Posts tonen met het label Onderzeedienst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onderzeedienst. Alle posts tonen

donderdag 11 juni 2015

Kamerbrief: Visie op de toekomst van de onderzeedienst

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

11 juni 2015

Inleiding
Hierbij bied ik u de brief aan over de toekomst van de Nederlandse onderzeedienst. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie-Knops (Kamerstuk 33 763, nr. 18 van 6 november 2013) en licht ik het, reeds in de nota In het belang van Nederland vastgestelde, belang van de vervanging van de Walrusklasse nader toe. Het ontwerp van de Walrusklasse markeerde in de jaren zeventig van de vorige eeuw een ingrijpende omwenteling op het vlak van de bouw, de bedrijfsvoering en de inzet van onderzeeboten. Sinds de invoering begin jaren negentig van de vorige eeuw heeft dit concept zijn toegevoegde waarde bewezen. Om de huidige onderzeeboten vanaf 2025 te kunnen vervangen, moet in 2015 worden begonnen met de voorbereiding daarvan (zie ook antwoorden op de vragenlijst inzake de vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2015, brief van 23 oktober 2014). De komende jaren zijn nodig om op zorgvuldige wijze de vervanging van dit complexe wapensysteem gestalte te geven. Vanzelfsprekend kan op de goede ervaringen met de Walrusklasse worden voortgebouwd, maar ook andere vervangingsopties zullen worden overwogen. Optimale benutting van de samenwerkingsmogelijkheden met partnerlanden vormt het uitgangspunt. Ook de nationale kennisinstituten en de defensie- en veiligheidgerelateerde industrie worden in een vroeg stadium bij de vervanging betrokken.

Belang voor Nederland
Voor Nederland, met zijn grote zeehavens en maritieme belangen in Europa, het Caribisch gebied en andere delen van de wereld, is een militaire capaciteit om onder water te kunnen optreden van belang. Vanwege hun specifieke eigenschappen zijn de Nederlandse onderzeeboten een relevante nichecapaciteit voor de Navo en de EU. De internationale machtsverhoudingen verschuiven en een toenemend aantal spelers wil de zee in strategische zin en voor eigen gewin benutten. Alleen de onderzeeboot kan gedurende langere tijd onopgemerkt blijven, ook in een omgeving waar de dreiging groot is en geen militair overwicht bestaat. De onderzeeboot is zeer geschikt voor de bescherming van scheepvaart en handelsroutes, voor de ondersteuning van militaire interventies, en om vijandelijke eenheden bewegingsvrijheid te ontnemen. Met een relatief beperkte militaire inzet kan in uiteenlopende inzetscenario's, op en vanuit zee, een groot effect worden bereikt. Het afdwingen van een wapenembargo door middel van een maritieme blokkade en het (ver)hinderen van maritieme operaties van de tegenstander zijn hier voorbeelden van.

Als gevolg van de afstoting van de maritieme patrouillevliegtuigen en de vermindering van het aantal M-fregatten, beschikt de Nederlandse krijgsmacht uitsluitend nog over onderzeeboten voor de verdediging van vlootverbanden op grotere afstand. De Nederlandse onderzeeboten hebben voorts, eventueel in combinatie met de inzet van special forces, een belangrijke inlichtingenfunctie. In internationaal verband leveren zij bovendien een unieke capaciteit. De huidige Nederlandse onderzeeboten kunnen namelijk verder van een thuishaven en gedurende een langere periode worden ingezet dan de conventionele onderzeeboten van andere Europese landen. Een dergelijke expeditionaire onderzeebootcapaciteit is voor Nederland tevens van belang met het oog op de veiligheid van het Koninkrijk in het Caribisch gebied. Met de beoogde vervanging van zijn onderzeebootcapaciteit zou Nederland een aanzienlijke bijdrage leveren aan de vervulling van de in Navo-kader vastgestelde prioritaire behoeften op het gebied van onderzeebootbestrijding, beeldopbouw en inlichtingenvergaring.

Veiligheidspolitieke context

Verslechterde veiligheidssituatie
De wereld is er de afgelopen jaren niet veiliger op geworden. De beleidsbrief ‘Turbulente Tijden in een Instabiele Omgeving’ (Kamerstuk 33 694, nr. 6 van 14 november 2014) bevat een analyse van de internationale veiligheidssituatie, in aanvulling op de eerder vastgestelde Internationale Veiligheidsstrategie. Veiligheidsrisico’s die al langer werden onderkend, hebben zich inmiddels gemanifesteerd als reële bedreigingen. Er lijkt zich een multipolaire wereldorde af te tekenen, waarin de Europese veiligheid en de internationale rechtsorde in toenemende mate onder druk staan. Conflicten en destabiliserende krachten dringen zich in de (directe) nabijheid van Europa op. De Nederlandse samenleving ondervindt daarvan rechtstreeks de gevolgen, mede omdat de interne en externe veiligheid steeds nauwer verweven zijn. Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van voortdurende instabiliteit aan de zuid- en oostflanken van Europa. In dit licht vergt ook de collectieve verdediging nadrukkelijk de aandacht. Bovendien kunnen zich nieuwe crises aandienen, zowel in de omgeving van Europa als verder weg. Van de Europese landen wordt in bondgenootschappelijk verband verwacht dat zij meer verantwoordelijkheid nemen voor hun veiligheid en de bescherming van hun belangen. Dit vergt, ook van Nederland, inspanningen ter versterking van de gezamenlijke slagkracht en een verdere verdieping van de samenwerking.

Het maritieme domein
Naar verwachting zal er, in de komende decennia, bij veel bedreigingen, spanningen en conflicten sprake zijn van een maritieme dimensie. De Nederlandse maritieme strategie 2015-2025 (Kamerstuk 31 409, nr. 70 van 16 januari 2015), de maritieme strategie van de Navo en de maritieme veiligheidsstrategie van de EU geven hiervan blijk. De afgelopen jaren is er sprake van een toenemend bewustzijn over het feit dat zeetransportroutes, zeestraten en maritieme knooppunten overal ter wereld kwetsbaar zijn. Steeds meer staten en niet-statelijke actoren beconcurreren elkaar over het gebruik van - en de controle over - dergelijke zeegebieden. Ook nieuwe routes en gebieden die in economische zin belangrijker worden, zoals de Arctische regio, zullen de komende decennia extra aandacht vergen. Het vrije gebruik van de zee is gereguleerd door het internationale zeerecht, maar niet alle staten hanteren dezelfde interpretatie daarvan. Disputen kunnen ertoe leiden dat staten diplomatieke en economische machtsmiddelen kracht bijzetten met maritieme presentie en militaire inzet.

Beperking of ontwrichting van het internationale scheepvaartverkeer, ook op grote afstand van Nederland, kan onze veiligheid en welvaart onmiddellijk treffen. De maritieme militaire machtsopbouw in Rusland en Azië, inclusief de proliferatie van moderne onderzeeboten, fregatten en raketsystemen, baart zorgen. Ook in Latijns-Amerika is sprake van een toenemende inzet van moderne marines waarvan onderzeeboten deel uitmaken. In de steeds diffusere veiligheidsomgeving zijn surveillance, beeldopbouw en goede inlichtingen cruciaal om te kunnen anticiperen op mogelijke dreigingen en conflicten, en zo ook om expeditionaire militaire operaties veilig en doelgericht te kunnen uitvoeren. Bovendien moeten de Navo-lidstaten, ook in het maritieme domein, beschikken over voldoende escalatiedominantie en het vermogen om vitale belangen mondiaal te beschermen.

