vrijdag 22 augustus 2014

Rutte blundert over Russische bommenwerpers

Minister-president Mark Rutte is bij zijn wekelijkse persconferentie fors de mist ingegaan over een vermeende schending van het Nederlandse luchtruim door twee Russische bommenwerpers. Hij noemde die actie 'onacceptabel'. Maar de bommenwerpers zijn helemaal niet het Nederlandse luchtruim ingevlogen...

Zie de video van de personferentie, vanaf 19'30"

Vraag: Is het nu handig dat Russische vliegtuigen gisteren het Nederlandse luchtruim in zijn gevlogen zeker gezien de gespannen relatie die wij nu hebben met Rusland?
Rutte: Wat denkt u zelf?
V. Ik vraag het aan u
Rutte: Nee, dat is niet verstandig. Dat is zelfs onacceptabel. En vandaar ook dat onze F-16's onmiddellijk in actie zijn gekomen.

Navraag bij het ministerie van Defensie leert dat de twee Tu-95 'Bear' bommenwerpers niet het Nederlandse luchtruim zijn binnengedrongen. Net als in eerdere gevallen (de laatste keer was afgelopen april) bleven zij in het internationale luchtruim boven de Noordzee. Wel vlogen zij in een gebied dat door Nederland voor de NAVO wordt bewaakt, de 'Amsterdam FIR' (Flight Information Region). Dat is in het geheel niet verboden, en dus ook niet "onacceptabel".

Nou maar hopen dat iemand Rutte er van weerhoudt om maandag de Russische ambassadeur op het matje te laten roepen...


Amsterdam FIR. Feller geel = het Nederlandse luchtruim

Voor meer informatie over de gebeurtenissen van donderdag zie dit bericht van het ministerie van Defensie.


Een onderschepte 'Bear'. Archieffoto Luchtmacht

donderdag 3 juli 2014

Opvolger NSO gelanceerd: Joint Sigint Cyber Unit

Met de start van de Joint Sigint Cyber Unit (JSCU) zetten de AIVD en MIVD een belangrijke stap om de nationale veiligheid en onze digitale netwerken beter te beschermen tegen bedreigingen en tegelijkertijd onze militairen op missie beter te ondersteunen. Voor een succesvolle samenwerking zijn goede afspraken nodig. Deze afspraken zijn vastgelegd in een, door de ministers van Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties en Defensie ondertekend, convenant.

De gezamenlijke eenheid is gespecialiseerd in Signals Intelligence (Sigint) en Cyber. Sigint omvat inlichtingen die worden verzameld uit (tele)communicatie. Cyber is een verzamelnaam voor verschillende activiteiten die te maken hebben met computernetwerken en datastromen. Denk hierbij aan het in kaart brengen van het internetlandschap in een (nieuw) missiegebied, het informeren van partners over een gevaarlijk computervirus of het hacken van een website van terroristen die de nationale veiligheid in gevaar brengen.

Het kabinet hecht groot belang aan verdergaande samenwerking tussen de AIVD en MIVD. Een belangrijke reden hiervoor is het bundelen van schaarse kennis en middelen. Doordat de technische ontwikkelingen op het gebied van Sigint en Cyber snel gaan, is bundeling van kennis en middelen binnen de JSCU niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk.

De JSCU is een logisch vervolg en intensivering van de lopende samenwerking op het gebied van Signals Intelligence in de Nationale Sigint Organisatie (NSO). De NSO gaat samen met andere specialistische onderdelen van de AIVD en de MIVD op in het nieuwe samenwerkingsverband. De JSCU is geen zelfstandige dienst, maar onderdeel van de AIVD en de MIVD.

Net zoals de overige taken van de AIVD en de MIVD valt ook de taakuitvoering van de JSCU binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) 2002. Het werk van de diensten wordt gecontroleerd door de Commissie betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD).

(AIVD, 3 juli 2014)



dinsdag 1 juli 2014

Antwoord op Kamervragen over intrekken VGB

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag

Datum
Betreft Antwoorden op vragen over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar

Onze referentie
BS2014019198

Hierbij bied ik u de antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie
voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar aan (ingezonden 12
juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).


