Posts tonen met het label regering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label regering. Alle posts tonen

zondag 5 oktober 2014

Artikel 100-brief over deelname aan de internationale strijd tegen ISIS

Aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4
Den Haag

Datum   24 september 2014
Betreft  Artikel 100-brief deelneming aan internationale strijd tegen ISIS

Ministerie van Buitenlandse Zaken
Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag Postbus 20061 Nederland www.rijksoverheid.nl

Onze Referentie
DVB/CV-178/2014


Met deze brief informeren wij u, in overeenstemming met artikel 100 van de Grondwet, over het besluit van het kabinet een Nederlandse bijdrage te leveren aan de strijd tegen ISIS. Tevens wordt hiermee voldaan aan het verzoek van de Kamer om een brief met het kabinetsstandpunt ten aanzien van het luchtoffensief op ISIS in Syrië (kenmerk 2014Z16349/2014D33223).

De terroristische organisatie ISIS heeft de afgelopen maanden delen van Syrië en Irak veroverd en daarbij een ongekende gewelddadigheid aan de dag gelegd, met ontwrichtende gevolgen, ook in omringende landen. De snelle opmars van ISIS en daaraan gelieerde organisaties vormt een directe dreiging voor de regio en veroorzaakt instabiliteit aan de grenzen van Europa, met potentieel vergaande gevolgen voor onze eigen veiligheid. Er is brede internationale steun, nadrukkelijk ook lokaal en regionaal, om de strijd met ISIS aan te gaan. De Verenigde Staten hebben hierbij het voortouw genomen. Op de korte termijn is de strategie van de Verenigde Staten gericht op het stoppen van de opmars van ISIS evenals het ondersteunen van de Iraakse en Koerdische strijdkrachten en de gematigde Syrische oppositie teneinde de militaire kracht van ISIS te breken. Een effectieve bestrijding van ISIS op de langere termijn vereist vergaande bestuurlijke en sociaaleconomische hervormingen, waarvoor vooral de nieuwe Iraakse regering verantwoordelijk is. Ook de invloedrijke buurlanden van Irak hebben een rol te spelen. Zij moeten het sektarische conflict dempen en de financiële, materiële en personele toevoerlijnen naar ISIS afsnijden. De internationale gemeenschap, waaronder Nederland, moet deze landen hierop blijven aanspreken.

Het kabinet heeft besloten om, naast politieke en humanitaire steun, ook een militaire bijdrage te leveren aan de strijd tegen ISIS in Irak, in samenwerking met de Verenigde Staten en andere (regionale) partners. De internationale inspanningen zijn gericht op het breken van de militaire kracht van ISIS op de korte termijn. Deze eerste fase van de strijd zal, naar Amerikaanse schatting, zes tot twaalf maanden duren. Nederland stelt in deze fase zes operationele F-16’s beschikbaar voor de duur van maximaal een jaar. Ook worden Iraakse en Koerdische strijdkrachten gedurende deze periode ondersteund met training en advies.

Met het oog op het planningsproces dat bij het Amerikaanse Central Command (CENTCOM) gaande is, wil het kabinet nu duidelijkheid verschaffen over de Nederlandse bijdrage. Het campagneplan voor de strijd tegen ISIS is nog in ontwikkeling. Dit betekent dat nog niet alle details van de uiteindelijke Nederlandse inzet beschikbaar zijn.

Gronden voor deelneming
Nederland steunt de legitieme Iraakse regering in de verdediging tegen de terreurorganisatie ISIS, die verschrikkelijke misdaden begaat tegen bevolkingsgroepen in Irak en Syrië. De crisis zorgt voor toenemende druk op de buurlanden, met name Turkije, Jordanië en Libanon, onder andere als gevolg van oplopende etnisch-religieuze spanningen en een toenemend aantal vluchtelingen. De Nederlandse inzet is er op gericht om, in het kader van de bevordering van de internationale rechtsorde, een bijdrage te leveren aan het de-escaleren van de situatie in de regio.


zaterdag 29 juni 2013

Toespraak premier Rutte op Veteranendag

Majesteit, veteranen, dames en heren,

Dit jaar is het precies 150 jaar geleden dat Bronbeek zijn deuren opende als militair tehuis – een historisch feit dat we kunnen beschouwen als een vroege vorm van veteranenbeleid. Voor de invalide oud-militairen die er gingen wonen, betekende de verhuizing naar Bronbeek ongetwijfeld een vooruitgang. Maar naar moderne maatstaven gemeten, leidden zij een uitermate karig bestaan. Beleg op brood was er lange tijd alleen op zondag. Geslapen werd er in die beginperiode op strozakken. En wie zich als nieuwe bewoner bij Bronbeek meldde, leverde aan de poort zijn militaire pensioen in en verruilde dat voor een zeer bescheiden zakgeld, dat niet in guldens maar in dubbeltjes en centen werd uitbetaald.