Het wapensysteem
De onderzeeboot is een van de belangrijke grote wapensystemen waaraan de krijgsmacht zijn slagkracht ontleent. In het militaire optreden is het een van de weinige mogelijkheden om langdurig onopgemerkt te blijven. In tegenstelling tot oppervlakteschepen kunnen onderzeeboten kustgebieden of vijandelijke eenheden zeer dicht naderen zonder te worden opgemerkt. Dat geldt ook voor gebieden waar de tegenstander beschikt over het vermogen om anderen de toegang te ontzeggen (Anti Access, Area Denial). Voor de politieke en militaire besluitvorming kan de onderzeeboot cruciale informatie opleveren die niet op een andere manier kan worden verkregen. Verder kan de onderzeeboot niet alleen de situatie op zee, maar ook op land beïnvloeden. Zelfs in ondiep water waar de manoeuvreerruimte voor de onderzeeboot beperkt is, vergt het immers een relatief grote militaire inspanning om onderzeeboten op te sporen en te volgen. Conventionele onderzeeboten, zoals de huidige Walrusklasse, zijn beter geschikt voor operaties in ondiepe wateren dan de, over het algemeen grotere, nucleaire onderzeeboten. De voordelen van nucleair aangedreven onderzeeboten, waaronder de zeer grote actieradius en het vermogen om langdurig hogere snelheden vol te houden, gelden vooral in diepere wateren. De verschillende typen onderzeeboten zijn in internationaal verband complementair.

De kracht van de huidige Nederlandse onderzeeboot
De Nederlandse onderzeeboten van de Walrusklasse treden op als verkenner, wapendrager en uitvalsbasis voor speciale operaties. De inzet is gericht op de beïnvloeding van het gedrag van staten en de bestrijding van internationaal georganiseerd terrorisme en zware criminaliteit. Voorbeelden vormen het afdwingen van een maritieme blokkade zoals midden jaren negentig van de vorige eeuw in de Adriatische zee, de bestrijding van drugssmokkel in het Caribisch gebied en, recenter, de inzet voor piraterijbestrijding in de wateren rondom de Hoorn van Afrika. Ook in de toekomst moet de Nederlandse onderzeeboot in staat zijn om, zowel geïntegreerd in een maritieme taakgroep als zelfstandig, langdurig operaties uit te voeren ver van een thuisbasis, ook in gebieden waar een hoog dreigingsniveau heerst. In het operatiegebied moeten verschillende taken kunnen worden uitgevoerd in de opeenvolgende fases van het maritieme optreden. De bundeling van vier specifieke vermogens in één platform bepalen de kracht en veelzijdigheid van de Nederlandse onderzeeboot:

    - Geloofwaardige, grote en precieze maritieme slagkracht – het vermogen om onverhoeds grote slagkracht aan te wenden in gebieden waar (nog) geen militair overwicht is. Dit kan zowel defensieve als offensieve slagkracht betreffen tijdens interventies op en vanuit zee. Door de onderzeeboot gelanceerde torpedo’s kunnen met grote precisie schepen en onderzeeboten direct uitschakelen om de tegenstander het gebruik van de zee te ontzeggen of te beperken (Sea Denial en Sea Control) en een eigen vlootverband te beschermen. Nederland levert hiermee een belangrijke capaciteit in het maritieme concept van de NAVO voor Anti Submarine Warfare en Anti Surface Warfare.

     - Verzamelen, analyseren en delen van inlichtingen – het vermogen om, weken aaneengesloten, heimelijk in een gebied activiteiten van (potentiële) tegenstanders te observeren en real time te analyseren. De verzamelde inlichtingen over de gereedheid, capaciteiten en operatiepatronen vergroten de mogelijkheid om de intenties en feitelijke gedragingen van (potentiële) tegenstanders te beoordelen. Hiermee versterkt Nederland tevens zijn internationale inlichtingenpositie die berust op het principe quid pro quo. Voorafgaand aan en tijdens een conflict kunnen de operationele en tactische inlichtingen van de onderzeeboot bepalend zijn voor de doelgerichtheid van maritieme operaties. De inlichtingenfunctie is van groot belang voor de beeldopbouw en de vergroting van situational awareness.

     - Speciale operaties – het vermogen om als uitvalsbasis te dienen voor de heimelijke inzet van special forces nabij en op het grondgebied van een (potentiële) tegenstander om inlichtingen te verzamelen, strategische doelen of infrastructuur uit te schakelen, of voorbereidingen te treffen voor vervolgoperaties. Dergelijke acties kunnen onder meer betrekking hebben op de voorbereiding van een amfibische operatie, een doelgerichte aanval, bevrijding van gijzelaars, of de evacuatie van Nederlandse staatsburgers onder bedreigende omstandigheden.

     - Strategische beïnvloeding – het vermogen om met een relatief beperkte militaire inzet het gedrag van tegenstanders doelgericht te beïnvloeden. Dit vermogen vormt eigenlijk de optelsom van de hiervoor genoemde kenmerken. De dreiging die van de aangekondigde of vermoede aanwezigheid van onderzeeboten uitgaat, kan de tegenstander dwingen tot ingrijpende voorzorgsmaatregelen en aanpassing van zijn strategie en operatiepatroon.

De nieuwe onderzeebootcapaciteit
De uitgangspunten zoals verwoord in de nota In het belang van Nederland zijn leidend voor de vervanging en daarmee voor de vaststelling van de behoefte en de functionele eisen voor de opvolger van de Walrusklasse. De huidige inzetbaarheidsdoelstelling is: het onafgebroken beschikbaar hebben van één onderzeeboot voor langdurige inzet, of twee onderzeeboten voor een kortere periode. De inzetbaarheid van onderzeeboten valt of staat ook in de toekomst met de robuustheid van de ondersteunende organisatie en de personele beschikbaarheid.

Veelzijdigheid en aanpassingsvermogen
De Nederlandse onderzeeboot is door de bundeling van specifieke vermogens voor verschillende taken inzetbaar. De bescherming van de belangen van het Koninkrijk, ook in het Caribisch gebied, is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de inzet in nieuwe maritieme aandachtsgebieden. Met het oog op de veranderlijke aard van de veiligheidsomgeving moeten militaire capaciteiten over ‘groeipotentieel’ beschikken. Het aanpassingsvermogen gedurende de (relatief lange) levensduur van de onderzeeboot wordt onder meer bereikt door reserves en flexibiliteit in te bouwen met het oog op modificaties, modulaire aanpassing van bemensing en functionaliteit, instandhoudingsprogramma’s en de toekomstige toevoeging van externe sensoren zoals Unmanned Underwater Vehicles (UUV’s). De toepassing van nieuwe technologie maakt het waarschijnlijk mogelijk om op nieuwe onderzeeboten kleinere bemanningen in te zetten zonder daarmee afbreuk te doen aan de prestaties. Het is onwaarschijnlijk dat de komende decennia onbemande systemen beschikbaar komen die de beoogde combinatie van taken langdurig autonoom kunnen uitvoeren.

Het diffuse dreigingsbeeld en de proliferatie van wapentechnologie kunnen de komende decennia voorts nopen tot betere zelfverdediging en verbreding van de mogelijkheden tot wapeninzet. De huidige onderzeeboot beschikt alleen over zware torpedo’s tegen doelen op zee en onder water. Deze bieden grote slagkracht, maar zijn minder goed bruikbaar tegen kleine oppervlaktedoelen en hebben geen nut tegen vijandelijke torpedo’s, vliegtuigen en helikopters. Differentiatie van de bewapening van de nieuwe onderzeeboot verhoogt de operationele effectiviteit. Daarbij kunnen overwegingen van proportionaliteit en niet-letale effecten worden betrokken (schepen onklaar maken in plaats van deze te vernietigen). Ook kan het nodig blijken de nieuwe onderzeeboot toe te rusten met voorzieningen voor de lancering van missiles. Of naast de beoogde ‘provisions for’ deze wapens werkelijk deel moeten uitmaken van de vervanging is, afgezien van financiële overwegingen, mede afhankelijk van de ontwikkeling van het dreigingsbeeld en de in internationaal kader vastgestelde behoeften.

