betekent dat nog niet alle details van de uiteindelijke Nederlandse inzet beschikbaar zijn.
Gronden voor deelneming
Nederland steunt de legitieme Iraakse regering in de verdediging tegen de terreurorganisatie ISIS, die verschrikkelijke misdaden begaat tegen bevolkingsgroepen in Irak en Syrië. De crisis zorgt voor toenemende druk op de buurlanden, met name Turkije, Jordanië en Libanon, onder andere als gevolg van oplopende etnisch-religieuze spanningen en een toenemend aantal vluchtelingen. De Nederlandse inzet is er op gericht om, in het kader van de bevordering van de internationale rechtsorde, een bijdrage te leveren aan het de-escaleren van de situatie in de regio.
donderdag 2 oktober 2014
Antwoorden op vragen over missie tegen ISIS
Antwoorden op 225 vragen van Tweede Kamerleden over de Nederlandse militaire missie tegen de terreurbeweging ISIS.
Labels:
F-16's,
ISIL,
ISIS,
luchtmacht,
Tweede Kamer
woensdag 1 oktober 2014
Verslag briefing Tweede Kamer over missie tegen ISIS
Klik hier voor het stenogram (letterlijke weergave) van een technische briefing aan leden van de Tweede Kamer over de missie tegen ISIS in Irak. Sprekers o.a. de CDS, Generaal Middendorp, en de plaatsvervangend directeur van de MIVD
woensdag 24 september 2014
Nederland levert militaire bijdrage aan strijd tegen ISIS
Nederland komt militair in actie tegen de opmars en wandaden van ISIS. Het kabinet heeft besloten een militaire bijdrage te leveren aan de internationale strijd tegen ISIS in Irak. Dit schrijven de ministers Timmermans (Buitenlandse Zaken), Hennis (Defensie) en Ploumen (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) in een brief aan de Tweede Kamer.
De Nederlandse bijdrage is gericht op het breken van de militaire kracht en opmars van ISIS. Deze eerste fase zal naar Amerikaanse schatting tussen de zes en twaalf maanden duren. Nederland stelt in deze fase zes F-16’s beschikbaar voor luchtaanvallen op ISIS op Iraaks grondgebied. Ook worden Iraakse en Koerdische strijdkrachten in deze periode ondersteund met training en advies.
De combinatie van training en luchtsteun moet de Iraakse troepen in staat stellen om zelf ISIS effectief te bestrijden. Voor de inzet van de zes F-16’s en de daarbij behorende twee reserve-vliegtuigen worden maximaal 250 militairen uitgezonden. De Nederlandse bijdrage aan de trainingsteams zal bestaan uit maximaal 130 militairen. De Nederlandse F-16’s zullen opereren vanaf een nader te bepalen vliegveld buiten Irak.
Nederland draagt in Irak bij aan de strijd tegen ISIS op basis van het verzoek tot militaire steun dat de Iraakse autoriteiten deze zomer twee keer bij de VN hebben ingediend. Dit voorziet in een rechtsgrond voor de inzet van Nederlandse militairen in Irak.
Voor militaire inzet in Syrië is op dit moment geen internationale overeenstemming over een afdoende volkenrechtelijk mandaat. Als ISIS alleen in Irak militair bestreden zou worden, kan dat leiden tot versterking van ISIS in Syrië en andere landen in de regio. Het Amerikaanse luchtoffensief boven Syrië probeert dit te voorkomen. Het kabinet heeft begrip voor deze inspanningen, aldus de ministers.
De Nederlandse inzet is onderdeel van de strategie van een grote groep landen, waaronder landen uit de regio, op initiatief van de VS. Deze strategie draagt bij aan de inzet van de Iraakse regering. Het kabinet verschaft nu duidelijkheid over de Nederlandse bijdrage met het oog op het planningsproces in de VS. Het ministerie van Defensie heeft een team afgevaardigd naar het Amerikaanse commandocentrum en draagt daarmee bij aan de strategische planning van de operatie.
(Rijksoverheid, 24 september 2014)
Artikel-100 brief aan de Tweede Kamer
Audio van de persconferentie waarop de ministers Asscher en Hennis namens het kabinet de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS aankondigden
De Nederlandse bijdrage is gericht op het breken van de militaire kracht en opmars van ISIS. Deze eerste fase zal naar Amerikaanse schatting tussen de zes en twaalf maanden duren. Nederland stelt in deze fase zes F-16’s beschikbaar voor luchtaanvallen op ISIS op Iraaks grondgebied. Ook worden Iraakse en Koerdische strijdkrachten in deze periode ondersteund met training en advies.
De combinatie van training en luchtsteun moet de Iraakse troepen in staat stellen om zelf ISIS effectief te bestrijden. Voor de inzet van de zes F-16’s en de daarbij behorende twee reserve-vliegtuigen worden maximaal 250 militairen uitgezonden. De Nederlandse bijdrage aan de trainingsteams zal bestaan uit maximaal 130 militairen. De Nederlandse F-16’s zullen opereren vanaf een nader te bepalen vliegveld buiten Irak.
Nederland draagt in Irak bij aan de strijd tegen ISIS op basis van het verzoek tot militaire steun dat de Iraakse autoriteiten deze zomer twee keer bij de VN hebben ingediend. Dit voorziet in een rechtsgrond voor de inzet van Nederlandse militairen in Irak.
Voor militaire inzet in Syrië is op dit moment geen internationale overeenstemming over een afdoende volkenrechtelijk mandaat. Als ISIS alleen in Irak militair bestreden zou worden, kan dat leiden tot versterking van ISIS in Syrië en andere landen in de regio. Het Amerikaanse luchtoffensief boven Syrië probeert dit te voorkomen. Het kabinet heeft begrip voor deze inspanningen, aldus de ministers.
