De krijgsmacht krijgt er volgend jaar 220 miljoen euro bij, oplopend naar 345 miljoen in 2020. Het is de vierder keer op rij dat er geld bij komt. Hiermee continueert het kabinet de ingezette opwaartse lijn. De verhoging past in het meerjarig perspectief dat het kabinet voor ogen staat. De aanhoudende conflicten, evenals de structureel hogere eisen die onder meer de Navo in dat verband aan de krijgsmacht stelt, geven hiertoe alle aanleiding. Verder worden in de begroting voor 2016 de mogelijkheden voor de financiering van de inzet van de krijgsmacht in internationale missies verruimd. Het budget wordt daartoe met € 60 miljoen structureel verhoogd. Immers, “onze vrijheid begint bij die van een ander”, zo stelt minister Hennis-Plasschaert.
“Veel Nederlanders maken zich terecht zorgen over de ontwikkeling van de veiligheidssituatie, dichtbij en elders in de wereld. Het kabinet gaat de verantwoordelijkheid hiervoor niet uit de weg,” aldus Hennis. Prioriteit wordt gegeven aan de versterking van de basisgereedheid van de krijgsmacht. Ook verlegt Defensie de grenzen van de internationale samenwerking, bijvoorbeeld door de samenwerking met Duitsland vergaand te verdiepen. Het investeringsbudget wordt voorts beperkt verhoogd, waarbij geldt dat de ambities moeten aansluiten bij de beschikbare middelen.
Basisgereedheid versterken
“De afgelopen decennia is een zware wissel getrokken op Defensie. Defensie kan veel aan, maar de hedendaagse ambities en uitdagingen zijn omvangrijk. Daarom komen er meer mensen en materieel beschikbaar ten behoeve van training en opleiding, bijvoorbeeld voor de snelle inzet van operationele eenheden”, aldus de minister. “Met meer reservedelen en munitie kunnen voorraden worden verhoogd. Ook kan met extra onderhoudscapaciteit het materieel sneller worden gerepareerd. Hierdoor wordt de basisgereedheid van de krijgsmacht versterkt. Dit vergt een meerjarige aanpak, en is een zaak van langere adem”, schrijft de minister in haar beleidsagenda. Met deze maatregelen beoogt het kabinet de komende jaren een bijdrage te leveren aan de Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) van de Navo. Doel is om de VJTF medio 2016 operationeel te verklaren.
In februari van dit jaar heeft het kabinet al laten weten dat het maatregelen het treft in het kader van terrorismebestrijding. Zo krijgt de Koninklijke Marechaussee extra capaciteit voor de bewaking en beveiliging van kwetsbare objecten. Verder worden de Dienst Speciale Interventies en de MIVD versterkt.
Internationaal samenwerken
Om de dreigingen en risico’s het hoofd te kunnen blijven bieden, is bovendien verdere verdieping van de defensiesamenwerking noodzakelijk. Duitsland en Nederland zijn voornemens de 43e Gemechaniseerde Brigade in Havelte te integreren in een Duitse pantserdivisie. Daarbij integreert Duitsland een tankbataljon in de Nederlandse brigade en levert Nederland het personeel voor een compagnie van dit Duitse tankbataljon. Als onderdeel van deze samenwerking zal Nederland de laatste zestien resterende Leopard 2A6 tanks inbrengen. Hiermee blijft kennis en expertise over het optreden met en tegen tanks behouden en kunnen de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht worden versterkt. Ook kunnen ontbrekende capaciteiten worden gecompenseerd. Deze geïntegreerde eenheid is eind 2019 operationeel. Ook met andere landen wordt op tal van terreinen intensiever samengewerkt. Eind 2016, na parlementaire instemming van de drie landen, zal de gezamenlijke luchtruimbewaking in Benelux-verband in de drie landen van start gaan.
Vernieuwen in het operationele domein
Defensie investeert in de toekomstbestendigheid van de krijgsmacht. Het gaat om instandhoudingsprogramma’s, vervangingsinvesteringen, het benutten van nieuwe technieken en de aanschaf van nieuw materieel. Het komende jaar ontplooit Defensie initiatieven om kleinschalige innovatie dichtbij de werkvloer aan te jagen, bijvoorbeeld het Innovatiecentrum Air van de luchtmacht. De extra middelen in deze begroting worden voorts gebruikt om de kennisbasis van de krijgsmacht gericht te versterken en om belangrijke investeringen de komende jaren te kunnen uitvoeren.
Voor het komende jaar is budget beschikbaar voor de uitvoering van een aantal investeringen, waarbij Defensie in 2016 een eerste aanbetaling zal doen voor de acht F-35 toestellen die in 2019 worden geleverd. Ook investeert Defensie in de modernisering van de SMART-L radars aan boord van de Luchtverdedigings- en Commandofregatten (LC-fregatten). Verder vult Defensie de slagkracht van de krijgsmacht aan door een investering in diverse kapitale munitiesoorten, waaronder precision guided munition voor de pantserhouwitser, MK-48 torpedo’s voor de onderzeeboten en SM-2 geleide raketten voor de LC-fregatten.
Voor het investeringsbudget geldt dat de ambities moeten aansluiten bij de beschikbare middelen. Dit leidt tot het maken van keuzes. Diverse projecten zijn herschikt. De projecten Vervanging en modernisering Chinook en Defensiebrede Vervanging Operationele Wielvoertuigen (DVOW) sluiten beter aan op de verwachte of gewenste realisatie. Projecten waaronder MALE UAV, het licht indirect vurend wapensysteem (LIVS) en de beschermingspakketten van het infanterie gevechtsvoertuig en de Capability Upgrade Elektronische Oorlogsvoering (CUP EOV) worden vertraagd.
Investeren in personeel
Militairen en burgers zijn het belangrijkste kapitaal van Defensie. Defensie en de meerderheid van de centrales van Defensiepersoneel (met uitzondering van de ACOP) bereikten vorige week een voorlopig onderhandelingsresultaat. Er is overeengekomen dat de loonruimte uit het zogenoemde bovensectoraal akkoord van 10 juli jl. ongewijzigd wordt uitgevoerd in de eigen sector. Al het defensiepersoneel krijgt dus in totaal 5,05% loonsverhoging en een eenmalig bedrag van € 500 (bruto).
Defensiekrant over maatregelen
Meer details over de Defensiebegroting staan vandaag in een speciale Defensiekrant (nr. 17, 2015). In de Prinsjesdag-uitgave staat ook een interview met minister Jeanine Hennis-Plasschaert en Commandant der Strijdkrachten generaal Tom Middendorp.
(bron: ministerie van Defensie)
Posts tonen met het label Defensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Defensie. Alle posts tonen
dinsdag 15 september 2015
woensdag 9 september 2015
Kamerbrief over 'gedeserteerde' sergeant
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Hierbij kom ik tegemoet aan uw verzoek zoals uiteengezet tijdens de regeling van
werkzaamheden op 3 september jl. (kenmerk 2015Z15695). In deze brief geef ik
tevens antwoord op de schriftelijke vragen die de leden Bontes en Van Klaveren
hebben gesteld (kenmerk 2015Z15785).
Casus
Defensie beschikt over aanwijzingen dat een actief dienende militair recent is vertrokken naar Syrië en zich waarschijnlijk heeft aangesloten bij ISIS. Het betreft een 26-jarige sergeant van de Koninklijke Luchtmacht. Het spreekt voor zich dat uitreis en aansluiting bij ISIS onaanvaardbaar is, en bovendien strafbaar. Defensie heeft de militair geschorst, zijn wedde gestopt en zijn toegang tot informatie, systemen en locaties geblokkeerd. De zaak wordt nu onder leiding van het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzocht.
Betrokkene had uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. In het belang van het lopende onderzoek en met het oog op de operationele veiligheid evenals de veiligheid van onze militairen en de familie van betrokkene, kan ik in het openbaar geen verdere mededelingen doen. Dit betekent derhalve dat ik niet nader kan ingaan op zijn uitreis en de ontdekking daarvan, zijn persoonlijke achtergrond en zijn exacte werkzaamheden. Ik vraag daarvoor uw begrip.
Uiteraard onderzoekt Defensie de eventuele schade en de risico’s die samenhangen met de functie van betrokkene. Waar nodig zijn, en worden, maatregelen getroffen. Ook hierover kan ik in het openbaar geen verdere mededelingen doen.
Algemeen
Vooralsnog is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de werving, selectie en screening bij Defensie niet op orde is. De werving en selectie is, zoals bekend, streng. Omdat militairen een vertrouwensfunctie bekleden, ondergaan zij voorafgaand aan hun aanstelling een veiligheidsonderzoek. Periodiek is sprake van hernieuwd veiligheidsonderzoek. (Incident)meldingen worden eveneens onderzocht. In het veiligheidsonderzoek wordt onder andere aandacht besteed aan risico’s op radicalisering. Signalen van collega's, commandanten en de omgeving worden altijd serieus genomen en gevalideerd. Dat geldt ook voor signalen van (veiligheids)partners binnen en buiten Defensie, nationaal en internationaal.
De MIVD doet tevens onderzoek naar mogelijke radicalisering van individuen binnen de krijgsmacht. Ook geeft de MIVD awareness-briefings aan commandanten en andere defensieonderdelen. Het onderzoek naar radicalisering richt zich op herkenbaar, feitelijk gedrag en feitelijke omstandigheden. Het betreft bijvoorbeeld lidmaatschap van of steun aan radicale organisaties of mensen. Ook leugenachtig gedrag en het verzwijgen van informatie met de bedoeling te misleiden is een teken, net als het reizen naar verdachte locaties en het op onrechtmatige wijze aanschaffen van wapens en uitrusting. Soms ontstaat radicalisering echter in een betrekkelijk isolement. Bij eenlingen blijft het herkenbare gedrag vaak achterwege en is radicalisering lastig te signaleren. Om het onderzoek naar mogelijke radicalisering binnen Defensie niet te bemoeilijken, kan ik u in het openbaar niet nader informeren over aard en aantallen.
Als het gaat om mogelijke radicalisering van individuen binnen de krijgsmacht, is
de MIVD voldoende toegerust. Op 27 februari 2015 heeft het kabinet reeds laten
weten welke maatregelen het ter versterking van de veiligheidsketen treft
(kamerstuk 29 754, nr. 302). Een deel van deze maatregelen betreft de
versterking van de aan contraterrorisme gerelateerde capaciteit van de MIVD.
Tot slot
De waarschijnlijke aansluiting bij ISIS van een actief dienende militair is onaanvaardbaar en een klap in het gezicht van alle collega’s die zich iedere dag opnieuw, onder vaak moeilijke omstandigheden, inzetten voor de vrijheid van een ander.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
Plein 2
2511 CR Den Haag
Hierbij kom ik tegemoet aan uw verzoek zoals uiteengezet tijdens de regeling van
werkzaamheden op 3 september jl. (kenmerk 2015Z15695). In deze brief geef ik
tevens antwoord op de schriftelijke vragen die de leden Bontes en Van Klaveren
hebben gesteld (kenmerk 2015Z15785).
Casus
Defensie beschikt over aanwijzingen dat een actief dienende militair recent is vertrokken naar Syrië en zich waarschijnlijk heeft aangesloten bij ISIS. Het betreft een 26-jarige sergeant van de Koninklijke Luchtmacht. Het spreekt voor zich dat uitreis en aansluiting bij ISIS onaanvaardbaar is, en bovendien strafbaar. Defensie heeft de militair geschorst, zijn wedde gestopt en zijn toegang tot informatie, systemen en locaties geblokkeerd. De zaak wordt nu onder leiding van het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzocht.
Betrokkene had uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. In het belang van het lopende onderzoek en met het oog op de operationele veiligheid evenals de veiligheid van onze militairen en de familie van betrokkene, kan ik in het openbaar geen verdere mededelingen doen. Dit betekent derhalve dat ik niet nader kan ingaan op zijn uitreis en de ontdekking daarvan, zijn persoonlijke achtergrond en zijn exacte werkzaamheden. Ik vraag daarvoor uw begrip.
Uiteraard onderzoekt Defensie de eventuele schade en de risico’s die samenhangen met de functie van betrokkene. Waar nodig zijn, en worden, maatregelen getroffen. Ook hierover kan ik in het openbaar geen verdere mededelingen doen.
Algemeen
Vooralsnog is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de werving, selectie en screening bij Defensie niet op orde is. De werving en selectie is, zoals bekend, streng. Omdat militairen een vertrouwensfunctie bekleden, ondergaan zij voorafgaand aan hun aanstelling een veiligheidsonderzoek. Periodiek is sprake van hernieuwd veiligheidsonderzoek. (Incident)meldingen worden eveneens onderzocht. In het veiligheidsonderzoek wordt onder andere aandacht besteed aan risico’s op radicalisering. Signalen van collega's, commandanten en de omgeving worden altijd serieus genomen en gevalideerd. Dat geldt ook voor signalen van (veiligheids)partners binnen en buiten Defensie, nationaal en internationaal.
De MIVD doet tevens onderzoek naar mogelijke radicalisering van individuen binnen de krijgsmacht. Ook geeft de MIVD awareness-briefings aan commandanten en andere defensieonderdelen. Het onderzoek naar radicalisering richt zich op herkenbaar, feitelijk gedrag en feitelijke omstandigheden. Het betreft bijvoorbeeld lidmaatschap van of steun aan radicale organisaties of mensen. Ook leugenachtig gedrag en het verzwijgen van informatie met de bedoeling te misleiden is een teken, net als het reizen naar verdachte locaties en het op onrechtmatige wijze aanschaffen van wapens en uitrusting. Soms ontstaat radicalisering echter in een betrekkelijk isolement. Bij eenlingen blijft het herkenbare gedrag vaak achterwege en is radicalisering lastig te signaleren. Om het onderzoek naar mogelijke radicalisering binnen Defensie niet te bemoeilijken, kan ik u in het openbaar niet nader informeren over aard en aantallen.
Als het gaat om mogelijke radicalisering van individuen binnen de krijgsmacht, is
de MIVD voldoende toegerust. Op 27 februari 2015 heeft het kabinet reeds laten
weten welke maatregelen het ter versterking van de veiligheidsketen treft
(kamerstuk 29 754, nr. 302). Een deel van deze maatregelen betreft de
versterking van de aan contraterrorisme gerelateerde capaciteit van de MIVD.
Tot slot
De waarschijnlijke aansluiting bij ISIS van een actief dienende militair is onaanvaardbaar en een klap in het gezicht van alle collega’s die zich iedere dag opnieuw, onder vaak moeilijke omstandigheden, inzetten voor de vrijheid van een ander.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
Labels:
Defensie,
IS,
ISIL,
ISIS,
luchtmacht,
MIVD,
radicalisering
vrijdag 19 juni 2015
Reacties op Kabinetsstandpunt motie van der Staaj c.s.
SGP over motie Van der Staaij: ‘eerste klap nog geen daalder waard’
“Het is goed dat het kabinet erkent dat basisgereedheid en inzetbaarheid van ons leger vooropstaan. Munitie- en materiaaltekorten moeten dringend aangepakt worden. We snappen dat er dan pas gepraat kan worden over aanschaf van extra materieel en groei van ons leger.” Dat is de eerste reactie van SGP-leider Kees van der Staaij nu het kabinet met een reactie op de eerdere motie is gekomen. (zie onderaan)
Tegelijkertijd had de SGP graag concrete bedragen gezien. Van der Staaij: “Met alleen woorden wordt Poetin niet gestopt. Er is geld nodig. En fors ook. Niet alleen in de begroting voor volgend jaar die op Prinsjesdag wordt gepresenteerd, maar ook voor de lange termijn. Het moet nu wél hard worden gemaakt. Het is jammer dat het Kabinet daar nog niet concreet in is. De bedragen die nu in de media rondgaan zijn daar absoluut niet toereikend voor”
Van der Staaij vindt dat wat er nu wordt gedaan slechts een eerste stap is: “Hiermee is de betreffende motie nog niet uitgevoerd. De SGP zal de versterking van Defensie consequent bij het kabinet op het netvlies houden. Er is nog heel wat inzet én geld nodig voordat ons leger weer in topconditie is om te kunnen doen wat we móeten doen.”
Motie-Van der Staaij
De motie-Van der Staaij c.s. roept het kabinet op het ambitieniveau van de krijgsmacht aan te passen en te waarborgen dat het niveau van defensiebestedingen gelijke tred zal houden met het noodzakelijke ambitieniveau voor onze krijgsmacht.
(bron)
GOV|MHB zwaar teleurgesteld in Kabinetsreactie op Motie-Van der Staaij
19 juni 2015
De GOV|MHB is zwaar teleurgesteld over de kabinetsreactie op de Motie-Van der Staaij. Deze teleurstelling wordt ingegeven door het feit dat het kabinet wederom geen duidelijkheid verstrekt over het noodzakelijke ambitieniveau van de krijgsmacht in de komende jaren. Daar waar miljarden euro’s over de dijk klotsen ten behoeve van een nieuw belastingstelsel lukt het dit kabinet schijnbaar niet om overeenstemming te bereiken over de financiële invulling van de Motie-Van der Staaij. Defensie en haar personeel moeten het wederom doen met intenties en mooie woorden, ondanks de signalen van onder andere de Rekenkamer dat het Kabinet jarenlang een te zware wissel op Defensie heeft getrokken en Defensie hierdoor heeft uitgewoond.
Onlangs hebben zowel de PVDA als de VVD een motie ingediend waarin aan de regering wordt gevraagd waar aanvullende middelen nodig zijn om de bestaande ambities waar te maken, dan wel aan te geven waar de ambities omlaag gaan. Dit vanwege het gebrek aan inzetbaar materieel en een tekort aan personeel. Goede vragen van de regeringspartijen, maar deze zijn afgelopen weken al beantwoord met de Kamerbrieven over materiele knelpunten en de personeelsrapportage.
De GOV|MHB bespeurt een tendens dat, in plaats van in Defensie te investeren, er geld gevonden gaat worden door het verlagen van het ambitieniveau. Uit de Kamerbrieven over de verlenging van de missies blijkt dat het ambitiesniveau, in lijn met het bovenstaande, al naar beneden is bijgesteld. Vanwege materiele tekortkomingen en personele tekorten kunnen deze missies niet meer met eenzelfde ambitieniveau worden uitgevoerd.
Ondanks de ‘positieve’ signalen die nu worden uitgezonden wordt het defensiepersoneel wederom blij gemaakt met een dode mus. Het (uitgewoonde) ‘can do’ defensiepersoneel verwacht als tegenprestatie een ‘can do’ van dit kabinet. Tot op heden wordt hier echter nog steeds geen invulling aan gegeven en wordt ze weer aan het lijntje gehouden. Het wordt hoog tijd dat er daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de steeds weer genoemde ‘trendbreuk’. Van een trendbreuk is alleen sprake als dit leidt tot een meerjarig, Kamer breed gedragen, plan dat er uiteindelijk zorg voor draagt dat er weer sprake is van een gezonde defensieorganisatie. Een organisatie waarbij daadwerkelijk sprake is van een voor haar taak berekende krijgsmacht, met modern en innovatief materieel en die volledig gevuld is met goed opgeleid, getraind en gemotiveerd personeel. Alleen dan is er toekomstperspectief voor Defensie en haar personeel én kan de jarenlange neerwaartse spiraal ten positieve worden gekeerd.
(bron)
“Het is goed dat het kabinet erkent dat basisgereedheid en inzetbaarheid van ons leger vooropstaan. Munitie- en materiaaltekorten moeten dringend aangepakt worden. We snappen dat er dan pas gepraat kan worden over aanschaf van extra materieel en groei van ons leger.” Dat is de eerste reactie van SGP-leider Kees van der Staaij nu het kabinet met een reactie op de eerdere motie is gekomen. (zie onderaan)
Tegelijkertijd had de SGP graag concrete bedragen gezien. Van der Staaij: “Met alleen woorden wordt Poetin niet gestopt. Er is geld nodig. En fors ook. Niet alleen in de begroting voor volgend jaar die op Prinsjesdag wordt gepresenteerd, maar ook voor de lange termijn. Het moet nu wél hard worden gemaakt. Het is jammer dat het Kabinet daar nog niet concreet in is. De bedragen die nu in de media rondgaan zijn daar absoluut niet toereikend voor”
Van der Staaij vindt dat wat er nu wordt gedaan slechts een eerste stap is: “Hiermee is de betreffende motie nog niet uitgevoerd. De SGP zal de versterking van Defensie consequent bij het kabinet op het netvlies houden. Er is nog heel wat inzet én geld nodig voordat ons leger weer in topconditie is om te kunnen doen wat we móeten doen.”
