donderdag 3 juli 2014

Opvolger NSO gelanceerd: Joint Sigint Cyber Unit

Met de start van de Joint Sigint Cyber Unit (JSCU) zetten de AIVD en MIVD een belangrijke stap om de nationale veiligheid en onze digitale netwerken beter te beschermen tegen bedreigingen en tegelijkertijd onze militairen op missie beter te ondersteunen. Voor een succesvolle samenwerking zijn goede afspraken nodig. Deze afspraken zijn vastgelegd in een, door de ministers van Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties en Defensie ondertekend, convenant.

De gezamenlijke eenheid is gespecialiseerd in Signals Intelligence (Sigint) en Cyber. Sigint omvat inlichtingen die worden verzameld uit (tele)communicatie. Cyber is een verzamelnaam voor verschillende activiteiten die te maken hebben met computernetwerken en datastromen. Denk hierbij aan het in kaart brengen van het internetlandschap in een (nieuw) missiegebied, het informeren van partners over een gevaarlijk computervirus of het hacken van een website van terroristen die de nationale veiligheid in gevaar brengen.

Het kabinet hecht groot belang aan verdergaande samenwerking tussen de AIVD en MIVD. Een belangrijke reden hiervoor is het bundelen van schaarse kennis en middelen. Doordat de technische ontwikkelingen op het gebied van Sigint en Cyber snel gaan, is bundeling van kennis en middelen binnen de JSCU niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk.

De JSCU is een logisch vervolg en intensivering van de lopende samenwerking op het gebied van Signals Intelligence in de Nationale Sigint Organisatie (NSO). De NSO gaat samen met andere specialistische onderdelen van de AIVD en de MIVD op in het nieuwe samenwerkingsverband. De JSCU is geen zelfstandige dienst, maar onderdeel van de AIVD en de MIVD.

Net zoals de overige taken van de AIVD en de MIVD valt ook de taakuitvoering van de JSCU binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) 2002. Het werk van de diensten wordt gecontroleerd door de Commissie betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD).

(AIVD, 3 juli 2014)



dinsdag 1 juli 2014

Antwoord op Kamervragen over intrekken VGB

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag

Datum
Betreft Antwoorden op vragen over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar

Onze referentie
BS2014019198

Hierbij bied ik u de antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie
voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar aan (ingezonden 12
juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).


DE MINISTER VAN DEFENSIE

J.A. Hennis-Plasschaert


Antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar (ingezonden 12 juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).


Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het categorisch benoemen van een aantal misdrijven als gevolg waarvan de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) moet worden ingetrokken, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid? 

Het gaat bij een veiligheidsonderzoek om het risico dat iemand kan vormen voor de nationale veiligheid. Gezien de specifieke taken voor Defensie alsmede de omstandigheden waaronder de Defensie-taken dienen te worden uitgevoerd, worden bijzondere normen gesteld. Zo zal het plegen van ieder strafbaar feit als omschreven in artikel 13, tweede lid, van de Opiumwet als regel tot weigering respectievelijk intrekking van een verklaring leiden.


Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het moeten intrekken van een VGB wegens de omstandigheid dat de militair een partner heeft uit een land, waarmee geen samenwerkingsrelatie bestaat op het gebied van veiligheidsonderzoek, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt, door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid? 

Bij een verblijf in een ander land van langer dan drie maanden doet de MIVD, via de AIVD, navraag bij een buitenlandse dienst waarmee de AIVD op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens samenwerkt. Indien dat, door het ontbreken van een dergelijke relatie, niet mogelijk is, geeft de MIVD in principe geen VGB af op grond van het onvoldoende verkrijgen van betrouwbare gegevens. Defensie heeft een aantal mogelijke uitzonderingen op die regel geformuleerd. Daarbij wordt, in een aantal gevallen en onder strikte voorwaarden, toch een VGB afgegeven. Om het risico dat ontstaat door het ontbreken van de gegevens van de partnerdienst te beperken, is dat niet een VGB voor het hoogste veiligheidsmachtigingsniveau. Defensie maakt hierbij een individuele beoordeling conform de kaders van de Wet veiligheidsonderzoeken Wvo).
 
Welke termijnen hanteert u bij het afhandelen van het bezwaar dat militairen mogelijk indienden tegen het intrekken van de VGB, gezien de forse gevolgen die het intrekken van het VGB voor de militair kan hebben? 
 
Bij een intrekking van een VGB wordt altijd eerst een voornemen naar betrokkene verzonden en wordt het betreffende defensieonderdeel hierover geïnformeerd. Betrokkene heeft dan twintig dagen de tijd om zijn of haar zienswijze naar de MIVD te zenden. Indien betrokkene (of diens advocaat) daarom verzoekt, wordt extra reactietijd voor de zienswijze verleend. Na ontvangst van de zienswijze wordt deze beoordeeld. Het besluit luidt dan ofwel handhaving intrekking ofwel handhaving VGB. Betrokkene en diens veiligheidsfunctionaris worden van dat besluit op de hoogte gebracht. Vervolgens krijgt betrokkene zes weken om bezwaar tegen dat besluit te maken bij de Minister. De Minister legt de bezwaren voor bij een onafhankelijke bezwarencommissie. Dat bezwaar heeft echter geen opschortende werking; de VGB is op dat moment ingetrokken en betrokkene dient binnen acht weken te worden ontheven uit de vertrouwensfunctie. De (wettelijke) afhandelingstermijn voor Defensie bedraagt zes weken, eventueel te verlengen met zes weken. 
 
Is het advies van de bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken 
bindend? Zo nee, waarom niet? 
 
Het advies van de bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken is niet bindend. Dit omdat de beslissingsbevoegdheid aangaande het intrekken van de VGB bij de minister van Defensie ligt. 
 
Kunt u toelichten hoe de samenvoeging van de beleidsregelingen uit 1997 en een codificatie uit bestaande praktijk wordt ervaren sinds 1 november 2013? 
Welk gewicht en welke functie heeft de zienswijze van de commandant bij de beoordeling over het al dan niet intrekken of weigeren van een VGB? 
Spelen beoordelingsgesprekken over het functioneren van de militair een rol bij de beoordeling over het al dan niet intrekken (of weigeren) van een VGB? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke? 
Op welke wijze worden persoonlijke en verzachtende omstandigheden door de MIVD meegenomen in het veiligheidsonderzoek? 
Welke rol spelen de persoonlijke en verzachtende omstandigheden bij het besluit tot intrekken van een VGB? 
 
Ten aanzien van de partner geldt dat dit aspect niet nieuw is, maar codificatie van bestaand beleid, ook bij de AIVD. Reeds bij Defensie werkzame medewerkers met een partner, die verbleven in een land waarmee geen samenwerkingsverband bestaat, waren zich bij het aangaan van de relatie mogelijk onvoldoende bewust van het partnerbeleid en de eventuele gevolgen daarvan voor hun werk. Om de rol van de partner in samenhang met onvoldoende gegevens nogmaals te benadrukken, zal het defensiepersoneel vanaf week 26 wederom over deze kwestie worden geïnformeerd. De rol van de commandant in dit VGB-proces is nieuw en vereist nog enige gewenning. Het gaat bij een veiligheidsonderzoek niet om het functioneren van betrokkene, maar om het risico dat iemand kan vormen voor de nationale veiligheid. De commandant kan bijzondere feiten en omstandigheden kenbaar maken die in zijn ogen een rol zouden moeten spelen bij de afweging al dan niet de VGB in te trekken. De beleidsregel maakt duidelijk in welke gevallen de MIVD de commandant om zijn zienswijze vraagt. In de overige gevallen staat het de commandant vrij om op eigen initiatief zijn zienswijze te geven. 
 