DE MINISTER VAN DEFENSIE

J.A. Hennis-Plasschaert


Antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar (ingezonden 12 juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).


Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het categorisch benoemen van een aantal misdrijven als gevolg waarvan de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) moet worden ingetrokken, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid? 

Het gaat bij een veiligheidsonderzoek om het risico dat iemand kan vormen voor de nationale veiligheid. Gezien de specifieke taken voor Defensie alsmede de omstandigheden waaronder de Defensie-taken dienen te worden uitgevoerd, worden bijzondere normen gesteld. Zo zal het plegen van ieder strafbaar feit als omschreven in artikel 13, tweede lid, van de Opiumwet als regel tot weigering respectievelijk intrekking van een verklaring leiden.


Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het moeten intrekken van een VGB wegens de omstandigheid dat de militair een partner heeft uit een land, waarmee geen samenwerkingsrelatie bestaat op het gebied van veiligheidsonderzoek, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt, door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid? 

Bij een verblijf in een ander land van langer dan drie maanden doet de MIVD, via de AIVD, navraag bij een buitenlandse dienst waarmee de AIVD op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens samenwerkt. Indien dat, door het ontbreken van een dergelijke relatie, niet mogelijk is, geeft de MIVD in principe geen VGB af op grond van het onvoldoende verkrijgen van betrouwbare gegevens. Defensie heeft een aantal mogelijke uitzonderingen op die regel geformuleerd. Daarbij wordt, in een aantal gevallen en onder strikte voorwaarden, toch een VGB afgegeven. Om het risico dat ontstaat door het ontbreken van de gegevens van de partnerdienst te beperken, is dat niet een VGB voor het hoogste veiligheidsmachtigingsniveau. Defensie maakt hierbij een individuele beoordeling conform de kaders van de Wet veiligheidsonderzoeken Wvo).
Welke termijnen hanteert u bij het afhandelen van het bezwaar dat militairen mogelijk indienden tegen het intrekken van de VGB, gezien de forse gevolgen die het intrekken van het VGB voor de militair kan hebben? 
Bij een intrekking van een VGB wordt altijd eerst een voornemen naar betrokkene verzonden en wordt het betreffende defensieonderdeel hierover geïnformeerd. Betrokkene heeft dan twintig dagen de tijd om zijn of haar zienswijze naar de MIVD te zenden. Indien betrokkene (of diens advocaat) daarom verzoekt, wordt extra reactietijd voor de zienswijze verleend. Na ontvangst van de zienswijze wordt deze beoordeeld. Het besluit luidt dan ofwel handhaving intrekking ofwel handhaving VGB. Betrokkene en diens veiligheidsfunctionaris worden van dat besluit op de hoogte gebracht. Vervolgens krijgt betrokkene zes weken om bezwaar tegen dat besluit te maken bij de Minister. De Minister legt de bezwaren voor bij een onafhankelijke bezwarencommissie. Dat bezwaar heeft echter geen opschortende werking; de VGB is op dat moment ingetrokken en betrokkene dient binnen acht weken te worden ontheven uit de vertrouwensfunctie. De (wettelijke) afhandelingstermijn voor Defensie bedraagt zes weken, eventueel te verlengen met zes weken. 

maandag 2 juni 2014

Mali: Nederlandse eenheden overgedragen aan MINUSMA

De Nederlandse eenheden in Mali vallen sinds vandaag officieel onder de VN-missie MINUSMA. Met de zogenoemde Transfer of Authority is de missie voor de ongeveer 400 Nederlandse militairen echt begonnen.

MINUSMA
De Verenigde Naties (VN) proberen de veiligheid en stabiliteit in Mali te herstellen. Dit gebeurt met de Multidimensional Integrated Stabilisation Mission in Mali (MINUSMA). Nederland levert sinds april 2014 een belangrijke bijdrage aan deze VN-missie. Het gaat om zo’n 370 man en 4 Apache-gevechtshelikopters. Vanaf oktober komen daar nog 3 Chinook-transporthelikopters bij en circa 70 man. Halverwege 2015 besluit de regering of ze de missie verlengt.

