De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Hierbij kom ik tegemoet aan uw verzoek zoals uiteengezet tijdens de regeling van
werkzaamheden op 3 september jl. (kenmerk 2015Z15695). In deze brief geef ik
tevens antwoord op de schriftelijke vragen die de leden Bontes en Van Klaveren
hebben gesteld (kenmerk 2015Z15785).
Casus
Defensie beschikt over aanwijzingen dat een actief dienende militair recent is vertrokken naar Syrië en zich waarschijnlijk heeft aangesloten bij ISIS. Het betreft een 26-jarige sergeant van de Koninklijke Luchtmacht. Het spreekt voor zich dat uitreis en aansluiting bij ISIS onaanvaardbaar is, en bovendien strafbaar. Defensie heeft de militair geschorst, zijn wedde gestopt en zijn toegang tot informatie, systemen en locaties geblokkeerd. De zaak wordt nu onder leiding van het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzocht.
Betrokkene had uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. In het belang van het lopende onderzoek en met het oog op de operationele veiligheid evenals de veiligheid van onze militairen en de familie van betrokkene, kan ik in het openbaar geen verdere mededelingen doen. Dit betekent derhalve dat ik niet nader kan ingaan op zijn uitreis en de ontdekking daarvan, zijn persoonlijke achtergrond en zijn exacte werkzaamheden. Ik vraag daarvoor uw begrip.
Uiteraard onderzoekt Defensie de eventuele schade en de risico’s die samenhangen met de functie van betrokkene. Waar nodig zijn, en worden, maatregelen getroffen. Ook hierover kan ik in het openbaar geen verdere mededelingen doen.
Algemeen
Vooralsnog is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de werving, selectie en screening bij Defensie niet op orde is. De werving en selectie is, zoals bekend, streng. Omdat militairen een vertrouwensfunctie bekleden, ondergaan zij voorafgaand aan hun aanstelling een veiligheidsonderzoek. Periodiek is sprake van hernieuwd veiligheidsonderzoek. (Incident)meldingen worden eveneens onderzocht. In het veiligheidsonderzoek wordt onder andere aandacht besteed aan risico’s op radicalisering. Signalen van collega's, commandanten en de omgeving worden altijd serieus genomen en gevalideerd. Dat geldt ook voor signalen van (veiligheids)partners binnen en buiten Defensie, nationaal en internationaal.
De MIVD doet tevens onderzoek naar mogelijke radicalisering van individuen binnen de krijgsmacht. Ook geeft de MIVD awareness-briefings aan commandanten en andere defensieonderdelen. Het onderzoek naar radicalisering richt zich op herkenbaar, feitelijk gedrag en feitelijke omstandigheden. Het betreft bijvoorbeeld lidmaatschap van of steun aan radicale organisaties of mensen. Ook leugenachtig gedrag en het verzwijgen van informatie met de bedoeling te misleiden is een teken, net als het reizen naar verdachte locaties en het op onrechtmatige wijze aanschaffen van wapens en uitrusting. Soms ontstaat radicalisering echter in een betrekkelijk isolement. Bij eenlingen blijft het herkenbare gedrag vaak achterwege en is radicalisering lastig te signaleren. Om het onderzoek naar mogelijke radicalisering binnen Defensie niet te bemoeilijken, kan ik u in het openbaar niet nader informeren over aard en aantallen.
Als het gaat om mogelijke radicalisering van individuen binnen de krijgsmacht, is
de MIVD voldoende toegerust. Op 27 februari 2015 heeft het kabinet reeds laten
weten welke maatregelen het ter versterking van de veiligheidsketen treft
(kamerstuk 29 754, nr. 302). Een deel van deze maatregelen betreft de
versterking van de aan contraterrorisme gerelateerde capaciteit van de MIVD.
Tot slot
De waarschijnlijke aansluiting bij ISIS van een actief dienende militair is onaanvaardbaar en een klap in het gezicht van alle collega’s die zich iedere dag opnieuw, onder vaak moeilijke omstandigheden, inzetten voor de vrijheid van een ander.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
Posts tonen met het label MIVD. Alle posts tonen
Posts tonen met het label MIVD. Alle posts tonen
woensdag 9 september 2015
maandag 6 oktober 2014
'Roze F-16's en bomen groeten schadelijk voor krijgsmacht'
Het ministerie van Defensie reageerde in de naoorlogse periode zeer scherp op kritische dienstplichtigen uit angst dat deze het draagvlak ondermijnden. Politici wezen de strenge aanpak af. Coreline Boot kreeg als eerste toegang tot archieven van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
Roze F-16's
Dienstplichtigen die plukken haar deponeerden in de brievenbus van het huis van de minister van Defensie om het recht op lang haar af te dwingen. Op een zelf ingestelde nationale groetdag ook voor bomen salueerden. Of, iets schadelijker, F-16's roze schilderden. Promovenda Boot analyseerde kritiek op de krijgsmacht in de periode 1945-1989 en constateert dat Defensie elke vorm van kritiek hoog opnam.