Financiële aspecten
De besluitvorming over de vervanging vergt een integrale afweging op basis van een overzicht van alle met de vervanging gepaard gaande kosten, waaronder de instandhouding en de ondersteuning van de onderzeebootcapaciteit gedurende de gehele levensduur (Life Cycle Costing - LCC). Gezien de complexiteit van het wapensysteem en de keuze om de vervanging gestalte te geven in nauwe samenwerking met partners, zowel nationaal als internationaal, zal het inzicht in de kosten stapsgewijs toenemen. De verschillende fasen in het defensiematerieelproces (DMP) voorzien, op weg naar een finaal besluit, in steeds preciezere informatieverstrekking over de hoogte van de investering. Het uiteindelijke besluit over de vervanging wordt volgens de planning verwacht in 2018, binnen de dan geldende budgettaire kaders.

Internationale samenwerking
De beoogde vervanging van de Walrusklasse levert een belangrijke bijdrage aan de gezamenlijke slagkracht in Navo en EU-kader. Nederland kan zich een capabele en betrouwbare bondgenoot tonen door te investeren in prioritaire capaciteitsgebieden en door capaciteiten te vervangen die in andere Europese landen niet of beperkt voorhanden zijn. Met uitzondering van Nederland beschikken de overige Europese landen op dit ogenblik niet over expeditionair inzetbare conventionele onderzeeboten voor verkenning en inlichtingenvergaring (‘NATO priority shortfall area Joint Intelligence Surveillance and Reconnaissance (JISR)’). Ook heeft de Navo onderzeebootbestrijding aangemerkt als een capaciteitsgebied waarop tekorten bestaan (‘NATO priority shortfall area Anti Submarine Warfare (ASW)').

Nauwe samenwerking met partnerlanden bij het ontwerp, de bouw, de instandhouding en de inzet van onderzeeboten biedt voordelen. Ook vergroot het de mogelijkheden om de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen te versterken. De voordelen bij onderzeebootsamenwerking worden niet zozeer bereikt door operationele inzet vanuit een gezamenlijke pool of een gedeelde capaciteit. De reden hiervoor is dat de meeste landen hun onderzeeboten op grond van nationale veiligheidsoverwegingen zelfstandig willen kunnen inzetten. De voordelen worden eerder gevonden op het terrein van de operationele gereedheid (opleiding en training) en de materiële gereedheid (onderhoud, reservedelen, programma’s voor levensduurverlenging). De onderzeedienst werkt op dergelijke terreinen ook nu al samen met verschillende landen (zie het overzicht in de bijlage bij deze brief).

Voor de vervanging van de Walrusklasse wordt onderzocht hoe de doelmatigheid, met het oog op de total cost of ownership, verder kan worden vergroot. Nederland streeft daarom naar vergaande samenwerking gedurende de gehele levenscyclus van het materieel en stelt geen harde grens aan de reikwijdte van de samenwerking. Zelfs de inzet van multinationale bemanningen bij oefeningen of operaties moet worden overwogen. Nederland draagt deze ambitie uit in de internationale contacten, maar is tegelijk afhankelijk van de bereidheid van partners om stappen te zetten. Om maximaal voordeel uit samenwerking te kunnen behalen, moeten de Nederlandse onderzeeboten waar mogelijk over dezelfde eigenschappen, systemen en gebruiksfilosofieën beschikken als die van de partnerlanden. Bij een complex technisch geïntegreerd systeem zoals een onderzeeboot kan een beperkte afwijking al van invloed zijn op de diepgang van de samenwerking.

De samenwerking met partnerlanden
Nederland volgt de ontwikkelingen betreffende de vervanging van onderzeeboten in een aantal landen op de voet. Waar mogelijk zal Nederland kansen benutten om partners te betrekken bij het eigen vervangingstraject. Hiermee kunnen de voordelen van samenwerking worden vergroot en is de beoogde verdieping niet afhankelijk van de bereidheid van één partner. De ontwikkelingen in Australië, Canada, Duitsland, Noorwegen en Zweden bieden hiervoor op dit moment de meeste aanknopingspunten:
   
     - Australië hanteert een min of meer gelijke termijn voor de vervanging van zes conventionele Collinsklasse onderzeeboten. De behoefte gaat momenteel uit naar een veel grotere, duurdere onderzeeboot. Afhankelijk van het ontwerp kan samenwerking nader worden onderzocht, al is de geografische afstand een beperkende factor. Australië hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren. Het land heeft op 20 februari jl. aangekondigd werven in Duitsland, Frankrijk en Japan voorstellen te laten doen voor een nieuw ontwerp;

    - Canada bereidt besluitvorming voor over levensverlengend onderhoud van de huidige vier conventionele Victoriaklasse onderzeeboten. Canada hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren, maar oriënteert zich vooralsnog niet op een vervangende onderzeebootcapaciteit;
   
- Duitsland beschikt over een nationale onderzeebootbouwindustrie (TKMS). Gezamenlijke of gelijktijdige vervanging met Duitsland is momenteel niet aan de orde omdat het net heeft geïnvesteerd in zes conventionele T212 onderzeeboten. Anderzijds kan betrokkenheid van de Duitse industrie interessant zijn, mede met het oog op de bredere maritieme samenwerking met het land. Duitsland hanteert wel een ander concept van opereren dan Nederland;

     - de Noorse regering heeft eind november 2014 formeel besloten om vanaf midden jaren twintig zes conventionele Ulaklasse onderzeeboten te vervangen. De vervanging van de Nederlandse onderzeeboten is (in de planning) voorzien in dezelfde periode. Noorwegen is een strategische partner en al vele jaren is er sprake van samenwerking op tal van terreinen, ook op onderzeebootgebied. Noorwegen hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren. Om deze redenen lijkt de samenwerking met Noorwegen vooralsnog goede vooruitzichten te bieden op verdere verdieping. Wel oriënteert Noorwegen zich op kleinere onderzeeboten die minder geschikt zijn voor expeditionaire inzet en geïntegreerd optreden met een maritieme taakgroep. De mate waarin de functionele eisen voor de vervangende capaciteit uiteindelijk overeenkomen, bepaalt in belangrijke mate hoe vergaand de samenwerking kan zijn;

     - Zweden beschikt eveneens over een nationale onderzeebootindustrie (Saab-Kockums) en heeft reeds opdracht gegeven voor de bouw van nieuwe onderzeeboten vanaf midden 2020. Samenwerking met Zweden zal sterk worden beïnvloed door de Zweedse industriële belangen. Dit kan de mogelijkheden voor een goede positionering van de Nederlandse industrie beperken, maar het kan - zoals blijkt uit de recent aangekondigde samenwerking tussen Damen en Saab - ook kansen bieden. Zweden hanteert wel een ander concept van opereren dan Nederland.

Industriële participatie
De samenwerking met de nationale industrie en de kennisinstituten zal zoveel mogelijk geschieden in het kader van de Defensie Industrie Strategie (DIS) en het Convenant kennisgroep Nederlandse marinebouw. 1 De vijf prioritaire technologiegebieden uit de DIS komen allemaal in beeld bij de vervanging. Defensie onderkent dat de betrokkenheid van de industrie en kennisinstituten nodig is om voldoende kennis op te bouwen en te waarborgen, en om de technische risico’s beheersbaar te houden. Een volgende generatie onderzeeboten vergt de toepassing van hoogwaardige technologische kennis over signatuurreductie, systeemintegratie, bewapening en zelfbescherming. Defensie zal de beschikbare kennis hierover verder moeten vergroten om als smart buyer en smart specifier realistische en kosteneffectieve eisen te kunnen stellen aan het ontwerp, de bouw en de exploitatie.