Motie-Van der Staaij
De motie-Van der Staaij c.s. roept het kabinet op het ambitieniveau van de krijgsmacht aan te passen en te waarborgen dat het niveau van defensiebestedingen gelijke tred zal houden met het noodzakelijke ambitieniveau voor onze krijgsmacht.
(bron)
GOV|MHB zwaar teleurgesteld in Kabinetsreactie op Motie-Van der Staaij
19 juni 2015
De GOV|MHB is zwaar teleurgesteld over de kabinetsreactie op de Motie-Van der Staaij. Deze teleurstelling wordt ingegeven door het feit dat het kabinet wederom geen duidelijkheid verstrekt over het noodzakelijke ambitieniveau van de krijgsmacht in de komende jaren. Daar waar miljarden euro’s over de dijk klotsen ten behoeve van een nieuw belastingstelsel lukt het dit kabinet schijnbaar niet om overeenstemming te bereiken over de financiële invulling van de Motie-Van der Staaij. Defensie en haar personeel moeten het wederom doen met intenties en mooie woorden, ondanks de signalen van onder andere de Rekenkamer dat het Kabinet jarenlang een te zware wissel op Defensie heeft getrokken en Defensie hierdoor heeft uitgewoond.
Onlangs hebben zowel de PVDA als de VVD een motie ingediend waarin aan de regering wordt gevraagd waar aanvullende middelen nodig zijn om de bestaande ambities waar te maken, dan wel aan te geven waar de ambities omlaag gaan. Dit vanwege het gebrek aan inzetbaar materieel en een tekort aan personeel. Goede vragen van de regeringspartijen, maar deze zijn afgelopen weken al beantwoord met de Kamerbrieven over materiele knelpunten en de personeelsrapportage.
De GOV|MHB bespeurt een tendens dat, in plaats van in Defensie te investeren, er geld gevonden gaat worden door het verlagen van het ambitieniveau. Uit de Kamerbrieven over de verlenging van de missies blijkt dat het ambitiesniveau, in lijn met het bovenstaande, al naar beneden is bijgesteld. Vanwege materiele tekortkomingen en personele tekorten kunnen deze missies niet meer met eenzelfde ambitieniveau worden uitgevoerd.
Ondanks de ‘positieve’ signalen die nu worden uitgezonden wordt het defensiepersoneel wederom blij gemaakt met een dode mus. Het (uitgewoonde) ‘can do’ defensiepersoneel verwacht als tegenprestatie een ‘can do’ van dit kabinet. Tot op heden wordt hier echter nog steeds geen invulling aan gegeven en wordt ze weer aan het lijntje gehouden. Het wordt hoog tijd dat er daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de steeds weer genoemde ‘trendbreuk’. Van een trendbreuk is alleen sprake als dit leidt tot een meerjarig, Kamer breed gedragen, plan dat er uiteindelijk zorg voor draagt dat er weer sprake is van een gezonde defensieorganisatie. Een organisatie waarbij daadwerkelijk sprake is van een voor haar taak berekende krijgsmacht, met modern en innovatief materieel en die volledig gevuld is met goed opgeleid, getraind en gemotiveerd personeel. Alleen dan is er toekomstperspectief voor Defensie en haar personeel én kan de jarenlange neerwaartse spiraal ten positieve worden gekeerd.
(bron)
Kabinet: versterking krijgsmacht nodig
Met het oog op de veranderende veiligheidssituatie en de hogere eisen die aan de krijgsmacht worden gesteld, zet het kabinet in op het verder versterken van de basisgereedheid. Dit is wederom een belangrijke stap in het kader van het meerjarig perspectief dat het kabinet voor ogen staat. Dat laten ministers Hennis-Plasschaert van Defensie en Koenders van Buitenlandse Zaken in een brief aan de Tweede Kamer weten. De brief is een reactie op de in september vorig jaar ingediende motie van SGP- fractievoorzitter Van der Staaij en anderen. Het kabinet maakt met deze brief duidelijk de trendbreuk ten aanzien van Defensie voort te willen zetten. De financiële consequenties die het kabinet voor de begroting van 2016 hieraan zal verbinden, worden op Prinsjesdag bekendgemaakt. Dat geldt ook voor de toekomstige financiering van de inzet van de krijgsmacht voor crisisbeheersingsoperaties.
"Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van spanningen en instabiliteit, dichtbij en ver weg", aldus Hennis en Koenders. Internationale conflictbeslechting en preventie in de regio's om ons heen zijn in het belang van Nederland. Internationale crisissituaties kunnen immers een directe impact hebben op de nationale veiligheid. "Gelet op de aard van de (internationale) veiligheidsproblematiek acht het kabinet versterking van de krijgsmacht noodzakelijk. Er is bovendien een actief buitenlandbeleid nodig, een actieve betrokkenheid bij de wereld om ons heen", schrijven beide ministers.
De internationale ontwikkelingen stellen structureel hogere eisen aan de gereedheid, paraatheid, verplaatsbaarheid en inzetbaarheid van militaire eenheden. Dit heeft ook gevolgen voor bijvoorbeeld reservedelen- en munitie die op voorraad moeten liggen. Tevens is er extra capaciteit nodig voor opleiding en training ter verbetering van de geoefendheid van operationele eenheden (inclusief de hogere geweldsniveaus).
Het kabinet acht een actief buitenland-, veiligheids- en defensiebeleid van wezenlijke betekenis voor onze strategische belangen, onze vrijheden en onze waarden. Een integrale benadering staat hierbij voorop. In dit verband wordt van Nederland, als lidstaat van de NAVO en de EU, verwacht dat het een bijdrage van betekenis levert, ook in militair opzicht. Het kabinet gaat de verantwoordelijkheid hiervoor niet uit de weg.
(Rijksoverheid, 19 juni 2015)
"Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van spanningen en instabiliteit, dichtbij en ver weg", aldus Hennis en Koenders. Internationale conflictbeslechting en preventie in de regio's om ons heen zijn in het belang van Nederland. Internationale crisissituaties kunnen immers een directe impact hebben op de nationale veiligheid. "Gelet op de aard van de (internationale) veiligheidsproblematiek acht het kabinet versterking van de krijgsmacht noodzakelijk. Er is bovendien een actief buitenlandbeleid nodig, een actieve betrokkenheid bij de wereld om ons heen", schrijven beide ministers.
De internationale ontwikkelingen stellen structureel hogere eisen aan de gereedheid, paraatheid, verplaatsbaarheid en inzetbaarheid van militaire eenheden. Dit heeft ook gevolgen voor bijvoorbeeld reservedelen- en munitie die op voorraad moeten liggen. Tevens is er extra capaciteit nodig voor opleiding en training ter verbetering van de geoefendheid van operationele eenheden (inclusief de hogere geweldsniveaus).
Het kabinet acht een actief buitenland-, veiligheids- en defensiebeleid van wezenlijke betekenis voor onze strategische belangen, onze vrijheden en onze waarden. Een integrale benadering staat hierbij voorop. In dit verband wordt van Nederland, als lidstaat van de NAVO en de EU, verwacht dat het een bijdrage van betekenis levert, ook in militair opzicht. Het kabinet gaat de verantwoordelijkheid hiervoor niet uit de weg.
(Rijksoverheid, 19 juni 2015)
Kamerbrief: Motie van der Staaij c.s. over het ambitieniveau van de krijgsmacht in de komende jaren
19 juni 2015
Inleiding
Op 7 november 2014 is de Kamer geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet uitvoering geeft aan de tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen ingediende motie van het lid Van der Staaij c.s. over het noodzakelijke ambitieniveau van onze krijgsmacht in de komende jaren (Kamerstuk 33763, nr. 59). Eerder nam de Eerste Kamer de motie Kuiper c.s. aan over het nakomen van budgettaire internationale verplichtingen aangaande het defensiebudget (Kamerstuk 33 750 X, C). In de Miljoenennota 2015 heeft het kabinet zelf al de intentie uitgesproken de trendbreuk ten aanzien van Defensie, waar mogelijk en nodig, voort te zetten.
Het kabinet heeft toegezegd de Tweede Kamer in het voorjaar van 2015 te informeren over de gevolgen die het aan de motie-Van der Staaij c.s. verbindt. Deze toezegging doen wij hierbij gestand.
Bij de totstandkoming van deze brief heeft het kabinet met belangstelling kennisgenomen van het recente briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (Instabiliteit rond Europa: confrontatie met een nieuwe werkelijkheid, no. 94, april 2015). In augustus zal het kabinet apart reageren op de uitkomsten van het in de brief van 7 november 2014 genoemde Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) 'Wapensystemen'. In deze brief werd voorts aangekondigd dat de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) voornemens was om in het voorjaar van 2015 een advies uit te brengen over de toekomst van het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid. De WRR heeft laten weten dat dit advies na de zomer beschikbaar komt.
Integrale benadering
In de Beleidsbrief Internationale Veiligheid Turbulente tijden in een instabiele omgeving (Kamerstuk 33694, nr. 6, 14 november 2014) is het kabinet reeds uitvoerig ingegaan op de relevante ontwikkelingen in onze internationale veiligheidsomgeving en de gevolgen daarvan voor ons buitenland- en veiligheidsbeleid. De daarin beschreven algemene trends zijn onverminderd relevant. Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van spanningen en instabiliteit, dichtbij en ver weg.
Gelet op de aard van de (internationale) veiligheidsproblematiek acht het kabinet versterking van de krijgsmacht noodzakelijk. Er is bovendien een actief buitenlandbeleid nodig, een actieve betrokkenheid bij de wereld om ons heen, waarbij een goede balans moet worden gevonden tussen de noodzakelijke acute symptoombestrijding en een meerjarige, structurele aanpak van de onderliggende oorzaken van instabiliteit om te komen tot duurzame oplossingen. Voor de crises van nu bestaan geen quick fixes: de complexiteit en ook intensiteit van de conflicten vragen om samenwerking in internationaal verband en een geïntegreerde aanpak, met de gecoördineerde inzet van verschillende instrumenten: diplomatie, ontwikkelingssamenwerking, defensie, politie en justitie, het sanctie-instrumentarium, cyber en inlichtingen. Mede naar aanleiding van de terroristische aanslagen in Parijs heeft het kabinet op 27 februari jl., zoals u weet, reeds maatregelen ter versterking van de contraterrorisme (CT)-keten getroffen (kamerstuk 29 754, nr. 302).
De Nederlandse krijgsmacht in de nieuwe veiligheidscontext
Door de ontwikkelingen aan de randen van het Navo-verdragsgebied, krijgt de collectieve verdedigingstaak van de krijgsmacht begrijpelijkerwijs volop de aandacht. Zo hebben we aan de oostflank te maken met de ingrijpende gevolgen van het destabiliserende optreden van Rusland in Oekraïne, en meer in het algemeen met de toegenomen militaire assertiviteit van Rusland. Dit heeft consequenties voor de veiligheid van het bondgenootschappelijk verdragsgebied en noopt tot extra investeringen in de gereedheid en slagkracht van de bondgenootschappelijke strijdkrachten. De grotere aanwezigheid van de Navo in het oostelijke deel van het bondgenootschap en de structureel hogere eisen die de Navo stelt aan de bondgenootschappelijke strijdkrachten, vergen van alle bondgenoten een verhoogde inspanning.
Tijdens de Navo-top in Wales is een Readiness Action Plan (RAP) overeengekomen. Op rotatiebasis zal in de oostelijke Navo-landen worden ontplooid en geoefend. Als onderdeel van het RAP wordt onder meer de Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) opgericht, die bedoeld is om binnen zeer korte tijd troepen te kunnen inzetten. In deze context zijn ook de tijdens de Navo-top overeengekomen afspraken en intenties ten aanzien van het uitgavenniveau voor Defensie relevant (zie verslag van de Navo-top in Newport, Verenigd Koninkrijk van 4 en 5 september 2014, Kamerstuk 28 676, nr. 210). Ons land neemt deze afspraken serieus. Het kabinet stelt vast dat een groeiend aantal Europese landen de defensie-inspanning inderdaad versterkt. De Europese Raad van 25 en 26 juni zal bovendien een verdere impuls willen geven aan de versterking van het GVDB, tegen de achtergrond van de verslechterde veiligheidsomstandigheden (zie Kamerstuk 21501-28-125, 26 april 2015).
De beoogde investeringen zijn evenzeer van belang met het oog op de situatie aan de zuidflank, in het bijzonder de opkomst van ISIS en andere terroristische en extremistische groeperingen in onder meer Irak, Syrië en Libië. Er is sprake van groeiende instabiliteit elders in het Midden-Oosten en ook in Noord-Afrika. Conflictbeslechting en –preventie in deze regio’s, zijn in ons eigen belang. De veiligheid in eigen land is immers onlosmakelijk verbonden met de ontwikkelingen in de wereld om ons heen. Gebleken is dat een verslechtering in de internationale veiligheidssituatie, direct of indirect, repercussies kan hebben voor onze samenleving. Als gevolg van het samengestelde (‘hybride’) karakter van mogelijke dreigingen, moet dus ook rekening worden gehouden met een verhoogde inzet in het kader van de nationale bijstandstaken van de krijgsmacht. De Beleidsbrief Internationale Veiligheid onderstreept bovendien dat Nederland zich blijvend inzet voor een sterke internationale rechtsorde en dat versterking hiervan harder dan ooit nodig is. De tweede hoofdtaak van de krijgsmacht, namelijk de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde, heeft als gevolg van de internationale ontwikkelingen dan ook geenszins aan belang ingeboet. Een gecoördineerde inzet van diplomatieke, militaire en ontwikkelingssamenwerkingsinstrumenten blijft hierbij het uitgangspunt (3D).
Meerjarig perspectief: koersvast in turbulente tijden
In de brief van 7 november jl. over de uitvoering van de motie-Van der Staaij c.s. heeft het kabinet tot uitdrukking gebracht dat de versterking van de krijgsmacht moet berusten op een meerjarig perspectief. Dit strookt met de in Navo-verband gemaakte afspraken en ook met de intentie van dit kabinet om de trendbreuk ten aanzien van Defensie de komende jaren, waar mogelijk en nodig, voort te zetten.
Zoals bekend, heeft het kabinet met de intensivering in de begroting van 2015 van structureel 100 miljoen euro reeds de noodzaak van versterking van de krijgsmacht onderstreept. Ook in het najaar van 2013 heeft het kabinet extra geld (€115 miljoen) voor Defensie vrijgemaakt. De richting die met de nota In het belang van Nederland (2013) is ingeslagen, zal bij de verdere versterking van de krijgsmacht onverminderd het uitgangspunt zijn. In deze nota heeft het kabinet gekozen voor een krijgsmacht die kan omgaan met diffuse dreigingen en risico’s en die is voorbereid op een scala aan inzetmogelijkheden. De recente ontwikkelingen in de veiligheidssituatie onderstrepen de juistheid van deze keuze. Het belang van internationale samenwerking, financiële duurzaamheid en toekomstbestendigheid – kernbegrippen in de nota – is eveneens onverminderd groot.
De Navo stelt, zoals gezegd, structureel hogere eisen aan de gereedheid van militaire eenheden. Deze hogere eisen gelden ook voor de Nederlandse krijgsmacht. In het kader van het meerjarige perspectief wordt daarom als eerste vervolgstap prioriteit gegeven aan de versterking van de basisgereedheid van de krijgsmacht. Daarmee kan Nederland al op relatief korte termijn een tastbare bijdrage leveren aan het RAP, en als onderdeel daarvan de snel inzetbare VJTF. Langere reactietijden en lagere munitievoorraden die eerder nog acceptabel waren, verhouden zich niet langer met de ontwikkelingen in de (internationale) veiligheidssituatie. Hierbij gaat het enerzijds om de versterking van de operationele gereedheid van bestaande eenheden en anderzijds om de flexibiliteit en robuustheid van de bedrijfsvoering als voorwaarde om de inzet van de krijgsmacht te ondersteunen. Concreet gaat het dan bijvoorbeeld om het vergroten van reservedelen- en munitievoorraden. Ook is er behoefte aan extra capaciteit voor opleiding en training om de geoefendheid van operationele eenheden (inclusief voor de hogere geweldsniveaus) te verbeteren. Tevens moeten op enkele onderdelen de kennisbasis en de ondersteuning van de krijgsmacht worden versterkt. De financiële consequenties die het kabinet voor de begroting van 2016 aan de versterking van de basisgereedheid zal verbinden, worden op Prinsjesdag bekendgemaakt.
Afhankelijk van de ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie de komende jaren, en ook de beschikbare financiële mogelijkheden, staan het kabinet voorts de volgende stappen voor ogen in het kader van een meerjarig perspectief: de versterking van de ondersteunende operationele eenheden van de krijgsmacht, de zogenaamde Combat Support (CS) en Combat Service Support (CSS), evenals een gerichte kwantitatieve en kwalitatieve versterking van gevechtseenheden en de vervanging van noodzakelijke capaciteiten. Met deze benadering kunnen de operationele gereedheid, inzetbaarheid en slagkracht van de krijgsmacht steeds verder worden verbeterd. De balans tussen gevechtseenheden, (gevechts)ondersteunende eenheden, bedrijfsvoering en staven moet daarbij zijn gewaarborgd. Ondersteunende capaciteiten zijn schaars bij vrijwel alle bondgenoten. In de praktijk blijkt het dan ook buitengewoon lastig om op deze terreinen een appel te doen op partners. Als onderdeel van het meerjarig perspectief dient overigens ook te worden gekeken naar de diplomatieke en OS-instrumenten die in het kader van de geïntegreerde benadering nodig zijn om te komen tot duurzame oplossingen.
Versterking van de capaciteiten van de MIVD overeenkomstig de motie-Segers (Kamerstuk 34 000, nr. 55) is onderdeel van de bovenstaande stappen. Met de intensivering van 17 miljoen euro bij de MIVD ten behoeve van de bestrijding van het terrorisme, waartoe het kabinet op 27 februari jl. heeft besloten, is al een belangrijke stap genomen. Dit laat onverlet dat op andere terreinen nog sprake is van een verschil tussen de vraag naar inlichtingen en de mogelijkheden om aan die vraag te voldoen. Inlichtingen zijn onmiskenbaar van groeiend belang. Dit geldt ook voor het in toenemende mate informatiegestuurde optreden van de krijgsmacht. De wijziging van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) die het kabinet heeft voorgesteld, waarmee het technologisch achterhaalde onderscheid tussen kabel- en niet-kabelgebonden interceptie wordt opgeheven, is eveneens een noodzakelijke stap voorwaarts, die niet alleen voor de krijgsmacht van betekenis is maar in een breder verband moet worden geplaatst. Deze wijziging komt niet alleen de ondersteuning van militaire missies ten goede, maar ook de inlichtingenpositie ten behoeve van de nationale veiligheid en de digitale veiligheid van Nederland.
Gevolgen voor het ambitieniveau
De motie-Van der Staaij c.s. roept het kabinet op het ambitieniveau van de krijgsmacht aan te passen en te waarborgen dat het niveau van defensiebestedingen gelijke tred zal houden met het noodzakelijke ambitieniveau voor onze krijgsmacht. In de Miljoenennota 2015 heeft het kabinet de noodzaak van aanpassing van het ambitieniveau reeds onderkend. Ook hier geldt echter dat de mate waarin en het moment waarop het ambitieniveau en de bijbehorende inzetbaarheidsdoelstellingen kunnen worden aangepast, afhangt van de financiële mogelijkheden die het kabinet op een zeker moment tot zijn beschikking heeft.
In de periodieke rapportages aan de Tweede Kamer over de inzetbaarheidsdoelstellingen in het jaarverslag en bij de begroting (Kamerstuk 32 733, nr. 116) is gesteld dat Defensie grotendeels voldoet aan de inzetbaarheidsdoelstellingen maar dat er wezenlijke beperkingen bestaan. Ook de brieven van 9 oktober 2014 (Kamerstuk 33763, nr. 57) en van 22 mei jl. over knelpunten in de materiële gereedheid (Kamerstuk 33 763, nr. 74) gaan uitvoerig op deze beperkingen in. De opheffing van deze beperkingen leidt tot een wezenlijke verbetering van de basisgereedheid en de inzetbaarheid van de krijgsmacht en gaat noodzakelijkerwijs vooraf aan de aanpassing van de inzetbaarheidsdoelstellingen zoals opgenomen in de nota In het belang van Nederland.
Een financieel duurzame krijgsmacht
Zoals bekend zijn in de nota In het belang van Nederland belangrijke aanzetten gegeven om tot een financieel duurzame defensieorganisatie te komen. Zo wordt de systematiek van levensduurkosten structureel ingebed in de bedrijfsvoering. Defensie zet dit op volle kracht voort. Hiermee wordt gaandeweg steeds meer inzicht verkregen in de kosten van het hebben en gebruiken van wapensystemen. Dit leidt er overigens ook toe dat risico’s en budgettaire problematiek, die eerder niet werden onderkend, duidelijker in beeld komen en om een oplossing vragen. Een specifiek aandachtspunt daarbij betreft de invloed van de rijksbrede afspraken over prijsbijstelling en valutaschommelingen. Het kabinet komt hierop in volgende begrotingen terug.