Zo werden – met de allerbeste bedoelingen – oud-militairen lange tijd op afstand gezet van de samenleving. Een fenomeen waarmee ook veteranen die niet op Bronbeek woonden te maken kregen. Een oud-soldaat en Indië-veteraan formuleerde dat aan het begin van de 20e eeuw als volgt: ‘Er is hier geen werk voor ons. (…) Men wéét niet waarvoor wij geschikt zijn en eigenlijk weet ik dat zelf ook niet.’ Luitenant-kolonel Graafland, aan wie deze hartenkreet was gericht, herkende dit beeld. Zijn waarneming was dat de Nederlandse samenleving niet op veteranen zat te wachten en dat het leger zijn mensen ook bitter weinig vaardigheden meegaf die bruikbaar waren in de burgermaatschappij.

Het oordeel over de juistheid van deze waarneming laat ik graag aan de deskundige militair historici. Maar voor mij staat wel vast dat dat luitenant-kolonel Graafland eenzelfde opmerking in onze tijd niet snel meer zou maken. Nederlandse militairen behoren zonder twijfel tot de best opgeleide en meest professionele ter wereld. Ik heb daar zelf in het afgelopen jaar weer de nodige bewijzen van mogen zien. In Afghanistan sprak ik met de Duitse commandant van ISAF-Noord, generaal Volmer, die mij vertelde mij dat hij op sleutelposities bij voorkeur Nederlandse militairen benoemt. Ik sprak er met de jonge luitenant Wouter Beeks van de genie, die als 24-jarige niet aarzelde om zelfstandig de bouwplannen voor een grote redeployment-faciliteit vergaand aan te passen na de overstroming van een nabij gelegen rivier. En voor de kust van Somalië hoorde ik hoe vanzelfsprekend het is dat de voltallige bemanning van het Nederlandse fregat De Ruyter betrokken is bij de aanhouding van piraten. Ook de koks en ook de technici weten wat er nodig is om deze mensen in te rekenen en op te sluiten volgens de internationale standaarden.

Voor mij is dat wat de Nederlandse militair in onze tijd kenmerkt: een hoge professionele standaard, een grote mate van zelfstandigheid en een ‘can do’ mentaliteit gericht op samenwerking en resultaat. En dat onder hoge druk, in stressvolle omstandigheden en in een onbekende, vaak vijandige omgeving. Het zijn eigenschappen die ook buiten het militaire bedrijf van grote waarde zijn. En voor veel oud-militairen is hun tijd in het leger dan ook een vormende periode geweest en een opstap naar een maatschappelijke carrière. Ik las laatst een uitspraak van een 38-jarige veteraan, nu politieagente, die over haar tijd bij de Marine kortweg zei: ‘Het is een extra opvoeding’ - een mooi compliment aan onze krijgsmacht.

Helaas lag dat voor veel oudere veteranen in hun tijd nog anders. De militairen die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog werden uitgezonden naar het toenmalige Nederlands-Indië, Korea en Nieuw-Guinea waren lang niet altijd goed opgeleid en voorbereid. De compleet vreemde taal en cultuur, het tropische klimaat, het gevaar en de ontberingen – het kwam voor velen als een complete verrassing en een grote schok. En bij terugkeer, in de kring van familie, vrienden en collega’s, was er nauwelijks aandacht voor alle verhalen. De harde werkelijkheid is dat veel veteranen in het verleden hun verdriet en moeilijke herinneringen in stilte hebben moeten dragen en verwerken.

Maar gelukkig is ook dat veranderd. Veteranen worden in onze huidige samenleving herkend en erkend. Uw talenten en ervaring worden gezien, Uw verhalen worden gehoord. En uw persoonlijke pijn wordt gedeeld. Veteranendag is hierin het jaarlijkse hoogtepunt, als dag van ontmoeting. Tussen maten van vroeger. Tussen oude en jonge veteranen. En tussen veteranen en samenleving. Een dag ook van vriendschap, dankbaarheid en betrokkenheid. Veteranendag is feitelijk pas negen edities jong, maar nu al niet meer weg te denken uit ons collectieve bewustzijn. Dat zegt eigenlijk alles over het grote verschil tussen de maatschappelijke rol van veteranen nu en ten tijde van de opening van Bronbeek als militair tehuis in 1863.