Nederlandse bijdrage in Mali
Speciale eenheden vormen de operationele kern op de grond. Zij gaan vooral verkenningen uitvoeren en inlichtingen verzamelen. Die informatie gebruikt de commandant van de VN-missie om operaties voor te bereiden. De Nederlanders vormen daarmee de ‘oren en ogen’ binnen de VN-missie. Daarnaast helpt een dertigtal politiefunctionarissen en een aantal civiele deskundigen de Malinese politie en rechtsstaat te verbeteren. De eenheden werken vanuit het sectorhoofdkwartier in Gao. Enkele stafofficieren hebben hun werkplek op het Minusma-hoofdkwartier in de hoofdstad Bamako.

Helikopters
Defensie levert 4 Apache-gevechtshelikopters, waarover commandant Minusma generaal-majoor Jean Bosco Kazura zeggenschap heeft. De toestellen voeren verkenningen uit en escorteren eenheden. Ook kunnen ze dreigend optreden (show of force) of vuursteun leveren. Verder verzamelen de Apaches inlichtingen met hun sensoren. Later dit jaar arriveren ook 3 Chinook-transporthelikopters, vooral bestemd voor medische evacuaties. Tot die tijd opereren de eenheden alleen op grotere afstand van Gao als de Franse operatie Serval de medische evacuatie garandeert.

(ministerie van Defensie, 2 juni 2014)

woensdag 28 mei 2014

Weblog van de Commandant der Strijdkrachten

Veiligheidsdiscussie

20-05-2014 | Generaal Tom Middendorp

In Nederland is discussie ontstaan over onze veiligheid en het geslonken Defensiebudget. Een belangrijke ontwikkeling. Hoe breder de discussie, hoe beter. Veiligheid is immers voor iedereen van belang en zeker geen luxeartikel.

De oproep van de Amerikaanse president Barack Obama aan Europese landen om meer te spenderen aan hun krijgsmacht en niet langer disproportioneel op de Amerikanen te leunen als het gaat om de veiligheid heeft de discussie aangewakkerd. Maar ook de spanningen in de Oekraïne maken veel los.

Dit land - op slechts 2 uur vliegafstand en gelegen aan de grenzen van de EU - laat namelijk zien dat een schijnbaar stabiele situatie zo kan omslaan en dat veiligheid helemaal niet vanzelfsprekend is. Sommigen noemen het niet voor niets een wake-up-call. Wie had immers 4 maanden geleden gedacht dat de verhoudingen zo snel konden verslechteren?

Dat geeft ook te denken. Zo liet de schrijver Geert Mak in het programma ‘Eén op één’ weten: “We waren zo bezig met die soft power - en dat is ook goed - alleen Poetin reageert op een 19e-eeuwse manier.” Mak, ooit pacifist, meende daarom dat we “Defensie niet moeten afbreken” en dat we “meer moeten samenwerken met anderen.”

En de Britse militair historicus en oud-journalist Max Hastings zei in een interview met NRC Handelsblad over de situatie in de Oekraïne: “Ik stel geen moment voor dat we een militair antwoord moeten geven, maar ik suggereer wel dat we moeten laten zien dat we dat kunnen. Het is angstaanjagend dat Europa niet eens kan pretenderen dat het een militair antwoord heeft.”

Zo is het maar net. Dat is ook de reden waarom ik zelf vorige week bij een debatbijeenkomst opmerkte dat een brullende leeuw veel geloofwaardiger is als die ook zijn tanden kan laten zien. Het is nu eenmaal geloofwaardiger als je praat vanuit een sterke positie. Vriend en vijand weten dat.

Mijn uitspraken trokken de aandacht van de media, maar het moest gezegd worden. Europa levert slechts 25% van de NAVO en moet een meer geloofwaardige partner worden. Dit vooral door meer rendement te halen uit onze samenwerking en de krachten nog meer te bundelen. Maar daarmee verandert dit percentage niet. Daar is meer voor nodig.