Financiering inzet krijgsmacht voor crisisbeheersingsoperaties
Tijdens het plenaire debat op 2 oktober 2014 over de Nederlandse militaire bijdrage aan de internationale strijd tegen ISIS is aandacht besteed aan de financiering van militaire missies in structurele zin. Overeenkomstig de wens van de Tweede Kamer, heeft het kabinet toegezegd dit onderwerp bij de uitvoering van de motie-Van der Staaij c.s. te betrekken. Bij de begrotingsbehandeling voor Buitenlandse Zaken heeft de Kamer vervolgens de motie van de leden Ten Broeke en Servaes (Kamerstuk 34 000 V, nr. 21) over alternatieve en meer flexibele begrotingsmethoden aangenomen. Het kabinet onderschrijft de opvatting van de Tweede Kamer dat de financiering van de inzet van de krijgsmacht voor crisisbeheersingsoperaties aandacht behoeft. Op Prinsjesdag wordt u geïnformeerd over de financiële uitwerking hiervan.
Tot besluit
In de Internationale Veiligheidsstrategie worden drie strategische belangen onderscheiden, te weten de verdediging van het eigen en het bondgenootschappelijke grondgebied, een goed functionerende internationale rechtsorde en economische veiligheid. Het kabinet is ervan overtuigd dat een actief buitenland-, veiligheids- en defensiebeleid van wezenlijke betekenis is voor onze strategische belangen, onze vrijheden en onze waarden. Een integrale benadering staat hierbij voorop. In dat verband wordt van Nederland, als lidstaat van de Navo en de EU, verwacht dat het een bijdrage van betekenis levert, ook in militair opzicht. Het kabinet gaat de verantwoordelijkheid hiervoor niet uit de weg.
DE MINISTER VAN DEFENSIE DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
J.A. Hennis-Plasschaert Bert Koenders
maandag 10 november 2014
Kamerbrief over internationale militaire samenwerking
Datum 7 november 2014
Hierbij informeer ik u over de jaarlijkse stand van zaken met betrekking tot internationale militaire samenwerking. De eerste rapportage heeft de Kamer ontvangen op 13 februari jl. (Kamerstuk 33 279, nr. 10).
Defensie richt zich bij de bilaterale samenwerking op een beperkt aantal strategische partners. Dat zijn in de eerste plaats België, Duitsland en Luxemburg. Daarnaast blijft Defensie nauw samenwerken met Denemarken, Frankrijk, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De samenwerking met al deze landen verloopt goed. In deze brief ga ik in op enkele recente ontwikkelingen in de bilaterale samenwerking met België en Luxemburg en met Duitsland. Ook ga ik in op het Britse initiatief voor een Joint Expeditionary Force en op de samenwerking met Noorwegen. In de bijlage is een actualisatie opgenomen van het overzicht van de samenwerking met deze en andere landen en de samenwerking in multilateraal verband.
Duidelijk is dat Nederland met concrete initiatieven een voortrekkersrol blijft vervullen bij de verdere verdieping van de Europese defensiesamenwerking. De uitkomsten van het Interdepartementale Beleidsonderzoek 'Wapensystemen', dat kortgeleden is begonnen en in maart 2015 wordt voltooid, zullen eveneens bij de verdere verdieping van de internationale samenwerking worden betrokken. Let wel, de voortgang die in het kader van de Europese defensiesamenwerking kan worden geboekt, is afhankelijk van de bereidheid van alle partners, inclusief Nederland, om werkelijk stappen te zetten. De kost gaat bij deze initiatieven meestal voor de baat uit. Realisme blijft derhalve geboden.
Op 15 en 16 oktober jl. heeft het ministerie van Defensie in samenwerking met het Instituut Clingendael in Den Haag een internationaal seminar georganiseerd over defensiesamenwerking onder de titel Defence cooperation in Clusters – Identifying the Next Steps. Er is onder andere gesproken over de rol van parlementen bij het versterken van de samenwerking, het belang van een verdere harmonisering van de defensieplanning van samenwerkingspartners en de rol van het Europese Defensie Agentschap (EDA) en de Navo bij defensiesamenwerking. Het Instituut Clingendael zal binnenkort het verslag van het seminar publiceren.
Benelux
Met België en Luxemburg werkt Nederland al langere tijd intensief samen. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de Belgisch-Nederlandse samenwerking op marinegebied (Benesam), waarbij de marines verregaand zijn geïntegreerd ten aanzien van onder meer onderhoud, opleidingen en training. De Benelux-partners hebben op 18 april 2012 een ministeriële verklaring getekend over de intensivering van hun samenwerking. In de bijlage wordt ingegaan op de tot dusver behaalde resultaten. Een noemenswaardig resultaat is de oprichting van het gezamenlijke wapenbeheersingsbureau (Benelux Arms Control Agency, BACA) in het Belgische Peutie (Kamerstuk 28 676, nr. 197).
België en Nederland maken daarnaast goede vorderingen met een verdrag dat de integratie van de luchtruimbewaking mogelijk moet maken. Beide ministers van Defensie hebben hierover op 23 oktober 2013 een Letter of Intent getekend (Kamerstuk 33 763, nr. 11). Naar verwachting is het conceptverdrag eind dit jaar gereed en kan het in het eerste kwartaal van 2015 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. Het streven is de samenwerking in 2016 te laten ingaan, na ratificatie van het verdrag door de parlementen van beide landen.
Bij de Belgisch-Nederlandse samenwerking speelt een rol dat België en Frankrijk reeds een verdrag hebben gesloten om elkaar steun te verlenen bij de Renegadetaak (de bestrijding van luchtvaartterrorisme). België, Frankrijk en Nederland bezien in hoeverre dit van invloed is op het te sluiten Belgisch-Nederlandse verdrag. Naar verwachting is een voor alle drie de landen bevredigende oplossing mogelijk. De Kamer zal hierover tijdig worden geïnformeerd.
Bilaterale samenwerking met Duitsland
Duitsland en Nederland werken sinds lange tijd intensief samen. Een belangrijk voorbeeld daarvan is het in 1995 opgerichte gezamenlijke Duits-Nederlandse hoofdkwartier in Münster, dat momenteel wordt ontwikkeld tot een snel inzetbaar Joint Task Force hoofdkwartier van de Navo.
Met de ondertekening op 28 mei 2013 van de Declaration of Intent hebben Duitsland en Nederland de reeds bestaande samenwerking sterk geïntensiveerd (Kamerstuk 33 279, nr. 6). In deze DoI is afgesproken een reeks van verdere mogelijkheden voor samenwerking te onderzoeken waarbij, indien van toepassing, de integratie van eenheden het eindresultaat kan zijn. Eerder dit jaar bereikten beide landen een belangrijke mijlpaal in hun samenwerking met de integratie van de Luchtmobiele Brigade in de Duitse Division Schnelle Kräfte. Deze integratie is op 12 juni jl. officieel van start gegaan met een ceremonie in Schaarsbergen en het Duitse Stadtallendorf in aanwezigheid van de ministers van
Defensie en parlementariërs uit beide landen.
Voor de uitvoering van de DoI bestaan intensieve contacten zowel op het niveau van de ministeries als van de defensieonderdelen zoals de operationele commando’s. Een hoogambtelijke overlegstructuur (High Level Steering Group, HLSG) geeft sturing aan de samenwerking en bewaakt de voortgang. Gedurende de uitwerking van DoI zijn inmiddels enkele veelbelovende gebieden onderkend die zicht bieden op concreet resultaat. Voorbeelden daarvan zijn het onderhoudvan grondgebonden systemen; een mogelijke studie over de integratie van sensoren voor ballistische raketverdediging, ook in het kader van het Smart Defence initiatief van de Navo; cyber; grondgebonden luchtverdediging; harmonisering van de plannen voor marinebouw; grondgebonden vuursteuneenheden (artillerie en mortieren) en kennisuitwisseling bij militaire gezondheidszorg.
Daarnaast is nog een reeks van voorbereidende studies gaande. Zowel Duitsland als Nederland heeft in het volgende decennium behoefte aan fregatten en andere marineschepen, waarbij het voor Nederland onder meer gaat om de vervanging van de twee M-fregatten. Momenteel wordt bezien in hoeverre de technische eisen van beide landen ten aanzien van fregatten onder één noemer kunnen worden gebracht. Op landmachtgebied streeft Defensie naar het behoud van expertise met betrekking tot het opereren met tanks op compagnies- en bataljonsniveau. In dit verband bezien beide landmachten of de integratie mogelijk is van de 43e gemechaniseerde brigade in Havelte en de Duitse Eerste Pantserdivisie en, als onderdeel hiervan, van een Duitse eenheid in de Nederlandse brigade.
Bij enkele aspecten die in de DoI van 2013 zijn genoemd hebben beide landen inmiddels geconcludeerd dat samenwerking weinig perspectieven biedt. Het gaat onder andere om kleinkaliberwapens. De harmonisering van de plannen voor de aanschaf van onderzeeboten is geen optie gebleken want in de investeringsschema’s van beide landen voor de lange termijn is bij onderzeeboten geen sprake is van samenloop. Dit laat onverlet dat samenwerking bij onderzeeboten op andere gebieden wel degelijk kansen biedt. Een ontwikkeling van een van afstand bestuurbaar luchtsysteem (UAS) is niet aan de orde. Samenwerking op het gebied van MALE UAV biedt de meeste kansen indien Duitsland en Nederland zouden kiezen voor hetzelfde systeem.
Noorwegen
Noorwegen is aangemerkt als strategische samenwerkingspartner. In maart 2012 is een Declaration of Intent getekend over materiële en operationele samenwerking. Onlangs hebben beide landen besloten tot de oprichting van een coördinatiegroep om het overleg over de bestaande samenwerkingsinitiatieven beter te structureren en om mogelijke nieuwe initiatieven te onderzoeken. De coördinatiegroep moet in het voorjaar van 2015 van start gaan. Beide landen zien onder meer perspectief in de samenwerking bij de bouw van onderzeeboten.
Joint Expeditionary Force (JEF) van het Verenigd Koninkrijk
Het Verenigd Koninkrijk heeft het initiatief genomen tot de JEF in het kader van de herinrichting van de Britse krijgsmacht nu de ISAF-operatie in Afghanistan ten einde loopt. De JEF is een snel inzetbare expeditionaire strijdmacht die drie operaties tegelijkertijd moet kunnen uitvoeren, aangestuurd vanuit het Permanent Joint Headquarters (PJHQ) in Londen. De missies kunnen, wereldwijd, het gehele spectrum bestrijken van humanitaire hulp tot gewapende inzet. Zes landen (Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Nederland en Noorwegen) hebben op 4 september jl. in Wales samen met het Verenigd Koninkrijk een Letter of Intent getekend inzake deelneming aan de JEF. Zij zullen in overleg bijdragen en deelnemen aan oefeningen, training en inzet ervan. Het streven is midden volgend jaar een Memorandum of Understanding over de JEF te tekenen.
Het is de bedoeling dat de JEF in de internationale samenstelling in 2018 volledig operationeel inzetbaar zal zijn. Het Britse deel van de JEF beschikt sinds april jl. over een initiële operationele capaciteit. Nederland zal vanaf begin volgend jaar een officier plaatsen in het PJHQ ten behoeve van de oprichting van de JEF in de internationale samenstelling.
Voor Nederland geldt dat bijdragen aan de JEF steeds zullen moeten worden bezien in samenhang met bijdragen aan de snelle reactiemachten van de Navo en de EU Battlegroups. De JEF lijkt goede mogelijkheden te bieden tot uitbreiding van de samenwerking op maritiem gebied, in het bijzonder ten aanzien van de UK/NL Amphibious Force en het Joint Support Ship (JSS), maar ook andere capaciteiten komen hiervoor in aanmerking.
De JEF is complementair aan de nieuwe Very High Readiness Joint Taskforce van de Navo, maar staat daar verder los van. De VJTF maakt deel uit van het Readiness Action Plan, een initiatief van de Secretaris-Generaal van de Navo dat beoogt de gereedheid en inzetbaarheid van de NATO Response Force (NRF) te vergroten. De VJTF wordt gezien als het voorhoede-element van de NRF dat binnen enkele dagen inzetbaar moet zijn. De staatshoofden en regeringsleiders van de Navo hebben het Readiness Action Plan bekrachtigd tijdens de Navo-top in Wales van 4 en 5 september jl..
Ten slotte
Zoals eerder gesteld, vervult Nederland een voortrekkersrol op het gebied van internationale defensiesamenwerking. Ik ben voornemens de inspanningen op dit gebied onverminderd voort te zetten.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
Hierbij informeer ik u over de jaarlijkse stand van zaken met betrekking tot internationale militaire samenwerking. De eerste rapportage heeft de Kamer ontvangen op 13 februari jl. (Kamerstuk 33 279, nr. 10).
Defensie richt zich bij de bilaterale samenwerking op een beperkt aantal strategische partners. Dat zijn in de eerste plaats België, Duitsland en Luxemburg. Daarnaast blijft Defensie nauw samenwerken met Denemarken, Frankrijk, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De samenwerking met al deze landen verloopt goed. In deze brief ga ik in op enkele recente ontwikkelingen in de bilaterale samenwerking met België en Luxemburg en met Duitsland. Ook ga ik in op het Britse initiatief voor een Joint Expeditionary Force en op de samenwerking met Noorwegen. In de bijlage is een actualisatie opgenomen van het overzicht van de samenwerking met deze en andere landen en de samenwerking in multilateraal verband.
Duidelijk is dat Nederland met concrete initiatieven een voortrekkersrol blijft vervullen bij de verdere verdieping van de Europese defensiesamenwerking. De uitkomsten van het Interdepartementale Beleidsonderzoek 'Wapensystemen', dat kortgeleden is begonnen en in maart 2015 wordt voltooid, zullen eveneens bij de verdere verdieping van de internationale samenwerking worden betrokken. Let wel, de voortgang die in het kader van de Europese defensiesamenwerking kan worden geboekt, is afhankelijk van de bereidheid van alle partners, inclusief Nederland, om werkelijk stappen te zetten. De kost gaat bij deze initiatieven meestal voor de baat uit. Realisme blijft derhalve geboden.
Op 15 en 16 oktober jl. heeft het ministerie van Defensie in samenwerking met het Instituut Clingendael in Den Haag een internationaal seminar georganiseerd over defensiesamenwerking onder de titel Defence cooperation in Clusters – Identifying the Next Steps. Er is onder andere gesproken over de rol van parlementen bij het versterken van de samenwerking, het belang van een verdere harmonisering van de defensieplanning van samenwerkingspartners en de rol van het Europese Defensie Agentschap (EDA) en de Navo bij defensiesamenwerking. Het Instituut Clingendael zal binnenkort het verslag van het seminar publiceren.
Benelux
Met België en Luxemburg werkt Nederland al langere tijd intensief samen. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de Belgisch-Nederlandse samenwerking op marinegebied (Benesam), waarbij de marines verregaand zijn geïntegreerd ten aanzien van onder meer onderhoud, opleidingen en training. De Benelux-partners hebben op 18 april 2012 een ministeriële verklaring getekend over de intensivering van hun samenwerking. In de bijlage wordt ingegaan op de tot dusver behaalde resultaten. Een noemenswaardig resultaat is de oprichting van het gezamenlijke wapenbeheersingsbureau (Benelux Arms Control Agency, BACA) in het Belgische Peutie (Kamerstuk 28 676, nr. 197).
België en Nederland maken daarnaast goede vorderingen met een verdrag dat de integratie van de luchtruimbewaking mogelijk moet maken. Beide ministers van Defensie hebben hierover op 23 oktober 2013 een Letter of Intent getekend (Kamerstuk 33 763, nr. 11). Naar verwachting is het conceptverdrag eind dit jaar gereed en kan het in het eerste kwartaal van 2015 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. Het streven is de samenwerking in 2016 te laten ingaan, na ratificatie van het verdrag door de parlementen van beide landen.
Bij de Belgisch-Nederlandse samenwerking speelt een rol dat België en Frankrijk reeds een verdrag hebben gesloten om elkaar steun te verlenen bij de Renegadetaak (de bestrijding van luchtvaartterrorisme). België, Frankrijk en Nederland bezien in hoeverre dit van invloed is op het te sluiten Belgisch-Nederlandse verdrag. Naar verwachting is een voor alle drie de landen bevredigende oplossing mogelijk. De Kamer zal hierover tijdig worden geïnformeerd.
Bilaterale samenwerking met Duitsland
Duitsland en Nederland werken sinds lange tijd intensief samen. Een belangrijk voorbeeld daarvan is het in 1995 opgerichte gezamenlijke Duits-Nederlandse hoofdkwartier in Münster, dat momenteel wordt ontwikkeld tot een snel inzetbaar Joint Task Force hoofdkwartier van de Navo.
Met de ondertekening op 28 mei 2013 van de Declaration of Intent hebben Duitsland en Nederland de reeds bestaande samenwerking sterk geïntensiveerd (Kamerstuk 33 279, nr. 6). In deze DoI is afgesproken een reeks van verdere mogelijkheden voor samenwerking te onderzoeken waarbij, indien van toepassing, de integratie van eenheden het eindresultaat kan zijn. Eerder dit jaar bereikten beide landen een belangrijke mijlpaal in hun samenwerking met de integratie van de Luchtmobiele Brigade in de Duitse Division Schnelle Kräfte. Deze integratie is op 12 juni jl. officieel van start gegaan met een ceremonie in Schaarsbergen en het Duitse Stadtallendorf in aanwezigheid van de ministers van
Defensie en parlementariërs uit beide landen.
Voor de uitvoering van de DoI bestaan intensieve contacten zowel op het niveau van de ministeries als van de defensieonderdelen zoals de operationele commando’s. Een hoogambtelijke overlegstructuur (High Level Steering Group, HLSG) geeft sturing aan de samenwerking en bewaakt de voortgang. Gedurende de uitwerking van DoI zijn inmiddels enkele veelbelovende gebieden onderkend die zicht bieden op concreet resultaat. Voorbeelden daarvan zijn het onderhoudvan grondgebonden systemen; een mogelijke studie over de integratie van sensoren voor ballistische raketverdediging, ook in het kader van het Smart Defence initiatief van de Navo; cyber; grondgebonden luchtverdediging; harmonisering van de plannen voor marinebouw; grondgebonden vuursteuneenheden (artillerie en mortieren) en kennisuitwisseling bij militaire gezondheidszorg.
Daarnaast is nog een reeks van voorbereidende studies gaande. Zowel Duitsland als Nederland heeft in het volgende decennium behoefte aan fregatten en andere marineschepen, waarbij het voor Nederland onder meer gaat om de vervanging van de twee M-fregatten. Momenteel wordt bezien in hoeverre de technische eisen van beide landen ten aanzien van fregatten onder één noemer kunnen worden gebracht. Op landmachtgebied streeft Defensie naar het behoud van expertise met betrekking tot het opereren met tanks op compagnies- en bataljonsniveau. In dit verband bezien beide landmachten of de integratie mogelijk is van de 43e gemechaniseerde brigade in Havelte en de Duitse Eerste Pantserdivisie en, als onderdeel hiervan, van een Duitse eenheid in de Nederlandse brigade.
Bij enkele aspecten die in de DoI van 2013 zijn genoemd hebben beide landen inmiddels geconcludeerd dat samenwerking weinig perspectieven biedt. Het gaat onder andere om kleinkaliberwapens. De harmonisering van de plannen voor de aanschaf van onderzeeboten is geen optie gebleken want in de investeringsschema’s van beide landen voor de lange termijn is bij onderzeeboten geen sprake is van samenloop. Dit laat onverlet dat samenwerking bij onderzeeboten op andere gebieden wel degelijk kansen biedt. Een ontwikkeling van een van afstand bestuurbaar luchtsysteem (UAS) is niet aan de orde. Samenwerking op het gebied van MALE UAV biedt de meeste kansen indien Duitsland en Nederland zouden kiezen voor hetzelfde systeem.
Noorwegen
Noorwegen is aangemerkt als strategische samenwerkingspartner. In maart 2012 is een Declaration of Intent getekend over materiële en operationele samenwerking. Onlangs hebben beide landen besloten tot de oprichting van een coördinatiegroep om het overleg over de bestaande samenwerkingsinitiatieven beter te structureren en om mogelijke nieuwe initiatieven te onderzoeken. De coördinatiegroep moet in het voorjaar van 2015 van start gaan. Beide landen zien onder meer perspectief in de samenwerking bij de bouw van onderzeeboten.