 10 
Welke rol spelen de overwegingen van de strafrechter bij de beoordeling of een VGB zou moeten worden ingetrokken? Heeft de MIVD hierin een adviserende of bepalende rol? 
 
Bij de beoordeling of een VGB wordt afgegeven, wordt uitgegaan van het vonnis en de daarin vermelde strafmaat. Defensie treedt niet in het oordeel van de rechter. Bij het uitbrengen van het voornemen en later het besluit heeft de MIVD een adviserende rol. 
 
11 
In hoeveel gevallen heeft de zienswijze van de commandant de doorslag gegeven bij een besluit tot het niet intrekken van een VGB? 
12 
Op welke wijze worden persoonlijke en eventueel verzachtende omstandigheden meegenomen in de beoordeling over het al dan niet intrekken of weigeren van een VGB? 
 
De zienswijze van de commandant wordt bij de afweging betrokken. Dit heeft tot op heden geen doorslaggevend effect gehad op het besluit. Persoonlijke en verzachtende omstandigheden worden altijd betrokken bij de besluitvorming over het al dan niet intrekken van de VGB, tenzij die al door de strafrechter zijn verdisconteerd in diens vonnis. 

13 
In hoeveel gevallen is op basis van persoonlijke en eventueel verzachtende omstandigheden besloten dat een VGB niet zal worden ingetrokken? 
 
De MIVD registreert niet separaat in welke gevallen persoonlijke en verzachtende omstandigheden de doorslag gaven bij het besluit de VGB niet in te trekken. 
 
14 
Kunt u toelichten wat voor consequenties het intrekken van VGB met zich meebrengt voor een medewerker die al in het verleden een vertrouwensfunctie heeft uitgevoerd? 
 
Na het intrekken van de VGB dient betrokkene binnen acht weken te worden ontheven van de vertrouwensfunctie. Voor die medewerkers geldt dat zij met begeleiding van Defensie op zoek kunnen gaan naar een niet-vertrouwensfunctie binnen Defensie of een functie elders. 
 
15 
Op welke wijze zijn de militairen voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregel veiligheidsonderzoeken geïnformeerd? 
 
Nieuwe medewerkers worden tijdens het wervings- en selectieproces geïnformeerd over de beleidsregel veiligheidsonderzoeken door CDC/Dienstencentrum Werving & Selectie. Communicatie hierover verloopt ook via de commandantenlijn en in functionele lijnen (beveiligings-,personeels- en communicatiefunctionarissen). Er wordt hierover ook gecommuniceerd via publicaties in de Defensie bladen, op het Intranet van Defensie en op www.defensie.nl. Een voorlichtingsbrochure over het veiligheidsonderzoek is op grote schaal verspreid, zowel digitaal als fysiek. 
 
16 
Hoe geeft u invulling aan de inspanningsverplichting: ‘De MIVD dient binnen de grenzen van het redelijke datgene te doen wat nodig is om de voor een verantwoorde oordeelsvorming benodigde gegevens te verkrijgen’? 
17 
Hoe vaak gebruikt men alternatieve bronnen en kanalen,die de achtergrond van de buitenlandse partner kunnen onderzoeken ten behoeve van informatievergaring? 
18 
Wat is de status bij de beoordeling over het al dan niet intrekken of weigeren van een VGB van (indirecte) informatie die uit de samenwerking in Benelux verband is of kan worden verkregen? 
19 
Wat is de status bij de beoordeling over het al dan niet intrekken of weigeren van een VGB van (indirecte) informatie die uit de samenwerking met de NAVO-partners is of kan worden verkregen? 
20 
Wat is de status bij de beoordeling over het al dan niet intrekken of weigeren van een VGB van (indirecte) informatie die via de EU-lidstaten is of kan worden verkregen? 
 
De MIVD verzoekt, via de AIVD, de partnerdienst in het desbetreffende land om de noodzakelijke gegevens, indien met die partnerdienst persoonsgegevens worden uitgewisseld. Of het desbetreffende land tot de Benelux behoort, een Navo-lid is of tot de EU behoort, is daarbij geen uitgangspunt. Bij het aangaan van een samenwerkingsverband tot het uitwisselen van persoonsgegevens worden de criteria voor samenwerking betrokken, waaronder de democratische inbedding van de desbetreffende dienst, het mensenrechtenbeleid van het desbetreffende land, de professionaliteit, de betrouwbaarheid en het karakter van de dienst. Dat is ook van belang voor betrokkene zelf, omdat diens gegevens, inclusief het gegeven dat betrokkene een vertrouwensfunctie vervult of gaat vervullen, bij de desbetreffende partnerdienst bekend worden. 

21 
Zijn de militairen vooraf bekend met de landen waarmee een samenwerkingsverband met de betreffende buitenlandse inlichtingendienst ontbreekt? Zo nee, waarom niet? 
22 
Op welke wijze kunnen militairen kennis vernemen van de landen waarmee een samenwerkingsverband met de betreffende buitenlandse inlichtingendienst ontbreekt? 
 
Vertrouwensfunctionarissen (militairen en burgers) kunnen bij hun veiligheidsfunctionaris informeren of met de dienst in een bepaald land een  samenwerkingsrelatie op het gebied van uitwisseling van persoonsgegevens bestaat. De lijst kan niet worden gepubliceerd, omdat het openbaren van samenwerkingsrelaties tussen diensten inzicht geeft in de werkwijze en de aard van de samenwerkingsverbanden. Temeer nu de inhoud van de lijst geen vast gegeven is, maar aan verandering onderhevig.

23 
Geldt de werkwijze van de beoordeling over het al dan niet intrekken of weigeren van een VGB ook in het geval van (al dan niet aangetrouwde) familieleden van buitenlandse afkomst? 
24 
Geldt de werkwijze van de beoordeling over het al dan niet intrekken of weigeren van een VGB ook ingeval het betreft een voormalige partner van buitenlandse afkomst? 
25 
Hoe ziet de beoordeling van het al dan niet intrekken of weigeren van een VGB er uit, wanneer het de kinderen betreft die een militair heeft met een voormalige partner van buitenlandse afkomst? 
 
Bij het veiligheidsonderzoek worden naast betrokkene primair de eventuele huidige partner in ogenschouw genomen. Het is van belang dat voldoende gegevens over de partner kunnen worden verkregen. Dat kan normaliter bij verblijf in Nederland en bij verblijf in landen waar met de betreffende dienst in dat land persoonsgegevens worden uitgewisseld. Buitenlandse afkomst speelt daarbij geen enkele rol. Het beleid geldt ook voor iemand met de Nederlandse nationaliteit die langer dan drie maanden in het buitenland heeft gewoond. Zo kan bijvoorbeeld een te grote binding met een risicoland een veiligheidsrisico vormen en dat zou kunnen leiden tot het weigeren of intrekken van de VGB. 
 