De Nederlandse industrie met specifieke maritieme en onderzeebootkennis heeft zich verenigd in het Dutch Underwater Knowledge Center (DUKC), een samenwerkingsplatform onder de NIDV. De kennisinstituten TNO en MARIN beschikken eveneens over specifieke onderzeebootkennis. De kennisinstituten en het DUKC vervullen reeds een belangrijke rol in het instandhoudingsprogramma voor de Walrusklasse. Daarmee is belangrijke kennis opgedaan, behouden en uitgebreid. Het DUKC is betrokken bij de voorbereidende studies voor de vervangende onderzeebootcapaciteit en ondersteunt de contacten tussen Defensie en de nationale maritieme industrie. Het DUKC heeft de
onderzeebootkennis in Nederland geïnventariseerd. Denk daarbij aan het ontwerpen van de drukhuid, platformautomatisering, weerstand en voortstuwing, Combat Management System (CMS), Sensoren, Wapens en Communicatie (SEWACO), functioneel ontwerp en signaturen. Tegelijk stelt het DUKC vast dat specifieke kennis en ervaring voor de bouw van onderzeeboten in Nederland ontbreken. Het DUKC heeft de ambitie om deel te nemen aan de totstandkoming en exploitatie van de nieuwe capaciteit.2 Daarnaast hebben Damen Shipyards en het Zweedse SAAB-Kockums, zoals gezegd, strategische samenwerking op het gebied van onderzeebootbouw aangekondigd. Defensie zal voorstellen van de industrie betrekken bij de voorbereiding van de besluitvorming en zowel de baten als de kosten van industriële participatie in kaart brengen.

Industriële participatie
De samenwerking met de nationale industrie en de kennisinstituten zal zoveel mogelijk geschieden in het kader van de Defensie Industrie Strategie (DIS) en het Convenant kennisgroep Nederlandse marinebouw. 1 De vijf prioritaire technologiegebieden uit de DIS komen allemaal in beeld bij de vervanging. Defensie onderkent dat de betrokkenheid van de industrie en kennisinstituten nodig is om voldoende kennis op te bouwen en te waarborgen, en om de technische risico’s beheersbaar te houden. Een volgende generatie onderzeeboten vergt de toepassing van hoogwaardige technologische kennis over signatuurreductie, systeemintegratie, bewapening en zelfbescherming. Defensie zal de beschikbare kennis hierover verder moeten vergroten om als smart buyer en smart specifier realistische en kosteneffectieve eisen te kunnen stellen aan het ontwerp, de bouw en de exploitatie.

De Nederlandse industrie met specifieke maritieme en onderzeebootkennis heeft zich verenigd in het Dutch Underwater Knowledge Center (DUKC), een samenwerkingsplatform onder de NIDV. De kennisinstituten TNO en MARIN beschikken eveneens over specifieke onderzeebootkennis. De kennisinstituten en het DUKC vervullen reeds een belangrijke rol in het instandhoudingsprogramma voor de Walrusklasse. Daarmee is belangrijke kennis opgedaan, behouden en uitgebreid. Het DUKC is betrokken bij de voorbereidende studies voor de vervangende onderzeebootcapaciteit en ondersteunt de contacten tussen Defensie en de nationale maritieme industrie. Het DUKC heeft de onderzeebootkennis in Nederland geïnventariseerd. Denk daarbij aan het ontwerpen van de drukhuid, platformautomatisering, weerstand en voortstuwing, Combat Management System (CMS), Sensoren, Wapens en Communicatie (SEWACO), functioneel ontwerp en signaturen. Tegelijk stelt het DUKC vast dat specifieke kennis en ervaring voor de bouw van onderzeeboten in Nederland ontbreken. Het DUKC heeft de ambitie om deel te nemen aan de totstandkoming en exploitatie van de nieuwe capaciteit.2 Daarnaast hebben Damen Shipyards en het Zweedse SAAB-Kockums, zoals gezegd, strategische samenwerking op het gebied van onderzeebootbouw aangekondigd. Defensie zal voorstellen van de industrie betrekken bij de voorbereiding van de besluitvorming en zowel de baten als de kosten van industriële participatie in kaart brengen.

_______________________________________________________________________________
1 Op 17 september 2012 hebben de minister van Defensie en het Nederlands Marinebouw Cluster een convenant gesloten, om gezamenlijk de benodigde kennis voor de ontwikkeling en bouw van militaire oppervlakteschepen te waarborgen, deze kennis onderling beschikbaar te stellen en de inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van nieuwe generaties schepen op elkaar af te stemmen en te synchroniseren.
2 DUKC rapport ‘The Capabilities and Participation Objectives of Industries in the Netherlands – The Industrial Submarine Knowledge Base’ (2014).
_______________________________________________________________________________

Ten slotte
Deze brief onderstreept het belang dat Defensie hecht aan de vervanging van de Walrusklasse onderzeeboten. In de nota In het belang van Nederland is reeds kenbaar gemaakt dat Defensie de vervanging alleen kan realiseren als de nieuwe onderzeeboten samen met een of meer partnerlanden worden ontwikkeld, gebouwd en geëxploiteerd. Gedurende het DMP, dat het kader vormt voor de besluitvorming, zal daarom nadrukkelijk aandacht worden geschonken aan de internationale samenwerkingsmogelijkheden. Harmonisatie en standaardisatie leiden tot meer mogelijkheden tot samenwerking en kostenreductie. Daarentegen kan de wens om te blijven beschikken over een expeditionair inzetbare onderzeeboot grenzen stellen aan verdere verdieping van de onderzeebootsamenwerking met één of meer partnerlanden. De eerste stap in het DMP betreft de wijze waarop de behoefte moet worden vervuld. Tot de vervolgstappen behoren voorts kosten-batenanalyses en alternatievenvergelijkingen. Hierbij worden vanzelfsprekend operationele, financiële en industriële aspecten betrokken. Het uiteindelijke besluit wordt in 2018 verwacht.

DE MINISTER VAN DEFENSIE

J.A. Hennis-Plasschaert

(Bron)

woensdag 19 juni 2013

Onderzeeboot oefent torpedoschieten op collega’s

Het doel met opzet missen. Als je met torpedo’s op je eigen schepen schiet, is dat toegestaan. Onderzeeboot Zr. Ms. Dolfijn van de Koninklijke Marine richtte dit weekend in de Baltische Zee bij Zweden haar pijlen op het fregat Zr. Ms. Evertsen en torpedowerkschip Zr. Ms. Mercuur. Dit gebeurde tijdens een zogenoemde torpedo firing exercise met echte torpedo’s, maar zonder explosieve lading.

Zwaarste kaliber
De onderzeebootbemanning schoot tijdens de internationale oefening BALTOPS met 3 Mark 48-torpedo’s. Deze draadgeleide torpedo is het zwaarste kaliber wapen dat Defensie heeft. De torpedo kan worden bijgestuurd met de draadgeleiding. Dat was ook nu nodig omdat de doelschepen er alles aan deden de oefening zo moeilijk mogelijk te maken.