De Nederlandse inzet is onderdeel van de strategie van een grote groep landen, waaronder landen uit de regio, op initiatief van de VS. Deze strategie draagt bij aan de inzet van de Iraakse regering. Het kabinet verschaft nu duidelijkheid over de Nederlandse bijdrage met het oog op het planningsproces in de VS. Het ministerie van Defensie heeft een team afgevaardigd naar het Amerikaanse commandocentrum en draagt daarmee bij aan de strategische planning van de operatie.
(Rijksoverheid, 24 september 2014)
Artikel-100 brief aan de Tweede Kamer
Audio van de persconferentie waarop de ministers Asscher en Hennis namens het kabinet de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS aankondigden
donderdag 24 april 2014
Kamerbrief over de dood van sergeant Boy van Geffen
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 24 april 2014
Betreft Overlijden sergeant Boy van Geffen
Naar aanleiding van de uitzending van Een Vandaag op 9 april jl. over het overlijden van sergeant Boy van Geffen, heeft de vaste commissie voor Defensie mij verzocht te reageren (brief van 10 april jl. met kenmerk 2014Z06620/2014D13162). Met deze brief voldoe ik aan dit verzoek.
Op 8 juni 2011 heeft sergeant Van Geffen deelgenomen aan een gevechtsbereidheidsparcours. Dit parcours was onderdeel van de Voortgezette Kaderopleiding Luchtmobiel. Ongeveer anderhalf uur na afloop van het parcours is sergeant Van Geffen buiten bewustzijn geraakt en overgebracht naar het ziekenhuis in Weert. Daar bleek dat sprake was van ernstig hersenletsel. Op 14 juni 2011 is sergeant Van Geffen overleden.
Het overlijden van sergeant Van Geffen heeft diepe sporen nagelaten. Hij was jong en had zijn leven nog voor zich. Ik begrijp dan ook goed dat de nabestaanden van sergeant Van Geffen vragen hebben over de omstandigheden waaronder hij gewond is geraakt en over de uiteindelijke oorzaak van zijn overlijden. De commandant van sergeant Van Geffen en zorgverleners van het Commando Landstrijdkrachten staan zijn nabestaanden naar beste vermogen bij met informatie en ondersteuning. De Onderzoeksraad voor Veiligheid en het Openbaar Ministerie hebben een onderzoek ingesteld naar het overlijden van sergeant Van Geffen. De Commandant Landstrijdkrachten heeft eveneens onderzoek laten verrichten met als doel herhaling van dit soort voorvallen te voorkomen. Het rapport van dit onderzoek stond in de uitzending van Een Vandaag centraal.
De vaste commissie voor Defensie heeft mij naar aanleiding van de uitzending verzocht in het bijzonder in te gaan op:
- de bereidheid een onafhankelijke derde met behulp van het medisch dossier de doodsoorzaak van sergeant Van Geffen vast te laten stellen;
- een overzicht van de aanpassingen in de oefening (mede) als gevolg van het incident en/of hoe de huidige opzet van de oefening eruit ziet;
- welke waarborgen er zijn in verband met de risico’s;
- de bereidheid de suggestie van de vakbond over te nemen de lopende dossiers door een onafhankelijke te laten bekijken;
- de overige elementen die verband houden met het incident zoals in de uitzending genoemd.
In opdracht van het Openbaar Ministerie heeft de patholoog-anatoom van het Nederlands Forensisch Instituut de oorzaak van het overlijden van sergeant Van Geffen onderzocht. De nabestaanden kunnen bij de Officier van Justitie een verzoek tot het verkrijgen een afschrift van het sectierapport indienen. Deze beslist of het verzoek – mede gelet op het belang en de fase van het onderzoek - kan worden ingewilligd. Als de Officier van Justitie het verzoek inwilligt, kunnen de nabestaanden het sectierapport ter beoordeling aan een andere deskundige voorleggen. Ik ben zonder meer bereid aan een dergelijk verzoek van de nabestaanden mee te werken.
Naar aanleiding van het overlijden van sergeant Van Geffen heeft de Commandant Landstrijdkrachten besloten om alle activiteiten in het kader van militaire zelfverdediging tijdelijk te staken. Op basis van het rapport van de commissie van onderzoek zijn de volgende maatregelen genomen:
- de sportinstructeurs zijn bijgeschoold op veiligheidsbewustzijn en op het aanleren van technieken voor militaire zelfverdediging en het toezien op de juiste uitvoering daarvan;
- de sportinstructeurs mogen alleen lessen verzorgen waarvoor zij over de benodigde bevoegdheden beschikken;
- bij het aanleren en trainen van gevechtstechnieken en bij het sparren mag het hoofd alleen worden getoucheerd of licht worden getroffen;
- bij het aanleren en trainen van gevechtstechnieken en bij het sparren mogen alleen door Defensie verstrekte materialen worden gebruikt;
- de sportinstructeurs zijn geschoold in het herkennen van en het handelen bij letsel;
- de handleiding voor militaire zelfverdediging is geëvalueerd en er zijn kwaliteitsbewakers voor militaire zelfverdediging aangesteld;
- voorafgaand aan de Voortgezette Kaderopleiding Luchtmobiel wordt bezien of de deelnemers deze opleiding fysiek aankunnen;
- voor buitengewone activiteiten wordt een risicoanalyse uitgevoerd en worden de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden vastgelegd;
- bij oefeningen is toereikende medische ondersteuning beschikbaar;
- er is een beleidskader voor vorming opgesteld.