26 
Op welke termijn verwacht u duidelijkheid over het maatwerk voor die militairen die bij het aangaan van een relatie mogelijk onvoldoende bewust waren van het partnerbeleid met betrekking tot buitenlandse partners? 
 
Direct na het zomerreces spreek ik over het maatwerk met de bonden. Zodra ik hierover met hen afspraken heb gemaakt, zal ik u nader informeren

27 
Welke rol speelt artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij de beoordeling over het al dan niet intrekken of weigeren van een VGB? 
 
Artikel 8 EVRM vereist dat de inbreuk op de privacy voorzienbaar is, grondslag vindt in een wet en onder de in dit artikel genoemde doelcriteria valt, waaronder het belang van de nationale veiligheid. De Wvo voorziet hierin. 

(ministerie van Defensie, 27 juni 2014)

maandag 2 juni 2014

Mali: Nederlandse eenheden overgedragen aan MINUSMA

De Nederlandse eenheden in Mali vallen sinds vandaag officieel onder de VN-missie MINUSMA. Met de zogenoemde Transfer of Authority is de missie voor de ongeveer 400 Nederlandse militairen echt begonnen.

MINUSMA
De Verenigde Naties (VN) proberen de veiligheid en stabiliteit in Mali te herstellen. Dit gebeurt met de Multidimensional Integrated Stabilisation Mission in Mali (MINUSMA). Nederland levert sinds april 2014 een belangrijke bijdrage aan deze VN-missie. Het gaat om zo’n 370 man en 4 Apache-gevechtshelikopters. Vanaf oktober komen daar nog 3 Chinook-transporthelikopters bij en circa 70 man. Halverwege 2015 besluit de regering of ze de missie verlengt.

Nederlandse bijdrage in Mali
Speciale eenheden vormen de operationele kern op de grond. Zij gaan vooral verkenningen uitvoeren en inlichtingen verzamelen. Die informatie gebruikt de commandant van de VN-missie om operaties voor te bereiden. De Nederlanders vormen daarmee de ‘oren en ogen’ binnen de VN-missie. Daarnaast helpt een dertigtal politiefunctionarissen en een aantal civiele deskundigen de Malinese politie en rechtsstaat te verbeteren. De eenheden werken vanuit het sectorhoofdkwartier in Gao. Enkele stafofficieren hebben hun werkplek op het Minusma-hoofdkwartier in de hoofdstad Bamako.

Helikopters
Defensie levert 4 Apache-gevechtshelikopters, waarover commandant Minusma generaal-majoor Jean Bosco Kazura zeggenschap heeft. De toestellen voeren verkenningen uit en escorteren eenheden. Ook kunnen ze dreigend optreden (show of force) of vuursteun leveren. Verder verzamelen de Apaches inlichtingen met hun sensoren. Later dit jaar arriveren ook 3 Chinook-transporthelikopters, vooral bestemd voor medische evacuaties. Tot die tijd opereren de eenheden alleen op grotere afstand van Gao als de Franse operatie Serval de medische evacuatie garandeert.

(ministerie van Defensie, 2 juni 2014)

woensdag 28 mei 2014

Weblog van de Commandant der Strijdkrachten

Veiligheidsdiscussie

20-05-2014 | Generaal Tom Middendorp

In Nederland is discussie ontstaan over onze veiligheid en het geslonken Defensiebudget. Een belangrijke ontwikkeling. Hoe breder de discussie, hoe beter. Veiligheid is immers voor iedereen van belang en zeker geen luxeartikel.

De oproep van de Amerikaanse president Barack Obama aan Europese landen om meer te spenderen aan hun krijgsmacht en niet langer disproportioneel op de Amerikanen te leunen als het gaat om de veiligheid heeft de discussie aangewakkerd. Maar ook de spanningen in de Oekraïne maken veel los.

Dit land - op slechts 2 uur vliegafstand en gelegen aan de grenzen van de EU - laat namelijk zien dat een schijnbaar stabiele situatie zo kan omslaan en dat veiligheid helemaal niet vanzelfsprekend is. Sommigen noemen het niet voor niets een wake-up-call. Wie had immers 4 maanden geleden gedacht dat de verhoudingen zo snel konden verslechteren?

Dat geeft ook te denken. Zo liet de schrijver Geert Mak in het programma ‘Eén op één’ weten: “We waren zo bezig met die soft power - en dat is ook goed - alleen Poetin reageert op een 19e-eeuwse manier.” Mak, ooit pacifist, meende daarom dat we “Defensie niet moeten afbreken” en dat we “meer moeten samenwerken met anderen.”

En de Britse militair historicus en oud-journalist Max Hastings zei in een interview met NRC Handelsblad over de situatie in de Oekraïne: “Ik stel geen moment voor dat we een militair antwoord moeten geven, maar ik suggereer wel dat we moeten laten zien dat we dat kunnen. Het is angstaanjagend dat Europa niet eens kan pretenderen dat het een militair antwoord heeft.”

Zo is het maar net. Dat is ook de reden waarom ik zelf vorige week bij een debatbijeenkomst opmerkte dat een brullende leeuw veel geloofwaardiger is als die ook zijn tanden kan laten zien. Het is nu eenmaal geloofwaardiger als je praat vanuit een sterke positie. Vriend en vijand weten dat.

Mijn uitspraken trokken de aandacht van de media, maar het moest gezegd worden. Europa levert slechts 25% van de NAVO en moet een meer geloofwaardige partner worden. Dit vooral door meer rendement te halen uit onze samenwerking en de krachten nog meer te bundelen. Maar daarmee verandert dit percentage niet. Daar is meer voor nodig.

Bij militaire samenwerking geldt dat de liefde van 2 kanten moet komen. Je kunt als land niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten, en voor een lagere premie een hogere dekking verwachten. Je moet ook bereid zijn te leveren.

En dat is nu net het probleem. Nederland investeert nu 1,16% van het Bruto Nationaal Product in Defensie. Als we de pensioenen en wachtgelden niet meetellen slechts 0,87%. Ter vergelijking: de gemiddelde bijdrage van de Europese NAVO-landen is 1,56% en de NAVO-norm is 2%.

Wij zitten met onze 1,16% dus ruim onder de gemiddelde EU-bijdrage en de NAVO-norm. En dat terwijl onze economische positie zich juist meer in de kopgroep bevindt. En dat in een tijd waarin we in toenemende mate afhankelijk zijn van stabiliteit, zowel binnen als buiten Europa…

Dat baart mij zorgen. Of we het nu leuk vinden of niet, in veiligheid en vrijheid moeten we blijven investeren. Of zoals Geert Mak in de uitzending ‘Eén op één’ concludeerde:

“Vrijheid komt niet vanzelf. Voor vrijheid moet je knokken. Moet je concessies doen. Moet je ruzie over maken. Rode koppen krijgen en uiteindelijk weer naar de stembussen sjokken. Dat is allemaal vrijheid. Vrijheid moet je verrekt alert op zijn, want anders glipt het zo door je vingers”.