Maar één ding is in al die tijd niet veranderd, en dat is de warme, persoonlijke band tussen de Nederlandse veteranen en het Huis van Oranje. Majesteit, uw betovergrootvader Willem III, stond persoonlijk aan de wieg van de stichting van Bronbeek. Uw grootvader, Prins Bernhard, was, is en blijft de veteraan der veteranen. En met uw aanwezigheid hier in de Ridderzaal geeft u de duidelijke boodschap af dat u als Koning de traditie van verbondenheid met onze veteranen wilt voortzetten. Ik weet zeker dat ik namens al die veteranen mag zeggen: zeer veel dank daarvoor.

Dames en heren,

De soldaat die ruim een eeuw geleden zijn hart uitstortte bij luitenant-kolonel Graafland zou zijn ogen en oren niet geloven als hij er vandaag bij kon zijn. Zoveel enthousiasme en betrokkenheid, zoveel publieke aandacht en waardering - daarvan kon deze man alleen maar dromen. Zijn werkelijkheid was er een van afstand en gebrek aan erkenning. De veteranen van nu staan midden in de samenleving en horen daar ook thuis. Hun inzet voor vrede en veiligheid en hun bijdrage aan onze samenleving verdienen onze dank en ons respect. Het is goed en belangrijk dat we daar één keer per jaar, op Veteranendag, speciaal bij stilstaan.

Ik wens u, alle veteranen in Den Haag en daarbuiten en iedereen in Nederland een fantastisch mooie Veteranendag toe. En als u straks ook naar het Malieveld gaat: tot ziens.

Dank u wel.

(Rijksoverheid, 29 juni 2013)

zaterdag 11 mei 2013

Geachte minister: niemand weet meer waar Defensie voor staat

Kapitein-luitenant-ter-zee van de technische dienst, Sander Luik, schrijft zijn minister hoe moeilijk zijn dagelijkse werk is geworden zonder duidelijke missie voor Defensie.

Geachte Minister,

Mijn overtuiging is dat welvaart en welzijn onmogelijk zijn zonder veiligheid en vrede. Die twee zijn niet vanzelfsprekend; ze vergen toewijding en een lange adem. Er zijn vele manieren om die naderbij te brengen. Bij de manier van Defensie, gewapend en met de blik over de grens, voel ik mij thuis. Veiligheid en vrede moeten soms gewapenderhand verdedigd of veroverd worden. Ik schrijf u dit omdat ik niet geloof dat de taak van Defensie zal verdwijnen, terwijl de organisatie in hoog tempo afkalft. Als Defensie veiligheid of vrede niet meer kan waarborgen, wie dan wel?

Bij mijn beroepskeuze (en bij mijn keuze om bij Defensie te blijven) hebben mijn overtuigingen een belangrijke rol gespeeld. Achter het IJzeren Gordijn stond vroeger een duidelijke, goed bewapende vijand. Nadat de Rode Beer ineen zeeg, werd de vijand echter minder manifest. Hij was verder van de landsgrenzen verwijderd. Ook in de tijd gezien was hij verder weg. Vroeger kon het morgen oorlog zijn, nu is dat alleen denkbaar op de langere termijn. Heel goed denkbaar, maar toch.

Hoe dan ook, het was tijd voor het vredesdividend. Bij het innen daarvan hanteerden we de kaasschaaf. We wisten alleen dat de oude vijand verdwenen was, niet hoe de nieuwe eruit zag. Daarom deden we van alles gewoon wat minder. En wat minder. En nog wat minder.

Gaandeweg werd ons doel om eenheden zo goedkoop mogelijk paraat te stellen. Defensie marcheert nu onder het vaandel ‘de begroting is leidend’.Waarom onze defensie er was, verdween uit beeld en dat heeft verstrekkende gevolgen gehad. We vergaten te analyseren wat onze veiligheid en vrede dan werkelijk bedreigde.