Joint Expeditionary Force (JEF) van het Verenigd Koninkrijk
Het Verenigd Koninkrijk heeft het initiatief genomen tot de JEF in het kader van de herinrichting van de Britse krijgsmacht nu de ISAF-operatie in Afghanistan ten einde loopt. De JEF is een snel inzetbare expeditionaire strijdmacht die drie operaties tegelijkertijd moet kunnen uitvoeren, aangestuurd vanuit het Permanent Joint Headquarters (PJHQ) in Londen. De missies kunnen, wereldwijd, het gehele spectrum bestrijken van humanitaire hulp tot gewapende inzet. Zes landen (Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Nederland en Noorwegen) hebben op 4 september jl. in Wales samen met het Verenigd Koninkrijk een Letter of Intent getekend inzake deelneming aan de JEF. Zij zullen in overleg bijdragen en deelnemen aan oefeningen, training en inzet ervan. Het streven is midden volgend jaar een Memorandum of Understanding over de JEF te tekenen.
Het is de bedoeling dat de JEF in de internationale samenstelling in 2018 volledig operationeel inzetbaar zal zijn. Het Britse deel van de JEF beschikt sinds april jl. over een initiële operationele capaciteit. Nederland zal vanaf begin volgend jaar een officier plaatsen in het PJHQ ten behoeve van de oprichting van de JEF in de internationale samenstelling.
Voor Nederland geldt dat bijdragen aan de JEF steeds zullen moeten worden bezien in samenhang met bijdragen aan de snelle reactiemachten van de Navo en de EU Battlegroups. De JEF lijkt goede mogelijkheden te bieden tot uitbreiding van de samenwerking op maritiem gebied, in het bijzonder ten aanzien van de UK/NL Amphibious Force en het Joint Support Ship (JSS), maar ook andere capaciteiten komen hiervoor in aanmerking.
De JEF is complementair aan de nieuwe Very High Readiness Joint Taskforce van de Navo, maar staat daar verder los van. De VJTF maakt deel uit van het Readiness Action Plan, een initiatief van de Secretaris-Generaal van de Navo dat beoogt de gereedheid en inzetbaarheid van de NATO Response Force (NRF) te vergroten. De VJTF wordt gezien als het voorhoede-element van de NRF dat binnen enkele dagen inzetbaar moet zijn. De staatshoofden en regeringsleiders van de Navo hebben het Readiness Action Plan bekrachtigd tijdens de Navo-top in Wales van 4 en 5 september jl..
Ten slotte
Zoals eerder gesteld, vervult Nederland een voortrekkersrol op het gebied van internationale defensiesamenwerking. Ik ben voornemens de inspanningen op dit gebied onverminderd voort te zetten.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
woensdag 24 september 2014
Nederland levert militaire bijdrage aan strijd tegen ISIS
Nederland komt militair in actie tegen de opmars en wandaden van ISIS. Het kabinet heeft besloten een militaire bijdrage te leveren aan de internationale strijd tegen ISIS in Irak. Dit schrijven de ministers Timmermans (Buitenlandse Zaken), Hennis (Defensie) en Ploumen (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) in een brief aan de Tweede Kamer.
De Nederlandse bijdrage is gericht op het breken van de militaire kracht en opmars van ISIS. Deze eerste fase zal naar Amerikaanse schatting tussen de zes en twaalf maanden duren. Nederland stelt in deze fase zes F-16’s beschikbaar voor luchtaanvallen op ISIS op Iraaks grondgebied. Ook worden Iraakse en Koerdische strijdkrachten in deze periode ondersteund met training en advies.
De combinatie van training en luchtsteun moet de Iraakse troepen in staat stellen om zelf ISIS effectief te bestrijden. Voor de inzet van de zes F-16’s en de daarbij behorende twee reserve-vliegtuigen worden maximaal 250 militairen uitgezonden. De Nederlandse bijdrage aan de trainingsteams zal bestaan uit maximaal 130 militairen. De Nederlandse F-16’s zullen opereren vanaf een nader te bepalen vliegveld buiten Irak.
Nederland draagt in Irak bij aan de strijd tegen ISIS op basis van het verzoek tot militaire steun dat de Iraakse autoriteiten deze zomer twee keer bij de VN hebben ingediend. Dit voorziet in een rechtsgrond voor de inzet van Nederlandse militairen in Irak.
Voor militaire inzet in Syrië is op dit moment geen internationale overeenstemming over een afdoende volkenrechtelijk mandaat. Als ISIS alleen in Irak militair bestreden zou worden, kan dat leiden tot versterking van ISIS in Syrië en andere landen in de regio. Het Amerikaanse luchtoffensief boven Syrië probeert dit te voorkomen. Het kabinet heeft begrip voor deze inspanningen, aldus de ministers.
De Nederlandse inzet is onderdeel van de strategie van een grote groep landen, waaronder landen uit de regio, op initiatief van de VS. Deze strategie draagt bij aan de inzet van de Iraakse regering. Het kabinet verschaft nu duidelijkheid over de Nederlandse bijdrage met het oog op het planningsproces in de VS. Het ministerie van Defensie heeft een team afgevaardigd naar het Amerikaanse commandocentrum en draagt daarmee bij aan de strategische planning van de operatie.
(Rijksoverheid, 24 september 2014)
Artikel-100 brief aan de Tweede Kamer
Audio van de persconferentie waarop de ministers Asscher en Hennis namens het kabinet de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS aankondigden
De Nederlandse bijdrage is gericht op het breken van de militaire kracht en opmars van ISIS. Deze eerste fase zal naar Amerikaanse schatting tussen de zes en twaalf maanden duren. Nederland stelt in deze fase zes F-16’s beschikbaar voor luchtaanvallen op ISIS op Iraaks grondgebied. Ook worden Iraakse en Koerdische strijdkrachten in deze periode ondersteund met training en advies.
De combinatie van training en luchtsteun moet de Iraakse troepen in staat stellen om zelf ISIS effectief te bestrijden. Voor de inzet van de zes F-16’s en de daarbij behorende twee reserve-vliegtuigen worden maximaal 250 militairen uitgezonden. De Nederlandse bijdrage aan de trainingsteams zal bestaan uit maximaal 130 militairen. De Nederlandse F-16’s zullen opereren vanaf een nader te bepalen vliegveld buiten Irak.
Nederland draagt in Irak bij aan de strijd tegen ISIS op basis van het verzoek tot militaire steun dat de Iraakse autoriteiten deze zomer twee keer bij de VN hebben ingediend. Dit voorziet in een rechtsgrond voor de inzet van Nederlandse militairen in Irak.
Voor militaire inzet in Syrië is op dit moment geen internationale overeenstemming over een afdoende volkenrechtelijk mandaat. Als ISIS alleen in Irak militair bestreden zou worden, kan dat leiden tot versterking van ISIS in Syrië en andere landen in de regio. Het Amerikaanse luchtoffensief boven Syrië probeert dit te voorkomen. Het kabinet heeft begrip voor deze inspanningen, aldus de ministers.
De Nederlandse inzet is onderdeel van de strategie van een grote groep landen, waaronder landen uit de regio, op initiatief van de VS. Deze strategie draagt bij aan de inzet van de Iraakse regering. Het kabinet verschaft nu duidelijkheid over de Nederlandse bijdrage met het oog op het planningsproces in de VS. Het ministerie van Defensie heeft een team afgevaardigd naar het Amerikaanse commandocentrum en draagt daarmee bij aan de strategische planning van de operatie.
(Rijksoverheid, 24 september 2014)
Artikel-100 brief aan de Tweede Kamer
Audio van de persconferentie waarop de ministers Asscher en Hennis namens het kabinet de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS aankondigden
dinsdag 16 september 2014
Passage over defensie in de Troonrede
"Met het oog op de toenemende spanningen in de wereld en de verantwoordelijkheden die daaruit voortvloeien, verhoogt de regering de defensie-uitgaven. Het budget groeit structureel met 100 miljoen extra per jaar. Dit is een trendbreuk met het verleden."
(Troonrede 2014)
(Troonrede 2014)
woensdag 10 september 2014
Hennis: brief aan Eerste Kamer over de defensie-uitgaven
De Voorzitter van de Eerste Kamer
der Staten-Generaal
9 september 2014
In de motie-Kuiper (Kamerstuk EK 33 750 X, E) wordt de regering verzocht "aan te geven op welke termijn en op welke wijze Nederland zich in zijn budgettaire beleid kan voegen naar een niveau van uitgaven dat past bij zijn eigen Veiligheidsstrategie en afgesproken internationale verplichtingen." In mijn initiële reactie heb ik u laten weten de motie sympathiek te vinden. De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking heeft mij vervolgens om een nadere toelichting gevraagd.
Afgelopen donderdag en vrijdag is de Navo-top in het Verenigd Koninkrijk gehouden. Het verslag van deze bijeenkomst, waarbij de lidstaten ook afspraken hebben gemaakt over de ontwikkeling van hun defensie-uitgaven, krijgt u binnenkort separaat toegestuurd. Feit is dat deze Top een belangrijk moment markeerde in de transatlantische veiligheidsagenda. Sinds de vorige Navo-top, twee jaar geleden in Chicago, is de wereld immers in belangrijke opzichten veranderd. Zo zijn we de afgelopen maanden geconfronteerd met het destabiliserende militaire optreden van Rusland op de Krim en in Oost-Oekraïne. De situatie in het Midden-Oosten is zeer explosief en ook in Noord-Afrika laait het geweld op. We worden, kortom, in toenemende mate omgeven door ernstige brandhaarden en conflicten die, naar verwachting, langdurig van aard zijn. Dit heeft gevolgen, direct of indirect, voor de Nederlandse samenleving en de Nederlandse staatsburgers in het buitenland.
Ook de diversiteit aan dreigingen neemt onmiskenbaar toe. Het gaat al lang niet meer alleen om territoriale dreigingen, al blijven deze - zo toont de Oekraïne-crisis aan - relevant. Terrorisme en cyberdreigingen zijn welhaast per definitie grensoverschrijdend. De toenemende verwevenheid van interne en externe veiligheid is dan ook een groeiende bron van zorg. De veiligheidsvraagstukken zijn prangend en de komende tijd zullen, in nationaal en internationaal verband, overtuigende antwoorden moeten worden geformuleerd. Hieraan wordt, in nauwe samenwerking met onze bondgenoten, hard gewerkt.
Het is in het belang van de Nederlandse staat om antwoord te kunnen blijven geven op de geopolitieke ontwikkelingen. Het kabinet acht het daarbij van belang om niet alleen de input te beschouwen maar ook de output die met de beschikbare defensiemiddelen wordt bereikt. De hoogte van het defensiebudget zegt immers niet alles over de prestaties van een krijgsmacht. Ook een optimale besteding van de middelen, zoals (gezamenlijke) investeringen in geprioriteerde capaciteiten, doet er toe. Voorts moeten capaciteiten ook werkelijk beschikbaar worden gesteld. De politieke bereidheid om aan missies deel te nemen is, met andere woorden, evenzeer een factor van belang.
Dit laat onverlet dat van Nederland wordt verwacht dat het zijn militaire bijdrage aan de bondgenootschappelijke veiligheid ten minste op peil houdt en, waar mogelijk, versterkt. De Europese landen moeten meer verantwoordelijkheid nemen, zowel binnen de Navo als daarbuiten. De recente ontwikkelingen onderstrepen de urgentie van eensgezind optreden en de bundeling van Europese inspanningen op veiligheidsgebied. De huidige crises moeten ons allen aansporen om het reactievermogen te vergroten en de aanpak van militaire tekorten voortvarend ter hand te nemen. De Nederlandse defensie-inspanning is hierop gericht. De begrotingsafspraken van medio oktober 2013 hebben tot extra middelen voor Defensie geleid (Kamerstuk TK 33 763, nr. 7). Op Prinsjesdag wordt u nader geïnformeerd over de afspraken die zijn gemaakt voor de begroting van 2015. Duidelijk is dat de tijd van bezuinigingen op Defensie voorbij is.
De NAVO en de EU hebben de militaire tekortkomingen geïnventariseerd en Nederland streeft ernaar deze tekortkomingen, in samenwerking met onze bondgenoten, weg te werken. De Nederlandse krijgsmacht staat immers niet op zichzelf. Aansluiting bij het NAVO-planningsproces maar ook bij NAVO en EU-initiatieven, zoals Smart Defence en Pooling & Sharing, is dan ook de leidraad. Bestaande samenwerkingsverbanden worden voorts zoveel mogelijk benut en verder versterkt. Wel is het duidelijk dat het de komende jaren veel inspanning en politieke betrokkenheid zal vergen, ook van de nationale parlementen, om de gezamenlijke strategische focus te behouden.
Geopolitieke ontwikkelingen en recente internationale en nationale veiligheidsanalyses nopen tot een aanpassing van het ambitieniveau van de krijgsmacht. Deze trendbreuk heeft gevolgen voor de samenstelling en toerusting van het materieel en personeel van de krijgsmacht, en zo ook voor het bijbehorende niveau van de defensiebestedingen. Goed werkgeverschap blijft daarbij centraal staan. De intentie is om deze trendbreuk de komende jaren, waar dat mogelijk en nodig is, verder door te zetten. De richting die met de nota ‘In het belang van Nederland’ is ingeslagen, geldt daarbij onverminderd als uitgangspunt. Internationale samenwerking is nadrukkelijk een kernbegrip in die nota evenals toekomstbestendigheid.
Het debat over de Nederlandse defensie-inspanning in relatie tot de beoordeling van de nationale en internationale veiligheidssituatie zal het komende jaar veel aandacht krijgen. Ik zal u hierover op de hoogte houden.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
bron
Zie ook: NAVO-top: sneller op crises reageren
der Staten-Generaal
9 september 2014
In de motie-Kuiper (Kamerstuk EK 33 750 X, E) wordt de regering verzocht "aan te geven op welke termijn en op welke wijze Nederland zich in zijn budgettaire beleid kan voegen naar een niveau van uitgaven dat past bij zijn eigen Veiligheidsstrategie en afgesproken internationale verplichtingen." In mijn initiële reactie heb ik u laten weten de motie sympathiek te vinden. De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking heeft mij vervolgens om een nadere toelichting gevraagd.
Afgelopen donderdag en vrijdag is de Navo-top in het Verenigd Koninkrijk gehouden. Het verslag van deze bijeenkomst, waarbij de lidstaten ook afspraken hebben gemaakt over de ontwikkeling van hun defensie-uitgaven, krijgt u binnenkort separaat toegestuurd. Feit is dat deze Top een belangrijk moment markeerde in de transatlantische veiligheidsagenda. Sinds de vorige Navo-top, twee jaar geleden in Chicago, is de wereld immers in belangrijke opzichten veranderd. Zo zijn we de afgelopen maanden geconfronteerd met het destabiliserende militaire optreden van Rusland op de Krim en in Oost-Oekraïne. De situatie in het Midden-Oosten is zeer explosief en ook in Noord-Afrika laait het geweld op. We worden, kortom, in toenemende mate omgeven door ernstige brandhaarden en conflicten die, naar verwachting, langdurig van aard zijn. Dit heeft gevolgen, direct of indirect, voor de Nederlandse samenleving en de Nederlandse staatsburgers in het buitenland.
Ook de diversiteit aan dreigingen neemt onmiskenbaar toe. Het gaat al lang niet meer alleen om territoriale dreigingen, al blijven deze - zo toont de Oekraïne-crisis aan - relevant. Terrorisme en cyberdreigingen zijn welhaast per definitie grensoverschrijdend. De toenemende verwevenheid van interne en externe veiligheid is dan ook een groeiende bron van zorg. De veiligheidsvraagstukken zijn prangend en de komende tijd zullen, in nationaal en internationaal verband, overtuigende antwoorden moeten worden geformuleerd. Hieraan wordt, in nauwe samenwerking met onze bondgenoten, hard gewerkt.
Het is in het belang van de Nederlandse staat om antwoord te kunnen blijven geven op de geopolitieke ontwikkelingen. Het kabinet acht het daarbij van belang om niet alleen de input te beschouwen maar ook de output die met de beschikbare defensiemiddelen wordt bereikt. De hoogte van het defensiebudget zegt immers niet alles over de prestaties van een krijgsmacht. Ook een optimale besteding van de middelen, zoals (gezamenlijke) investeringen in geprioriteerde capaciteiten, doet er toe. Voorts moeten capaciteiten ook werkelijk beschikbaar worden gesteld. De politieke bereidheid om aan missies deel te nemen is, met andere woorden, evenzeer een factor van belang.
Dit laat onverlet dat van Nederland wordt verwacht dat het zijn militaire bijdrage aan de bondgenootschappelijke veiligheid ten minste op peil houdt en, waar mogelijk, versterkt. De Europese landen moeten meer verantwoordelijkheid nemen, zowel binnen de Navo als daarbuiten. De recente ontwikkelingen onderstrepen de urgentie van eensgezind optreden en de bundeling van Europese inspanningen op veiligheidsgebied. De huidige crises moeten ons allen aansporen om het reactievermogen te vergroten en de aanpak van militaire tekorten voortvarend ter hand te nemen. De Nederlandse defensie-inspanning is hierop gericht. De begrotingsafspraken van medio oktober 2013 hebben tot extra middelen voor Defensie geleid (Kamerstuk TK 33 763, nr. 7). Op Prinsjesdag wordt u nader geïnformeerd over de afspraken die zijn gemaakt voor de begroting van 2015. Duidelijk is dat de tijd van bezuinigingen op Defensie voorbij is.
De NAVO en de EU hebben de militaire tekortkomingen geïnventariseerd en Nederland streeft ernaar deze tekortkomingen, in samenwerking met onze bondgenoten, weg te werken. De Nederlandse krijgsmacht staat immers niet op zichzelf. Aansluiting bij het NAVO-planningsproces maar ook bij NAVO en EU-initiatieven, zoals Smart Defence en Pooling & Sharing, is dan ook de leidraad. Bestaande samenwerkingsverbanden worden voorts zoveel mogelijk benut en verder versterkt. Wel is het duidelijk dat het de komende jaren veel inspanning en politieke betrokkenheid zal vergen, ook van de nationale parlementen, om de gezamenlijke strategische focus te behouden.
Geopolitieke ontwikkelingen en recente internationale en nationale veiligheidsanalyses nopen tot een aanpassing van het ambitieniveau van de krijgsmacht. Deze trendbreuk heeft gevolgen voor de samenstelling en toerusting van het materieel en personeel van de krijgsmacht, en zo ook voor het bijbehorende niveau van de defensiebestedingen. Goed werkgeverschap blijft daarbij centraal staan. De intentie is om deze trendbreuk de komende jaren, waar dat mogelijk en nodig is, verder door te zetten. De richting die met de nota ‘In het belang van Nederland’ is ingeslagen, geldt daarbij onverminderd als uitgangspunt. Internationale samenwerking is nadrukkelijk een kernbegrip in die nota evenals toekomstbestendigheid.
Het debat over de Nederlandse defensie-inspanning in relatie tot de beoordeling van de nationale en internationale veiligheidssituatie zal het komende jaar veel aandacht krijgen. Ik zal u hierover op de hoogte houden.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
bron
Zie ook: NAVO-top: sneller op crises reageren
dinsdag 10 juni 2014
woensdag 28 mei 2014
Weblog van de Commandant der Strijdkrachten
Veiligheidsdiscussie
20-05-2014 | Generaal Tom Middendorp
In Nederland is discussie ontstaan over onze veiligheid en het geslonken Defensiebudget. Een belangrijke ontwikkeling. Hoe breder de discussie, hoe beter. Veiligheid is immers voor iedereen van belang en zeker geen luxeartikel.
De oproep van de Amerikaanse president Barack Obama aan Europese landen om meer te spenderen aan hun krijgsmacht en niet langer disproportioneel op de Amerikanen te leunen als het gaat om de veiligheid heeft de discussie aangewakkerd. Maar ook de spanningen in de Oekraïne maken veel los.
Dit land - op slechts 2 uur vliegafstand en gelegen aan de grenzen van de EU - laat namelijk zien dat een schijnbaar stabiele situatie zo kan omslaan en dat veiligheid helemaal niet vanzelfsprekend is. Sommigen noemen het niet voor niets een wake-up-call. Wie had immers 4 maanden geleden gedacht dat de verhoudingen zo snel konden verslechteren?
Dat geeft ook te denken. Zo liet de schrijver Geert Mak in het programma ‘Eén op één’ weten: “We waren zo bezig met die soft power - en dat is ook goed - alleen Poetin reageert op een 19e-eeuwse manier.” Mak, ooit pacifist, meende daarom dat we “Defensie niet moeten afbreken” en dat we “meer moeten samenwerken met anderen.”