Met inachtneming van deze maatregelen heeft de Commandant Landstrijdkrachten de activiteiten op het gebied van militaire zelfverdediging per 15 april 2013 laten hervatten. Het gevechtsbereidheidsparcours wordt tot op heden niet afgenomen. Op grond van het beleidskader voor vorming wordt eerst bezien hoe het gevechtsbereidheidsparcours effectief en verantwoord kan worden ingericht. Vanwege de taken en het operationele belang is het gevechtsbereidheidsparcours sinds 11 maart 2013 wel weer onderdeel van de opleiding en training van het Korps Commandotroepen. Daarbij gelden strikte voorwaarden met betrekking tot de aanwezigheid van sportinstructeurs en medische ondersteuning.
Wat de suggestie over het bezien van de lopende dossiers betreft, kan ik melden dat ik daarover met de centrales van overheidspersoneel in overleg zal treden. Overigens zijn er volgens mijn informatie geen vergelijkbare dossiers die op afhandeling wachten. In de afgelopen jaren is een beperkt aantal voorvallen als gevolg van activiteiten in het kader van militaire zelfverdediging gemeld. Daarbij was geen sprake van blijvend letsel.
Voor het overige wil ik nog op twee punten ingaan. Volgens de uitzending van Een Vandaag heeft Defensie de suggestie gewekt dat het overlijden van sergeant Van Geffen ook aan hem zelf te wijten zou zijn. Ik betreur het zeer dat deze indruk is ontstaan en wil onderstrepen dat, zoals ook de Commandant Landstrijdkrachten in de uitzending heeft gezegd, Defensie verantwoordelijk is voor de verwondingen die sergeant Van Geffen tijdens het gevechtsbereidheidsparcours heeft opgelopen en voor het overlijden als gevolg daarvan. Defensie neemt ook haar verantwoordelijkheid tegenover de nabestaanden van sergeant Van Geffen.
In de uitzending werd ook gesteld dat Defensie nog steeds een gesloten organisatie is. Ik ben van mening dat het tegendeel is gebleken uit de wijze van handelen na het overlijden van sergeant Van Geffen. Het onderzoek dat is uitgevoerd en het rapport dat dit heeft opgeleverd, de informatie die binnen de organisatie en ook met de nabestaanden van sergeant Van Geffen is gedeeld en de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van het ongeval, wijzen erop dat Defensie heeft getracht zowel open als zorgvuldig te handelen.
Ten slotte heeft de commissie mij verzocht het vertrouwelijke rapport van het onderzoek op de kortst mogelijke termijn openbaar aan de Kamer te zenden. Ik heb dit rapport aanvankelijk met de rubricering personeelsvertrouwelijk aan de Kamer gestuurd, onder meer omdat er persoonsgegevens in voorkomen.
Vanwege het belang dat ik hecht aan een open debat over deze kwestie is, na overleg met de ouders van sergeant Van Geffen, besloten het rapport alsnog zonder rubricering aan de Kamer toe te sturen. Wel zijn de desbetreffende persoonsgegevens verwijderd.
Ik besef dat het verdriet om het overlijden van sergeant Van Geffen groot is. Dat kan ik niet wegnemen. Ik kan wel verzekeren dat Defensie maatregelen heeft getroffen om herhaling te voorkomen. De nabestaanden kunnen, als zij daar behoefte aan hebben, altijd bij Defensie terecht voor informatie en ondersteuning. Ook zal ik de nabestaanden van sergeant Van Geffen uitnodigen voor een persoonlijk gesprek.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(ministerie van Defensie, 24 april 2014)
Datum 24 april 2014
Betreft Overlijden sergeant Boy van Geffen
Naar aanleiding van de uitzending van Een Vandaag op 9 april jl. over het overlijden van sergeant Boy van Geffen, heeft de vaste commissie voor Defensie mij verzocht te reageren (brief van 10 april jl. met kenmerk 2014Z06620/2014D13162). Met deze brief voldoe ik aan dit verzoek.
Op 8 juni 2011 heeft sergeant Van Geffen deelgenomen aan een gevechtsbereidheidsparcours. Dit parcours was onderdeel van de Voortgezette Kaderopleiding Luchtmobiel. Ongeveer anderhalf uur na afloop van het parcours is sergeant Van Geffen buiten bewustzijn geraakt en overgebracht naar het ziekenhuis in Weert. Daar bleek dat sprake was van ernstig hersenletsel. Op 14 juni 2011 is sergeant Van Geffen overleden.
Het overlijden van sergeant Van Geffen heeft diepe sporen nagelaten. Hij was jong en had zijn leven nog voor zich. Ik begrijp dan ook goed dat de nabestaanden van sergeant Van Geffen vragen hebben over de omstandigheden waaronder hij gewond is geraakt en over de uiteindelijke oorzaak van zijn overlijden. De commandant van sergeant Van Geffen en zorgverleners van het Commando Landstrijdkrachten staan zijn nabestaanden naar beste vermogen bij met informatie en ondersteuning. De Onderzoeksraad voor Veiligheid en het Openbaar Ministerie hebben een onderzoek ingesteld naar het overlijden van sergeant Van Geffen. De Commandant Landstrijdkrachten heeft eveneens onderzoek laten verrichten met als doel herhaling van dit soort voorvallen te voorkomen. Het rapport van dit onderzoek stond in de uitzending van Een Vandaag centraal.
De vaste commissie voor Defensie heeft mij naar aanleiding van de uitzending verzocht in het bijzonder in te gaan op:
- de bereidheid een onafhankelijke derde met behulp van het medisch dossier de doodsoorzaak van sergeant Van Geffen vast te laten stellen;
- een overzicht van de aanpassingen in de oefening (mede) als gevolg van het incident en/of hoe de huidige opzet van de oefening eruit ziet;
- welke waarborgen er zijn in verband met de risico’s;
- de bereidheid de suggestie van de vakbond over te nemen de lopende dossiers door een onafhankelijke te laten bekijken;
- de overige elementen die verband houden met het incident zoals in de uitzending genoemd.