Generaal Tom Middendorp,
Commandant der Strijdkrachten

zaterdag 24 mei 2014

PC JdHS Ukr Georg.mp3





woensdag 21 mei 2014

Jaarverslag Inspecteur-generaal der Krijgsmacht over 2013

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 21 mei 2014
Betreft Jaarverslag Inspecteur-generaal der Krijgsmacht over 2013

Hierbij ontvangt u het verslag van de Inspecteur-generaal der Krijgsmacht (IGK) over het jaar 2013. De IGK geeft mij gevraagd en ongevraagd advies over alle onderwerpen die Defensie betreffen. Deze adviezen worden bij de ontwikkeling van het defensiebeleid betrokken en waar mogelijk omgezet in concrete maatregelen en initiatieven. Naar aanleiding van zijn werkbezoeken of individuele bemiddeling is, zoals vermeld in het IGK jaarverslag, reeds een aantal maatregelen getroffen. In deze brief ga ik in op de vier hoofdpunten die de IGK in zijn voorwoord naar voren brengt en vervolgens op de themaonderzoeken.

Koers Defensie 
Het jaar 2013 was voor Defensie een moeilijk jaar. Een groot deel van de organisatie was in beweging en veel mensen werden geconfronteerd met onzekerheid over hun baan. De IGK constateert dat veel medewerkers het gevoel hadden dat de nieuwe reorganisatie van start was gegaan, terwijl de doelen van de vorige reorganisatie nog niet waren behaald. Ik herken dat de reorganisaties en hervormingen al lang een zware wissel trekken op het personeel. Ik ben de IGK erkentelijk dat hij daaraan aandacht blijft besteden.

Voor het defensiepersoneel wordt het, na twee decennia van reorganisaties, bezuinigen én intensieve inzet, hoog tijd om weer vooruit te kunnen kijken. In de nota In het belang van Nederland wordt de koers voor Defensie uitgezet. Die koers zal de komende jaren verder vorm krijgen en zal ervoor zorgen dat de Nederlandse krijgsmacht kan omgaan met diffuse dreigingen en risico’s. Dat vergt een krijgsmacht die militair relevant en financieel op orde is. Voor het defensiepersoneel biedt dit perspectief.

Loopbaanbeleid en functietoewijzing
De reorganisatieplannen hebben geleid tot een aanzienlijk kleinere krijgsmacht. De IGK constateert dat het behoud van kennis en ervaring evenals het loopbaanperspectief onder druk staan. Door het verkleinen van de ‘bovenbouw’ en het hanteren van een strikte numerus fixus is er tijdelijk weinig doorstroomruimte voor personeel. Door deze zure appel moeten we helaas heen bijten.

De IGK ontvangt positieve signalen over de verbetering van de loopbaanbegeleiding. Dit bevestigt de inspanningen die op dit gebied zijn gedaan. Er is geïnvesteerd in de kwaliteit van loopbaanbegeleiders en er wordt gestuurd  op de ontwikkeling van personeel. Loopbaanbeleid blijft een belangrijk onderdeel van het personeelsbeleid van Defensie. Dit jaar wordt het flexibel personeelssysteem (FPS) geëvalueerd. De bevindingen van deze beleidsevaluatie zal ik u naar verwachting eind dit jaar aanbieden.

Inzetbaarheid materieel en ondersteuning taakuitvoering
De IGK concludeert dat problemen in de materiële gereedheid, de IV en ICT- ondersteuning en ook bij reservedelen belemmerend werken voor de organisatie en leiden tot onvrede bij het personeel. De IGK wijst op een aantal punten. Hier wordt aan gewerkt. In het geval van de reservedelen was reeds bekend dat er in 2013 nog beperkingen zouden bestaan. Ik heb u hierover eind oktober 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 32 733, nr. 147).

Op dit moment wordt op het gebied van verwerving gewerkt aan de verbetering en vereenvoudiging van procedures. Zo zijn inmiddels financiële grenzen verhoogd, waardoor in de lijn sneller kan worden gehandeld.

De onvrede en zorgen over de ondersteuning van de informatievoorziening en de ICT-middelen die de IGK-signaleert, zijn mij bekend. De relatieve veroudering   van de ICT-infrastructuur leidt momenteel tot een toename van de arbeidsintensiviteit. De betrouwbaarheid van de IV is rond de jaarwisseling verminderd geweest, maar is door uitbreidingsinvesteringen in het eerste   kwartaal van 2014 voorlopig verholpen. Zoals ik heb vermeld in mijn brief van 13 mei jl. (Kamerstuk 2014Z08603) is een onderzoek van start gegaan naar de staat van de IV/ICT en de governance. Naar verwachting kan ik u voor het zomerreces over dit onderzoek nader informeren.

Ruimte commandanten en leidinggevenden in reguliere bedrijfsvoering en gereedstelling
De IGK stipt aan dat commandanten en leidinggevenden, in tegenstelling tot missiegebieden, in Nederland weinig regelruimte ervaren. Het ontbreekt hen aan de mogelijkheden om een integrale verantwoordelijkheid te nemen. Deze ervaringen herken ik. De IGK heeft in dit kader ook onderzoek gedaan naar regelgeving en regelvrijheid. Ik kom daar in mijn reactie op de themaonderzoeken van de IGK op terug.

Themaonderzoeken
De IGK heeft in 2013 een themaonderzoek uitgevoerd naar regelgeving en   vrijheid en is nog bezig met een onderzoek naar afscheid nemen (bij Defensie). In het jaarverslag zijn de belangrijkste bevindingen weergegeven. De aanbevelingen tot verbetering en mijn reactie daarop worden hieronder weergegeven.

Regelgeving en regelvrijheid
De IGK onderzocht knelpunten die commandanten ervaren bij de toepassing van regelgeving en de mogelijkheid om regelvrijheid te vergroten. De IGK geeft hierbij praktische aanbevelingen in het kader van de P&O-regelgeving, zoals in het taalgebruik meer rekening houden met de gebruiker, het verminderen van het aantal regels en een betere vindbaarheid van deze regels.

Zoals de IGK zelf al aangeeft, is dit geen nieuw onderwerp. Binnen de overheid en ook binnen Defensie zijn initiatieven genomen om te komen tot deregulering en  tot het wegnemen van blokkades bij de toepassing, regie, naleving en    handhaving van regelgeving. Er bestaat geen panacee die van de ene op de  andere dag binnen Defensie kan worden geïmplementeerd, maar dit onderwerp heeft zeker de aandacht.

Afscheid nemen (bij Defensie)
De IGK onderzoekt tevens hoe Defensie afscheid neemt van medewerkers die de organisatie (gedwongen) verlaten. Aangezien de IGK dit onderzoek in 2014 voortzet, betreft dit een tussenrapportage. Ik waardeer de bevestiging van de  IGK dat het herplaatsingsproces gestructureerd en overzichtelijk is gefaseerd. De IGK bemerkt dat de in het herplaatsingstraject geboden faciliteiten duidelijk zijn beschreven en voldoende waarborgen bieden voor een zorgvuldige begeleiding naar buiten. Ik onderschrijf de plicht van de organisatie om optimale begeleiding te bieden aan medewerkers die de organisatie moeten verlaten. Ik blijf mij daarvoor inzetten.