Bij militaire samenwerking geldt dat de liefde van 2 kanten moet komen. Je kunt als land niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten, en voor een lagere premie een hogere dekking verwachten. Je moet ook bereid zijn te leveren.

En dat is nu net het probleem. Nederland investeert nu 1,16% van het Bruto Nationaal Product in Defensie. Als we de pensioenen en wachtgelden niet meetellen slechts 0,87%. Ter vergelijking: de gemiddelde bijdrage van de Europese NAVO-landen is 1,56% en de NAVO-norm is 2%.

Wij zitten met onze 1,16% dus ruim onder de gemiddelde EU-bijdrage en de NAVO-norm. En dat terwijl onze economische positie zich juist meer in de kopgroep bevindt. En dat in een tijd waarin we in toenemende mate afhankelijk zijn van stabiliteit, zowel binnen als buiten Europa…

Dat baart mij zorgen. Of we het nu leuk vinden of niet, in veiligheid en vrijheid moeten we blijven investeren. Of zoals Geert Mak in de uitzending ‘Eén op één’ concludeerde:

“Vrijheid komt niet vanzelf. Voor vrijheid moet je knokken. Moet je concessies doen. Moet je ruzie over maken. Rode koppen krijgen en uiteindelijk weer naar de stembussen sjokken. Dat is allemaal vrijheid. Vrijheid moet je verrekt alert op zijn, want anders glipt het zo door je vingers”.

Generaal Tom Middendorp,
Commandant der Strijdkrachten

zaterdag 24 mei 2014

PC JdHS Ukr Georg.mp3





woensdag 21 mei 2014

Jaarverslag Inspecteur-generaal der Krijgsmacht over 2013

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 21 mei 2014
Betreft Jaarverslag Inspecteur-generaal der Krijgsmacht over 2013

Hierbij ontvangt u het verslag van de Inspecteur-generaal der Krijgsmacht (IGK) over het jaar 2013. De IGK geeft mij gevraagd en ongevraagd advies over alle onderwerpen die Defensie betreffen. Deze adviezen worden bij de ontwikkeling van het defensiebeleid betrokken en waar mogelijk omgezet in concrete maatregelen en initiatieven. Naar aanleiding van zijn werkbezoeken of individuele bemiddeling is, zoals vermeld in het IGK jaarverslag, reeds een aantal maatregelen getroffen. In deze brief ga ik in op de vier hoofdpunten die de IGK in zijn voorwoord naar voren brengt en vervolgens op de themaonderzoeken.

Koers Defensie 
Het jaar 2013 was voor Defensie een moeilijk jaar. Een groot deel van de organisatie was in beweging en veel mensen werden geconfronteerd met onzekerheid over hun baan. De IGK constateert dat veel medewerkers het gevoel hadden dat de nieuwe reorganisatie van start was gegaan, terwijl de doelen van de vorige reorganisatie nog niet waren behaald. Ik herken dat de reorganisaties en hervormingen al lang een zware wissel trekken op het personeel. Ik ben de IGK erkentelijk dat hij daaraan aandacht blijft besteden.

Voor het defensiepersoneel wordt het, na twee decennia van reorganisaties, bezuinigen én intensieve inzet, hoog tijd om weer vooruit te kunnen kijken. In de nota In het belang van Nederland wordt de koers voor Defensie uitgezet. Die koers zal de komende jaren verder vorm krijgen en zal ervoor zorgen dat de Nederlandse krijgsmacht kan omgaan met diffuse dreigingen en risico’s. Dat vergt een krijgsmacht die militair relevant en financieel op orde is. Voor het defensiepersoneel biedt dit perspectief.