In opdracht van het Openbaar Ministerie heeft de patholoog-anatoom van het Nederlands Forensisch Instituut de oorzaak van het overlijden van sergeant Van Geffen onderzocht. De nabestaanden kunnen bij de Officier van Justitie een verzoek tot het verkrijgen een afschrift van het sectierapport indienen. Deze beslist of het verzoek – mede gelet op het belang en de fase van het onderzoek - kan worden ingewilligd. Als de Officier van Justitie het verzoek inwilligt, kunnen de nabestaanden het sectierapport ter beoordeling aan een andere deskundige voorleggen. Ik ben zonder meer bereid aan een dergelijk verzoek van de nabestaanden mee te werken.
Naar aanleiding van het overlijden van sergeant Van Geffen heeft de Commandant Landstrijdkrachten besloten om alle activiteiten in het kader van militaire zelfverdediging tijdelijk te staken. Op basis van het rapport van de commissie van onderzoek zijn de volgende maatregelen genomen:
- de sportinstructeurs zijn bijgeschoold op veiligheidsbewustzijn en op het aanleren van technieken voor militaire zelfverdediging en het toezien op de juiste uitvoering daarvan;
- de sportinstructeurs mogen alleen lessen verzorgen waarvoor zij over de benodigde bevoegdheden beschikken;
- bij het aanleren en trainen van gevechtstechnieken en bij het sparren mag het hoofd alleen worden getoucheerd of licht worden getroffen;
- bij het aanleren en trainen van gevechtstechnieken en bij het sparren mogen alleen door Defensie verstrekte materialen worden gebruikt;
- de sportinstructeurs zijn geschoold in het herkennen van en het handelen bij letsel;
- de handleiding voor militaire zelfverdediging is geëvalueerd en er zijn kwaliteitsbewakers voor militaire zelfverdediging aangesteld;
- voorafgaand aan de Voortgezette Kaderopleiding Luchtmobiel wordt bezien of de deelnemers deze opleiding fysiek aankunnen;
- voor buitengewone activiteiten wordt een risicoanalyse uitgevoerd en worden de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden vastgelegd;
- bij oefeningen is toereikende medische ondersteuning beschikbaar;
- er is een beleidskader voor vorming opgesteld.
Met inachtneming van deze maatregelen heeft de Commandant Landstrijdkrachten de activiteiten op het gebied van militaire zelfverdediging per 15 april 2013 laten hervatten. Het gevechtsbereidheidsparcours wordt tot op heden niet afgenomen. Op grond van het beleidskader voor vorming wordt eerst bezien hoe het gevechtsbereidheidsparcours effectief en verantwoord kan worden ingericht. Vanwege de taken en het operationele belang is het gevechtsbereidheidsparcours sinds 11 maart 2013 wel weer onderdeel van de opleiding en training van het Korps Commandotroepen. Daarbij gelden strikte voorwaarden met betrekking tot de aanwezigheid van sportinstructeurs en medische ondersteuning.
Wat de suggestie over het bezien van de lopende dossiers betreft, kan ik melden dat ik daarover met de centrales van overheidspersoneel in overleg zal treden. Overigens zijn er volgens mijn informatie geen vergelijkbare dossiers die op afhandeling wachten. In de afgelopen jaren is een beperkt aantal voorvallen als gevolg van activiteiten in het kader van militaire zelfverdediging gemeld. Daarbij was geen sprake van blijvend letsel.
Voor het overige wil ik nog op twee punten ingaan. Volgens de uitzending van Een Vandaag heeft Defensie de suggestie gewekt dat het overlijden van sergeant Van Geffen ook aan hem zelf te wijten zou zijn. Ik betreur het zeer dat deze indruk is ontstaan en wil onderstrepen dat, zoals ook de Commandant Landstrijdkrachten in de uitzending heeft gezegd, Defensie verantwoordelijk is voor de verwondingen die sergeant Van Geffen tijdens het gevechtsbereidheidsparcours heeft opgelopen en voor het overlijden als gevolg daarvan. Defensie neemt ook haar verantwoordelijkheid tegenover de nabestaanden van sergeant Van Geffen.
In de uitzending werd ook gesteld dat Defensie nog steeds een gesloten organisatie is. Ik ben van mening dat het tegendeel is gebleken uit de wijze van handelen na het overlijden van sergeant Van Geffen. Het onderzoek dat is uitgevoerd en het rapport dat dit heeft opgeleverd, de informatie die binnen de organisatie en ook met de nabestaanden van sergeant Van Geffen is gedeeld en de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van het ongeval, wijzen erop dat Defensie heeft getracht zowel open als zorgvuldig te handelen.
Ten slotte heeft de commissie mij verzocht het vertrouwelijke rapport van het onderzoek op de kortst mogelijke termijn openbaar aan de Kamer te zenden. Ik heb dit rapport aanvankelijk met de rubricering personeelsvertrouwelijk aan de Kamer gestuurd, onder meer omdat er persoonsgegevens in voorkomen.
Vanwege het belang dat ik hecht aan een open debat over deze kwestie is, na overleg met de ouders van sergeant Van Geffen, besloten het rapport alsnog zonder rubricering aan de Kamer toe te sturen. Wel zijn de desbetreffende persoonsgegevens verwijderd.