Tot slot
De IGK zal in 2014 een onderzoek starten naar de effecten van het opleiden op de werkvloer. Ik kijk uit naar de uitkomsten van dit onderzoek. Ik hecht grote waarde aan de rol van de IGK en de adviezen die hij doet op basis van zijn onderzoeken, werkbezoeken en de individuele bemiddeling. Deze adviezen helpen bij het duiden van mogelijkheden tot verbetering in de organisatie en dragen zorg voor een transparant beeld van Defensie naar buiten. Hier is de defensieorganisatie bij gebaat, maar vooral ook het personeel. De medewerkers, zowel de militairen als de burgers, vormen het hart van de defensieorganisatie en zijn daarmee het belangrijkste kapitaal van Defensie.


DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert

(ministerie van Defensie, 21 mei 2014)

Personeelsrapportage over 2013

Aan de Voorzittter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 19 mei 2014
Betreft Personeelsrapportage over 2013

Hierbij bied ik u de Personeelsrapportage over het jaar 2013 aan. Deze rapportage heeft tot doel de kwantitatieve en kwalitatieve stand van zaken met betrekking tot het personeel van Defensie in 2013 te duiden. De rapportage omvat een algemeen beeld van de personele ontwikkelingen in 2013, de instroom en uitstroom, de bestandsopbouw, de numerus fixus, de vulling, de reservisten en de verandermonitor. In deze rapportage wordt tevens ingegaan op de stand van zaken bij de reorganisaties ten gevolge van de beleidsbrief 2011, conform mijn toezegging op 23 januari 2014.

Kernboodschap
Het totale personeelsbestand van Defensie 1)  is in 2013 verder afgenomen, netto met 1269 vte’n van 60.714 naar 59.445 vte’n. Eind 2013 zijn de meeste reorganisaties voltooid en daarmee zijn de consequenties voor het personeel grotendeels duidelijk. Ten opzichte van 2012 laat 2013 een licht positiever beeld zien in het vertrouwen, de tevredenheid en de motivatie van het personeel. Omdat de organisatie meer is gekrompen dan het personeelsbestand, is ook de personele vulling in 2013 gestegen. We zijn er echter nog niet. Een aantal reorganisaties, naar aanleiding van de beleidsbrief 2011, is nog gaande. Daarnaast is de instroom lager en de uitstroom hoger dan gewenst. Hierdoor kwam het personeelsbestand per 31 december 2013 kwantitatief al onder de numerus fixus van 2016. In 2013 was er nog steeds een tekort aan technisch geschoold personeel. De gewenste verjonging heeft in 2013 nog geen gestalte gekregen. Wel stabiliseert de gemiddelde leeftijd voor militair personeel.

Algemeen beeld 
De afgelopen jaren hebben veel gevraagd van de defensiemedewerkers. De reorganisaties met de daaraan verbonden onzekerheid, functiewisselingen en veranderingen van werkzaamheden zijn een zware belasting geweest. Ondanks deze veranderingen is gebleken dat de medewerkers hun taken en opdrachten gedegen en professioneel blijven uitvoeren.

Voor de meeste medewerkers is de periode van onzekerheid over hun baan voorbij. Helaas heeft een deel van de medewerkers Defensie moeten verlaten. Sinds het uitkomen van de beleidsbrief in 2011 is het totale personeelsbestand van Defensie met 10 procent afgenomen: van 65.995 per 1 juli 2011 naar 59.445 vte’n per 1 januari 2014.

In de tussenliggende periode lag het natuurlijk verloop en het vrijwillig vertrek hoger dan verwacht. Het aantal sollicitaties en aangestelden lag in 2013 hoger dan in 2012. De totale instroom was in 2013 echter lager dan gepland. De hogere uitstroom en lagere instroom zorgen ervoor dat minder medewerkers gedwongen naar werk buiten Defensie moeten worden begeleid.

Net zoals de meeste organisaties zal ook Defensie in ontwikkeling blijven. De nota In het belang van Nederland bevat maatregelen, deels verzacht dan wel teruggedraaid na het begrotingsakkoord van oktober 2013, waarvan enkele zullen leiden tot organisatieveranderingen. Het aantal reorganisaties is echter in vergelijking met de beleidsbrief 2011 beperkt en niet meer dan in een grote organisatie als Defensie gebruikelijk is.

Instroom en uitstroom 
Het aantal belangstellenden voor een militaire opleiding of baan bij Defensie is in 2013 afgenomen ten opzichte van 2012. Dit komt vooral doordat het begrip ‘belangstellende’ sinds begin 2013 anders is gedefinieerd. Defensie hanteert het begrip belangstellenden alleen nog maar voor personen die in de doelgroepen voor werving vallen. Door een gerichte aanpak en de verbeteringen in het wervingsproces ligt het aantal sollicitaties in 2013 15 procent hoger dan in 2012. In 2013 ligt het aantal initieel aangestelde militairen 44 procent hoger ten opzichte van 2012. De effecten van de genomen maatregelen vanuit het Actieplan Werving en Behoud (Kamerstuk 33 763, nr. 29) dragen hieraan bij.

De arbeidsmarkt in 2014 is vanuit werkgeversperspectief vrij gunstig. Technisch geschoold personeel vormt hierop een uitzondering. Deze categorie blijft naar verwachting ook in 2014 en volgende jaren schaars. Specifiek voor technisch personeel heeft Defensie op 6 november 2013 Techbase georganiseerd. Met deze techniekdag heeft Defensie haar positie als werkgever op dit gebied meer bekendheid willen geven. Van de 15.000 veelal jonge bezoekers bleken er ruim 6.000 geïnteresseerd in een van de (technische) richtingen van de ROC-opleiding Veiligheid en Vakmanschap. Daarnaast hebben op de dag zelf 150 bezoekers direct gesolliciteerd naar een technische baan bij Defensie. Techbase zal in de komende jaren naar verwachting een positief effect hebben op het aantal sollicitaties. Scholieren maken in de komende maanden en soms pas in de komende jaren hun keuze. In de reguliere arbeidsmarktcampagne zal Defensie het komende jaar extra aandacht blijven vragen voor technische beroepen.

Zowel de reguliere uitstroom (ten gevolge van leeftijdsontslag of einde aanstelling) als de irreguliere uitstroom (ten gevolge van vrijwillig of gedwongen ontslag) zijn bij burgermedewerkers en militairen in 2013 afgenomen ten opzichte van 2012. Het saldo van in- en uitstroom van militair personeel en dat van burgerpersoneel is daarbij negatief. Dit betekent dat er in 2013 meer personeel de organisatie is uitgestroomd dan ingestroomd. Deze ontwikkeling is in lijn met de geplande afname van het personeelsbestand. Ten opzichte van 2012 is dit negatief saldo in 2013 kleiner geworden.

Bestandsopbouw 
Het totale aandeel vrouwen binnen Defensie is in vergelijking met 2012 in 2013 naar verhouding constant gebleven. Wel is een verschuiving in de rangen en schalen zichtbaar. Het aandeel vrouwen in de lagere schalen en rangen is in 2013 licht afgenomen en in de hogere schalen en rangen (vanaf majoor en schaal 10) licht toegenomen.