Personeelsrapportage over 2013

Aan de Voorzittter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 19 mei 2014
Betreft Personeelsrapportage over 2013

Hierbij bied ik u de Personeelsrapportage over het jaar 2013 aan. Deze rapportage heeft tot doel de kwantitatieve en kwalitatieve stand van zaken met betrekking tot het personeel van Defensie in 2013 te duiden. De rapportage omvat een algemeen beeld van de personele ontwikkelingen in 2013, de instroom en uitstroom, de bestandsopbouw, de numerus fixus, de vulling, de reservisten en de verandermonitor. In deze rapportage wordt tevens ingegaan op de stand van zaken bij de reorganisaties ten gevolge van de beleidsbrief 2011, conform mijn toezegging op 23 januari 2014.

Kernboodschap
Het totale personeelsbestand van Defensie 1)  is in 2013 verder afgenomen, netto met 1269 vte’n van 60.714 naar 59.445 vte’n. Eind 2013 zijn de meeste reorganisaties voltooid en daarmee zijn de consequenties voor het personeel grotendeels duidelijk. Ten opzichte van 2012 laat 2013 een licht positiever beeld zien in het vertrouwen, de tevredenheid en de motivatie van het personeel. Omdat de organisatie meer is gekrompen dan het personeelsbestand, is ook de personele vulling in 2013 gestegen. We zijn er echter nog niet. Een aantal reorganisaties, naar aanleiding van de beleidsbrief 2011, is nog gaande. Daarnaast is de instroom lager en de uitstroom hoger dan gewenst. Hierdoor kwam het personeelsbestand per 31 december 2013 kwantitatief al onder de numerus fixus van 2016. In 2013 was er nog steeds een tekort aan technisch geschoold personeel. De gewenste verjonging heeft in 2013 nog geen gestalte gekregen. Wel stabiliseert de gemiddelde leeftijd voor militair personeel.

Algemeen beeld 
De afgelopen jaren hebben veel gevraagd van de defensiemedewerkers. De reorganisaties met de daaraan verbonden onzekerheid, functiewisselingen en veranderingen van werkzaamheden zijn een zware belasting geweest. Ondanks deze veranderingen is gebleken dat de medewerkers hun taken en opdrachten gedegen en professioneel blijven uitvoeren.

Voor de meeste medewerkers is de periode van onzekerheid over hun baan voorbij. Helaas heeft een deel van de medewerkers Defensie moeten verlaten. Sinds het uitkomen van de beleidsbrief in 2011 is het totale personeelsbestand van Defensie met 10 procent afgenomen: van 65.995 per 1 juli 2011 naar 59.445 vte’n per 1 januari 2014.

In de tussenliggende periode lag het natuurlijk verloop en het vrijwillig vertrek hoger dan verwacht. Het aantal sollicitaties en aangestelden lag in 2013 hoger dan in 2012. De totale instroom was in 2013 echter lager dan gepland. De hogere uitstroom en lagere instroom zorgen ervoor dat minder medewerkers gedwongen naar werk buiten Defensie moeten worden begeleid.

Net zoals de meeste organisaties zal ook Defensie in ontwikkeling blijven. De nota In het belang van Nederland bevat maatregelen, deels verzacht dan wel teruggedraaid na het begrotingsakkoord van oktober 2013, waarvan enkele zullen leiden tot organisatieveranderingen. Het aantal reorganisaties is echter in vergelijking met de beleidsbrief 2011 beperkt en niet meer dan in een grote organisatie als Defensie gebruikelijk is.

Instroom en uitstroom 
Het aantal belangstellenden voor een militaire opleiding of baan bij Defensie is in 2013 afgenomen ten opzichte van 2012. Dit komt vooral doordat het begrip ‘belangstellende’ sinds begin 2013 anders is gedefinieerd. Defensie hanteert het begrip belangstellenden alleen nog maar voor personen die in de doelgroepen voor werving vallen. Door een gerichte aanpak en de verbeteringen in het wervingsproces ligt het aantal sollicitaties in 2013 15 procent hoger dan in 2012. In 2013 ligt het aantal initieel aangestelde militairen 44 procent hoger ten opzichte van 2012. De effecten van de genomen maatregelen vanuit het Actieplan Werving en Behoud (Kamerstuk 33 763, nr. 29) dragen hieraan bij.