Maar de Nederlander voelde zich heus niet ineens volkomen veilig en wereldvrede was evenmin tot stand gebracht. Het waarom van Defensie stond – en staat – dus nog recht overeind. Ondertussen drongen zich onbewust bij de burger wel relevante vragen op. Zijn gewapende hordes de enige bedreiging voor mijn veiligheid? Zijn grote gewapende eenheden dan het enige dat Defensie daar tegenover moet stellen? Wil ik daarvoor betalen?

Daarom ligt de maatschappij niet zo wakker van de teloorgang van deze krijgsmacht. Burgers hebben niet het gevoel dat hun veiligheid daardoor in gevaar komt. Dat de JSF het beste vliegtuig is bestrijdt niemand, maar men vraagt zich af tegen welke dreiging de beoogde ‘vervanger van de F-16’ [sic] dan zo goed is.

En is het aan Nederland om aan die dreiging het hoofd te bieden? Zijn er geen belangrijkere dreigingen, dichter bij huis, waar we ons geld aan moeten besteden? De Ko Colijns en de Rob de Wijks roeren zich nog wel, maar zijn niet in staat het publiek discours in beweging te brengen. Nobody cares. Daarom springt de Tweede Kamer niet in de bres als men echt moet kiezen. Het publiek weet niet meer waar Defensie voor is en hoe Defensie zijn belangen dient.

De ontstane kloof sloeg ons operationeel van de ankers. Defensie begon aan missies die steeds verder van de Nederlander af stonden. Letterlijk. We gingen eerst naar Irak, toen naar Cambodja. Naar Eritrea en Pakistan. Maar juist door die missies ver weg betwijfelde de Nederlandse burger of zíjn veiligheid daar nou mee gebaat was. En aan die ene missie dicht bij huis wordt niemand meer graag herinnerd. Zo kwamen we er wel achter dat er geen Defensie Light bestaat. Dat Defensie in beeld komt als de zachte benadering van veiligheid en vrede heeft gefaald.

Maar de kaasschaaf leidde er bovendien gaandeweg toe dat we de serieuze missies aan ons voorbij moesten laten gaan. In dat vacuüm tamboereren we graag op onze nationale inzet. Duinbranden blussen en drugsgeld zoeken. De sneeuw van het ijs vegen in Balk. Maar wat we dóen is ons krachtigste communicatiemiddel. Ik vind niet dat we die dingen niet moeten doen, maar het betreden van het domein van brandweer en politie onderstreept niet de bestaansreden van Defensie. Nadruk op nationale inzet voedt de suggestie dat er bij ons geld te halen is, want voor branden blussen heb je geen dure Chinook nodig.

Het summum van operationele wazigheid is de politietrainingsmissie in Kunduz. Hij levert lokaal heus wat op en degenen die hem uitvoeren verdienen respect. Maar met Kunduz heeft Defensie zichzelf geen dienst bewezen. De missie in Kunduz of ongewapend rondjes vliegen bij Libië onderstrepen het belang van Defensie niet, integendeel.

De onduidelijkheid van het na te streven doel ondermijnt ook het vertrouwen van defensiemedewerkers in de eigen organisatie. Als wij zelf niet meer weten waarom, hoe kunnen we dan in ons werk de juiste keuzes maken? Hoe kunnen we ons personeel werkelijk leiden en erop vertrouwen dat elke beslissing op elk niveau dat doel dient? Hoe kunnen we de juiste mensen aan ons binden?  Is het gek dat niemand meer solliciteert, als onduidelijk is waarom je bij Defensie moet werken? De defensiemedewerker is in verwarring. Zíjn drijfveer is niet meer in lijn met die van Defensie. Dat leidt tot onbehagen en wantrouwen. En als het vertrouwen weg is, zijn er grote problemen. Voor iedere organisatie, maar zeker voor één die zo sterk gevestigd is op loyaliteit en onderling vertrouwen als Defensie.We vragen nogal wat van onze militairen. Zo’n offer brengen zij alleen als er absoluut vertrouwen is in de opdrachtgever en haar motieven.

Het ernstigste gevolg van het verloren kompas is dat we de koers tegenwoordig laten dicteren door rekensommen. Iedere keuze en ieder dilemma wordt in geld uitgedrukt en wie pleit voor een andere dan de goedkoopste optie krijgt het zwaar. Ik zeg niet dat kosten niet belangrijk zijn, maar plancijfers zijn te manipuleren en suggereren zekerheden die er niet zijn. Het grootste gevaar is dat we onszelf keuzes voorleggen waaruit iedere relatie met veiligheid en vrede is weggecijferd. Letterlijk. We weten daardoor vooral wat het goedkoopst is, maar niet wat ons doel het beste dient. De visie van de minister op de Krijgsmacht gaat naar de Tweede Kamer via de Algemene Rekenkamer. Om te kijken of ‘ie wel goed is.