Binnen Defensie is het eerder verwachte verjongingseffect nog niet opgetreden. De gemiddelde leeftijd voor militairen is in de afgelopen twee jaar met 1,2 jaar gestegen naar 34,4 jaar en voor burgers met 1,7 jaar naar 47,7 jaar.

Het uitblijven van het verjongingseffect wordt onder meer veroorzaakt door de lagere instroom dan gepland. Tevens zijn bij de reorganisaties de oudere medewerkers behouden als gevolg van de voor hen geldende ontslagbescherming. Zij zullen naar verwachting in de periode tot 2016 uitstromen. Ook de vertraging van de reorganisatie heeft bijgedragen aan het uitblijven van het verjongingseffect. Daarnaast zorgt het rijksbrede beleid ervoor dat burgermedewerkers langer moeten doorwerken met als gevolg dat de uitstroomleeftijd stapsgewijs wordt verhoogd. Een sturingsmogelijkheid van Defensie ligt vooral bij de instroom van jong personeel. Ook in 2014 richt Defensie zich waar mogelijk op de verjonging van het personeelsbestand. 
 
De verwachting is dat de komende jaren de gemiddelde leeftijd zal stabiliseren dan wel licht zal dalen. Dit geldt zowel voor militair als burgerpersoneel. Uitgaande van de huidige ontslagleeftijd, zal naar verwachting voor militair personeel de gemiddelde leeftijd dalen vanaf 2018 en voor burgerpersoneel na 2020. 
 
Numerus Fixus 
Per 1 januari 2014 komt het organisatie- en personeelsbestand van Defensie kwantitatief bijna overeen met de geplande numerus fixus van 2016. In 2013 is het personeelsbestand van Defensie 440 personen kleiner dan de numerus fixus voor 2016. De numerus fixus is in kwantitatieve zin dus eerder gehaald dan gepland. In kwalitatieve zin moeten de aantallen van enkele schalen en rangen nog worden verminderd, zoals bij militairen in de rang van adjudant, luitenant-kolonel en kolonel en bij burgermedewerkers in de schaal 13. Naar verwachting zal in 2014 en 2015 dit surplus aan personeel ten gevolge van natuurlijke uitstroom door leeftijdsontslag en door toepassing van het Sociaal beleidskader (SBK) de organisatie verlaten. De gevolgen van de nota In het belang van Nederland en van het begrotingsakkoord zullen in de numerus fixus worden verwerkt. 

Vulling 
Het vullingspercentage is in 2013 gestegen naar 82,5 procent voor militair personeel en 89,2 procent voor burgerpersoneel. Deze stijging wordt vooral veroorzaakt door het stapsgewijs kleiner worden van de formatie als gevolg van de reorganisatie en niet door een vergroting van het personeelsbestand. In de komende jaren tot 2016 zal de formatie nog kleiner worden. Hierdoor zal het vullingspercentage de komende jaren positief worden beïnvloed. 
 
Reservisten 
Het totaal aantal reservisten is met 4.692 in vergelijking met 2012 vrijwel gelijk gebleven. In 2013 zijn in totaal 77 reservisten uitgezonden (front-fill). Op 1 januari 2014 vervingen in Nederland twaalf reservisten een uitgezonden militair (back-fill). Op 2 december 2013 is het reservistencongres gehouden. Bij deze dag hebben reservisten, hun achterban en de betrokken werkgevers waardevolle input geleverd voor het in 2014 te ontwikkelen reservistenbeleid. Dit beleid richt zich voornamelijk op een uitbreiding van de reservisteninzet vanaf 2020. 
 
Verandermonitor 
De Verandermonitor Defensie, het onderzoek binnen Defensie naar trends in vertrouwen, motivatie, tevredenheid en sollicitatiegedrag, laat een licht positiever beeld zien. Het vertrouwen van medewerkers in een toekomst bij Defensie is in 2013 toegenomen. De stijging kan worden verklaard door het voltooien van een groot deel van de reorganisaties naar aanleiding van de beleidsbrief 2011. Ook de motivatie van medewerkers is in 2013 licht gestegen. De tevredenheid van het defensiepersoneel fluctueert enigszins, maar blijft rond de 60 procent. Het aantal sollicitaties van defensiepersoneel naar werk buiten Defensie is licht toegenomen. Dit kan ook verband houden met de reorganisaties die in 2013 hebben plaatsgevonden. 
 
Defensie in ontwikkeling 
Van de in totaal 106 reorganisatietrajecten zijn er inmiddels dertien opgegaan in andere reorganisaties, waardoor het totaal aantal reorganisatietrajecten neerkomt op 93. Nadat het overleg met de bonden in maart 2013 is hervat, zijn 68 van de 93 lopende reorganisatietrajecten voltooid. Enkele trajecten zijn over de jaargrens heengegaan en worden dit jaar gerealiseerd. Zoals gemeld in de brief van 20 januari (Kamerstuk 33 750-X, nr. 40) is de reorganisatie bij de Defensie Gezondheidszorg Organisatie vertraagd. Met de centrales van overheidspersoneel is eind maart overeenstemming bereikt over het geneeskundige voorzieningenniveau van Defensie. Als volgende stap in dit traject zullen de reorganisatieplannen aan het voorzieningenniveau worden getoetst. Aansluitend worden de formele reorganisatiestappen vervolgd. In 2014 worden naar verwachting vijftien trajecten voltooid, zeven in 2015 en de resterende drie begin 2016. Een volledig overzicht van de reorganisatietrajecten treft u aan in de bijlage (tabel 14). 
 
De schatting van het aantal personeelsleden dat als gevolg van de reorganisaties volgend uit de beleidsbrief 2011 naar werk buiten Defensie wordt begeleid, is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Kamerbrief van september 2013 (Kamerstuk 33 763, nr. 3). Het gaat tot 2016 naar verwachting om 1.750 personen, die Defensie hoofdzakelijk in de tweede helft van 2014 en de eerste helft van 2015 zullen verlaten. In totaal bevinden zich per 1 januari 2014 1.234 medewerkers in een herplaatsingstraject van het SBK 2012. Naar aanleiding van de maatregelen van de beleidsbrief werden per 1 januari 2014 815 medewerkers door de Begeleidings- en Bemiddelingsorganisatie Defensie naar een baan buiten Defensie bemiddeld. Veel uitstroom heeft plaatsgevonden zonder bemiddeling. Dit heeft te maken met het natuurlijke en vrijwillige verloop. 
 
Momenteel worden de gevolgen van de nota In het belang van Nederland uitgewerkt door de defensieonderdelen. Er wordt gestreefd naar zo min mogelijk overtolligheid. Zodra de exacte personele consequenties duidelijk zijn, zal ik u hiervan op de hoogte stellen. 
 
Ten slotte 
De komende periode zal de nadruk liggen op het ontwikkelen van de agenda van de toekomst. De samenhang van de onderwerpen op het gebied van personeelsbeleid en de bijbehorende ambitie worden hierin weergegeven. Voor de behandeling van de defensiebegroting 2015 zal ik u hierover informeren. 
 