En de Britse militair historicus en oud-journalist Max Hastings zei in een interview met NRC Handelsblad over de situatie in de Oekraïne: “Ik stel geen moment voor dat we een militair antwoord moeten geven, maar ik suggereer wel dat we moeten laten zien dat we dat kunnen. Het is angstaanjagend dat Europa niet eens kan pretenderen dat het een militair antwoord heeft.”
Zo is het maar net. Dat is ook de reden waarom ik zelf vorige week bij een debatbijeenkomst opmerkte dat een brullende leeuw veel geloofwaardiger is als die ook zijn tanden kan laten zien. Het is nu eenmaal geloofwaardiger als je praat vanuit een sterke positie. Vriend en vijand weten dat.
Mijn uitspraken trokken de aandacht van de media, maar het moest gezegd worden. Europa levert slechts 25% van de NAVO en moet een meer geloofwaardige partner worden. Dit vooral door meer rendement te halen uit onze samenwerking en de krachten nog meer te bundelen. Maar daarmee verandert dit percentage niet. Daar is meer voor nodig.
Bij militaire samenwerking geldt dat de liefde van 2 kanten moet komen. Je kunt als land niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten, en voor een lagere premie een hogere dekking verwachten. Je moet ook bereid zijn te leveren.
En dat is nu net het probleem. Nederland investeert nu 1,16% van het Bruto Nationaal Product in Defensie. Als we de pensioenen en wachtgelden niet meetellen slechts 0,87%. Ter vergelijking: de gemiddelde bijdrage van de Europese NAVO-landen is 1,56% en de NAVO-norm is 2%.
Wij zitten met onze 1,16% dus ruim onder de gemiddelde EU-bijdrage en de NAVO-norm. En dat terwijl onze economische positie zich juist meer in de kopgroep bevindt. En dat in een tijd waarin we in toenemende mate afhankelijk zijn van stabiliteit, zowel binnen als buiten Europa…
Dat baart mij zorgen. Of we het nu leuk vinden of niet, in veiligheid en vrijheid moeten we blijven investeren. Of zoals Geert Mak in de uitzending ‘Eén op één’ concludeerde:
“Vrijheid komt niet vanzelf. Voor vrijheid moet je knokken. Moet je concessies doen. Moet je ruzie over maken. Rode koppen krijgen en uiteindelijk weer naar de stembussen sjokken. Dat is allemaal vrijheid. Vrijheid moet je verrekt alert op zijn, want anders glipt het zo door je vingers”.
Generaal Tom Middendorp,
Commandant der Strijdkrachten
20-05-2014 | Generaal Tom Middendorp
In Nederland is discussie ontstaan over onze veiligheid en het geslonken Defensiebudget. Een belangrijke ontwikkeling. Hoe breder de discussie, hoe beter. Veiligheid is immers voor iedereen van belang en zeker geen luxeartikel.
De oproep van de Amerikaanse president Barack Obama aan Europese landen om meer te spenderen aan hun krijgsmacht en niet langer disproportioneel op de Amerikanen te leunen als het gaat om de veiligheid heeft de discussie aangewakkerd. Maar ook de spanningen in de Oekraïne maken veel los.
Dit land - op slechts 2 uur vliegafstand en gelegen aan de grenzen van de EU - laat namelijk zien dat een schijnbaar stabiele situatie zo kan omslaan en dat veiligheid helemaal niet vanzelfsprekend is. Sommigen noemen het niet voor niets een wake-up-call. Wie had immers 4 maanden geleden gedacht dat de verhoudingen zo snel konden verslechteren?
Dat geeft ook te denken. Zo liet de schrijver Geert Mak in het programma ‘Eén op één’ weten: “We waren zo bezig met die soft power - en dat is ook goed - alleen Poetin reageert op een 19e-eeuwse manier.” Mak, ooit pacifist, meende daarom dat we “Defensie niet moeten afbreken” en dat we “meer moeten samenwerken met anderen.”
En de Britse militair historicus en oud-journalist Max Hastings zei in een interview met NRC Handelsblad over de situatie in de Oekraïne: “Ik stel geen moment voor dat we een militair antwoord moeten geven, maar ik suggereer wel dat we moeten laten zien dat we dat kunnen. Het is angstaanjagend dat Europa niet eens kan pretenderen dat het een militair antwoord heeft.”
Zo is het maar net. Dat is ook de reden waarom ik zelf vorige week bij een debatbijeenkomst opmerkte dat een brullende leeuw veel geloofwaardiger is als die ook zijn tanden kan laten zien. Het is nu eenmaal geloofwaardiger als je praat vanuit een sterke positie. Vriend en vijand weten dat.
Mijn uitspraken trokken de aandacht van de media, maar het moest gezegd worden. Europa levert slechts 25% van de NAVO en moet een meer geloofwaardige partner worden. Dit vooral door meer rendement te halen uit onze samenwerking en de krachten nog meer te bundelen. Maar daarmee verandert dit percentage niet. Daar is meer voor nodig.
Bij militaire samenwerking geldt dat de liefde van 2 kanten moet komen. Je kunt als land niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten, en voor een lagere premie een hogere dekking verwachten. Je moet ook bereid zijn te leveren.
En dat is nu net het probleem. Nederland investeert nu 1,16% van het Bruto Nationaal Product in Defensie. Als we de pensioenen en wachtgelden niet meetellen slechts 0,87%. Ter vergelijking: de gemiddelde bijdrage van de Europese NAVO-landen is 1,56% en de NAVO-norm is 2%.
Wij zitten met onze 1,16% dus ruim onder de gemiddelde EU-bijdrage en de NAVO-norm. En dat terwijl onze economische positie zich juist meer in de kopgroep bevindt. En dat in een tijd waarin we in toenemende mate afhankelijk zijn van stabiliteit, zowel binnen als buiten Europa…
Dat baart mij zorgen. Of we het nu leuk vinden of niet, in veiligheid en vrijheid moeten we blijven investeren. Of zoals Geert Mak in de uitzending ‘Eén op één’ concludeerde:
“Vrijheid komt niet vanzelf. Voor vrijheid moet je knokken. Moet je concessies doen. Moet je ruzie over maken. Rode koppen krijgen en uiteindelijk weer naar de stembussen sjokken. Dat is allemaal vrijheid. Vrijheid moet je verrekt alert op zijn, want anders glipt het zo door je vingers”.
Generaal Tom Middendorp,
Commandant der Strijdkrachten
dinsdag 29 april 2014
Onderverzekerd
Raul du Pré
Na de afbraak volgt de bezinning: hebben alle bezuinigingen ons leger niet wat al te grondig uitgekleed? Drie jaar geleden lekte een vertrouwelijk stuk uit waarin Hans Hillen, toen nog minister van Defensie, schreef dat Nederland onderverzekerd dreigde te raken voor zijn eigen veiligheid. Aan bezuinigen op de krijgsmacht zit een grens, aldus Hillens noodkreet. Waarop hijzelf voor een miljard euro aan nieuwe bezuinigingen aankondigde.
Het is symptomatisch voor de manier waarop bestuurders Defensie jarenlang zagen als de populairste afbraakpost. In twee decennia werd het budget bijna gehalveerd, tot ruim 7 miljard euro. Dat was deels logisch - het dienstplichtigenleger van weleer moest omgevormd tot de ‘veelzijdig inzetbare krijgsmacht’ die zich toelegt op internationale missies - maar in de afgelopen jaren kreeg het trekken van een kaalslag. In talloze nota's en beleidsbrieven rekenden opeenvolgende kabinetten af, steeds met andere visies: de landmacht verwerkte klap op klap, alle tanks gingen de deur uit, veel materiaal kampt met achterstallig onderhoud en de luchtmacht wordt fors ingekrompen. Tegelijkertijd meedoen aan twee serieuze operaties is straks niet meer mogelijk. Aan de normen van het NAVO-bondgenootschap voldoen we allang niet meer.
De critici die zich afvroegen of de afbraak niet wat al te voortvarend ter hand werd genomen, kregen na het wegvallen van het Rode Gevaar nauwelijks voet aan de grand. De dreiging was te abstract. Nederland had andere politieke prioriteiten en keek daarbij minder over de grens.
Is nu het kantelpunt bereikt? Zeker is dat VVD, SGP en ChristenUnie - van oudsher met een warm hart voor Defensie - hun kans grijpen nu de Oekraïnecrisis de Koude Oorlog in herinnering brengt. Als er straks echt weer eens wat financiële meevallers zijn, kan er best eens wat méér geld naar Defensie, opperen zij voorzichtig. En voor het eerst in lange tijd mogen zij zowaar hopen op wat meer maatschappelijke bijval: in rap tempo groeit in Europa het besef dat een leger geen overbodige luxe is.
Een gezonde, effectieve en op z’n taak beruste krijgsmacht begint met een fundamentele politieke discussie over wat nodig is om onze vrijheid, veiligheid en welvaart in internationaal verband te kunnen verdedigen. Stoppen met blind bezuinigen is daarvan het begin.
(Commentaar van de Volkskrant, 29 april 2014)
Na de afbraak volgt de bezinning: hebben alle bezuinigingen ons leger niet wat al te grondig uitgekleed? Drie jaar geleden lekte een vertrouwelijk stuk uit waarin Hans Hillen, toen nog minister van Defensie, schreef dat Nederland onderverzekerd dreigde te raken voor zijn eigen veiligheid. Aan bezuinigen op de krijgsmacht zit een grens, aldus Hillens noodkreet. Waarop hijzelf voor een miljard euro aan nieuwe bezuinigingen aankondigde.
Het is symptomatisch voor de manier waarop bestuurders Defensie jarenlang zagen als de populairste afbraakpost. In twee decennia werd het budget bijna gehalveerd, tot ruim 7 miljard euro. Dat was deels logisch - het dienstplichtigenleger van weleer moest omgevormd tot de ‘veelzijdig inzetbare krijgsmacht’ die zich toelegt op internationale missies - maar in de afgelopen jaren kreeg het trekken van een kaalslag. In talloze nota's en beleidsbrieven rekenden opeenvolgende kabinetten af, steeds met andere visies: de landmacht verwerkte klap op klap, alle tanks gingen de deur uit, veel materiaal kampt met achterstallig onderhoud en de luchtmacht wordt fors ingekrompen. Tegelijkertijd meedoen aan twee serieuze operaties is straks niet meer mogelijk. Aan de normen van het NAVO-bondgenootschap voldoen we allang niet meer.
De critici die zich afvroegen of de afbraak niet wat al te voortvarend ter hand werd genomen, kregen na het wegvallen van het Rode Gevaar nauwelijks voet aan de grand. De dreiging was te abstract. Nederland had andere politieke prioriteiten en keek daarbij minder over de grens.
Is nu het kantelpunt bereikt? Zeker is dat VVD, SGP en ChristenUnie - van oudsher met een warm hart voor Defensie - hun kans grijpen nu de Oekraïnecrisis de Koude Oorlog in herinnering brengt. Als er straks echt weer eens wat financiële meevallers zijn, kan er best eens wat méér geld naar Defensie, opperen zij voorzichtig. En voor het eerst in lange tijd mogen zij zowaar hopen op wat meer maatschappelijke bijval: in rap tempo groeit in Europa het besef dat een leger geen overbodige luxe is.
Een gezonde, effectieve en op z’n taak beruste krijgsmacht begint met een fundamentele politieke discussie over wat nodig is om onze vrijheid, veiligheid en welvaart in internationaal verband te kunnen verdedigen. Stoppen met blind bezuinigen is daarvan het begin.
(Commentaar van de Volkskrant, 29 april 2014)
donderdag 17 april 2014
Defensie ondersteunt inzet NAVO in Oost-Europa
De NAVO heeft gisteren aanvullende maatregelen aangekondigd om bondgenoten gerust te stellen die zich door de crisis in Oekraïne bedreigd voelen. Nederland heeft aangegeven hieraan bij te dragen. Een mijnenjager gaat oefenen in de Oostzee. Nederland levert indien gevraagd ook een fregat en F-16’s.
“Evenwichtig en proportioneel”, zo bestempelen de ministers Frans Timmermans van Buitenlandse Zaken en Jeanine Hennis-Plasschaert van Defensie het pakket aan maatregelen in hun brief aan de Tweede Kamer. “De maatregelen geven uitdrukking aan de eensgezindheid en solidariteit in het bondgenootschap zonder dat zij escalerend werken.”
Oefeningen Oostzee
Nederland levert al tankercapaciteit voor de in Oost-Europa patrouillerende AWACS-radarvliegtuigen. Behalve de mijnenjager nemen vanaf medio dit jaar enkele schepen en een compagnie mariniers deel aan oefeningen. Deze zijn niet alleen in de Oostzee, maar ook in Polen.
Fregat
Nederland biedt verder aan het luchtverdedigings- en commandofregat Zr.Ms. Evertsen in te zetten in de Middellandse Zee. Het marineschip maakt sinds begin februari van dit jaar deel uit van de anti-piraterijmissie Ocean Shield bij Somalië. Het opperbevel van de NAVO kan besluiten om de Standing NATO Maritime Group 1 en 2 in te zetten in respectievelijk de Oostzee en de Middellandse Zee. In dat geval onttrekt de NAVO de Evertsen aan de anti-piraterijmissie. Hoewel afgeslankt, gaan Ocean Shield en de andere missies in het gebied gewoon door.
De Baltische staten Estland, Letland en Litouwen zijn voor de beveiliging van hun luchtruim afhankelijk van de jachtvliegtuigen van hun NAVO-partners. Nederland doet regelmatig mee met het patrouilleren met F-16's boven de Baltische staten. Dat doen NAVO-landen per toerbeurt. De NAVO gaat die luchtpatrouilles intensiveren. Nederland is bereid daaraan een bijdrage te leveren als de NAVO daar om vraagt.
Tijdelijke versterking
De extra militaire inzet maakt deel uit van de tijdelijke versterking van de collectieve verdediging van het NAVO-grondgebied. Het bondgenootschap laat meer vliegtuigen patrouilleren en stuurt meer schepen naar de Oostzee en de Middellandse Zee. Ook houden de NAVO-landen extra oefeningen en actualiseren ze hun verdedigingsplannen.
(ministerie van Defensie, 17 april 2014)
Kamerbrief over eventuele extra inzet in Oost-Europa
“Evenwichtig en proportioneel”, zo bestempelen de ministers Frans Timmermans van Buitenlandse Zaken en Jeanine Hennis-Plasschaert van Defensie het pakket aan maatregelen in hun brief aan de Tweede Kamer. “De maatregelen geven uitdrukking aan de eensgezindheid en solidariteit in het bondgenootschap zonder dat zij escalerend werken.”
Oefeningen Oostzee
Nederland levert al tankercapaciteit voor de in Oost-Europa patrouillerende AWACS-radarvliegtuigen. Behalve de mijnenjager nemen vanaf medio dit jaar enkele schepen en een compagnie mariniers deel aan oefeningen. Deze zijn niet alleen in de Oostzee, maar ook in Polen.
Fregat
Nederland biedt verder aan het luchtverdedigings- en commandofregat Zr.Ms. Evertsen in te zetten in de Middellandse Zee. Het marineschip maakt sinds begin februari van dit jaar deel uit van de anti-piraterijmissie Ocean Shield bij Somalië. Het opperbevel van de NAVO kan besluiten om de Standing NATO Maritime Group 1 en 2 in te zetten in respectievelijk de Oostzee en de Middellandse Zee. In dat geval onttrekt de NAVO de Evertsen aan de anti-piraterijmissie. Hoewel afgeslankt, gaan Ocean Shield en de andere missies in het gebied gewoon door.
| Zr.Ms. Evertsen (foto: Hans de Vreij) |
De Baltische staten Estland, Letland en Litouwen zijn voor de beveiliging van hun luchtruim afhankelijk van de jachtvliegtuigen van hun NAVO-partners. Nederland doet regelmatig mee met het patrouilleren met F-16's boven de Baltische staten. Dat doen NAVO-landen per toerbeurt. De NAVO gaat die luchtpatrouilles intensiveren. Nederland is bereid daaraan een bijdrage te leveren als de NAVO daar om vraagt.
![]() |
| F-16 (foto: Defensie) |
Tijdelijke versterking
De extra militaire inzet maakt deel uit van de tijdelijke versterking van de collectieve verdediging van het NAVO-grondgebied. Het bondgenootschap laat meer vliegtuigen patrouilleren en stuurt meer schepen naar de Oostzee en de Middellandse Zee. Ook houden de NAVO-landen extra oefeningen en actualiseren ze hun verdedigingsplannen.
(ministerie van Defensie, 17 april 2014)
Kamerbrief over eventuele extra inzet in Oost-Europa
woensdag 16 april 2014
'Geruststellingspakket' Defensie in verband met de crisis in Oekraïne
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
16 april 2014
Betreft: NAVO - geruststellende maatregelen in verband met de crisis i Oekraïne
Op 1 april jl. gaf de ministeriële Noord-Atlantische Raad (NAR) van de NAVO de militaire autoriteiten opdracht om op korte termijn militaire opties uit te werken om bondgenoten gerust te stellen die zich door de crisis in Oekraïne bedreigd voelen (zie de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2014, kenmerk DVB/VD-030/2014). De NAR heeft vandaag een besluit genomen over een pakket van aanvullende, militaire maatregelen. Hieronder informeert het Kabinet over de inhoud van het pakket. Tevens informeert het Kabinet u over mogelijke Nederlandse bijdragen en over het besluit van de minister van Defensie om de bilaterale defensiesamenwerking met de Russische Federatie te bevriezen.
Maatregelen SACEUR
Het besluit van de NAR biedt de Supreme Allied Commander for Europe (SACEUR) de mogelijkheid maatregelen te treffen waardoor het bondgenootschap de collectieve verdediging van het NAVO-grondgebied tijdelijk versterkt. Het pakket voorziet in een grotere NAVO onder andere door:
- intensivering van maatregelen om de situational awareness te vergroten;
- intensivering van het aantal patrouillevluchten in het kader van de Baltic Air Policing;
- versterkte presentie van NAVO-vlootverbanden in de Oostzee en Middellandse Zee;
- de inzet van militaire stafleden met het oog op het versterken van de gereedstelling en extra training en militaire oefeningen;
- herziening en actualisering van verdedigingsplannen.
Nederland is tevreden over het overeengekomen pakket van maatregelen. Het is evenwichtig en proportioneel en biedt bondgenoten die zich bedreigd voelen voldoende zekerheden. Bovendien is afgesproken dat, afhankelijk van de ontwikkelingen, het pakket kan worden aangepast. De maatregelen geven uitdrukking aan de eensgezindheid en solidariteit in het bondgenootschap zonder dat zij escalerend werken.
Nederlandse bijdrage
Nederland levert op dit moment al een bijdrage aan de eerste serie van maatregelen die SACEUR in maart jl. heeft getroffen. Zo wordt de Nederlandse tankercapaciteit (air-to-air refuelling) ingezet ten behoeve van het bijtanken van de AWACS (zie ook Kamerstuk 28676-198). Op korte termijn zal een Nederlandse mijnenjager, die onderdeel is van de Standing NATO Mine Clearing Maritime Group (SNMCMG 1), oefeningen gaan uitvoeren en havenbezoeken afleggen in de Oostzee. Verder zal Nederland in juni met enkele schepen deelnemen aan de oefening Baltops en in september neemt een compagnie Special Forces in Polen deel aan de oefening Noble Sword. Nederland levert daarnaast twee functionarissen aan de versterking van de staf van het NAVO-hoofdkwartier SHAPE. Nederland beraadt zich op dit moment op mogelijke bijdragen aan het onderhavige pakket aanvullende maatregelen van SACEUR.
Zoals bekend zijn de Baltische landen afhankelijk van hun NAVO-partners voor de beveiliging van hun luchtruim met jachtvliegtuigen. De NAVO heeft deze Baltic Air Policing taak inmiddels geïntensiveerd. Er worden meer vliegtuigen ingezet en meer patrouillevluchten uitgevoerd. Ook Nederlandse F-16’s zijn beschikbaar om patrouillevluchten uit te voeren. Nederland was al voornemens deel te nemen aan de Baltic Air Policing taak in 2017. SACEUR beziet op dit moment de planning. Het Kabinet zal de Kamer nader informeren als zich als onderdeel van het geruststellingspakket eerder inzetmogelijkheden aandienen.