Hoge straffen dienstplichtigen
Boot: 'Defensie was bang dat critici het draagvlak voor de krijgsmacht ondermijnden en vreesde de inzetbaarheid van dienstplichtigen. Het ministerie veroordeelde kritiek in felle bewoordingen en legde protesterende dienstplichtigen dikwijls hoge straffen op voor relatief onschuldige acties. Zo werden twee dienstplichtigen in 1971 drie maanden vastgezet in het Depot voor
Discipline omdat zij een kritisch artikel hadden gepubliceerd.
Koude Oorlog
Tussen 1945 en 1989, het tijdperk van de Koude Oorlog, bedroeg de publieke steun voor de krijgsmacht consequent zo'n 75 tot 80 procent. Tegelijkertijd werd het leger telkens onder vuur genomen door elkaar opvolgende groepen dienstplichtigen, dienstweigeraars, antimilitaristen, en soms zelfs beroepsmilitairen. De groepen die echt in het geweer kwamen, maakten nooit meer dan een paar procent van de bevolking uit, maar hadden desondanks grote invloed. Boot: 'Het waren deze groepen, en niet de grote instemmende meerderheid, die het thema draagvlak tijdens de Koude Oorlog op de kaart zetten.'
Roze F-16's
Dienstplichtigen die plukken haar deponeerden in de brievenbus van het huis van de minister van Defensie om het recht op lang haar af te dwingen. Op een zelf ingestelde nationale groetdag ook voor bomen salueerden. Of, iets schadelijker, F-16's roze schilderden. Promovenda Boot analyseerde kritiek op de krijgsmacht in de periode 1945-1989 en constateert dat Defensie elke vorm van kritiek hoog opnam.
Hoge straffen dienstplichtigen
Boot: 'Defensie was bang dat critici het draagvlak voor de krijgsmacht ondermijnden en vreesde de inzetbaarheid van dienstplichtigen. Het ministerie veroordeelde kritiek in felle bewoordingen en legde protesterende dienstplichtigen dikwijls hoge straffen op voor relatief onschuldige acties. Zo werden twee dienstplichtigen in 1971 drie maanden vastgezet in het Depot voor
Discipline omdat zij een kritisch artikel hadden gepubliceerd.
Koude Oorlog
Tussen 1945 en 1989, het tijdperk van de Koude Oorlog, bedroeg de publieke steun voor de krijgsmacht consequent zo'n 75 tot 80 procent. Tegelijkertijd werd het leger telkens onder vuur genomen door elkaar opvolgende groepen dienstplichtigen, dienstweigeraars, antimilitaristen, en soms zelfs beroepsmilitairen. De groepen die echt in het geweer kwamen, maakten nooit meer dan een paar procent van de bevolking uit, maar hadden desondanks grote invloed. Boot: 'Het waren deze groepen, en niet de grote instemmende meerderheid, die het thema draagvlak tijdens de Koude Oorlog op de kaart zetten.'
Labels:
BVD,
dienstplicht,
kruisraketten,
MID,
MIVD,
VVDM
vrijdag 12 september 2014
Medewerkers MIVD vertellen over hun werk
'Altijd in de schaduw'
Tekst: Kapitein Klaas Daane Bolier
Low-profile, altijd op de achtergrond, nooit in de spotlights. De medewerkers van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) doen hun werk vaak gehuld in een waas van geheimzinnigheid, hoewel de dienst zelf liever van ‘zinnig geheim’ spreekt. Omdat de MIVD dit jaar 100 jaar bestaat, treden 4 MIVD’ers voor even uit de schaduw en vertellen hoe het is om voor de inlichtingendienst te werken.
’Voor deze baan had ik een voorspelbaar leven’
David, militair, analist, werkt anderhalf jaar bij de MIVD.