Toen we eenmaal begonnen te rekenen, bedachten we dat militairen wel wat later met pensioen konden. Dat wachtgeld is maar duur en iedereen werkt toch tot zijn 65ste? Sinds dat besluit hebben we een stevig contingent grijsaards in uniform aangemaakt. Maar welke bijdrage leveren zij nog?

We zijn de keuzes van Defensie gaan motiveren met economische argumenten. We wijzen op het aantal banen dat het openhouden van een kazerne oplevert en de zakelijke kansen die het onderhoud van de JSF biedt. Maar Defensie kost nu eenmaal geld. Als het Leitmotiv voor Defensie geld is, dan zou Defensie moeten worden opgeheven. Dat is pas goedkoop.

Het is tijd dat we het waarom, het hoe en het wat van Defensie weer in lijn brengen. Dat geeft focus en vertrouwen. Blijf vooral varkens ruimen en kelders leegpompen, maar doe dat in stilte, opdat de identiteit van Defensie niet vervaagt. Focus op missies die ertoe doen. Helaas liggen ze voor het oprapen.Missies die een helder en tastbaar verschil maken voor onze veiligheid en voor vrede, wereldwijd. Daar betaalt de burger voor en voor niets anders.

Denk bijvoorbeeld aan onze elektronische systemen, die van ver over onze grenzen bedreigd worden. Beschouw cyber warfare niet als opgedrongen side kick. Laten we onze elektronische verdedigingslinies, nu nog verdeeld over verschillende instanties, vol overtuiging concentreren bij Defensie. Koop de JSF niet omdat hij technologische kennis verdiept of banen schept, maar omdat zonder dat ding onze veiligheid ernstig gevaar loopt. Alleen daarom, de rest is ruis. Begin met het ‘waarom’, rekenen komt later.

Teruggrijpen op het bestaansrecht van Defensie heeft bovendien aantrekkingskracht. Bedenk eens waarom juist dat ene TEDx-optreden van Generaal van Uhm zo’n miljoen views heeft gescoord. Hij legde toen in Amsterdam – en afgelopen 4 mei opnieuw – precies uit dat zijn drijfveren samenvloeiden met dat het waarom van Defensie. Hij redeneerde vanuit zijn diepste overtuigingen.

Dat is wat leiders tot leiders maakt. Juist in deze tijd van geldnood moeten we ons – hoe paradoxaal ook – ontworstelen aan het dictaat van de rekensommen. De toegeworpen aalmoes zo efficiënt mogelijk uitgeven in de hoop dat je een volgende krijgt, werkt niet. Opstaan en je nut bewijzen wel.

Het wordt geaccepteerd dat je je budget overschrijdt, zolang je een tastbare bijdrage levert aan veiligheid en vrede. Wie vraagt er naar de kosten van piraterijbestrijding? Gek genoeg blijkt omgekeerd dat als je het budget niet volledig uitgeeft, dit je geloofwaardigheid aantast. Geld is belangrijk – maar een vals baken als het om fundamentele keuzes gaat.

Het belangrijkst is daarom dat Defensie opnieuw zijn waarom ontdekt en definieert. Tegen welke dreiging moet de Nederlander worden beschermd? Zijn onze landsgrenzen en handelsroutes werkelijk voor de komende twintig jaar onbedreigd?

Is het kruitvat aan gene zijde van de Middellandse zee ook ons probleem, of alleen dat van Turkije en Italië? Zijn de DDos aanvallen op ING alleen het probleem van ING? Zijn die op DigiD dat van DigiD? Of is het verstandig daar gezamenlijk verdedigingslinies tegen op te trekken?Kampen de landen om ons heen niet met dezelfde problemen? Laten we de antwoorden op een rijtje zetten en dáár ons handelen op baseren. En bent u daar vooral duidelijk over.

Ik begon hierboven met mijn ‘waarom’. Dat viel lange tijd samen met het waarom van Defensie. Daarom koos ik voor Defensie, was ik geregeld maanden van huis, ontving ik een lager salaris dan ik elders kon verdienen en hoorde ik de onnozele spot aan over mijn uniform. Maar ik geloofde in Defensie als onmisbaar element voor veiligheid en vrede.