Oefentorpedo Mark 48 wordt geladen. Foto: Defensie

De Dolfijn opende als eerste de aanval op de Evertsen. Omdat het om een oefening ging, werd met opzet ver onder het doel gemikt. Verder ging alles precies zoals onder echte gevechtsomstandigheden. In de commandocentrale van de Dolfijn werd het doelwit in het vizier gebracht met sonarapparatuur en de periscoop.

Opwaartse druk
Een flinke drukgolf in de onderzeeboot maakte duidelijk dat de torpedo was gelanceerd. Torpedo’s worden in het echt niet tegen, maar onder het doel tot ontploffing gebracht. De opwaartse druk zorgt er dan voor dat een schip doormidden breekt.

Lanceerbuis
Terwijl de commandant, luitenant-ter-zee der eerste klasse Pim Hol, het commando tot vuren gaf, vulden militairen in de wapenkamer, een dek lager, de lanceerbuizen met 2 nieuwe torpedo’s voor een gelijktijdig schot op de Evertsen en de Mercuur.

Brandstof op
Omdat de torpedo’s niet ontploften, stopten ze pas toen de brandstof op was. Vervolgens kwam de 6 meter lange torpedo met zijn rode neus aan het oppervlakte drijven. Eenmaal aan boord genomen van de Mercuur werden de afvuurgegevens uit de torpedo gelezen. Terug in Den Helder worden ze bij het Marinebedrijf gereedgemaakt voor een volgende lancering.

Opnameapparatuur
Bij oefentorpedo’s is de explosieve lading namelijk vervangen door opnameapparatuur. Hiermee wordt bepaald of de aanval succesvol was. Ook is het belangrijk lesmateriaal. Op basis van deze data worden in Nederland bij het Maritime Warfare Centre bestaande tactieken tegen het licht gehouden en eventueel verbeterd. Ook wordt de informatie gedeeld met partnerlanden die dezelfde torpedo gebruiken, zoals Canada en de Verenigde Staten.

(ministerie van Defensie, 19 juni 2013)
(Op de website van Defensie treft u een video bij de bericht aan, HdV)

dinsdag 28 mei 2013

Verdere defensiesamenwerking Nederland-Duitsland

Aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Vandaag heb ik in Berlijn, samen met mijn ambtgenoot Thomas de Maizière, de Declaration of Intent inzake de intensivering van de defensiesamenwerking tussen Nederland en Duitsland ondertekend. Hierbij bied ik u de tekst van deze verklaring aan.

Nederland heeft zijn veiligheid in nauwe verbondenheid met andere landen georganiseerd. Na de Tweede Wereldoorlog is ons veiligheids- en defensiebeleid in belangrijke mate verankerd in multilaterale organisaties als de Navo en de EU. Naast multilaterale samenwerking heeft Nederland een breed vertakt netwerk van bilaterale relaties ontwikkeld om zijn veiligheidsbelangen vorm te geven. De internationale inbedding van de krijgsmacht is onverminderd urgent.

Om te kunnen beschikken over een krijgsmacht die past bij onze positie in de wereld en dienstbaar is aan brede Nederlandse veiligheidsbelangen zijn we, mede in het licht van aanhoudende budgettaire krapte, in toenemende mate op onze veiligheidspartners aangewezen. Dit geldt zowel voor uitvoering van de operationele hoofdtaken, verdediging van het eigen en het bondgenootschappelijk grondgebied, bevordering van de internationale rechtsorde en ondersteuning van civiele autoriteiten, als voor de inrichting van de krijgsmacht: de ondersteuning,de instandhouding en de bestuurlijke organisatie.

De defensiesamenwerking met Duitsland is in dit verband van grote betekenis. Met de ondertekening van de Declaration of Intent hebben beide landen niet alleen de goede samenwerkingsrelatie bestendigd, maar is daaraan ook een nieuwe dimensie toegevoegd: ook op terreinen waar we tot op heden nog niet intensief samenwerken, gaan we de komende jaren de banden verder aanhalen.

Meest in het oog springend zijn de volgende samenwerkingsdomeinen:

1e Duits/Nederlandse Leger Corps in Münster
Deze samenwerking bestaat sinds 1995. Het Corps heeft zich ontwikkeld tot een High Readiness Force (Land) Headquarters. Het is het toonbeeld van samenwerking en integratie. In de DoI is de intentie opgenomen om het Corps verder te ontwikkelen binnen de nieuwe NATO Forces Structure tot een Joint Task Force Headquarters Land (JTF HQ L)/Joint Command and Control Capability (JC2C). Op CDS-niveau is onlangs het streven overeengekomen dit JTF HQ L in 2017 aan te bieden voor het Long Term Rotation Plan van de Navo.

Integratie van de 11e Luchtmobiele Brigade en de Division Schnelle Kräfte
In 2014 wordt in Duitsland de Division Schnelle Kräfte opgericht. Het is de intentie om de 11e Luchtmobiele Brigade (11 LMB) te integreren in deze divisie om op termijn te komen tot een geïntegreerde wijze van opereren. De aansturing zou dan geschieden door een gezamenlijk stafelement in Duitsland. De troepen blijven hierbij echter op hun bestaande locaties gelegerd. Deze integratie levert voordelen op voor opleiding en training en maakt gezamenlijke inzet beter mogelijk.

Intensivering van de samenwerking van Grondgebonden Lucht- en
Raketverdediging
De samenwerking op dit gebied bestaat al enkele jaren en vloeit in het bijzonder voort uit gezamenlijke systemen (Patriot) en de gezamenlijke inzet daarvan, zoals nu in Turkije. Beoogd wordt deze samenwerking verder te intensiveren om uiteindelijk te komen tot een geïntegreerd stafelement dat alle Duitse en Nederlandse grondgebonden lucht- en raket verdedigingseenheden aanstuurt. Net als bij de integratie van 11 LMB levert deze integratie voordelen op het gebied van opleiding en training, schaarse capaciteiten en vergemakkelijkt gezamenlijke inzet.

Samenwerking Onderzeedienst
Uit het oogpunt van schaalvoordelen en het behoud van schaarse kennis op het gebied van onderzeebootbouw ligt het voor de hand dat Nederland en Duitsland, beide landen die over onderzeebootcapaciteit beschikken, toenadering tot elkaar zoeken. Door voorts samen opleidingen en training te volgen en gebruik te maken van elkaars opleidingsfaciliteiten kunnen schaarse en dure capaciteiten en middelen effectiever worden ingezet.

Met deze geïntensiveerde bilaterale samenwerkingsrelatie geeft het kabinet invulling aan het voornemen concrete, verdergaande stappen te zetten op het gebied van internationale militaire samenwerking. Hiermee wordt het handelingsvermogen van onze krijgsmacht vergroot en levert Nederland een bijdrage aan de versterking van de Europese defensiesamenwerking.

DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert

(ministerie van Defensie, 28 mei 2013)

maandag 13 mei 2013

Onderzeebootvloot wordt gemoderniseerd

Zr. Ms. Zeeleeuw ondergaat vanaf vandaag een ingrijpende verbouwing. Dit instandhoudingsproject Walrusklasse maakt de 4 Nederlandse onderzeeboten wereldwijd nog beter inzetbaar, bijvoorbeeld bij antipiraterijmissies.

Het levensverlengend onderhoud brengt de uit begin jaren '90 in dienst gestelde onderzeeboten weer helemaal bij de tijd. Ze ondergaan zowel uiterlijk als innerlijk een flinke make-over. De onderzeebootvloot is daarmee inzetbaar tot tenminste 2025. De 4 belangrijkste modificaties:

-optronische mast;
-vernieuwde sonar;
-verbeterde satellietcommunicatie;
-operationele software (modern combat management system).  