Ik besef dat het verdriet om het overlijden van sergeant Van Geffen groot is. Dat kan ik niet wegnemen. Ik kan wel verzekeren dat Defensie maatregelen heeft getroffen om herhaling te voorkomen. De nabestaanden kunnen, als zij daar behoefte aan hebben, altijd bij Defensie terecht voor informatie en ondersteuning. Ook zal ik de nabestaanden van sergeant Van Geffen uitnodigen voor een persoonlijk gesprek.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(ministerie van Defensie, 24 april 2014)
woensdag 22 januari 2014
Bescherming burgerbevolking expliciet aandachtspunt bij deelname militaire missies
Bescherming van de burgerbevolking is vanaf nu een expliciet aandachtspunt bij de besluitvorming over de deelname van Nederland aan internationale crisisbeheersingsoperaties. Dit schrijven minister Timmermans (Buitenlandse Zaken) en minister Hennis (Defensie) vandaag aan de Kamer.
Hiermee geeft het kabinet uitdrukking aan het belang van de bescherming van burgers in gewapende conflicten. Dat belang is de afgelopen jaren in de internationale besluitvorming over missies steeds zwaarder gaan wegen. Zo heeft de VN-Veiligheidsraad voor recente crisisbeheersingsoperaties – onder meer in Mali en Zuid-Sudan - bescherming van de burgerbevolking als hoofddoel gekozen. ‘Voor Nederland is het beschermen van de burgerbevolking altijd een belangrijke doelstelling bij vredesoperaties. Het is dan ook logisch dat dit nu als expliciet aandachtspunt in het toetsingskader wordt vermeld’, aldus minister Timmermans.
Naast deze aanpassing heeft het kabinet besloten de zorg voor militairen die worden uitgezonden als aandachtspunt op te nemen. Militairen die worden uitgezonden hebben recht op goede zorg, voor, tijdens en na de missie, schrijven de twee bewindslieden. Dit is ook verankerd in de Veteranenwet.
Daarnaast stellen de bewindslieden dat in het licht van de voortschrijdende Europese samenwerking afspraken over het vervlechten van militaire eenheden van partnerlanden niet vrijblijvend zijn. ‘Inzet van militairen blijft een nationale, soevereine afweging, maar,’ aldus minister Hennis, ‘partners moeten op elkaar kunnen rekenen. Het onttrekken van eenheden aan een samenwerkingsverband op een moment dat inzet aan de orde is, heeft immers ook gevolgen voor de partner’.
De bewindslieden schrijven dit in een brief met de kabinetsvisie op de werking van de artikel 100-procedure en het bijbehorende Toetsingskader. De gang van zaken tussen regering en parlement bij deelname aan missies berust op artikel 100 van de Grondwet. Daarin is het informatierecht van het parlement bij uitzending van militairen geregeld. Bij besluiten over deelname aan missies hanteert het kabinet sinds 1995 een aantal criteria dat is vastgelegd in het Toetsingskader. In eerste instantie werd alleen gekeken naar de politieke wenselijkheid, Nederlandse belangen en haalbaarheid. In de loop der tijd zijn er criteria – of aandachtspunten – bijgekomen zoals samenhang, ontwikkelingssamenwerking en gender. Vanaf nu geldt dat dus ook voor bescherming burgerbevolking en zorg voor militairen.
(ministerie van Defensie, 22 januari 2014)
Hiermee geeft het kabinet uitdrukking aan het belang van de bescherming van burgers in gewapende conflicten. Dat belang is de afgelopen jaren in de internationale besluitvorming over missies steeds zwaarder gaan wegen. Zo heeft de VN-Veiligheidsraad voor recente crisisbeheersingsoperaties – onder meer in Mali en Zuid-Sudan - bescherming van de burgerbevolking als hoofddoel gekozen. ‘Voor Nederland is het beschermen van de burgerbevolking altijd een belangrijke doelstelling bij vredesoperaties. Het is dan ook logisch dat dit nu als expliciet aandachtspunt in het toetsingskader wordt vermeld’, aldus minister Timmermans.
Naast deze aanpassing heeft het kabinet besloten de zorg voor militairen die worden uitgezonden als aandachtspunt op te nemen. Militairen die worden uitgezonden hebben recht op goede zorg, voor, tijdens en na de missie, schrijven de twee bewindslieden. Dit is ook verankerd in de Veteranenwet.
Daarnaast stellen de bewindslieden dat in het licht van de voortschrijdende Europese samenwerking afspraken over het vervlechten van militaire eenheden van partnerlanden niet vrijblijvend zijn. ‘Inzet van militairen blijft een nationale, soevereine afweging, maar,’ aldus minister Hennis, ‘partners moeten op elkaar kunnen rekenen. Het onttrekken van eenheden aan een samenwerkingsverband op een moment dat inzet aan de orde is, heeft immers ook gevolgen voor de partner’.
De bewindslieden schrijven dit in een brief met de kabinetsvisie op de werking van de artikel 100-procedure en het bijbehorende Toetsingskader. De gang van zaken tussen regering en parlement bij deelname aan missies berust op artikel 100 van de Grondwet. Daarin is het informatierecht van het parlement bij uitzending van militairen geregeld. Bij besluiten over deelname aan missies hanteert het kabinet sinds 1995 een aantal criteria dat is vastgelegd in het Toetsingskader. In eerste instantie werd alleen gekeken naar de politieke wenselijkheid, Nederlandse belangen en haalbaarheid. In de loop der tijd zijn er criteria – of aandachtspunten – bijgekomen zoals samenhang, ontwikkelingssamenwerking en gender. Vanaf nu geldt dat dus ook voor bescherming burgerbevolking en zorg voor militairen.