Nu voel ik mij niet meer thuis en kalven de aantrekkingskracht en het draagvlak van Defensie in hoog tempo af. Niemand weet meer waar Defensie voor staat. Militairen niet, burgers niet en politici niet. Plichtmatig herhalen zij nog de versleten mantra’s, maar ze geloven het niet echt. Omdat Defensie zelf de weg kwijt is en zich niet structureel richt op haar drijfveren.

Ik geloof dat een ommekeer denkbaar is. Natuurlijk biedt het roer omgooien geen oplossing voor onze huidige problemen. Toch moeten we vandaag nog die nieuwe koers gaan varen; om de negatieve spiraal te doorbreken. Niet voor onszelf of voor Defensie. Maar omdat ieders persoonlijke welvaren afhankelijk is van veiligheid en vrede. U schrijft nu een visie op de Krijgsmacht. Dit is de mijne.

Sander van Luik is kapitein-luitenant-ter-zee van de technische dienst. Dit artikel schreef hij op eigen titel. Het is geïnspireerd op een boek van Simon Sinek, www.startwithwhy.com.

[Gepubliceerd in 'Opinie en Debat' van NRC Handelsblad, 11 mei 2013.
Overname door derden is niet toegestaan.]  

Reactie Commandant der Strijdkrachten, Generaal Tom Middendorp
Dat Defensie in beweging is hoef ik u niet te vertellen. Jarenlang zijn we al aan het bezuinigen, veranderen en reorganiseren. En we zijn niet de enige. Mijn internationale collega's worstelen hier ook mee. Het was ook een thema in de ingezonden brief van KLTZ Sander van Luik van afgelopen zaterdag in NRC en hij stelde dat niemand nog weet waar Defensie voor staat. Een terechte oproep waar we allemaal aan kunnen bijdragen. Vrede is niet alleen iets om te vieren, maar ook iets om in te blijven investeren. Onze veiligheid en welvaart is niet gratis en daar heb je Defensie ook echt voor nodig.

(https://www.facebook.com/Commandantderstrijdkrachten)

maandag 9 juli 2012

Kamerbrief over de werking van het Toetsingskader

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 9 juli 2012
Betreft Werking Toetsingskader

Naar aanleiding van de toezegging van de Minister van Buitenlandse Zaken in het algemeen overleg over de eindevaluatie van de Nederlandse bijdrage aan ISAF van 16 februari 2012 informeren wij u met deze brief over de werking van het Toetsingskader.

De huidige parlementaire betrokkenheid bij de uitzending van militaire eenheden ten behoeve van crisisbeheersingsoperaties vindt haar oorsprong in de discussies tussen regering en parlement in de jaren negentig van de vorige eeuw. Een mijlpaal vormde de invoering van artikel 100 van de Grondwet in 2000. Op dit artikel, waarin het informatierecht van het parlement is geregeld, berust de huidige wijze van overleg tussen regering en parlement. Door voorafgaand aan de uitzending van militaire eenheden met het parlement te overleggen kan de regering de mate van parlementaire steun vaststellen en kan de Kamer in een vroeg stadium parlementaire controle uitoefenen.

De artikel 100-procedure wordt geschraagd door het Toetsingskader, dat de gedachtewisseling tussen regering en Kamer structureert. Het Toetsingskader heeft zich sinds de introductie in 1995 ontwikkeld tot hét instrument ter beoordeling van regeringsvoornemens en besluiten tot uitzending van militairen (Kamerstuk 23 591, nr. 5).

Aanpassing Toetsingskader
Het Toetsingskader is met zijn tijd meegegaan. De eerste aanpassing in 2001 verbond het Toetsingskader met het (nieuwe) artikel 100 van de Grondwet, waarbij de verstrekking van informatie vooraf in het bijzonder betrekking heeft op de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daarbij gaat het zowel om de deelneming van militaire eenheden aan crisisbeheersingsoperaties als de inzet of de terbeschikkingstelling van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict. Deze grondwettelijke verankering houdt tevens verband met de omstandigheden waaronder de militairen worden ingezet. Bij de uitoefening van hun taak lopen zij het risico aan wapengeweld te worden blootgesteld en moeten zij soms zelf wapengeweld toepassen.