"Dit project betekent een enorme vooruitgang voor de onderzeedienst", zegt groepsoudste kapitein-ter-zee Marc Elsensohn. "We stappen over van Koude Oorlogtechnologie gebaseerd op Commodore 64's en Atari's naar de modernste 21e eeuwse systemen."

Zr. Ms. Zeeleeuw. Foto: Defensie

Heimelijk
Heimelijk inlichtingen vergaren is een van de primaire taken van de onderzeedienst. Door de nieuwe optronische mast kan de onderzeeboot snel 360 graden om zich heen kijken, met een minimale kans op ontdekking. Elsensohn: "De commandant krijgt de ongekend scherpe foto’s direct op zijn beeldscherm. En dankzij de warmtebeeldcamera kunnen we piratenkampen voortaan ook 's nachts in de gaten houden."

Verzamelen en delen
Nederland kan met zijn dieselelektrische onderzeeboten als enige NAVO-land wereldwijd in ondiepe kustwateren opereren, zoals bij Somalië. De vernieuwde sonar maakt het onder meer mogelijk dat de onderzeeboten de kust nog dichter kunnen naderen om inlichtingen te verzamelen. Inlichtingen die de boot via het gemoderniseerde satellietcommunicatiesysteem voortaan bijna direct kan delen met bondgenoten.

Optimaal benutten
De bemanning kan door de moderne operationele software de grotere kracht van alle hardware optimaal benutten. Elsensohn: "Deze modernisering verbetert onze capaciteiten echt enorm. We kunnen hierdoor een veel groter zeegebied in de gaten houden."

Verbouwing
Het Marinebedrijf in Den Helder neemt de verbouwing van de onderzeebootvloot ter hand. De totale kosten bedragen € 94 miljoen. De Zeeleeuw is in 2015 volledig gemodificeerd.

(ministerie van Defensie, 13 mei 2013)

zondag 9 september 2012

Minister Rosenthal bezoekt marine

Minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken bezoekt maandag de Koninklijke Marine in Den Helder. De bewindsman brengt een zogeheten oriëntatiebezoek, aldus marinewoordvoerder Robin Middel.

Hij wordt eerst ontvangen aan boord van het nieuwe patrouilleschip van de marine, de Friesland. Vervolgens zal hij worden rondgeleid aan boord van het amfibisch transportschip Hr. Ms. Johan de Witt. Daar zal hij door de commandant der strijdkrachten en de commandant der zeestrijdkrachten worden bijgepraat.

Ook vindt er een videoconferentie plaats met commandant Ben Bekkering van het Navo-eskader dat bij Somalië op piraten jaagt. De middag wordt afgesloten met een bezoek aan de onderzeedienst.

(Noordhollands Dagblad, 4 september 2012)

donderdag 30 augustus 2012

Opinie: Verkiezingen

Hr.Ms. Evertsen is 18 augustus teruggekeerd van een prima antipiraterijmissie. Hr.Ms. Rotterdam opereert op dit moment absoluut joint, met ingescheepte ondersteunende eenheden van zowel de CLAS (Scan Eagle UAV), het CLSK (Cougars) als de Kmar, als combined, als vlaggenschip van de NAVO-antipiraterijmissie Ocean Shield, onder bevel van commandeur Ben Bekkering.

Op 10 augustus maakte het mijnbestrijdingsvaartuig van de wacht, Hr.Ms. Willemstad, in de Westerschelde een zwaargewicht uit de Tweede Wereldoorlog onschadelijk. Eind juni onderschepte Hr.Ms. Tromp in het Caribisch gebied 2000 kilo cocaïne. In Kunduz beveiligen de mariniers van de Koninklijke Marine de politietrainingsmissie, onder leiding van Kolonel der mariniers Jarst de Jong. Aan boord van veel koopvaardijschepen varen mariniers als Vessel Protection Detachments mee, ter beveiliging tegen mogelijke aanvallen van piraten aan de Oostkust van Afrika. Tegelijkertijd steekt de piraterij voor de Westkust haar gemene kop op. Ook daar klinkt vanuit de politiek en de rederijen de terechte roep om bescherming.

Terwijl de marine dus operationeel op alle fronten bezig is, werpen de verkiezingen op 12 september hun schaduw vooruit. De verkiezingsprogramma’s van de diverse politieke partijen heeft de GOV|MHB voor wat betreft de defensieparagraaf geanalyseerd. Het geheel biedt een overzicht van wat de diverse partijen hebben te bieden op het gebied van “een voor haar taak berekende krijgsmacht”. Veel partijen uiten zich in algemeenheden, maar waar ze specifiek worden, wordt het meteen bedreigend. Zoals de PvdA die aan de ene kant taakspecialisatie voorstaat en aan de andere kant met naam en toenaam juist een kernactiviteit waarmee Nederland internationaal skyhigh scoort, namelijk de Onderzeedienst, wil schrappen. Wie begrijpt het nog? Een ding is zeker: tijdens coalitieonderhandelingen wordt alles vloeibaar.

Tijdens de indienststelling van het Oceangoing Patrol Vessel Hr.Ms. Holland, die samenviel met de opening van de Marinedagen 2012, hield de directeur van Damen Schelde Naval Shipbuilding een pleidooi dat het nu eens afgelopen moest zijn met het bezuinigen op Defensie. Er zou juist geld bij moeten met het oog op de politieke situatie in de wereld. Hoewel de OPV’s prachtige schepen zijn, wil ik opmerken dat ze producten zijn van vorige bezuinigingen (afstoten 4 M-fregatten) en dat ze slechts kunnen worden ingezet in het laagste deel van het geweldsspectrum. Het OPV is dan ook geen volwaardige vervanging van de M-fregatten. Zo trekken ‘oudere’ bezuinigingsslagen ook nu nog sporen door de slagkracht van de marine.

In 2005 schreef Arun Prakash, bevelhebber van de Indiase zeestrijdkrachten in de Indian Defence Review een artikel over het toenemende belang van maritieme macht in het algemeen en van een voor haar taak berekende zeemacht in het bijzonder:

“The 21st century is going to be a maritime century. The globalisation of the world economy and its impact on global sea-borne trade, energy imperatives and growing dependence on sea resources, all point towards the growing importance of the seas. These developments are extremely important for India due to our reliance on the sea for trade, energy resources and food resources. In fact, over a century ago, the famous American maritime strategist, Admiral Mahan had stated, ‘Whoever controls the Indian Ocean dominates Asia.’ He further went on to predict that ‘in the 21st century the destiny of the world will be decided upon its waters.’ Today that prediction appears to be coming true. While we have no wish to dominate anything, we need to ensure that nobody else is in a position to do so, or to dictate terms to us either. A capable navy is only one element of a maritime power. A large merchant fleet, modern ports with good infrastructure, a vibrant, efficient and self-reliant shipbuilding industry along with its supporting technical infrastructure are some of the other vital elements of maritime power which we need to concentrate upon. The key, however, lies in the populace having a maritime temperament and outlook. Indians in general, need to acknowledge that if not a ‘maritime nation’ (yet), we certainly are a nation dependant on the seas, and need to look more seawards than inwards.” (www.rediff.com/news/2005/feb/28inter1.htm)

Het wordt tijd dat onze politici, van links via het midden tot rechts, deze treffende woorden uit 2005 eens goed tot zich laten doordringen en zich ten volle realiseren dat ook Nederland afhankelijk is van een vrije zee.