(ministerie van Defensie, 22 januari 2014)
donderdag 16 januari 2014
Antwoord op Kamervragen over de antipiraterijmissies
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
Datum: 15 januari 2014
Betreft: Beantwoording feitelijke vragen betreffende verlenging Nederlandse bijdrage aan missies EU-Atalanta en NAVO-Ocean Shield
Antwoorden van de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op de feitelijke vragen betreffende verlenging Nederlandse bijdrage aan missies EU-Atalanta en NAVO-Ocean Shield.
(Onderstaand een selectie uit de vragen en antwoorden. Weggelaten vragen hebben vooral betrekking op de situatie in Somalië zelf. De volledige tekst vindt u via de link onderaan deze pagina, HdV)
Vraag 3
Is het Luchtverdedigings- en Commando Fregat (LCF) dat van februari tot half mei 2014 ingezet zal worden in Ocean Shield dezelfde als het LCF Fregat dat vanaf half mei 2014 tot eind augustus 2014 ingezet zal worden in Atalanta? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Nee, in verband met het gereedstelling- en onderhoudsprogramma zijn twee fregatten aangeboden voor antipiraterijoperaties in 2014.
Vraag 4
Welke factoren spelen een rol bij de mogelijke inzet van een Autonomous Vessel Protection Detachment (AVPD) voor Atalanta in het najaar van 2014?
Antwoord
Naast Nederland hebben ook andere landen AVPD’s aangeboden voor Atalanta in 2014. Nederland richt zich op inzet in het najaar van 2014, mede omdat het dan de plaatsvervangend commandant in het Operationeel Hoofdkwartier van Atalanta levert. Over de werkelijke inzet van een Nederlands AVPD wordt uw Kamer te zijner tijd geïnformeerd.
Vraag 10
Zijn de Nederlandse militairen die deelnemen aan de EU Trainingsmissie Somalië nog gestationeerd in Uganda? Zo nee, waar zijn ze nu gestationeerd en sinds wanneer? Zo ja, hoe staat het met de plannen om de EUTM Somalië naar Mogadishu te verplaatsen?
Antwoord
Vanaf januari 2014 worden alle trainings- en adviesactiviteiten van EUTM Somalië uitgevoerd in Mogadishu. Op 20 november jl. heeft Nederland veertien functies toebedeeld gekregen in EUTM Somalië: vier staffuncties in het Mission Headquarters (MHQ) in Mogadishu, acht functies in trainingsteams die tevens in Mogadishu gaan opereren en twee functies bij de liaison cell in Nairobi. Vanaf januari 2014 worden de Nederlandse functies op deze locaties geleidelijk gevuld (zie Kamerbrief 29521, nr. 222 over de Nederlandse bijdrage EUTM Somalië).
Vraag 11
Welke onduidelijkheid is er over de beschikbaarheid van het aantal schepen nu aantal benodigde schepen voor Atalanta voor 2014 gegarandeerd 'lijkt'?
Antwoord
Het beschikbaar stellen van schepen door de lidstaten is een dynamisch proces. Binnen het initiële Force Generation Process hebben enkele lidstaten eenheden aangeboden onder politiek voorbehoud. De beschikbaarheid van deze eenheden is op dit moment nog niet formeel bevestigd.
Vraag 12
Is het bevoorradingsschip en een uitgebreide role 2 medische capaciteit voor Atalanta reeds gegarandeerd? Zo nee, welk uitzicht is er dat deze capaciteiten alsnog vervuld worden? En op welke termijn?
Vraag 14
Welke opties zijn er voor de beschikbaarheid van role 2 medische faciliteiten bij Ocean Shield?
Vraag 15
Waaruit bestaan role 2 medische faciliteiten?
Vraag 16
Wat zijn de alternatieve mogelijkheden voor de beschikbaarheid van role 2 medische faciliteiten mochten zowel Atalanta als Ocean Shield hier niet over kunnen beschikken?
Vraag 22
Voldoen de medische faciliteiten in Djibouti, Kenia, de Seychellen en het recentelijk ingerichte role 2 ziekenhuis van de VN-post op Mogadishu Airport aan de Nederlandse eisen? Leveren al deze locaties volwaardige role 2 medische faciliteiten?
Antwoord op vraag 12, 14, 15, 16 en 22
Een role 2 medische faciliteit bestaat uit chirurgische en tandheelkundige capaciteit. De chirurgische capaciteit is inclusief faciliteiten voor intensive care, beelddiagnostiek, laboratorium, farmacie, bloedvoorziening en verpleging. Atalanta heeft nog behoefte aan een bevoorradingsschip en role 2 medische capaciteit, waarin nu niet het gehele jaar kan worden voorzien. Waar de EU niet zelf in de behoefte kan voorzien, wordt net als voorgaande jaren intensief samengewerkt met de overige aanwezige internationale vlootverbanden.
Er zijn role 2 faciliteiten op zee en in de regio beschikbaar voor Atalanta en Ocean Shield, maar het waarborgen van goede medische faciliteiten blijft een uitdagende planningsfactor, vooral gelet op de omvang van het operatiegebied. Als alternatief hebben Nederlandse schepen minimaal een Advanced Resuscitation Team (ART) aan boord. Dit chirurgische team kan resuscitatie en damage control surgery uitvoeren. Ook kan, voor een beperkte duur, intensive care worden verzorgd. Hierdoor kan de beperkte beschikbaarheid van een uitgebreide role 2 faciliteit worden ondervangen. Aanvullend worden medische faciliteiten in Djibouti, Kenia, de Seychellen en de VN-post op Mogadishu Airport ingezet. Deze voldoen aan de Nederlandse zorgkwaliteitsmaatstaven voor een volwaardige role 2 medische faciliteit en worden jaarlijks gekeurd door medisch personeel vanuit het Operationeel Hoofdkwartier van Atalanta.