DE MINISTER VAN DEFENSIE 
 
J.A. Hennis-Plasschaert 

1)  Het totale personeelsbestand Defensie betreft het aantal medewerkers uitgedrukt in voltijdsequivalent inclusief de agentschappen, de projectorganisaties en de medewerkers werkzaam ten laste van derden. Voor een toelichting van de numerus fixus, zie de bijlage onder Numerus fixus.


(ministerie van Defensie, 21 mei 2014)

woensdag 14 mei 2014

Dapperheidsonderscheidingen voor vier Afghanistanveteranen

Minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert heeft vanmiddag in Breda vier zogenoemde dapperheidsonderscheidingen uitgereikt (3 x Bronzen Kruis, 1x Kruis van Verdienste). De decorandi zijn vier Afghanistanveteranen die zich onder zware gevechtsomstandigheden hebben onderscheiden.

De Bronzen Kruizen zijn vanmiddag voor majoor der mariniers Christian, infanterie-kapitein Erik en sergeant 1 van de genie Minze. Het Kruis van Verdienste krijgt sergeant-majoor van de mariniers Pascal. De twee mariniers en twee landmachters maakten in 2009 en 2010 deel uit van Taskforce 55, een eenheid van special forces die vaak bij nacht en ontij in kleine groepen gedurfde acties ondernamen om tegenstanders aan te grijpen of te ontregelen.

De onderscheiden militairen. Operators van het KCT en
MARSOF-mariniers worden nooit herkenbaar in beeld gebracht
(foto Defensie)


De militairen hebben veel fysiek zware en levensgevaarlijke missies uitgevoerd. Bij veel krachtmetingen bleken de decorandi en hun collega’s veruit in de minderheid. Ook kregen zij zeer vaak te maken met een hoge dreiging van Improvised Explosive Devices, klein-kaliber-wapens en antitankgranaten. In plaats van terug te deinzen, schroomden de militairen niet om het gevecht aan te gaan. De decorandi gingen daarbij als leidinggevenden voorop in de strijd.

De vier militairen deden wat zij zelf als ‘vanzelfsprekend’ bestempelen. Dat is het echter niet; met gevaar voor eigen leven deden zij wat nodig was voor hun kameraden, hun Afghaanse collega’s, de Afghaanse bevolking en de Nederlandse missie in Afghanistan.

Een militair komt niet zomaar in aanmerking voor een dapperheidsonderscheiding. Hier gaat een uitgebreid onderzoek aan vooraf. Hierbij wordt gelet op kwaliteiten als moed, beleid, trouw, initiatief, inzicht, vakmanschap en een hoge mate van zelfopoffering.

(ministerie van Defensie, 14 mei 2014)

dinsdag 13 mei 2014

Mali: Nederlandse bijdrage aan MINUSMA

(Passage uit Kamerbrief d.d. 12 mei 2014)

Nederlandse bijdrage aan MINUSMA
Deze paragraaf gaat in op de ontwikkelingen die betrekking hebben op de Nederlandse militaire, politie- en civiele inzet in MINUSMA.

Conform planning hebben tot half april 2014 ongeveer 190 militairen de komst van de Nederlandse bijdrage voorbereid. De hoofdmacht wordt vanaf 14 april gefaseerd naar Mali gebracht. Eind mei zullen de Nederlandse eenheden gereed zijn voor inzet. Vanaf 1 oktober, wanneer ook de transporthelikopters volledig inzetbaar zijn, zullen er ongeveer 450 Nederlandse militairen in MINUSMA zijn (brief over transporthelikopters voor MINUSMA, kenmerk BS2014007212 van 28 maart 2014).

Bescherming Nederlands personeel
Mede gezien de veiligheidssituatie is de bescherming van het Nederlandse personeel verbeterd, vooral door de vervanging van legeringstenten door scherfwerende containers. Daarnaast heeft het kabinet eind maart besloten transporthelikopters met zelfbeschermingsmaatregelen toe te voegen aan de Nederlandse bijdragen. U bent hierover geïnformeerd in de hierboven genoemde brief over transporthelikopters voor MINUSMA.

Commandovoering
Nederland levert vanaf 1 mei de deputy chief of staff operatiìons (DCOS OPS) van MINUSMA en heeft daarmee directe invloed op de militaire operaties. De Nederlandse DCOS OPS is ook de red card holder namens de Commandant der Strijdkrachten.

Transport Nederlands materieel
Het transport van het Nederlandse materieel naar Mali loopt na initiële vertraging nu volgens schema. Het grote materieel is ingevlogen en de eerste vluchten met personeel om de hoofdmacht in te brengen zijn ook uitgevoerd. Alleen de aankomst in Nederland van een transportschip voor materieel liep vertraging op. Dit schip is uiteindelijk in de nacht van 17 op 18 maart jl. uit de Eemshaven vertrokken en op 1 april jl. aangekomen in Ivoorkust. Vanuit de haven van Abidjan is het Nederlandse materieel door een transporteur over de weg vervoerd naar Gao. Het materieel is inmiddels gereed voor inzet.

Opbouw kamp Castor
In januari is het Deployment Element gestart met de bouw van het Nederlandse kamp Castor in Gao. Deze eenheid bestaat uit genisten, ICT-technici, een eenheid ten behoeve van Force Protection en een stafelement. Vanaf de eerste week van mei was de aanwezigheid van het Deployment Element, met uitzondering van de genie en Force Protection, niet langer noodzakelijk en is het personeel naar Nederland teruggebracht. Nog niet voltooide taken zijn overgenomen door het Joint Support Detachement.

Grondverzetmaterieel wordt in Bamako lokaal gehuurd en naar Gao vervoerd. Een deel van het kamp is ingericht als tijdelijk woon- en werkverblijf om zo de rotatie van de eenheden te bespoedigen. De eerste operationele eenheden zijn hier vanaf 15 april jl. aangekomen en gelegerd. Veel werkzaamheden zijn afhankelijk van de ontwikkeling van het gehele VN-kamp in Gao, waarvoor de werkzaamheden nog moeten beginnen. Mede hierdoor zijn zaken zoals Force Protection nog niet volledig door de VN ingericht en moet Nederland hier gedeeltelijk zelf in voorzien. 

Verwacht wordt dat kamp Castor eind augustus gereed is, met uitzondering van het platform voor de transporthelikopters. De werkzaamheden hiervoor zijn naar verwachting in september gereed, zodat de transporthelikopters vanaf 1 oktober 2014 kunnen worden ingezet.

Personele aspecten

Medische voorzieningen
Vanaf  februari 2014 is een Nederlandse arts aanwezig in Gao. Deze wordt volledig ondersteund door de Franse Role 1 (basiszorg) om spreekuur te kunnen houden. De traumazorg op de locatie Gao wordt verzorgd door operatie Serval. Naar verwachting zal midden mei al het benodigde materieel en personeel voor een complete Nederlandse Role 1 in Gao aanwezig zijn. Voor de tweedelijns zorg wordt
gebruikgemaakt van de Franse Role 2 van operatie Serval. Het Chinese VN- hospitaal (Role 2) zal voorlopig in Gao worden ondergebracht nabij het regionale hoofdkantoor van MINUSMA. Zodra dit hospitaal gereed is, wordt een assessment uitgevoerd en wisselt Nederland in beginsel van het Franse naar het Chinese hospitaal. Tot die tijd maakt Nederland gebruik van de Franse Role 2.