De arbeidsmarkt in 2014 is vanuit werkgeversperspectief vrij gunstig. Technisch geschoold personeel vormt hierop een uitzondering. Deze categorie blijft naar verwachting ook in 2014 en volgende jaren schaars. Specifiek voor technisch personeel heeft Defensie op 6 november 2013 Techbase georganiseerd. Met deze techniekdag heeft Defensie haar positie als werkgever op dit gebied meer bekendheid willen geven. Van de 15.000 veelal jonge bezoekers bleken er ruim 6.000 geïnteresseerd in een van de (technische) richtingen van de ROC-opleiding Veiligheid en Vakmanschap. Daarnaast hebben op de dag zelf 150 bezoekers direct gesolliciteerd naar een technische baan bij Defensie. Techbase zal in de komende jaren naar verwachting een positief effect hebben op het aantal sollicitaties. Scholieren maken in de komende maanden en soms pas in de komende jaren hun keuze. In de reguliere arbeidsmarktcampagne zal Defensie het komende jaar extra aandacht blijven vragen voor technische beroepen.

Zowel de reguliere uitstroom (ten gevolge van leeftijdsontslag of einde aanstelling) als de irreguliere uitstroom (ten gevolge van vrijwillig of gedwongen ontslag) zijn bij burgermedewerkers en militairen in 2013 afgenomen ten opzichte van 2012. Het saldo van in- en uitstroom van militair personeel en dat van burgerpersoneel is daarbij negatief. Dit betekent dat er in 2013 meer personeel de organisatie is uitgestroomd dan ingestroomd. Deze ontwikkeling is in lijn met de geplande afname van het personeelsbestand. Ten opzichte van 2012 is dit negatief saldo in 2013 kleiner geworden.

Bestandsopbouw 
Het totale aandeel vrouwen binnen Defensie is in vergelijking met 2012 in 2013 naar verhouding constant gebleven. Wel is een verschuiving in de rangen en schalen zichtbaar. Het aandeel vrouwen in de lagere schalen en rangen is in 2013 licht afgenomen en in de hogere schalen en rangen (vanaf majoor en schaal 10) licht toegenomen.

Binnen Defensie is het eerder verwachte verjongingseffect nog niet opgetreden. De gemiddelde leeftijd voor militairen is in de afgelopen twee jaar met 1,2 jaar gestegen naar 34,4 jaar en voor burgers met 1,7 jaar naar 47,7 jaar.

Het uitblijven van het verjongingseffect wordt onder meer veroorzaakt door de lagere instroom dan gepland. Tevens zijn bij de reorganisaties de oudere medewerkers behouden als gevolg van de voor hen geldende ontslagbescherming. Zij zullen naar verwachting in de periode tot 2016 uitstromen. Ook de vertraging van de reorganisatie heeft bijgedragen aan het uitblijven van het verjongingseffect. Daarnaast zorgt het rijksbrede beleid ervoor dat burgermedewerkers langer moeten doorwerken met als gevolg dat de uitstroomleeftijd stapsgewijs wordt verhoogd. Een sturingsmogelijkheid van Defensie ligt vooral bij de instroom van jong personeel. Ook in 2014 richt Defensie zich waar mogelijk op de verjonging van het personeelsbestand. 
 
De verwachting is dat de komende jaren de gemiddelde leeftijd zal stabiliseren dan wel licht zal dalen. Dit geldt zowel voor militair als burgerpersoneel. Uitgaande van de huidige ontslagleeftijd, zal naar verwachting voor militair personeel de gemiddelde leeftijd dalen vanaf 2018 en voor burgerpersoneel na 2020. 
 