Vraag 13
Wat zijn de oorzaken van het in de praktijk niet (altijd) behalen van de geplande drie tot zes actieve NAVO-schepen in de missie Ocean Shield?
Antwoord
Als partnerlanden onvoldoende schepen aanbieden, wordt het geplande aantal niet gehaald. Hieraan kunnen financiële redenen of een gebrek aan beschikbare capaciteit ten grondslag liggen.
Vraag 17
Welke verdere samenwerking is er mogelijk tussen enerzijds Atalanta en Ocean Shield en anderzijds de zelfstandig opererende landen?
Antwoord
De samenwerking tussen Atalanta, Ocean Shield, de Combined Maritime Forces (CMF) en de zelfstandig opererende landen verloopt goed. Dit is mede het gevolg van het Shared Awareness and Deconfliction (SHADE) mechanisme in Bahrein. Dit forum bevordert de onderlinge informatie-uitwisseling, coördinatie en deconflictering tijdens maritieme operaties.
De verbeterde coördinatie heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat China enige malen hulp heeft geboden bij de bescherming van een schip van het Wereldvoedselprogramma in de High Risk Area. De aanwezigheid van zelfstandig opererende landen zoals China, Rusland en India dient echter primair de eigen belangen van deze landen. Het is niet te verwachten dat hun samenwerking met Atalanta en Ocean Shield het huidige niveau zal overstijgen.
Vraag 20
Is de verwachting dat de missie Ocean Shield een overdrachtsovereenkomst voor verdachten van piraterij zal krijgen met landen in de regio? En zo nee, waarom niet en zo ja, op welke termijn?
Antwoord
Om piraten in hechtenis te kunnen nemen en berechten, moeten landen beschikken over de benodigde justitiële- en detentiecapaciteit. Dit is vaak niet het geval. De EU kan via de geïntegreerde benadering landen in de regio hierbij ondersteunen. Daarom waren de landen in de regio bereid om met de EU een overdrachtsovereenkomst aan te gaan. De NAVO beschikt niet over dergelijke mogelijkheden tot ondersteuning. Het is dan ook niet de verwachting dat Ocean Shield op korte termijn overdrachtsovereenkomsten zal sluiten met landen in de regio.
Vraag 21
Zijn de helikopters voldoende toegerust op de dreiging van MANPADS?
Antwoord
Ja.
Vraag 25
Welke verschillen zitten er tussen de inzet mogelijkheden van een Oceangoing Patrol Vessel en een Luchtverdedigings- en Commando Fregat in de antipiraterijmissie Atalanta?
Antwoord
Het Oceangoing Patrol Vessel (OPV) en het Luchtverdedigings- en Commando Fregat (LCF) voeren in Atalanta hetzelfde takenpakket uit.
(ministerie van Defensie, 15 januari 2014)
Datum: 15 januari 2014
Betreft: Beantwoording feitelijke vragen betreffende verlenging Nederlandse bijdrage aan missies EU-Atalanta en NAVO-Ocean Shield
Antwoorden van de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op de feitelijke vragen betreffende verlenging Nederlandse bijdrage aan missies EU-Atalanta en NAVO-Ocean Shield.
(Onderstaand een selectie uit de vragen en antwoorden. Weggelaten vragen hebben vooral betrekking op de situatie in Somalië zelf. De volledige tekst vindt u via de link onderaan deze pagina, HdV)
Vraag 3
Is het Luchtverdedigings- en Commando Fregat (LCF) dat van februari tot half mei 2014 ingezet zal worden in Ocean Shield dezelfde als het LCF Fregat dat vanaf half mei 2014 tot eind augustus 2014 ingezet zal worden in Atalanta? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Nee, in verband met het gereedstelling- en onderhoudsprogramma zijn twee fregatten aangeboden voor antipiraterijoperaties in 2014.
Vraag 4
Welke factoren spelen een rol bij de mogelijke inzet van een Autonomous Vessel Protection Detachment (AVPD) voor Atalanta in het najaar van 2014?
Antwoord
Naast Nederland hebben ook andere landen AVPD’s aangeboden voor Atalanta in 2014. Nederland richt zich op inzet in het najaar van 2014, mede omdat het dan de plaatsvervangend commandant in het Operationeel Hoofdkwartier van Atalanta levert. Over de werkelijke inzet van een Nederlands AVPD wordt uw Kamer te zijner tijd geïnformeerd.
Vraag 10
Zijn de Nederlandse militairen die deelnemen aan de EU Trainingsmissie Somalië nog gestationeerd in Uganda? Zo nee, waar zijn ze nu gestationeerd en sinds wanneer? Zo ja, hoe staat het met de plannen om de EUTM Somalië naar Mogadishu te verplaatsen?
Antwoord
Vanaf januari 2014 worden alle trainings- en adviesactiviteiten van EUTM Somalië uitgevoerd in Mogadishu. Op 20 november jl. heeft Nederland veertien functies toebedeeld gekregen in EUTM Somalië: vier staffuncties in het Mission Headquarters (MHQ) in Mogadishu, acht functies in trainingsteams die tevens in Mogadishu gaan opereren en twee functies bij de liaison cell in Nairobi. Vanaf januari 2014 worden de Nederlandse functies op deze locaties geleidelijk gevuld (zie Kamerbrief 29521, nr. 222 over de Nederlandse bijdrage EUTM Somalië).
Vraag 11
Welke onduidelijkheid is er over de beschikbaarheid van het aantal schepen nu aantal benodigde schepen voor Atalanta voor 2014 gegarandeerd 'lijkt'?