(KLTZ Rob Hunnego, voorzitter KVMO, Marineblad augustus 2012)

donderdag 7 juni 2012

Defensie in het verkiezingsprogramma van de PvdA

3. Een veilige en vreedzame wereld

Een veilige leefomgeving, waar je zonder angst naar je werk of school kunt gaan, is een absolute voor-waarde voor een menswaardig bestaan en zelfredzaamheid. Een veilige en stabiele wereld is niet alleen inhet belang van mensen ver weg, maar draagt ook bij aan onze veiligheid. Aan de bedreiging van piraten voor de kust van Afrika staat ook de bemanning van onze schepen bloot.Conflicten zijn steeds ingewikkelder. Traditionele oorlogen tussen landen komen nog wel voor, maar steeds vaker vinden bloedige conflicten plaats binnen staten en tussen verschillende groeperingen. Steeds vaker is schaarste van grondstoffen een oorzaak van spanningen. Maar liefst 1 miljard mensen in kwetsbare staten zijn gevangen in een vicieuze cirkel van geweld en armoede. De handel in illegale wapens vormt een grote bedreiging voor de burgerbevolking. Hard optreden is soms nodig voor een veilige wereld – ook door onszelf. Maar voor een echt veilige wereld moeten we in de eerste plaats de oorzaken van geweld in samenhang aanpakken. De PvdA kiest voor een focus op de fragiele staten en conflictregio’s. Onder strikte voorwaarden, en in principe altijd in internationaal verband met een mandaat van de Veiligheidsraad, zijn we bereid tot deelname aan internationale militaire operaties om burgers te beschermen. Dat vraagt om een moderne, goed georganiseerde krijgsmacht, die tevens Nederland kan beschermen.

Dit gaan we doen:

Actieve aanpak van fragiele staten en conflictregio’s

• De gevaarlijkste regio’s, waar het risico op instabiliteit het grootst is, zijn de Hoorn van Afrika, Centraal Afrika, Irak, Afghanistan en Pakistan. Bij de aanpak zorgen we voor samenhang tussen defensie, migratie en ontwikkelingssamenwerking. We richten ons op opbouw van overheden,bedrijven, maatschappelijke organisaties in deze landen zelf.

• Nederland stopt met de eenzijdige steun aan Israël in het Israëlisch-Palestijnse conflict. We gaan weer in de Europese pas lopen en gebruiken onze goede banden met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit beter ter ondersteuning van het vredesproces.

• Nederland trekt in EU en VN-verband op rond grote internationale crises, zoals de nucleaire dreiging vanuit Iran, de escalatie van geweld in Syrië en het haperen van de democratisering in de Arabische regio.

• Nederland is koploper in de strijd tegen illegale en controversiële wapens en voor strengere inter-nationale regelgeving rondom wapenhandel. Nederland helpt arme landen om illegale wapenhandel te bestrijden en scherpt het wapenexportbeleid aan zodat geen wapens geleverd worden aan repressieve en autoritaire staten die mensenrechten schenden.

• Grondstoffen, zoals kolen, dienen soms als financieringsbron voor oorlogen. De import van deze bloedkolen wordt strafbaar. Nederland neemt het voortouw om dit ook in Europa en op wereld-wijd niveau te regelen.

Nederland actief in internationale missies

• Alleen met een adequaat volkenrechtelijk mandaat is inzet van militairen en materieel acceptabel.Het gebruik van militair geweld moet passen in een langetermijnstrategie voor een structurele politieke oplossing van het conflict.

• Nederland is en blijft een actief lid van de NAVO en voldoet aan haar internationale verplichtingen.

• De checklist voor de Tweede Kamer voor besluitvorming over militaire inzet, het zogenaamde Toetsingskader, is aan herziening toe. Een missie moet een duidelijk doel hebben, aanpak en middelen moeten daarmee samenhangen. Er moet een realistische onderbouwing zijn van de kans op succes en een exit-strategie. En de bescherming van burgers moet duidelijk geregeld zijn.

• Internationale vredesmissies voeren we uit volgens het Nederlandse model. Daarbij is niet de militaire aanpak leidend, maar de politieke opbouw en het ontwikkelingswerk, met aandacht voor mensenrechten en het betrekken van vrouwen bij besluitvormingsprocessen.

4. Een effectieve krijgsmacht met aandacht voor personeel

Onze ambities voor een veilig Nederland, versterking van de internationale rechtsorde en bescherming van mensen in fragiele staten vragen om een moderne en effectieve krijgsmacht. Het personeel van de krijgs-macht is de ruggengraat van de organisatie en verdient alle aandacht om goed werk te kunnen leveren ennaar behoren betaald en begeleid te worden, ook als de carrière bij defensie afloopt.Laten we er niet omheen draaien. Door de crisis is er minder geld beschikbaar. Dat vraagt om scherpe keuzes, ook bij defensie. Zorgvuldigheid is geboden omdat de afgelopen jaren al veel bezuinigd is. Om de operationele capaciteit zoveel mogelijk overeind te houden kiezen we voor meer internationale samenwerking op defensiegebied en concentratie op zaken waar wij goed in zijn en waar wij een toegevoegde waarde hebben in internationaal verband. De consequentie daarvan is dat wij bereid moeten zijn onze autonomie met partners te delen om de nationale en Europese belangen gezamenlijk veilig te stellen.

De Landmacht zal zich verder moeten specialiseren in het kunnen leveren van snel inzetbare gevechtstroe-pen. De Luchtmacht concentreert zich op de inzet van gevechtsvliegtuigen en bijdragen aan strategisch en tactisch transport. De belangrijkste taak van de Marine is het in EU en NAVO verband beveiligen en garanderen van transport over zee en de bewaking van handelsroutes wereldwijd. Een moderne krijgsmacht vergt zo’n hoog niveau aan investeringen dat dit niet een nationale maar een internationale ambitie moet zijn. Taakspecialisatie en schaalvergroting over de grenzen heen zijn noodzakelijk.

Dit gaan we doen:

Zorg voor personeel 

• De bezuinigingen leiden tot onvermijdelijk tot verdere inkrimping van de defensieorganisatie. Er moet snel duidelijkheid komen over het perspectief van medewerkers binnen de krijgsmacht.Goede begeleiding naar nieuwe functies, bijvoorbeeld bij de politie, is prioriteit

• Bij een nieuwe bezuinigingsronde hoort een stevig sociaal plan, dat wordt vastgesteld in overleg met de Centrales van Overheidspersoneel

• We kiezen er voor om werkgelegenheid zoveel mogelijk in stand te houden op plekken waar de regionale economie en werkgelegenheid daar het meest bij gebaat is zoals in Leeuwarden en Assen.

• Dankzij de PvdA is de Veteranenwet tot stand gekomen. De Veteranenwet wordt op korte termijn geïmplementeerd met een tweejaarlijkse evaluatie

Internationale samenwerking en organisatie


• De PvdA is voor verregaande Europese defensiesamenwerking. Nederland neemt actief deel aan het overleg daarover in de NAVO en de Europese Unie. Dit moet op korte termijn leiden tot het samenvoegen van bestaande capaciteiten en het in onderling overleg meer toeleggen op die taken waar we ten opzichte van andere landen toegevoegde waarde hebben.

• Sommige delen van onze krijgsmacht worden samengevoegd met die van andere landen zoals België, Duitsland of het Verenigd Koninkrijk. Zo zou er met buurlanden een veel intensievere marinesamenwerking tot stand kunnen komen, waarbij Nederland huidige taken afstoot en andere taken van buurlanden overneemt met behoud van capaciteit. Deze verregaande samenwerking betekent dat we steeds meer beslissingen moeten nemen in gezamenlijkheid met partnerlanden.

• De doelmatigheid van de Nederlandse krijgsmacht moet worden vergroot door verdere stroomlijning van de defensieorganisatie. Er is teveel overlap van taken tussen landmacht en marine voorwat betreft de special forces. We brengen alle snel inzetbare en gespecialiseerde gevechtstroepen,dus luchtmobiele brigade, korps commandotroepen en korps mariniers geheel onder één commandostructuur.