Numerus Fixus 
Per 1 januari 2014 komt het organisatie- en personeelsbestand van Defensie kwantitatief bijna overeen met de geplande numerus fixus van 2016. In 2013 is het personeelsbestand van Defensie 440 personen kleiner dan de numerus fixus voor 2016. De numerus fixus is in kwantitatieve zin dus eerder gehaald dan gepland. In kwalitatieve zin moeten de aantallen van enkele schalen en rangen nog worden verminderd, zoals bij militairen in de rang van adjudant, luitenant-kolonel en kolonel en bij burgermedewerkers in de schaal 13. Naar verwachting zal in 2014 en 2015 dit surplus aan personeel ten gevolge van natuurlijke uitstroom door leeftijdsontslag en door toepassing van het Sociaal beleidskader (SBK) de organisatie verlaten. De gevolgen van de nota In het belang van Nederland en van het begrotingsakkoord zullen in de numerus fixus worden verwerkt. 

Vulling 
Het vullingspercentage is in 2013 gestegen naar 82,5 procent voor militair personeel en 89,2 procent voor burgerpersoneel. Deze stijging wordt vooral veroorzaakt door het stapsgewijs kleiner worden van de formatie als gevolg van de reorganisatie en niet door een vergroting van het personeelsbestand. In de komende jaren tot 2016 zal de formatie nog kleiner worden. Hierdoor zal het vullingspercentage de komende jaren positief worden beïnvloed. 
 
Reservisten 
Het totaal aantal reservisten is met 4.692 in vergelijking met 2012 vrijwel gelijk gebleven. In 2013 zijn in totaal 77 reservisten uitgezonden (front-fill). Op 1 januari 2014 vervingen in Nederland twaalf reservisten een uitgezonden militair (back-fill). Op 2 december 2013 is het reservistencongres gehouden. Bij deze dag hebben reservisten, hun achterban en de betrokken werkgevers waardevolle input geleverd voor het in 2014 te ontwikkelen reservistenbeleid. Dit beleid richt zich voornamelijk op een uitbreiding van de reservisteninzet vanaf 2020. 
 
Verandermonitor 
De Verandermonitor Defensie, het onderzoek binnen Defensie naar trends in vertrouwen, motivatie, tevredenheid en sollicitatiegedrag, laat een licht positiever beeld zien. Het vertrouwen van medewerkers in een toekomst bij Defensie is in 2013 toegenomen. De stijging kan worden verklaard door het voltooien van een groot deel van de reorganisaties naar aanleiding van de beleidsbrief 2011. Ook de motivatie van medewerkers is in 2013 licht gestegen. De tevredenheid van het defensiepersoneel fluctueert enigszins, maar blijft rond de 60 procent. Het aantal sollicitaties van defensiepersoneel naar werk buiten Defensie is licht toegenomen. Dit kan ook verband houden met de reorganisaties die in 2013 hebben plaatsgevonden. 
 
Defensie in ontwikkeling 
Van de in totaal 106 reorganisatietrajecten zijn er inmiddels dertien opgegaan in andere reorganisaties, waardoor het totaal aantal reorganisatietrajecten neerkomt op 93. Nadat het overleg met de bonden in maart 2013 is hervat, zijn 68 van de 93 lopende reorganisatietrajecten voltooid. Enkele trajecten zijn over de jaargrens heengegaan en worden dit jaar gerealiseerd. Zoals gemeld in de brief van 20 januari (Kamerstuk 33 750-X, nr. 40) is de reorganisatie bij de Defensie Gezondheidszorg Organisatie vertraagd. Met de centrales van overheidspersoneel is eind maart overeenstemming bereikt over het geneeskundige voorzieningenniveau van Defensie. Als volgende stap in dit traject zullen de reorganisatieplannen aan het voorzieningenniveau worden getoetst. Aansluitend worden de formele reorganisatiestappen vervolgd. In 2014 worden naar verwachting vijftien trajecten voltooid, zeven in 2015 en de resterende drie begin 2016. Een volledig overzicht van de reorganisatietrajecten treft u aan in de bijlage (tabel 14). 
 