Onderdeel van de voorstellen van SACEUR is de mogelijkheid om de beide Standing NATO Maritime Groups (SNMG 1 en SNMG 2) in te zetten in de Oostzee en de Middellandse Zee. Momenteel is de SNMG 2 actief in de antipiraterij-operatie Ocean Shield in de wateren voor de kust van Somalië. De SNMG 2 bestaat uit vier schepen, waaronder het Nederlandse Luchtverdediging en Commandofregat Zr. Ms. Evertsen (van 24 januari 2014 tot en met half mei 2014). Indien SACEUR daartoe besluit, zal Zr. Ms. Evertsen eerder dan voorzien stoppen met Ocean Shield en als onderdeel van SNMG 2 actief worden in de Middellandse Zee. Het onttrekken van schepen aan Ocean Shield betekent niet dat de operatie wordt beëindigd. Het netwerk en de commandostructuur blijven intact om situational awareness te behouden en om zo nodig weer te kunnen opschalen. In 2014 levert Nederland verder geen bijdrage meer aan Ocean Shield. Met de anti-piraterijmissie EU-Atalanta en de Combined Maritime Forces is de maritieme aanwezigheid in 2014 in de wateren voor de kust van Somalië behouden. Defensie zal de Vessel Protection Detachements (VPD's) blijven inzetten. Nederland zet bovendien de geïntegreerde aanpak op het gebied van piraterijbestrijding voort door ook deel te nemen aan de maritieme capaciteitsopbouwmissie EUCAP Nestor en de EU Trainingsmissie in Somalië.
Bilaterale Defensiesamenwerking Rusland-Nederland
In reactie op de Russische annexatie van de Krim besloten de ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO op 1 april jl. alle praktische samenwerking – zowel civiel als militair – met de Russische Federatie in het kader van de NAVO-Rusland Raad (NRC), de Euro-Atlantische Partnerschapraad (EAPC) en het Partnership for Peace (PfP) op te schorten. De Russische Federatie mag voorts niet langer deelnemen aan comités en bijeenkomsten in NRC, EAPC of PfP-verband. Om de politieke dialoog te kunnen voortzetten, geldt deze uitsluiting niet voor bijeenkomsten van de EAPC op ambassadeursniveau of de NRC op ambassadeursniveau of hoger.
De Russische defensieattaché in Den Haag is 11 april jl. geïnformeerd over het besluit van de minister van Defensie om de bilaterale defensiesamenwerking tussen Nederland en de Russische Federatie te bevriezen, afgezien van herdenkingen in verband met de Tweede Wereldoorlog. Aangezien Nederland veel belang hecht aan de dialoog met de Russische Federatie, is besloten de communicatiekanalen met de Russische defensieattaché in Den Haag open te houden en de Nederlandse defensieattaché in Moskou op zijn post te laten.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Frans Timmermans
De Minister van Defensie
J.A. Hennis-Plasschaert
16 april 2014
Betreft: NAVO - geruststellende maatregelen in verband met de crisis i Oekraïne
Op 1 april jl. gaf de ministeriële Noord-Atlantische Raad (NAR) van de NAVO de militaire autoriteiten opdracht om op korte termijn militaire opties uit te werken om bondgenoten gerust te stellen die zich door de crisis in Oekraïne bedreigd voelen (zie de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2014, kenmerk DVB/VD-030/2014). De NAR heeft vandaag een besluit genomen over een pakket van aanvullende, militaire maatregelen. Hieronder informeert het Kabinet over de inhoud van het pakket. Tevens informeert het Kabinet u over mogelijke Nederlandse bijdragen en over het besluit van de minister van Defensie om de bilaterale defensiesamenwerking met de Russische Federatie te bevriezen.
Maatregelen SACEUR
Het besluit van de NAR biedt de Supreme Allied Commander for Europe (SACEUR) de mogelijkheid maatregelen te treffen waardoor het bondgenootschap de collectieve verdediging van het NAVO-grondgebied tijdelijk versterkt. Het pakket voorziet in een grotere NAVO onder andere door:
- intensivering van maatregelen om de situational awareness te vergroten;
- intensivering van het aantal patrouillevluchten in het kader van de Baltic Air Policing;
- versterkte presentie van NAVO-vlootverbanden in de Oostzee en Middellandse Zee;
- de inzet van militaire stafleden met het oog op het versterken van de gereedstelling en extra training en militaire oefeningen;
- herziening en actualisering van verdedigingsplannen.
Nederland is tevreden over het overeengekomen pakket van maatregelen. Het is evenwichtig en proportioneel en biedt bondgenoten die zich bedreigd voelen voldoende zekerheden. Bovendien is afgesproken dat, afhankelijk van de ontwikkelingen, het pakket kan worden aangepast. De maatregelen geven uitdrukking aan de eensgezindheid en solidariteit in het bondgenootschap zonder dat zij escalerend werken.
Nederlandse bijdrage
Nederland levert op dit moment al een bijdrage aan de eerste serie van maatregelen die SACEUR in maart jl. heeft getroffen. Zo wordt de Nederlandse tankercapaciteit (air-to-air refuelling) ingezet ten behoeve van het bijtanken van de AWACS (zie ook Kamerstuk 28676-198). Op korte termijn zal een Nederlandse mijnenjager, die onderdeel is van de Standing NATO Mine Clearing Maritime Group (SNMCMG 1), oefeningen gaan uitvoeren en havenbezoeken afleggen in de Oostzee. Verder zal Nederland in juni met enkele schepen deelnemen aan de oefening Baltops en in september neemt een compagnie Special Forces in Polen deel aan de oefening Noble Sword. Nederland levert daarnaast twee functionarissen aan de versterking van de staf van het NAVO-hoofdkwartier SHAPE. Nederland beraadt zich op dit moment op mogelijke bijdragen aan het onderhavige pakket aanvullende maatregelen van SACEUR.
Zoals bekend zijn de Baltische landen afhankelijk van hun NAVO-partners voor de beveiliging van hun luchtruim met jachtvliegtuigen. De NAVO heeft deze Baltic Air Policing taak inmiddels geïntensiveerd. Er worden meer vliegtuigen ingezet en meer patrouillevluchten uitgevoerd. Ook Nederlandse F-16’s zijn beschikbaar om patrouillevluchten uit te voeren. Nederland was al voornemens deel te nemen aan de Baltic Air Policing taak in 2017. SACEUR beziet op dit moment de planning. Het Kabinet zal de Kamer nader informeren als zich als onderdeel van het geruststellingspakket eerder inzetmogelijkheden aandienen.
Onderdeel van de voorstellen van SACEUR is de mogelijkheid om de beide Standing NATO Maritime Groups (SNMG 1 en SNMG 2) in te zetten in de Oostzee en de Middellandse Zee. Momenteel is de SNMG 2 actief in de antipiraterij-operatie Ocean Shield in de wateren voor de kust van Somalië. De SNMG 2 bestaat uit vier schepen, waaronder het Nederlandse Luchtverdediging en Commandofregat Zr. Ms. Evertsen (van 24 januari 2014 tot en met half mei 2014). Indien SACEUR daartoe besluit, zal Zr. Ms. Evertsen eerder dan voorzien stoppen met Ocean Shield en als onderdeel van SNMG 2 actief worden in de Middellandse Zee. Het onttrekken van schepen aan Ocean Shield betekent niet dat de operatie wordt beëindigd. Het netwerk en de commandostructuur blijven intact om situational awareness te behouden en om zo nodig weer te kunnen opschalen. In 2014 levert Nederland verder geen bijdrage meer aan Ocean Shield. Met de anti-piraterijmissie EU-Atalanta en de Combined Maritime Forces is de maritieme aanwezigheid in 2014 in de wateren voor de kust van Somalië behouden. Defensie zal de Vessel Protection Detachements (VPD's) blijven inzetten. Nederland zet bovendien de geïntegreerde aanpak op het gebied van piraterijbestrijding voort door ook deel te nemen aan de maritieme capaciteitsopbouwmissie EUCAP Nestor en de EU Trainingsmissie in Somalië.
Bilaterale Defensiesamenwerking Rusland-Nederland
In reactie op de Russische annexatie van de Krim besloten de ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO op 1 april jl. alle praktische samenwerking – zowel civiel als militair – met de Russische Federatie in het kader van de NAVO-Rusland Raad (NRC), de Euro-Atlantische Partnerschapraad (EAPC) en het Partnership for Peace (PfP) op te schorten. De Russische Federatie mag voorts niet langer deelnemen aan comités en bijeenkomsten in NRC, EAPC of PfP-verband. Om de politieke dialoog te kunnen voortzetten, geldt deze uitsluiting niet voor bijeenkomsten van de EAPC op ambassadeursniveau of de NRC op ambassadeursniveau of hoger.
De Russische defensieattaché in Den Haag is 11 april jl. geïnformeerd over het besluit van de minister van Defensie om de bilaterale defensiesamenwerking tussen Nederland en de Russische Federatie te bevriezen, afgezien van herdenkingen in verband met de Tweede Wereldoorlog. Aangezien Nederland veel belang hecht aan de dialoog met de Russische Federatie, is besloten de communicatiekanalen met de Russische defensieattaché in Den Haag open te houden en de Nederlandse defensieattaché in Moskou op zijn post te laten.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Frans Timmermans
De Minister van Defensie
J.A. Hennis-Plasschaert
(Rijksoverheid, 16 april 2014)
maandag 3 maart 2014
Een bom onder Europa
OPINIE Vladimir Poetin heeft de wereld verrast in Oekraïne. De tijden van agressief revanchisme zijn terug in Europa, schrijft Arnout Brouwers in het commentaar van de Volkskrant.
De Russische president Vladimir Poetin, onlangs nog gesignaleerd aan de toog met koning Willem Alexander, heeft voor het eerst sinds de door Slobodan Milosevic aangejaagde Balkanoorlogen, het fundament van de huidige Europese veiligheidsordening geschonden: de territoriale integriteit van staten.
Het is op dit moment te vroeg om te zeggen of het Russische optreden in Oekraïne een invasie is van de Krim of heel oostelijk Oekraïne, of het begin van de creatie van nieuwe separatistische gebieden die - ook als er nooit een schot valt - zich feitelijk aan de Oekraïense soevereiniteit zuilen onttrekken. Maar nu al is duidelijk dat president Poetin een bom heeft gelegd onder de veiligheidsordening die na de instorting van de Sovjet-Unie in Europa is ontstaan.
Poetin heeft nooit verborgen dat Oekraïne voor hem van lijfsbelang is. De Oekraïense Oranjerevolutie van tien jaar geleden was de aanleiding om de democratie in Rusland verder af te knijpen. in 2008 bij de Navo-top in Boekarest trok Poetin in twijfel of Oekraïne wel een staat is. En recent zette hij president Janoekovitsj onder grote druk om af te zien van een associatieverdrag met de EU. Want Poetins Euraziatische Unie stelt te weinig voor zonder Oekraïense deelname.
Dit was allemaal bekend in het Westen, net zoals bekend was dat Poetin jarenlang de druk in Georgie’s afvallige provincies opvoerde tot hij in 2008 president Saakasjvili tot een aanval wist te provoceren - waarna Rusland binnenviel.
Wat westerse politici - jarenlang ingepakt door bilaterale deals met Gazprom en in slaap gesust door hun eigen retoriek over Poetins Nieuwe Rusland’ - niet zagen aankomen, waren de gebeurtenissen van de afgelopen dagen, die herinneringen oproepen aan zowel het Sovjetingrijpen in Boedapest in 1956 ais aan Adolf Hitlers campagne om de ‘rechten van Duitsers’ te waarborgen in Sudetenland. Ook Poetins staatsrevanchisme over het verlies van het door Moskou bestuurde Sovjetrijk, lijkt op een echo uit het verleden.
Maar willen de Russen op de Krim zelf niet bij Rusland? En kunnen we ais we een oogje dichtknijpen onze warme band met het Kremlin - en de gascontracten - niet bewaren? Zeker, de nieuwe overgangsregering in Kiev bevat enkele radicale types en heeft fouten gemaakt, vooral door de taalwet direct terug te draaien. Maar dit was geen westers complot en het is geen ‘fascistoïde bewind, hoezeer de Russische propaganda en Poetins al dan niet betaalde westerse apologeten dat ook betogen. Tot Rusland olie op het vuur gooide, stond niets een gezamenlijke Westers-Russische aanpak van de politieke en economische stabilisering van Oekraïne in de weg.
Het is 2014, niet 1938 of 1956- en dat is waarom Poetins flagrante schending van de Oekraïense soevereiniteit als zo’n verrassing komt. De postmoderne Europeanen hebben hun eigen strijdkrachten al half afgeschaft, rekenen niet meer op militair tromgeroffel in Europa en kunnen alleen denken in termen van ‘win-win’-diplomatie. Bovendien heeft Poetin veel Europese leiders, de Nederlandse voorop, in zijn broekzak zitten ais gevolg van de jarenlange bilaterale opbouw van energieposities in bijna alle EU-markten. Hij wist dat hij er geen direct tegenspel te verwachten had. in zekere zin geldt dat ook voor het 'terugtrekkende’ Amerika, dat Rusland tot nu onmisbaar achtte in onder meer zijn Iran-diplomatie.
Poetin kan dus een de facto inlijving van de Krim, en zelfs delen van Oost-Oekraïne, afdwingen. Het valt zeer te hopen dat de wereldgemeenschap hem nog kan intomen en een hete oorlog in Oekraïne voorkomen kan worden. Maar ongeacht wat volgt: Poetin is de Rubicon overgetrokken. Dat betekent dat alle betrokkenen de balans moeten opmaken van hun relatie met dit Russische bewind. Dat geldt ook voor Nederland als de facto bruggenhoofd voor Gazprom en veilige kluis voor criminele miljarden uit Rusland.
Arnout Brouwers is chef opinie van de Volkskrant.
© de Volkskrant
3 maart 2014
De Russische president Vladimir Poetin, onlangs nog gesignaleerd aan de toog met koning Willem Alexander, heeft voor het eerst sinds de door Slobodan Milosevic aangejaagde Balkanoorlogen, het fundament van de huidige Europese veiligheidsordening geschonden: de territoriale integriteit van staten.
Het is op dit moment te vroeg om te zeggen of het Russische optreden in Oekraïne een invasie is van de Krim of heel oostelijk Oekraïne, of het begin van de creatie van nieuwe separatistische gebieden die - ook als er nooit een schot valt - zich feitelijk aan de Oekraïense soevereiniteit zuilen onttrekken. Maar nu al is duidelijk dat president Poetin een bom heeft gelegd onder de veiligheidsordening die na de instorting van de Sovjet-Unie in Europa is ontstaan.
Poetin heeft nooit verborgen dat Oekraïne voor hem van lijfsbelang is. De Oekraïense Oranjerevolutie van tien jaar geleden was de aanleiding om de democratie in Rusland verder af te knijpen. in 2008 bij de Navo-top in Boekarest trok Poetin in twijfel of Oekraïne wel een staat is. En recent zette hij president Janoekovitsj onder grote druk om af te zien van een associatieverdrag met de EU. Want Poetins Euraziatische Unie stelt te weinig voor zonder Oekraïense deelname.
Dit was allemaal bekend in het Westen, net zoals bekend was dat Poetin jarenlang de druk in Georgie’s afvallige provincies opvoerde tot hij in 2008 president Saakasjvili tot een aanval wist te provoceren - waarna Rusland binnenviel.
Wat westerse politici - jarenlang ingepakt door bilaterale deals met Gazprom en in slaap gesust door hun eigen retoriek over Poetins Nieuwe Rusland’ - niet zagen aankomen, waren de gebeurtenissen van de afgelopen dagen, die herinneringen oproepen aan zowel het Sovjetingrijpen in Boedapest in 1956 ais aan Adolf Hitlers campagne om de ‘rechten van Duitsers’ te waarborgen in Sudetenland. Ook Poetins staatsrevanchisme over het verlies van het door Moskou bestuurde Sovjetrijk, lijkt op een echo uit het verleden.
Maar willen de Russen op de Krim zelf niet bij Rusland? En kunnen we ais we een oogje dichtknijpen onze warme band met het Kremlin - en de gascontracten - niet bewaren? Zeker, de nieuwe overgangsregering in Kiev bevat enkele radicale types en heeft fouten gemaakt, vooral door de taalwet direct terug te draaien. Maar dit was geen westers complot en het is geen ‘fascistoïde bewind, hoezeer de Russische propaganda en Poetins al dan niet betaalde westerse apologeten dat ook betogen. Tot Rusland olie op het vuur gooide, stond niets een gezamenlijke Westers-Russische aanpak van de politieke en economische stabilisering van Oekraïne in de weg.
Het is 2014, niet 1938 of 1956- en dat is waarom Poetins flagrante schending van de Oekraïense soevereiniteit als zo’n verrassing komt. De postmoderne Europeanen hebben hun eigen strijdkrachten al half afgeschaft, rekenen niet meer op militair tromgeroffel in Europa en kunnen alleen denken in termen van ‘win-win’-diplomatie. Bovendien heeft Poetin veel Europese leiders, de Nederlandse voorop, in zijn broekzak zitten ais gevolg van de jarenlange bilaterale opbouw van energieposities in bijna alle EU-markten. Hij wist dat hij er geen direct tegenspel te verwachten had. in zekere zin geldt dat ook voor het 'terugtrekkende’ Amerika, dat Rusland tot nu onmisbaar achtte in onder meer zijn Iran-diplomatie.
Poetin kan dus een de facto inlijving van de Krim, en zelfs delen van Oost-Oekraïne, afdwingen. Het valt zeer te hopen dat de wereldgemeenschap hem nog kan intomen en een hete oorlog in Oekraïne voorkomen kan worden. Maar ongeacht wat volgt: Poetin is de Rubicon overgetrokken. Dat betekent dat alle betrokkenen de balans moeten opmaken van hun relatie met dit Russische bewind. Dat geldt ook voor Nederland als de facto bruggenhoofd voor Gazprom en veilige kluis voor criminele miljarden uit Rusland.
Arnout Brouwers is chef opinie van de Volkskrant.
© de Volkskrant
3 maart 2014
dinsdag 14 januari 2014
Defensiekrant voortaan digitaal
Op 17 januari lanceert de Commandant der Strijdkrachten, generaal Tom Middendorp de eerste online Defensiekrant. Met dit online magazine stelt Defensie de lezers in staat om de achtergronden bij het Defensienieuws overal en altijd te lezen, of dat nu op de laptop, tablet of smartphone is. Na de digitale Defensiekrant vervangt Defensie de komende maanden nog zes magazines door een online variant. Daarmee is Defensie het eerste ministerie dat, op deze schaal, personeelsbladen digitaliseert.
Sinds 1978 heeft de papieren versie van de Defensiekrant een belangrijke rol vervuld bij het in-en extern verspreiden van defensienieuws. Daar is nu een einde aan gekomen, vanaf nu geen papier meer, maar de mogelijkheid interactief gebruik te maken van dit communicatiemiddel. Zo is het mogelijk om foto's aan te klikken om meer informatie te krijgen. Wie bijvoorbeeld een foto, genomen in Afghanistan, aanklikt ziet nu ook echt het droge zand voorbij stuiven en van militaire inzet waar ook ter wereld zijn indrukwekkende videobeelden te zien.
De Defensiekrant bijt op 17 januari het spits af. De zes andere personeelsbladen van de defensieonderdelen (Alle Hens, Landmacht, de Vliegende Hollander, KMarMagazine, Pijler en Materieelgezien) worden de komende maanden geleidelijk ook gedigitaliseerd. In april is het project gereed. Aanmelden voor alle online magazines van defensie, inclusief de Defensiekrant, kan via www.defensie.nl/abonneren.
(ministerie van Defensie, 14 januari 2014)
Sinds 1978 heeft de papieren versie van de Defensiekrant een belangrijke rol vervuld bij het in-en extern verspreiden van defensienieuws. Daar is nu een einde aan gekomen, vanaf nu geen papier meer, maar de mogelijkheid interactief gebruik te maken van dit communicatiemiddel. Zo is het mogelijk om foto's aan te klikken om meer informatie te krijgen. Wie bijvoorbeeld een foto, genomen in Afghanistan, aanklikt ziet nu ook echt het droge zand voorbij stuiven en van militaire inzet waar ook ter wereld zijn indrukwekkende videobeelden te zien.
De Defensiekrant bijt op 17 januari het spits af. De zes andere personeelsbladen van de defensieonderdelen (Alle Hens, Landmacht, de Vliegende Hollander, KMarMagazine, Pijler en Materieelgezien) worden de komende maanden geleidelijk ook gedigitaliseerd. In april is het project gereed. Aanmelden voor alle online magazines van defensie, inclusief de Defensiekrant, kan via www.defensie.nl/abonneren.
(ministerie van Defensie, 14 januari 2014)
dinsdag 7 januari 2014
Nieuwjaarsboodschap Commandant der Strijdkrachten
Historisch maar ook stormachtig. Dat was het jaar 2013 voor Defensie. Historisch, omdat belangrijke besluiten zijn genomen over de toekomst van de krijgsmacht. Stormachtig, omdat het ook het jaar was van de man met de hamer.