• We concentreren ons op ondersteuning van (snel inzetbare) gevechtseenheden. Luchtsteun is daarbij van groot belang. Wel kan het aantal jachtvliegtuigen worden verminderd, zeker omdat we op dit vlak naar intensievere samenwerking met onder andere de Belgische luchtmacht streven.

• Verlenging van de levensduur van de F16 is mogelijk en heeft onze voorkeur. Te zijner tijd zullen we keuzes maken ten aanzien van het gewenste type toestel op basis van het dan beschikbare aanbod en prijzen, passend in onze visie op de toekomst van de krijgsmacht, zonder dat daarbij sprake is van een voorkeur voor de JSF.

• Bij de marine concentreren we onze aandacht op het beveiligen van handelsroutes ten behoeve van onze koopvaardij. De onderzeedienst wordt opgeheven.

(Uit: 'Nederland sterker en socialer'. Concept-verkiezingsprogramma PvdA, 2012)

Gerelateerde artikelen: 

Onrust binnen PvdA over verdere bezuinigingen op Defensie

PvdA'ers: 'Krijgsmacht heeft al genoeg ingeleverd'

woensdag 30 mei 2012

Hr. Ms. Dolfijn: onderscheiding voor de 'onzichtbare waarnemers onder water'

Minister Hans Hillen heeft gistermiddag in de Britse havenstad Portsmouth de bemanning van Hr. Ms. Dolfijn de herinnerinsmedaille voor vredesoperaties uitgereikt. De onderzeeboot speelde een cruciale rol in de bevrijding van opvarenden van een gekaapt schip, de aanhouding van Somalische piraten en bij het voorkomen van mogelijke kapingen.

“De afgelopen maanden heeft u de grote waarde van de Nederlandse onderzeeboten onderstreept bij de bestrijding van de piraterij, die zoveel schade aan de scheepvaart en handel toebrengt. En niet in de laatste plaats voor de gegijzelde bemanning van die gekaapte schepen”, zei Hillen.

Cruciaal
Hr. Ms. Dolfijn voer 3 maanden in het zogenoemde Somalisch bassin. “De piraten hadden geen idee dat u ze op de hielen zat en de uitvalsbases in de gaten hield. Het heeft cruciale informatie opgeleverd, die direct is doorgezet naar de oppervlakteschepen van de NAVO die daarmee de snode plannen in de kiem konden smoren”, aldus de minister.

Puzzel
De bewindsman merkte op dat de NAVO weliswaar kan beschikken over fregatten, patrouillevliegtuigen, helikopters en satellieten, maar dat die hun beperkingen hebben. “Ze zijn zichtbaar of maken veel geluid, satellietbeelden zijn niet altijd beschikbaar. Hr. Ms. Dolfijn heeft deze lacunes, dat laatste puzzelstukje, ingevuld. Zonder specifieke informatie zoek je een speld in een hooiberg. Die heeft u gevonden: u zag verdachte bewegingen aan boord, dat de dhow zich op een nieuwe kaping aan het voorbereiden was. U kwam meteen in actie, bleef het scheepje volgen onder water, zonder dat de piraten ook maar een idee hadden. U waarschuwde het Deense schip HDMS Absalon, dat onmiddellijk de achtervolging heeft ingezet. Die handeling heeft direct geleid tot de bevrijding van 12 gijzelaars, wier lot zeer onzeker was.”

Waardevol
De minister stelde dat er veel meer over de acties van de Dolfijn valt te vertellen, maar dat dit uit veiligheidsoverwegingen niet kan. “We willen geen informatie prijsgeven waarmee de piraten hun voordeel kunnen doen. Dat moet soms moeilijk voor u zijn, maar zo werkt het nu eenmaal op de onderzeeboot.”

De bewindsman onderstreepte dat de waarde van de onderzeedienst alleen maar groter is geworden en nog zal toenemen. “Door de bezuinigingen zijn de patrouillevliegtuigen al geschrapt en moet de marine het met minder schepen doen. Dat maakt u, onze onzichtbare waarnemers onder water, nog waardevoller. Ook de NAVO acht de Nederlandse onderzeeboten, die lange tijd in ondiep water kunnen verblijven, van vitaal belang.”

(ministerie van Defensie, 30 mei 2012)


Bemanning van de Dolfijn met CDS en minister Hillen, Portsmouth. Detail: doodshoofd op de toren ;)
(Foto: Defensie)

woensdag 4 april 2012

Eerste van serie boeken ‘De Nederlandse Onderzeedienst in de Tweede Wereldoorlog’ aangeboden


Vandaag werd het uitgebreide boekwerk ‘De Nederlandse Onderzeedienst in de Tweede Wereldoorlog’ door de samensteller Gerard Horneman aangeboden aan C-ZSK Vice-admiraal Matthieu Borsboom.



Dankzij de jarenlange inzet heeft Gerard Horneman een gedeelte van de geschiedenis van de onderzeedienst toegankelijker gemaakt voor een breed publiek. Het was er al, maar dankzij zijn doorzettingsvermogen, aangevuld met de laatst beschikbaar gekomen informatie, zijn deze 4 werken hier nu voor ons beschikbaar. ‘Niet af’ zoals de schrijver en samensteller het zelf ook zegt, maar in ieder geval vanaf nu voor iedereen beschikbaar. Een fraai overzicht van feitelijk informatie van onze onderzeeboten in de Tweede Wereldoorlog.

Een mooi voorbeeld van iemand met het hart op de juiste plek, voor de Koninklijke Marine en voor de OZD in het bijzonder, is Gerard Horneman. Hij is jaren als vrijwilliger actief bij het marinemuseum, als vriend. En ook al weer een hele tijd in de traditiekamer van de Onderzeedienst.

Na de overhandiging van de eerste serie boeken gaf Vice-admiraal Borsboom de C-ZSK-coin aan Gerard Horneman. Als hartelijk danken voor zijn inzet. “Fijn om te zien en mee te maken dat niet alleen marinemensen enthousiaste ‘ambassadeurs’ kunnen zijn, maar ook mensen zoals u”.

Normaal gesproken wordt de ‘C-ZSK-coin’ aangeboden aan marinepersoneel dat zich bovenmatig inzet.

(Koninklijke Marine, 4 april 2012)

woensdag 1 februari 2012

Extra bezuinigingen Defensie?

Het ministerie van Defensie hangt mogelijk aanvullende bezuinigingen boven het hoofd. Dat schrijft De Telegraaf vandaag op basis van een "een vertrouwelijke ambtelijke notitie, die in kleine kring circuleert in de rechtse coalitie". Volgens de krant bereidt het kabinet ingrijpende maatregelen voor om het staatshuishoudboekje in balans te houden. Defensie is daarbij slechts een van de vele departementen die de broekriem verder zouden moeten aantrekken.


In het Telegraaf-artikel staat letterlijk: "Defensie kan verder geld besparen door meer werkzaamheden niet meer zelf uit te voeren (outsourcen) en door de M-fregatten en onderzeeboten te verkopen en jachtvliegtuigen af te stoten." 


Vooral het eventuele verlies van de onderzeeboten zal vast niet zonder slag of stoot gaan. De vier schepen van de Walrus-klasse spelen een belangrijke rol bij het verzamelen van inlichtingen in de buurt van crisisgebieden en bij de bestrijding van piraterij. De intelligence die zij vergaren is ook inzetbaar als 'wisselgeld' bij zusterdiensten van de militaire geheime dienst, de MIVD, in het kader van 'voor wat hoort wat'.  (hdv)