De schatting van het aantal personeelsleden dat als gevolg van de reorganisaties volgend uit de beleidsbrief 2011 naar werk buiten Defensie wordt begeleid, is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Kamerbrief van september 2013 (Kamerstuk 33 763, nr. 3). Het gaat tot 2016 naar verwachting om 1.750 personen, die Defensie hoofdzakelijk in de tweede helft van 2014 en de eerste helft van 2015 zullen verlaten. In totaal bevinden zich per 1 januari 2014 1.234 medewerkers in een herplaatsingstraject van het SBK 2012. Naar aanleiding van de maatregelen van de beleidsbrief werden per 1 januari 2014 815 medewerkers door de Begeleidings- en Bemiddelingsorganisatie Defensie naar een baan buiten Defensie bemiddeld. Veel uitstroom heeft plaatsgevonden zonder bemiddeling. Dit heeft te maken met het natuurlijke en vrijwillige verloop. 
 
Momenteel worden de gevolgen van de nota In het belang van Nederland uitgewerkt door de defensieonderdelen. Er wordt gestreefd naar zo min mogelijk overtolligheid. Zodra de exacte personele consequenties duidelijk zijn, zal ik u hiervan op de hoogte stellen. 
 
Ten slotte 
De komende periode zal de nadruk liggen op het ontwikkelen van de agenda van de toekomst. De samenhang van de onderwerpen op het gebied van personeelsbeleid en de bijbehorende ambitie worden hierin weergegeven. Voor de behandeling van de defensiebegroting 2015 zal ik u hierover informeren. 
 
DE MINISTER VAN DEFENSIE 
 
J.A. Hennis-Plasschaert 

1)  Het totale personeelsbestand Defensie betreft het aantal medewerkers uitgedrukt in voltijdsequivalent inclusief de agentschappen, de projectorganisaties en de medewerkers werkzaam ten laste van derden. Voor een toelichting van de numerus fixus, zie de bijlage onder Numerus fixus.


(ministerie van Defensie, 21 mei 2014)

woensdag 14 mei 2014

Dapperheidsonderscheidingen voor vier Afghanistanveteranen

Minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert heeft vanmiddag in Breda vier zogenoemde dapperheidsonderscheidingen uitgereikt (3 x Bronzen Kruis, 1x Kruis van Verdienste). De decorandi zijn vier Afghanistanveteranen die zich onder zware gevechtsomstandigheden hebben onderscheiden.

De Bronzen Kruizen zijn vanmiddag voor majoor der mariniers Christian, infanterie-kapitein Erik en sergeant 1 van de genie Minze. Het Kruis van Verdienste krijgt sergeant-majoor van de mariniers Pascal. De twee mariniers en twee landmachters maakten in 2009 en 2010 deel uit van Taskforce 55, een eenheid van special forces die vaak bij nacht en ontij in kleine groepen gedurfde acties ondernamen om tegenstanders aan te grijpen of te ontregelen.

De onderscheiden militairen. Operators van het KCT en
MARSOF-mariniers worden nooit herkenbaar in beeld gebracht
(foto Defensie)


De militairen hebben veel fysiek zware en levensgevaarlijke missies uitgevoerd. Bij veel krachtmetingen bleken de decorandi en hun collega’s veruit in de minderheid. Ook kregen zij zeer vaak te maken met een hoge dreiging van Improvised Explosive Devices, klein-kaliber-wapens en antitankgranaten. In plaats van terug te deinzen, schroomden de militairen niet om het gevecht aan te gaan. De decorandi gingen daarbij als leidinggevenden voorop in de strijd.

De vier militairen deden wat zij zelf als ‘vanzelfsprekend’ bestempelen. Dat is het echter niet; met gevaar voor eigen leven deden zij wat nodig was voor hun kameraden, hun Afghaanse collega’s, de Afghaanse bevolking en de Nederlandse missie in Afghanistan.

Een militair komt niet zomaar in aanmerking voor een dapperheidsonderscheiding. Hier gaat een uitgebreid onderzoek aan vooraf. Hierbij wordt gelet op kwaliteiten als moed, beleid, trouw, initiatief, inzicht, vakmanschap en een hoge mate van zelfopoffering.

(ministerie van Defensie, 14 mei 2014)