Een jaar waarin honderden loyale, hardwerkende collega’s hun baan verloren. Een jaar ook dat eindigde met meer duidelijkheid en perspectief. Zo kwam er een einde aan een lange periode van baanonzekerheid, zo toonde het herfstakkoord een toenemend besef in de Tweede Kamer dat er genoeg is bezuinigd op Defensie en zo bood de nota over de toekomst van de krijgsmacht voor alle Operationele Commando's een duidelijke stip aan de horizon.
Daarmee kunnen we de blik weer vooruit richten. Cruciaal voor een moderne krijgsmacht want “Het zijn niet de sterksten die overleven, maar diegenen die zich het beste aanpassen aan de omstandigheden”. Een toepasselijk citaat van Charles Darwin dat ik eind vorig jaar gebruikte tijdens de Future Force Conference. Stilstand is achteruitgang en dat kunnen we ons niet veroorloven. Daarvoor is ons werk te belangrijk. Wij maken de wereld om ons heen veiliger. Om de hoek, in de straten van Amsterdam waar we helpen criminelen op te sporen. En verder weg, zoals in landen als Mali, waar broeinesten van terreur ook onze veiligheid in Nederland raken.
We moeten er dus voor zorgen dat we het verschil kunnen blijven maken waar anderen dat niet kunnen. 2014 is het jaar waarin we herstellen van de klappen en de draad weer oppakken. Waarin we gaan toewerken naar die nieuwe stippen op de horizon en praktisch invulling geven aan onze plannen.
Hoe we dat gaan doen? Allereerst door ons te blijven onderscheiden in onze missies. Zo werd net voor de kerst besloten om de inzet van onze Patriots aan de grens met Syrië te verlengen, evenals onze inzet in het kader van antipiraterij. In Afghanistan beschermen onze F-16’s nog steeds de internationale troepen en zijn onze mensen zowel in het noorden als in het hoofdkwartier in Kabul hard aan het werk. We hebben er zelfs een nieuwe missie bij: MINUSMA, de VN-missie in Mali. 2 jaar lang gaan 400 Nederlandse militairen in Mali helpen om de rust in het land te herstellen. Relevant werk dat alleen wij kunnen doen en dat direct bijdraagt aan onze veiligheid in Nederland.
Daarnaast door samenwerking en modernisering. Ik geloof in veiligheid door samenwerking. Samenwerking met landen die dicht bij ons staan zodat we middelen kunnen delen. Samenwerking met bedrijven en onderzoeksinstituten zodat we kunnen blijven innoveren en moderniseren. Samenwerking met civiele autoriteiten zoals politie en brandweer, om de veiligheid in eigen land te vergroten. En last but not least samenwerking met andere landen bij de uitvoering van missies, want dat is en blijft onze core business.
Kortom, er is in 2014 volop werk aan de winkel. En dan heb ik het nog niet eens over onze 15 andere lopende missies, over de vele nationale taken zoals de grensbewaking door de Koninklijke Marechaussee en over de nationale operaties die we in toenemend aantal uitvoeren (circa 2.200 in 2013). Zo heeft de Explosieven Opruimingsdienst Defensie in de aanloop naar het nieuwe jaar op veel plekken zwaar en gevaarlijk vuurwerk geruimd. Goed werk, zo houden we Nederland ook veilig!
Ik ben dan ook trots op alle medewerkers van de krijgsmacht, burgers en militairen. Iedereen heeft zich keihard ingezet om de reorganisatie mogelijk te maken en zo de krijgsmacht op 2014 en verder voor te bereiden. Samen zorgen we ervoor dat we ons aanpassen aan veranderende omstandigheden. Daar draait het uiteindelijk om!
Ik hoop dan ook dat we er samen voor Defensie een positief jaar van maken. Ik zal mij sterk blijven maken voor een goede krijgsmacht en ik zal blijven uitleggen wat we doen, en vooral ook waarom. Het moet duidelijk zijn dat veiligheid/vrijheid nooit vanzelfsprekend is. Dat we daar hard aan moeten werken. Dag in, dag uit.
Laten we samen aan de slag gaan!
(Facebook, 7 januari 2014)
Een jaar waarin honderden loyale, hardwerkende collega’s hun baan verloren. Een jaar ook dat eindigde met meer duidelijkheid en perspectief. Zo kwam er een einde aan een lange periode van baanonzekerheid, zo toonde het herfstakkoord een toenemend besef in de Tweede Kamer dat er genoeg is bezuinigd op Defensie en zo bood de nota over de toekomst van de krijgsmacht voor alle Operationele Commando's een duidelijke stip aan de horizon.
Daarmee kunnen we de blik weer vooruit richten. Cruciaal voor een moderne krijgsmacht want “Het zijn niet de sterksten die overleven, maar diegenen die zich het beste aanpassen aan de omstandigheden”. Een toepasselijk citaat van Charles Darwin dat ik eind vorig jaar gebruikte tijdens de Future Force Conference. Stilstand is achteruitgang en dat kunnen we ons niet veroorloven. Daarvoor is ons werk te belangrijk. Wij maken de wereld om ons heen veiliger. Om de hoek, in de straten van Amsterdam waar we helpen criminelen op te sporen. En verder weg, zoals in landen als Mali, waar broeinesten van terreur ook onze veiligheid in Nederland raken.
We moeten er dus voor zorgen dat we het verschil kunnen blijven maken waar anderen dat niet kunnen. 2014 is het jaar waarin we herstellen van de klappen en de draad weer oppakken. Waarin we gaan toewerken naar die nieuwe stippen op de horizon en praktisch invulling geven aan onze plannen.
Hoe we dat gaan doen? Allereerst door ons te blijven onderscheiden in onze missies. Zo werd net voor de kerst besloten om de inzet van onze Patriots aan de grens met Syrië te verlengen, evenals onze inzet in het kader van antipiraterij. In Afghanistan beschermen onze F-16’s nog steeds de internationale troepen en zijn onze mensen zowel in het noorden als in het hoofdkwartier in Kabul hard aan het werk. We hebben er zelfs een nieuwe missie bij: MINUSMA, de VN-missie in Mali. 2 jaar lang gaan 400 Nederlandse militairen in Mali helpen om de rust in het land te herstellen. Relevant werk dat alleen wij kunnen doen en dat direct bijdraagt aan onze veiligheid in Nederland.
Daarnaast door samenwerking en modernisering. Ik geloof in veiligheid door samenwerking. Samenwerking met landen die dicht bij ons staan zodat we middelen kunnen delen. Samenwerking met bedrijven en onderzoeksinstituten zodat we kunnen blijven innoveren en moderniseren. Samenwerking met civiele autoriteiten zoals politie en brandweer, om de veiligheid in eigen land te vergroten. En last but not least samenwerking met andere landen bij de uitvoering van missies, want dat is en blijft onze core business.
Kortom, er is in 2014 volop werk aan de winkel. En dan heb ik het nog niet eens over onze 15 andere lopende missies, over de vele nationale taken zoals de grensbewaking door de Koninklijke Marechaussee en over de nationale operaties die we in toenemend aantal uitvoeren (circa 2.200 in 2013). Zo heeft de Explosieven Opruimingsdienst Defensie in de aanloop naar het nieuwe jaar op veel plekken zwaar en gevaarlijk vuurwerk geruimd. Goed werk, zo houden we Nederland ook veilig!
Ik ben dan ook trots op alle medewerkers van de krijgsmacht, burgers en militairen. Iedereen heeft zich keihard ingezet om de reorganisatie mogelijk te maken en zo de krijgsmacht op 2014 en verder voor te bereiden. Samen zorgen we ervoor dat we ons aanpassen aan veranderende omstandigheden. Daar draait het uiteindelijk om!
Ik hoop dan ook dat we er samen voor Defensie een positief jaar van maken. Ik zal mij sterk blijven maken voor een goede krijgsmacht en ik zal blijven uitleggen wat we doen, en vooral ook waarom. Het moet duidelijk zijn dat veiligheid/vrijheid nooit vanzelfsprekend is. Dat we daar hard aan moeten werken. Dag in, dag uit.
Laten we samen aan de slag gaan!
(Facebook, 7 januari 2014)
zondag 29 december 2013
Commandant landmacht: 'We zijn niet alleen het vet kwijtgeraakt maar ook een aantal botten'
Interview met de Commandant Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Mart de Kruif. Gepubliceerd in een speciale uitgave van het blad Landmacht ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de Landmacht
Kapitein Marlous de Ridder
We vieren ons tweehonderd jarig bestaan, maar de bezuinigingen binnen de landmacht zijn nog in volle gang. Is een feestjaar wel gepast?
2014 wordt geen jaar vol feestjes. Het organiseren van een over the top jubileum is niet te verantwoorden in deze tijd. Niet richting de burger en niet naar onze eigen mensen. Daarom zijn we kostenbewust en haken we zoveel mogelijk aan bij bestaande activiteiten. Verder vind ik het belangrijk dat we onze verjaardag vieren met diegene waarvoor we het doen. De burger.
Diezelfde burger die vindt dat er bij Defensie nog wel wat afkan?
Draagvlak voor de KL in de maatschappij is enorm belangrijk. Daarom staat persoonlijk contact met de samenleving voorop. Je ziet dit steeds vaker tijdens oefeningen in Nederland, waar we vaak letterlijk tussen de bevolking trainen. Het geloof in de krijgsmacht is weliswaar laag, maar tegelijkertijd is er wel degelijk respect en erkenning voor het werk van militairen. Dat is nog niet genoeg. De landmacht beter op de maatschappelijke agenda krijgen, is één van de uitgangspunten van 200 jaar Koninklijke Landmacht (KL200).
Wordt u niet eens moe van het telkens weer moeten uitleggen waar de landmacht voor staat?
Nee, integendeel. De burger heeft het recht te weten waar het belastinggeld aan wordt besteed. We moeten dus blijven vertellen wat onze taken zijn en waarom we dingen doen. In feite zijn we slachtoffer van ons eigen succes. De Nederlandse burger heeft geen onveilig gevoel. Mede dankzij een goed functionerende krijgsmacht. Missies in het buitenland worden gezien als een ver-van-mijn-bed-show. Het enige wat wij kunnen, is beter uitleggen waarom we militairen naar conflictgebieden sturen. Neem Mali. Ik zie hier een kentering. We leggen goed uit waarom Nederland gebaat is bij internationale veiligheid en stabiliteit. Maar ook welke humanitaire en economische belangen meewegen. Die taak ligt niet alleen op mijn niveau. Juist de persoonlijke verhalen van de militairen op missie zijn belangrijk voor de beeldvorming.
Waarom heeft Nederland een landmacht nodig?
Feit is nog steeds dat de strijd wordt gestreden op land. Of het nou gaat over het terugdringen van de vijand, het bewaren van de vrede en vrijheid of het bestrijden van rampen. Zonder landmacht stopt een conflict niet. Wij staan tussen de mensen. Landoptreden betekent interactie tussen mensen en beslissingen door mensen. Dat is onze unieke waarde binnen de krijgsmacht en daarmee zijn we als hoeksteen in de veiligheidsketen onmisbaar voor het land.
Hoe omschrijft u het landoptreden anno 2013?
Wat ik weiger te zeggen, is dat het verleden simpel was. Of je nu terugkijkt op de Slag bij Waterloo of het conflict in Nederlands-Indië. Het militaire vak was én is ontzettend moeilijk. De grondslagen van het landoptreden zijn niet veranderd. Je wordt altijd aangegrepen daar waar je zwak bent. Dat was toen zo en geldt nog steeds. Net als dat de mens bepalend is voor het succes of falen. Het is wel zo dat de wijze van oorlogsvoering verandert en dat de accenten verschuiven. Cyberterrorisme is totaal iets nieuws. Tegenwoordig kan de militair rekenen op het nieuwste en beste materieel. Technologische ontwikkelingen hebben logischerwijs veel veranderd voor de landmacht. Net als de vergaande internationale samenwerking met NAVO-bondgenoten.
Wat betekent ‘200 jaar Koninklijke Landmacht’ voor u?
Ik zie KL200 als een moment van bezinning. We mogen best eens stilstaan bij wat we hebben bereikt. We doen dingen die niemand anders doet. Zonder ons is er geen blijvende veiligheid. Daar mogen we trots op zijn! Dit doen we met aandacht voor het verleden, heden en de toekomst. De jubileumactiviteiten zijn dusdanig op elkaar afgestemd dat er een goede balans is tussen herdenken, vieren en vooruitkijken. We vieren de belangrijke bijdragen die onze militairen, onder moeilijke omstandigheden en vaak ver van huis, hebben geleverd. Maar we eren ook de collega’s die tijdens inzet het hoogste offer brachten. Als je terugkijkt op tweehonderd jaar historie, dan is er één ding nooit veranderd: kameraadschap. Kameraadschap is van alle tijden. Voor die ander door het vuur willen gaan, daar ligt de basis van onze organisatie.
De landmacht staat aan de vooravond van grote veranderingen. Ik noem het overgaan van 13 Gemechaniseerde Brigade op wiel en de integratie van 11 Air Manoeuvre Brigade met de Duitse Division Schnelle Kräfte. Plus een nieuwe missie naar Mali. Wat wordt 2014 voor een jaar?
Een heel belangrijk en uitdagend jaar. We leggen ons toe op meer differentiatie van de eenheden. Door alle brigades een unieke specialiteit te geven, zijn we flexibeler en kunnen we sneller reageren bij inzet. Veelzijdigheid is nodig, omdat de wereld om ons heen verandert. De nieuwe werkwijze bij de eenheden inbedden kost tijd. Het wordt een druk jaar met een aantal grote oefeningen in het kader van de NATO Response Force (NRF). Verder levert de KL een aanzienlijke bijdrage aan de Nuclear Security Summit 2014. Het organiseren van deze wereldtop is de grootste beveiligingsoperatie in Nederland ooit. Dan heb ik het nog niet eens over het stijgend aantal inzetten in het kader van militaire bijstand. Kortom naast het vieren van onze verjaardag, gaat het werk - meer dan ooit - door.
Komt de VN-operatie MINUSMA naar Mali op het juiste moment?
Mij wordt regelmatig gevraagd of ik blij ben. Ik vind ‘blij’ ongepast bij zoiets serieus als een missie. Het gaat altijd om een moeilijke afweging tussen belangen en risico’s en dat geldt ook voor Mali. We doen geen missies om maar op missie te gaan. Maar eerlijk is eerlijk, voor mijn gevoel waren we hier aan toe. Onze mensen willen graag op uitzending, die natuurlijke drive zit in ons. De periode na Uruzgan voelden voor sommige eenheden als een operationele pauze. Zoals de reservebank voor een voetballer. Dan ga ik niet ontkennen dat een nieuwe missie goed is voor het moraal. De landmacht levert een complete inlichtingenketen, van sensor in het veld tot en met de analist in de staf. Daarmee gaan we een cruciale bijdrage leveren aan de missie in Mali.
Tweehonderd jaar Koninklijke Landmacht. Vele missies, maar ook ingrijpende reorganisaties verder. Waar staan we nu?
22 jaar kleiner worden, heeft gigantisch veel impact. We zijn niet alleen het vet kwijtgeraakt, ook een aantal botten. Terwijl we waarschijnlijk nog nooit zo goed zijn geweest als nu. Op mijn werkbezoeken aan de eenheden kom ik van alles tegen. Iedereen heeft een persoonlijk verhaal. Ik hoor de trieste resultaten van jarenlang reorganiseren. Maar ik zie nog steeds de trots. Het vuur in die ogen, om er te staan als het moet. Daar heb ik geen jubileum voor nodig. Dat onvoorwaardelijke zit er gewoon.
(Landmacht, 29 december 2013)
Activiteiten in het kader van het 200-jarig jubileum:
9 januari 2014 Startdag 200-jarig jubileum Koninklijke Landmacht
29 maart Dag van de Grondwet
20-21 april 200 voor de toekomst
22 april Praten met Soldaten
23 april Landmachtdag 2014: De KL komt naar u toe!
12-23 mei Reliable Sword, belangrijke onderdelen oefeningen buiten militair oefenterrein
23 mei Laatste vriend van Napoleon (muziek en theater)
28 juni Nederlandse Veteranendag
15-19 juli Nijmeegse Vierdaagse
30 augustus Maastrichtse activiteiten
5 september Herdenking Market Garden
25 september Nationale Taptoe
29 oktober Slotsymposium
In maart en oktober publieksconcerten 'De Mens Centraal'
(Bron: Landmacht)
Kapitein Marlous de Ridder
We vieren ons tweehonderd jarig bestaan, maar de bezuinigingen binnen de landmacht zijn nog in volle gang. Is een feestjaar wel gepast?
2014 wordt geen jaar vol feestjes. Het organiseren van een over the top jubileum is niet te verantwoorden in deze tijd. Niet richting de burger en niet naar onze eigen mensen. Daarom zijn we kostenbewust en haken we zoveel mogelijk aan bij bestaande activiteiten. Verder vind ik het belangrijk dat we onze verjaardag vieren met diegene waarvoor we het doen. De burger.
Diezelfde burger die vindt dat er bij Defensie nog wel wat afkan?
![]() |
| generaal De Kruif |
Wordt u niet eens moe van het telkens weer moeten uitleggen waar de landmacht voor staat?
Nee, integendeel. De burger heeft het recht te weten waar het belastinggeld aan wordt besteed. We moeten dus blijven vertellen wat onze taken zijn en waarom we dingen doen. In feite zijn we slachtoffer van ons eigen succes. De Nederlandse burger heeft geen onveilig gevoel. Mede dankzij een goed functionerende krijgsmacht. Missies in het buitenland worden gezien als een ver-van-mijn-bed-show. Het enige wat wij kunnen, is beter uitleggen waarom we militairen naar conflictgebieden sturen. Neem Mali. Ik zie hier een kentering. We leggen goed uit waarom Nederland gebaat is bij internationale veiligheid en stabiliteit. Maar ook welke humanitaire en economische belangen meewegen. Die taak ligt niet alleen op mijn niveau. Juist de persoonlijke verhalen van de militairen op missie zijn belangrijk voor de beeldvorming.
Waarom heeft Nederland een landmacht nodig?
Feit is nog steeds dat de strijd wordt gestreden op land. Of het nou gaat over het terugdringen van de vijand, het bewaren van de vrede en vrijheid of het bestrijden van rampen. Zonder landmacht stopt een conflict niet. Wij staan tussen de mensen. Landoptreden betekent interactie tussen mensen en beslissingen door mensen. Dat is onze unieke waarde binnen de krijgsmacht en daarmee zijn we als hoeksteen in de veiligheidsketen onmisbaar voor het land.
Hoe omschrijft u het landoptreden anno 2013?
Wat ik weiger te zeggen, is dat het verleden simpel was. Of je nu terugkijkt op de Slag bij Waterloo of het conflict in Nederlands-Indië. Het militaire vak was én is ontzettend moeilijk. De grondslagen van het landoptreden zijn niet veranderd. Je wordt altijd aangegrepen daar waar je zwak bent. Dat was toen zo en geldt nog steeds. Net als dat de mens bepalend is voor het succes of falen. Het is wel zo dat de wijze van oorlogsvoering verandert en dat de accenten verschuiven. Cyberterrorisme is totaal iets nieuws. Tegenwoordig kan de militair rekenen op het nieuwste en beste materieel. Technologische ontwikkelingen hebben logischerwijs veel veranderd voor de landmacht. Net als de vergaande internationale samenwerking met NAVO-bondgenoten.
Wat betekent ‘200 jaar Koninklijke Landmacht’ voor u?
Ik zie KL200 als een moment van bezinning. We mogen best eens stilstaan bij wat we hebben bereikt. We doen dingen die niemand anders doet. Zonder ons is er geen blijvende veiligheid. Daar mogen we trots op zijn! Dit doen we met aandacht voor het verleden, heden en de toekomst. De jubileumactiviteiten zijn dusdanig op elkaar afgestemd dat er een goede balans is tussen herdenken, vieren en vooruitkijken. We vieren de belangrijke bijdragen die onze militairen, onder moeilijke omstandigheden en vaak ver van huis, hebben geleverd. Maar we eren ook de collega’s die tijdens inzet het hoogste offer brachten. Als je terugkijkt op tweehonderd jaar historie, dan is er één ding nooit veranderd: kameraadschap. Kameraadschap is van alle tijden. Voor die ander door het vuur willen gaan, daar ligt de basis van onze organisatie.
De landmacht staat aan de vooravond van grote veranderingen. Ik noem het overgaan van 13 Gemechaniseerde Brigade op wiel en de integratie van 11 Air Manoeuvre Brigade met de Duitse Division Schnelle Kräfte. Plus een nieuwe missie naar Mali. Wat wordt 2014 voor een jaar?