De Nederlandse militairen in Bamako maken gebruik van lokale VN-faciliteiten. Voor eerstelijns zorg kunnen zij terecht bij de arts op het hoofdkwartier van MINUSMA. Voor alle overige zaken wordt gebruik gemaakt van het lokale ziekenhuis.

Ebola
Eind maart is in Guinee een ebola-epidemie uitgebroken die zich heeft uitgebreid naar meer landen in West-Afrika. In de eerste week van april zijn drie mogelijke gevallen van ebola in Mali geconstateerd. Dit aantal is later opgelopen tot tien. Inmiddels is vastgesteld dat in geen van de tien verdachte gevallen sprake was van ebola. Defensie volgt de ontwikkelingen nauwlettend. De VN heeft preventieve maatregelen afgekondigd.

Zorg en nazorg
In het gebied is de zorg voor militairen gewaarborgd door de inzet van een Sociaal Medisch Team dat ten minste bestaat uit een psycholoog, een bedrijfsmaatschappelijk werker, een geestelijk verzorger en een personeelsfunctionaris. Tijdens de eerste rotatie zal de samenstelling van het team worden geëvalueerd.

In het gebied is de zorg voor militairen gewaarborgd door de inzet van een Sociaal Medisch Team dat ten minste bestaat uit een psycholoog, een bedrijfsmaatschappelijk werker, een geestelijk verzorger en een personeelsfunctionaris. Tijdens de eerste rotatie zal de samenstelling van het team worden geëvalueerd.

De nazorg begint met een adaptatieprogramma op een locatie buiten het missiegebied. Tijdens dit programma worden groepsgewijze debriefings gehouden. Waar nodig of op verzoek wordt ook op individuele basis met medewerkers gesproken. Bij terugkomst in Nederland wordt na ongeveer twaalf weken een individueel terugkeergesprek gehouden. Na ongeveer zes maanden na terugkomst vullen de militairen een vragenlijst in die zal worden geëvalueerd.

Mochten individuele militairen niet aan de groepsgewijze adaptatie kunnen meedoen, dan volgen zij een individueel programma bij de dienst Militaire Geestelijke Gezondheidszorg. Individuele begeleidingstrajecten worden aangeboden waar dat nodig wordt geacht. Die noodzaak kan tijdens de inzet blijken maar ook achteraf, tijdens het algemene nazorgtraject.

Individuele politiefunctionarissen (KMar, Nationale Politie)
Nederland heeft in de VN-missie ongeveer dertig politiefuncties geïdentificeerd voor thema’s die Nederland van belang acht, te weten ontwikkeling van politietraining, community policing, toegang tot het recht, samenwerking politie-justitie, grensbewaking en gender.

Ongeveer een derde van de beoogde functies is nu gevuld. Het gaat onder andere om functies in de Development Pillar in Bamako en om trainersfuncties in Gao. Deze Nederlandse Individual Police Officers (IPO’s) zijn onlangs in Mali aangekomen en volgen momenteel een introductietraining. Een klein aantal is al aan het werk. De tewerkstelling van de kandidaten in de overige functies is afhankelijk van het moment van behoefte aan nieuwe kandidaten in Mali en het selectieproces van de VN in New York. De meeste kandidaten zijn inmiddels opgeleid voor de uitzending.

Civiele deskundigen 
Nederland heeft MINUSMA civiele deskundigen aangeboden op de terreinen civil affairs (verzoening en dialoog), bescherming van burgers, hervorming van de veiligheidssector, gender en rechtsstaatontwikkeling. De VN heeft concrete belangstelling getoond voor de kandidaten op de drie laatstgenoemde terreinen. Over de plaatsing van kandidaten onderhoudt Nederland nauw contact met de VN.

Samenwerking met de VN 
De VN voorziet Nederland van logistieke steun. De afspraken hierover worden vastgelegd in een Memorandum of Understanding. Verder overleg, bijvoorbeeld over de bouw van het VN-kamp, gebeurt lokaal. De VN werkt veel met lokale aannemers. De VN is tot dusver nog niet in staat om alle toegezegde steun tijdig te leveren. Zo was het zeetransport van Nederlands materieel vertraagd, maar de VN heeft zich actief ingezet om die vertraging te beperken. Uiteindelijk bleef de vertraging beperkt tot twaalf dagen. De samenwerking met de VN is inmiddels verbeterd. De onderhandelingen over de vergoedingen zijn nog gaande.

Samenwerking met Frankrijk (Operatie Serval) 
Nederland heeft grote waardering voor de logistieke steun die Frankrijk tot nu toe heeft geboden. Zo was de eerste ontplooiing van het geniedetachement en van de ontplooiingseenheid niet mogelijk geweest zonder de Franse steun op het gebied van legering, verzorging en ondersteuning. Operatie Serval verzorgt momenteel de legering voor ongeveer 130 militairen. De bedoeling is dat het geniedetachement daar gedurende de opbouw van het Nederlandse kamp gelegerd blijft. De samenwerking met Serval in Gao verloopt erg goed.

Samenwerking met andere landen binnen MINUSMA 
Denemarken, Nederland en Noorwegen hebben gezamenlijk een plan uitgewerkt voor de inlichtingenketen van MINUSMA. Dat plan heeft geresulteerd in de opzet van een internationaal hoofdkwartier voor de All Sources Information Fusion Unit (ASIFU). Noorwegen heeft besloten de infrastructuur voor het kamp te bouwen, terwijl Nederland de CIS-systemen en het benodigde netwerk levert. Het hoofdkwartier is volgens planning eind mei operationeel. Momenteel is voorzien dat de volgende landen posities binnen dit hoofdkwartier zullen vullen: Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland. Andere landen hebben al interesse in deelneming getoond en gaan in de nabije toekomst mogelijk ook deel uitmaken van dit hoofdkwartier. Naast de internationale samenwerking in het ASIFU-hoofdkwartier, maken twee Deense militairen deel uit van de Nederlandse Intell Compagnie te Gao. China levert al een deel van de Force Protection voor de Nederlandse troepen.

Samenwerking met EUTM Mali 
Nederland levert een onderofficier aan EUTM Mali, de militaire trainingsmissie van de EU ter versterking van het Malinese leger. Deze militair is werkzaam bij het Belgische Force Protection element. Inmiddels zijn vier Malinese bataljons succesvol door EUTM Mali getraind. De EU heeft het mandaat van de missie onlangs met twee jaar verlengd tot 18 mei 2016. Tussen MINUSMA en EUTM Mali zijn liaison-officieren uitgewisseld, zodat beide missies van elkaars activiteiten op de hoogte zijn. Ook stuurt MINUSMA waarnemers naar de eindoefening van  eenheden die door EUTM Mali worden opgeleid.

UNMAS 
Sinds 3 februari jl. levert Nederland een officier aan de United Nations Mine Action  Service (UNMAS). UNMAS helpt MINUSMA om Mali te ontdoen van Explosive  Remnants of War en om wapenopslagplaatsen te vernietigen. UNMAS verzorgt  daarnaast predeployment trainingen over de gevaren van Improvised Explosive  Devices voor alle MINUSMA-eenheden.

(Voor meer informatie, zie de volledige Kamerbrief)