In 2009 volgde, mede naar aanleiding van het rapport van de werkgroep ‘NATO Response Force’ en tegen de achtergrond van de bijdrage aan ISAF in Uruzgan, een tweede aanpassing van het Toetsingskader. De elementen “ontwikkelingsaspecten”, “samenhang” en “gender” werden toegevoegd om recht te doen aan de geïntegreerde benadering van crisisbeheersingsoperaties.

Conform de toezegging van de minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari jl. zal het kabinet de Kamer voor het zomerreces in een brief informeren over het beleid aangaande de bescherming van de burgerbevolking in gewapende conflicten. Aanleiding is de groeiende aandacht voor de bescherming van de burgerbevolking (Protection of Civilians) in gewapende conflicten als gevolg van het toenemende aantal burgerslachtoffers in de afgelopen jaren. Een recent voorbeeld is het mandaat dat de VN Veiligheidsraad aan lidstaten heeft gegeven, handelend onder Hoofdstuk VII van het VN Handvest, om de Libische bevolking te beschermen tegen het gewelddadige regime van Qadaffi 1). Het optreden van de NAVO en, binnen dat kader, van Nederland, berustte op dit mandaat. Het kabinet ondersteunt de toegenomen aandacht voor de bescherming van de burgerbevolking in gewapende conflicten krachtig en heeft in dat kader eigen beleid ontwikkeld.

Het Toetsingskader is een flexibel instrument. Aard en profiel van een missie bepalen welke elementen van het Toetsingskader van toepassing zijn en in welke mate de aandachtspunten van het Toetsingskader aandacht behoeven in een artikel 100-brief. Zo zal bij de uitzending van een fregat in het kader van piraterijbestrijding het element “gender” doorgaans minder betekenis hebben dan bij de deelneming aan een wederopbouwmissie in Afrika. De bescherming van de burgerbevolking is naar het oordeel van het kabinet een inherent onderdeel van het Toetsingskader dat in vrijwel alle artikel 100-brieven een prominente plaats zal innemen. Uitbreiding van het toetsingskader is daarvoor naar het oordeel van het kabinet niet vereist.

Toepassing Toetsingskader
Artikel 100 en het Toetsingskader zijn niet van toepassing op alle missies. Uitzonderingen betreffen:

- een verplichting in het kader van een bondgenootschappelijk verdrag;
- inzet van militaire eenheden binnen het Koninkrijk;
- uitzending van militairen op individuele basis naar hoofdkwartieren of individuele deelname aan missies;
- uitzending van Nederlandse militairen bij internationale staven in vredestijd;
- uitzending van Nederlandse militairen voor humanitaire hulpverlening of natuurrampen, waarbij geen sprake is van gewapend conflict;
- uitzending van Nederlandse militairen voor civiele missies;
- uitzending van burgers naar internationale crisisbeheersingsoperaties;
- inzet van militairen voor Security Sector Reform of Development, waarbij hun activiteiten niet wezenlijk verschillen van activiteiten van burgers in dezelfde gebieden (Kamerstuk 29 521, nr. 148).


Hoewel het Toetsingskader uitsluitend betrekking heeft op de inzet van militaire eenheden (op grond van artikel 100), zal de regering bij grote civiele missies waaraan militairen deelnemen en bij uitzendingen met overlappende doelstellingen de Kamer zoveel mogelijk met gebruikmaking van een of meer aandachtspunten van het Toetsingskader informeren. In andere gevallen beoordeelt de regering of het met het oog op de informatievoorziening van de Kamer zinvol is elementen van het Toetsingskader te gebruiken. De volgende vragen zijn daarbij relevant:

- betreft de inzet militaire eenheden of individuele uitzendingen?
- wat is het risico van blootstelling aan geweld?
- om wat voor type missie gaat het en om welke functies?
- hoe groot zijn de politieke relevantie en de politieke gevoeligheid van Nederlandse deelneming?

Monitoren en evalueren
Op grond van het Toetsingskader 2009 sturen de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie elk jaar op de derde woensdag in mei een tussentijdse evaluatie van lopende operaties naar het parlement. Na beëindiging van iedere inzet wordt een aparte eindevaluatie opgesteld. Deze afspraak heeft betrekking op bijdragen aan crisisbeheersingsoperaties waarover het parlement op grond van artikel 100 wordt geïnformeerd. In de praktijk worden ook van andere missies, zoals kleinschalige bijdragen aan VN-operaties of de specialistische inzet binnen het kader van Security Sector Reform, tussentijdse evaluaties opgesteld ten behoeve van het parlement.