Een heel belangrijk en uitdagend jaar. We leggen ons toe op meer differentiatie van de eenheden. Door alle brigades een unieke specialiteit te geven, zijn we flexibeler en kunnen we sneller reageren bij inzet. Veelzijdigheid is nodig, omdat de wereld om ons heen verandert. De nieuwe werkwijze bij de eenheden inbedden kost tijd. Het wordt een druk jaar met een aantal grote oefeningen in het kader van de NATO Response Force (NRF). Verder levert de KL een aanzienlijke bijdrage aan de Nuclear Security Summit 2014. Het organiseren van deze wereldtop is de grootste beveiligingsoperatie in Nederland ooit. Dan heb ik het nog niet eens over het stijgend aantal inzetten in het kader van militaire bijstand. Kortom naast het vieren van onze verjaardag, gaat het werk - meer dan ooit - door.
Komt de VN-operatie MINUSMA naar Mali op het juiste moment?
Mij wordt regelmatig gevraagd of ik blij ben. Ik vind ‘blij’ ongepast bij zoiets serieus als een missie. Het gaat altijd om een moeilijke afweging tussen belangen en risico’s en dat geldt ook voor Mali. We doen geen missies om maar op missie te gaan. Maar eerlijk is eerlijk, voor mijn gevoel waren we hier aan toe. Onze mensen willen graag op uitzending, die natuurlijke drive zit in ons. De periode na Uruzgan voelden voor sommige eenheden als een operationele pauze. Zoals de reservebank voor een voetballer. Dan ga ik niet ontkennen dat een nieuwe missie goed is voor het moraal. De landmacht levert een complete inlichtingenketen, van sensor in het veld tot en met de analist in de staf. Daarmee gaan we een cruciale bijdrage leveren aan de missie in Mali.
Tweehonderd jaar Koninklijke Landmacht. Vele missies, maar ook ingrijpende reorganisaties verder. Waar staan we nu?
22 jaar kleiner worden, heeft gigantisch veel impact. We zijn niet alleen het vet kwijtgeraakt, ook een aantal botten. Terwijl we waarschijnlijk nog nooit zo goed zijn geweest als nu. Op mijn werkbezoeken aan de eenheden kom ik van alles tegen. Iedereen heeft een persoonlijk verhaal. Ik hoor de trieste resultaten van jarenlang reorganiseren. Maar ik zie nog steeds de trots. Het vuur in die ogen, om er te staan als het moet. Daar heb ik geen jubileum voor nodig. Dat onvoorwaardelijke zit er gewoon.
(Landmacht, 29 december 2013)
Activiteiten in het kader van het 200-jarig jubileum:
9 januari 2014 Startdag 200-jarig jubileum Koninklijke Landmacht
29 maart Dag van de Grondwet
20-21 april 200 voor de toekomst
22 april Praten met Soldaten
23 april Landmachtdag 2014: De KL komt naar u toe!
12-23 mei Reliable Sword, belangrijke onderdelen oefeningen buiten militair oefenterrein
23 mei Laatste vriend van Napoleon (muziek en theater)
28 juni Nederlandse Veteranendag
15-19 juli Nijmeegse Vierdaagse
30 augustus Maastrichtse activiteiten
5 september Herdenking Market Garden
25 september Nationale Taptoe
29 oktober Slotsymposium
In maart en oktober publieksconcerten 'De Mens Centraal'
(Bron: Landmacht)
woensdag 18 december 2013
De CDS blikt terug op 2013: "het was stormachtig"
tekst André Twigt
Commandant der Strijdkrachten generaal Tom Middendorp typeert 2013 als ‘het jaar van de man met de hamer’. Natuurlijk waren er de kroning, de verjaardagen van marine en luchtmacht én de start van de viering van 200 jaar Koninkrijk. Feestelijke happenings waarbij de krijgsmacht prima uit de verf kwam. Ook was het besluit de F-35 aan te schaffen als opvolger van de F-16 een historische mijlpaal. Maar er vielen ook harde klappen. “Honderden loyale, hardwerkende collega’ s verloren dit jaar hun baan. Op de begroting leverde Defensie weer miljoenen in. “Maar er gloort voorzichtig perspectief. Met de nota In het belang van Nederland is de lat op haalbare hoogte gelegd. En we doen geen consessies aan kwaliteit.”
Op zijn kamer aan het Haagse Plein trapt Middendorp zijn terugblik af met de nare WUL-discussie. Doordat die stroef verliep, kwam voor alle werknemers enkele maanden later dan gepland duidelijkheid of er voor hen nog plek in de organisatie was. De generaal betreurt dat. Gevolgd door: “Lichtpuntje is dat het aantal gedwongen ontslagen lager uitpakte.” De huidige uitvoering van de reorganisatie is volgens Middendorp ingrijpend. Maar: “We slaan ons er doorheen, we kunnen niet anders. We zijn dit jaar door een diep dal gegaan waar we uit moeten klimmen.” Met zijn wekelijkse werkbezoeken aan de eenheden ‘te velde’ houdt de hoogste baas telkens de vinger aan de pols van de organisatie: “Hoe staan jullie in de wedstrijd?” 2013 gaat volgens de Commandant der Strijdkrachten (CDS) de geschiedenis in als een jaar van dieptepunten, maar ook van duidelijkheid.
Zo laat de nota ‘In het belang van Nederland‘ geen misverstanden bestaan over de ambities voor de komende jaren. In plaats van twee grote missies per krijgsmachtdeel, is dat nu één. Een forse stap terug. Lichtpuntje is dat ambities zo haalbaar en betaalbaar worden. Dat vormde tot voor kort een terugkerend probleem. Bijstelling van de ambities zorgt voor een betere balans tussen de beschikbare capaciteiten (mens/materieel, red.) en de instandhouding daarvan. Zo gaat er voortaan stuctureel vijftig miljoen euro naar onderhoud van de spullen. Voor wie met materieel werkt, biedt dat perspectief, verwacht Middendorp. “Het zal even duren, maar we creëren zo betere randvoorwaarden voor onze missies. Denk aan de structurele tekorten aan reservedelen. Die vormen al langer een bedreiging voor de gereedstelling en inzet.”
Omslag
Gelukkig is de generaal met de aanschaf van 37 F-35’s. Het vraagstuk over de vervanging van de F-16 lag al tien jaar op tafel en werd omgeven door grote politieke beladenheid. Het kabinet pakte door. Tot groot genoegen werd ook een deel van de maatregelen met het Herfstakkoord teruggedraaid. Die zachte bries in de rug vindt Middendorp bemoedigend. Sterker, hij herkent er de voortekenen van een politieke omslag in. “Binnen het parlement groeit het besef dat het defensie-budget meer in balans moet zijn met dat van onze internationale partners. De motie om het budget in lijn te brengen met de internationale veiligheidsstrategie en de afgesproken internationale verplichtingen (vorige week in de Eerste Kamer aan de orde gesteld, red.) geeft hoop.
Al met al is het sommetje van deze ontwikkeling dat we voor alle krijgsmachtdelen de stip op de horizon hebben gezet. Dat geeft focus, biedt duidelijkheid en schept een zekere energie. Ik hoop die lijn te bestendigen. Voor de goede orde: Defensie soupeert slechts één procent op van het Bruto Nationaal Product. Daarvoor haal je de hele verzekeringspolis van de NAVO binnen.”
Patriots
Temidden van alle turbulentie draait de tent tijdens de grote verbouwing gewoon door. Zo neemt Defensie momenteel deel aan zeventien missies en ook de nationale inzet groeide dit jaar. Middendorp: “Dat is verrekte goed werk.” Er is dit jaar sowieso goed werk geleverd. Zo rondden we onlangs de missie in Kunduz af, drie schepen namen deel aan de antipiraterijmissie voor de kust van Somalie, de Patriots beschermden miljoenenstad Adana en blijven dat ook in 2014 doen. En al wordt Defensie volgens Middendorp gestaag kleiner, militair werk blijft nodig.
In Mali verzorgt de krijgsmacht het leeuwendeel van alle intel- en analysecapaciteit. Daarmee deden de operationele commando’s in Afghanistan veel ervaring op. Middendorp: “We verzorgen situational awareness zodat de commandant de juiste beslissingen kan nemen. Ik ben zelf ook missiecommandant geweest en weet dat alles met deze belangrijke voorwaarde valt en staat.”
Blij is de generaal met de brede steun van de politiek voor missie Mali. Dat mag ook wel, want voor ons land speelt een direct belang. Na de recente Franse interventie is de macht van de terrorististische groeperingen in het gebied weliswaar ingeperkt, maar ze zijn nog steeds actief. “Wat je niet wilt, is dat die lui voet aan de grond krijgen. Dat gevaar is zeer reëel; in Mali spelen sterke krachten. Zo zie je de relatief onschuldige smokkel - van oudsher in handen van met name de Touareg-stam - verworden tot georganiseerde criminaliteit; drugs en wapens. Roepen we die gang van zaken geen halt toe, dan ligt dat spul straks ook bij ons op straat. Dat mag niet gebeuren.”
Hersenen
Zoals de kaarten nu zijn geschud, gaat Defensie voor ten minste twee jaar naar Mali. Doelstelling: door een inlichtingenstructuur aan te brengen, stellen we de VN in staat de missie uit te voeren. Zoals gezegd, doen onze mannen en vrouwen dat middels inlichtingengestuurd werken. Binnen de VN is dat een ondergeschoven kindje, vertelt Middendorp. Hoe dan ook treedt Nederland niet alleen op als ogen en oren van de force commander, maar ook een beetje als zijn hersenen. “Zo wordt alle informatie verwerkt tot een beeld van wat er aan de hand is.” Special Forces en Apache-gevechtsheli’s vormen de kern van de bijdrage. En wat willen we daarmee bereiken? “Onder meer de force commander in staat stellen een beeld op te bouwen in het zwaartepunt van de missie. Maar ook helder krijgen hoe de machtsverhoudingen en de lokale dynamiek in elkaar steken. Sowieso focussen we ons op de onderliggende oorzaken van het conflict. Daarnaast zijn Apaches nuttig voor bescherming.”
Nuttig
Nut en noodzaak van de missie is op het Binnenhof geen discussie. Maar daarmee is het laatste woord nog niet gevallen. Volgens een enquête deze week ziet de helft van alle Nederlanders ‘operatie Mali’ niet zitten. Middendorp: “We moeten blijven uitleggen wat we daar precies doen en vooral ook waarom. Alleen dan bouwen we draagvlak op.” Gelukkig heeft de CDS het politieke tij mee. In de technische briefing verzekerde hij onlangs lering te hebben getrokken uit eerdere uitzendingen. Zodoende ligt er nu een robuust mandaat. Dat zie je af aan de uitrusting van de eenheden. “Daarmee wil je geen ruzie. We zoeken het niet op, maar eventueel delen we een flinke klap uit.” Met de inbedding in de VN-organisatie kan de generaal goed leven. Zo vallen de missieleden rechtstreeks onder de force commander en de hoogste inlichtingenman is een Nederlander. “Daarmee stellen we zeker dat men goed met onze eenheden omgaat. Maar het wordt zeker geen makkelijke missie. Terrein en het klimaat zijn extreem zwaar. En het blijft een crisigebied. Het gevaar ligt op de loer.”
In zijn terugblik presenteert Middendorp voor 2014 alvast enkele speerpunten. Zo staan naast het borgen van de 3D-benadering tijdens missies ook vernieuwing en samenwerken op de agenda. “Als de krijgsmacht niet meegroeit, gaat’ie achteruit. Dat geldt voor materieel en de techniek. Maar eveneens voor de adaptiviteit van het personeel.” Nederland loopt op het gebied van samenwerking binnen de NAVO voorop. ”Samenwerken is een absolute must, geen keuze”, stelt Middendorp. “We gaan meer integreren als een volgende stap op dat gebied.”
Als laatste benadrukt de generaal veel waarde te hechten aan personeelszorg. “Met Defensie maken we moeilijke tijden door en veel collega’s verlaten noodgedwongen de organisatie. Dat is pijnlijk en verdrietig. Het is goed bij hen stil te staan, maar we moeten vooruit. Ons werk is belangrijk voor Nederland.”
(Defensiekrant 28, 18 december 2013)
Commandant der Strijdkrachten generaal Tom Middendorp typeert 2013 als ‘het jaar van de man met de hamer’. Natuurlijk waren er de kroning, de verjaardagen van marine en luchtmacht én de start van de viering van 200 jaar Koninkrijk. Feestelijke happenings waarbij de krijgsmacht prima uit de verf kwam. Ook was het besluit de F-35 aan te schaffen als opvolger van de F-16 een historische mijlpaal. Maar er vielen ook harde klappen. “Honderden loyale, hardwerkende collega’ s verloren dit jaar hun baan. Op de begroting leverde Defensie weer miljoenen in. “Maar er gloort voorzichtig perspectief. Met de nota In het belang van Nederland is de lat op haalbare hoogte gelegd. En we doen geen consessies aan kwaliteit.”
Op zijn kamer aan het Haagse Plein trapt Middendorp zijn terugblik af met de nare WUL-discussie. Doordat die stroef verliep, kwam voor alle werknemers enkele maanden later dan gepland duidelijkheid of er voor hen nog plek in de organisatie was. De generaal betreurt dat. Gevolgd door: “Lichtpuntje is dat het aantal gedwongen ontslagen lager uitpakte.” De huidige uitvoering van de reorganisatie is volgens Middendorp ingrijpend. Maar: “We slaan ons er doorheen, we kunnen niet anders. We zijn dit jaar door een diep dal gegaan waar we uit moeten klimmen.” Met zijn wekelijkse werkbezoeken aan de eenheden ‘te velde’ houdt de hoogste baas telkens de vinger aan de pols van de organisatie: “Hoe staan jullie in de wedstrijd?” 2013 gaat volgens de Commandant der Strijdkrachten (CDS) de geschiedenis in als een jaar van dieptepunten, maar ook van duidelijkheid.
Zo laat de nota ‘In het belang van Nederland‘ geen misverstanden bestaan over de ambities voor de komende jaren. In plaats van twee grote missies per krijgsmachtdeel, is dat nu één. Een forse stap terug. Lichtpuntje is dat ambities zo haalbaar en betaalbaar worden. Dat vormde tot voor kort een terugkerend probleem. Bijstelling van de ambities zorgt voor een betere balans tussen de beschikbare capaciteiten (mens/materieel, red.) en de instandhouding daarvan. Zo gaat er voortaan stuctureel vijftig miljoen euro naar onderhoud van de spullen. Voor wie met materieel werkt, biedt dat perspectief, verwacht Middendorp. “Het zal even duren, maar we creëren zo betere randvoorwaarden voor onze missies. Denk aan de structurele tekorten aan reservedelen. Die vormen al langer een bedreiging voor de gereedstelling en inzet.”
Omslag
Gelukkig is de generaal met de aanschaf van 37 F-35’s. Het vraagstuk over de vervanging van de F-16 lag al tien jaar op tafel en werd omgeven door grote politieke beladenheid. Het kabinet pakte door. Tot groot genoegen werd ook een deel van de maatregelen met het Herfstakkoord teruggedraaid. Die zachte bries in de rug vindt Middendorp bemoedigend. Sterker, hij herkent er de voortekenen van een politieke omslag in. “Binnen het parlement groeit het besef dat het defensie-budget meer in balans moet zijn met dat van onze internationale partners. De motie om het budget in lijn te brengen met de internationale veiligheidsstrategie en de afgesproken internationale verplichtingen (vorige week in de Eerste Kamer aan de orde gesteld, red.) geeft hoop.
Al met al is het sommetje van deze ontwikkeling dat we voor alle krijgsmachtdelen de stip op de horizon hebben gezet. Dat geeft focus, biedt duidelijkheid en schept een zekere energie. Ik hoop die lijn te bestendigen. Voor de goede orde: Defensie soupeert slechts één procent op van het Bruto Nationaal Product. Daarvoor haal je de hele verzekeringspolis van de NAVO binnen.”
Patriots
Temidden van alle turbulentie draait de tent tijdens de grote verbouwing gewoon door. Zo neemt Defensie momenteel deel aan zeventien missies en ook de nationale inzet groeide dit jaar. Middendorp: “Dat is verrekte goed werk.” Er is dit jaar sowieso goed werk geleverd. Zo rondden we onlangs de missie in Kunduz af, drie schepen namen deel aan de antipiraterijmissie voor de kust van Somalie, de Patriots beschermden miljoenenstad Adana en blijven dat ook in 2014 doen. En al wordt Defensie volgens Middendorp gestaag kleiner, militair werk blijft nodig.
In Mali verzorgt de krijgsmacht het leeuwendeel van alle intel- en analysecapaciteit. Daarmee deden de operationele commando’s in Afghanistan veel ervaring op. Middendorp: “We verzorgen situational awareness zodat de commandant de juiste beslissingen kan nemen. Ik ben zelf ook missiecommandant geweest en weet dat alles met deze belangrijke voorwaarde valt en staat.”
Blij is de generaal met de brede steun van de politiek voor missie Mali. Dat mag ook wel, want voor ons land speelt een direct belang. Na de recente Franse interventie is de macht van de terrorististische groeperingen in het gebied weliswaar ingeperkt, maar ze zijn nog steeds actief. “Wat je niet wilt, is dat die lui voet aan de grond krijgen. Dat gevaar is zeer reëel; in Mali spelen sterke krachten. Zo zie je de relatief onschuldige smokkel - van oudsher in handen van met name de Touareg-stam - verworden tot georganiseerde criminaliteit; drugs en wapens. Roepen we die gang van zaken geen halt toe, dan ligt dat spul straks ook bij ons op straat. Dat mag niet gebeuren.”
Hersenen
Zoals de kaarten nu zijn geschud, gaat Defensie voor ten minste twee jaar naar Mali. Doelstelling: door een inlichtingenstructuur aan te brengen, stellen we de VN in staat de missie uit te voeren. Zoals gezegd, doen onze mannen en vrouwen dat middels inlichtingengestuurd werken. Binnen de VN is dat een ondergeschoven kindje, vertelt Middendorp. Hoe dan ook treedt Nederland niet alleen op als ogen en oren van de force commander, maar ook een beetje als zijn hersenen. “Zo wordt alle informatie verwerkt tot een beeld van wat er aan de hand is.” Special Forces en Apache-gevechtsheli’s vormen de kern van de bijdrage. En wat willen we daarmee bereiken? “Onder meer de force commander in staat stellen een beeld op te bouwen in het zwaartepunt van de missie. Maar ook helder krijgen hoe de machtsverhoudingen en de lokale dynamiek in elkaar steken. Sowieso focussen we ons op de onderliggende oorzaken van het conflict. Daarnaast zijn Apaches nuttig voor bescherming.”
Nuttig
Nut en noodzaak van de missie is op het Binnenhof geen discussie. Maar daarmee is het laatste woord nog niet gevallen. Volgens een enquête deze week ziet de helft van alle Nederlanders ‘operatie Mali’ niet zitten. Middendorp: “We moeten blijven uitleggen wat we daar precies doen en vooral ook waarom. Alleen dan bouwen we draagvlak op.” Gelukkig heeft de CDS het politieke tij mee. In de technische briefing verzekerde hij onlangs lering te hebben getrokken uit eerdere uitzendingen. Zodoende ligt er nu een robuust mandaat. Dat zie je af aan de uitrusting van de eenheden. “Daarmee wil je geen ruzie. We zoeken het niet op, maar eventueel delen we een flinke klap uit.” Met de inbedding in de VN-organisatie kan de generaal goed leven. Zo vallen de missieleden rechtstreeks onder de force commander en de hoogste inlichtingenman is een Nederlander. “Daarmee stellen we zeker dat men goed met onze eenheden omgaat. Maar het wordt zeker geen makkelijke missie. Terrein en het klimaat zijn extreem zwaar. En het blijft een crisigebied. Het gevaar ligt op de loer.”
In zijn terugblik presenteert Middendorp voor 2014 alvast enkele speerpunten. Zo staan naast het borgen van de 3D-benadering tijdens missies ook vernieuwing en samenwerken op de agenda. “Als de krijgsmacht niet meegroeit, gaat’ie achteruit. Dat geldt voor materieel en de techniek. Maar eveneens voor de adaptiviteit van het personeel.” Nederland loopt op het gebied van samenwerking binnen de NAVO voorop. ”Samenwerken is een absolute must, geen keuze”, stelt Middendorp. “We gaan meer integreren als een volgende stap op dat gebied.”
Als laatste benadrukt de generaal veel waarde te hechten aan personeelszorg. “Met Defensie maken we moeilijke tijden door en veel collega’s verlaten noodgedwongen de organisatie. Dat is pijnlijk en verdrietig. Het is goed bij hen stil te staan, maar we moeten vooruit. Ons werk is belangrijk voor Nederland.”
(Defensiekrant 28, 18 december 2013)
Abonneren op:
Posts (Atom)

.jpg)