Antwoord
Het beschikbaar stellen van schepen door de lidstaten is een dynamisch proces. Binnen het initiële Force Generation Process hebben enkele lidstaten eenheden aangeboden onder politiek voorbehoud. De beschikbaarheid van deze eenheden is op dit moment nog niet formeel bevestigd.
Vraag 12
Is het bevoorradingsschip en een uitgebreide role 2 medische capaciteit voor Atalanta reeds gegarandeerd? Zo nee, welk uitzicht is er dat deze capaciteiten alsnog vervuld worden? En op welke termijn?
Vraag 14
Welke opties zijn er voor de beschikbaarheid van role 2 medische faciliteiten bij Ocean Shield?
Vraag 15
Waaruit bestaan role 2 medische faciliteiten?
Vraag 16
Wat zijn de alternatieve mogelijkheden voor de beschikbaarheid van role 2 medische faciliteiten mochten zowel Atalanta als Ocean Shield hier niet over kunnen beschikken?
Vraag 22
Voldoen de medische faciliteiten in Djibouti, Kenia, de Seychellen en het recentelijk ingerichte role 2 ziekenhuis van de VN-post op Mogadishu Airport aan de Nederlandse eisen? Leveren al deze locaties volwaardige role 2 medische faciliteiten?
Antwoord op vraag 12, 14, 15, 16 en 22
Een role 2 medische faciliteit bestaat uit chirurgische en tandheelkundige capaciteit. De chirurgische capaciteit is inclusief faciliteiten voor intensive care, beelddiagnostiek, laboratorium, farmacie, bloedvoorziening en verpleging. Atalanta heeft nog behoefte aan een bevoorradingsschip en role 2 medische capaciteit, waarin nu niet het gehele jaar kan worden voorzien. Waar de EU niet zelf in de behoefte kan voorzien, wordt net als voorgaande jaren intensief samengewerkt met de overige aanwezige internationale vlootverbanden.
Er zijn role 2 faciliteiten op zee en in de regio beschikbaar voor Atalanta en Ocean Shield, maar het waarborgen van goede medische faciliteiten blijft een uitdagende planningsfactor, vooral gelet op de omvang van het operatiegebied. Als alternatief hebben Nederlandse schepen minimaal een Advanced Resuscitation Team (ART) aan boord. Dit chirurgische team kan resuscitatie en damage control surgery uitvoeren. Ook kan, voor een beperkte duur, intensive care worden verzorgd. Hierdoor kan de beperkte beschikbaarheid van een uitgebreide role 2 faciliteit worden ondervangen. Aanvullend worden medische faciliteiten in Djibouti, Kenia, de Seychellen en de VN-post op Mogadishu Airport ingezet. Deze voldoen aan de Nederlandse zorgkwaliteitsmaatstaven voor een volwaardige role 2 medische faciliteit en worden jaarlijks gekeurd door medisch personeel vanuit het Operationeel Hoofdkwartier van Atalanta.
Vraag 13
Wat zijn de oorzaken van het in de praktijk niet (altijd) behalen van de geplande drie tot zes actieve NAVO-schepen in de missie Ocean Shield?
Antwoord
Als partnerlanden onvoldoende schepen aanbieden, wordt het geplande aantal niet gehaald. Hieraan kunnen financiële redenen of een gebrek aan beschikbare capaciteit ten grondslag liggen.
Vraag 17
Welke verdere samenwerking is er mogelijk tussen enerzijds Atalanta en Ocean Shield en anderzijds de zelfstandig opererende landen?
Antwoord
De samenwerking tussen Atalanta, Ocean Shield, de Combined Maritime Forces (CMF) en de zelfstandig opererende landen verloopt goed. Dit is mede het gevolg van het Shared Awareness and Deconfliction (SHADE) mechanisme in Bahrein. Dit forum bevordert de onderlinge informatie-uitwisseling, coördinatie en deconflictering tijdens maritieme operaties.
De verbeterde coördinatie heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat China enige malen hulp heeft geboden bij de bescherming van een schip van het Wereldvoedselprogramma in de High Risk Area. De aanwezigheid van zelfstandig opererende landen zoals China, Rusland en India dient echter primair de eigen belangen van deze landen. Het is niet te verwachten dat hun samenwerking met Atalanta en Ocean Shield het huidige niveau zal overstijgen.
Vraag 20
Is de verwachting dat de missie Ocean Shield een overdrachtsovereenkomst voor verdachten van piraterij zal krijgen met landen in de regio? En zo nee, waarom niet en zo ja, op welke termijn?
Antwoord
Om piraten in hechtenis te kunnen nemen en berechten, moeten landen beschikken over de benodigde justitiële- en detentiecapaciteit. Dit is vaak niet het geval. De EU kan via de geïntegreerde benadering landen in de regio hierbij ondersteunen. Daarom waren de landen in de regio bereid om met de EU een overdrachtsovereenkomst aan te gaan. De NAVO beschikt niet over dergelijke mogelijkheden tot ondersteuning. Het is dan ook niet de verwachting dat Ocean Shield op korte termijn overdrachtsovereenkomsten zal sluiten met landen in de regio.
Vraag 21
Zijn de helikopters voldoende toegerust op de dreiging van MANPADS?
Antwoord
Ja.
Vraag 25
Welke verschillen zitten er tussen de inzet mogelijkheden van een Oceangoing Patrol Vessel en een Luchtverdedigings- en Commando Fregat in de antipiraterijmissie Atalanta?
Antwoord
Het Oceangoing Patrol Vessel (OPV) en het Luchtverdedigings- en Commando Fregat (LCF) voeren in Atalanta hetzelfde takenpakket uit.
(ministerie van Defensie, 15 januari 2014)
Abonneren op:
Posts (Atom)