Evaluatie en monitoring van Nederlandse bijdragen aan internationale missies dienen twee doelen. Zij bieden de mogelijkheid tussentijds bij te sturen om de effectiviteit van de inzet verder te vergroten en zij zijn instrumenteel met het oog op de verantwoording van de inzet van Nederlands personeel en materieel in internationale missies waarbij sprake is van bijzondere risico’s. Per missie wordt de wijze van evaluatie bepaald. Zoals bekend heeft het kabinet bij de grootschalige inzet in Uruzgan besloten de eigen evaluatie te laten begeleiden en beoordelen door een commissie van onafhankelijke deskundigen, met gebruikmaking van gegevens van de lokale Afghaanse non-gouvernementele organisatie TLO. Het inroepen van onafhankelijke deskundigen was overigens een voorwaarde om de evaluatie voor Defensie als beleidsdoorlichting aan te merken.

Naar aanleiding van de motie-Peters/Hachchi (Kamerstuk 27 925, nr. 457) zal het kabinet de Kamer voortaan in de artikel 100-brief informeren over de wijze van monitoring en evaluatie van een missie.

In overeenstemming met de toezegging van de minister van Buitenlandse Zaken tijdens het algemeen overleg over de eindevaluatie Uruzgan op 16 februari jl. zal in bepaalde gevallen de Nederlandse deelneming aan artikel 100-missies na vijf jaar nogmaals worden beoordeeld. De reguliere eindevaluatie en de daarin vastgelegde resultaten gelden daarvoor als uitgangspunt. De eerste aanvullende beoordeling van deze aard is thans onder handen en betreft de Nederlandse bijdrage aan de Stabilisation Force in Iraq (SFIR). Aanvullende beoordelingen zullen worden beschreven in de reguliere eindevaluaties van missies.

Het meten van resultaten van een Nederlandse bijdrage aan conflictbeheersing is niet eenvoudig en soms zelfs niet mogelijk. Ten eerste worden missies doorgaans uitgevoerd in complexe omgevingen met vele andere actoren. Dit is inherent aan het opereren in fragiele staten. Ten tweede hanteren internationale missies, en daarmee ook Nederland, vaak kwalitatieve doelstellingen die moeilijk te kwantificeren zijn. Ondanks de vooruitgang die internationale organisaties hebben geboekt bij de ontwikkeling van indicatoren, benchmarks en (tussen)doelen, blijft het kwantificeren van kwalitatieve doelstellingen een uitdaging. Ten derde maakt de Nederlandse inzet veelal deel uit van een internationale operatie. Het meten van resultaten gebeurt daarom in multilateraal verband, vaak binnen (en door) de missie. Ondanks deze beperkingen is het kabinet van mening dat de Nederlandse inzet goed kan worden beoordeeld aan de hand van de rapportages van de missie, van het Nederlands personeel zelf, van de Nederlandse vertegenwoordigingen in de bestuursraden van de betrokken internationale organisaties en van de inbreng van ambassades.

Conclusies
De artikel 100-procedure verzekert de nauwe betrokkenheid van het parlement bij de Nederlandse deelneming aan internationale crisisbeheersingsoperaties. De bescherming van de burgerbevolking in gewapende conflicten is inherent onderdeel van het Toetsingskader. Het kabinet is daarom van mening dat het Toetsingskader na de aanpassingen van 2001 en 2009 thans geen aanpassing behoeft. De Kamer zal, conform de toezegging van 16 februari jl., in een brief worden geïnformeerd over het beleid dat aangaande de bescherming van de burgerbevolking in gewapende conflicten is ontwikkeld.

Het kabinet beschouwt monitoring en evaluatie als belangrijke elementen van de artikel 100-procedure. Aldus kan de effectiviteit van de Nederlandse inzet worden beoordeeld en kan de regering verantwoording afleggen aan de Kamer. In het vervolg zal in de artikel 100-brief, per missie, worden vermeld hoe monitoring en evaluatie zullen worden vormgegeven. In de eindevaluatie van artikel 100-missies zal het kabinet voortaan kenbaar maken of het na vijf jaar een aanvullende beoordeling zal doen uitvoeren.

1) VNVR Resoluties 1970 en 1973 (2011)

De Minister van Buitenlandse Zaken      De Minister van Defensie,
Dr. U. Rosenthal                                   Drs. J.S.J. Hillen

(ministerie van Defensie, 9 juli 2012)