‘Tijdens de crisis met de MH 17 moest ik de Commandant der Strijdkrachten een briefing geven. Na afloop nam hij ter plekke een besluit. Puur gebaseerd op onze informatie. Toen besefte ik me even heel duidelijk hoe groot mijn verantwoordelijkheid is. Zo werkt het hier dus; als jij de expert bent, dan ben jij er ook van. De informatie die jij geeft wordt niet nog eens drie keer gecheckt. Kan ook niet. Daarom zitten wij als analist op die dossiers, maar het was even wennen aan de lijnen die hier een stuk korter zijn. Soms moet je binnen twintig minuten een Kamervraag beantwoorden. De minister is dan in debat en die moet het antwoord hebben.
Je moet je een onderwerp dus snel eigen kunnen maken en je daar ook helemaal in vastbijten. Aan de andere kant moet je ook heel flexibel kunnen zijn, want als de situatie daarom vraagt, kun je zomaar een ander dossier krijgen. Dat merkten we bijvoorbeeld bij de actuele ontwikkelingen in Oekraïne.
Dat maakt het werk erg intensief en onvoorspelbaar. Een crisis laat zich niet sturen. Voor deze baan had ik een voorspelbaar leven. Oefeningen en uitzendingen lagen ruim van tevoren vast en daar konden ze thuis dan rekening mee houden. Mijn vrouw kon mee naar sociale evenementen bij de eenheid en zo kende ze mijn collega’s en wist ze waarmee ik bezig was. Dat is hier allemaal niet. Door de gebeurtenissen in de Oekraïne heb ik tweemaal mijn vakantie moeten annuleren en ik kan thuis maar heel summier vertellen waarom. Dat heeft dus ook impact op het thuisfront.
Toch wilde ik deze baan al heel lang. Ik ben een geïnteresseerd persoon, wil van alles het naadje van de kous weten en dan zit je hier zeker goed. Daarnaast zit je dicht tegen de politieke besluitvorming aan en dat vind ik heel interessant.
‘Bij ons geen lange gesprekken aan de keukentafel over ons werk’
Anna, burger, stafmedewerker, werkt 9 jaar bij de MIVD:
’Ga jij bij die rare mensen werken? Die lui die zich altijd zo belangrijk voelen?’ Dat was zo’n beetje het commentaar dat ik kreeg toen ik vanuit een ander Defensieonderdeel solliciteerde bij de MIVD. Ik wist van niks. Ik solliciteerde gewoon op een andere baan als budgetbeheerder. Toen ik begon, dacht ik wel dat het allemaal ‘geheimer’ en ‘stiekemer’ zou zijn, maar dat is het hier binnen het gebouw totaal niet. Je moet alleen een extra deurtje door. Na een paar jaar ben ik assistent–analist geworden en kreeg ik meer zicht op wat de dienst echt doet en betekent voor de uitgezonden eenheden. En dat maakt het werk interessant. Er is meer dan op het journaal te zien is.
Daar kan je alleen buiten de dienst niet met iemand over praten natuurlijk. Ik praat sowieso nooit over mijn werk. Mijn vriend begrijpt dat heel goed want hij heeft ook een baan waarbij hij niet alles mag vertellen. Dus bij ons geen lange gesprekken aan de keukentafel over ons werk.
Werk en privé zijn daardoor heel strikt gescheiden. En dat komt daarnaast ook voor een groot deel omdat je niet thuis kan en mag werken. Alles gebeurt hier. Ik vind dat ook wel fijn. Als ik hier de poort uitrij kan ik heel makkelijk de knop omzetten. Als ik thuis kom, ben ik weer gewoon mamma.”
‘Ik zeg gewoon dat ik bij defensie een managementfunctie in de ondersteuning heb. Nou dan haken de meesten wel af hoor!’
Dirk, burger, manager ondersteunende afdeling, werkt 18 jaar bij de MIVD.
‘Niet iedereen die hier werkt is een topspion. Als manager ondersteuning ben ik een groot deel van de dag helemaal niet met geheime zaken bezig. En zo zijn er veel meer. Maar het bijzondere aan de MIVD vind ik dat al die mannen en vrouwen samen de waarde bepalen van het eindproduct. Zowel de mensen in het veld zijn cruciaal, maar ook de analist en de persoon die bijvoorbeeld de logistieke zaken doet.
Wij zijn maar een kleine speler in de internationale inlichtingenwereld. Toch bereiken wij hele mooie resultaten met beperkte middelen. Onze kracht is dat je, juist door die beperkingen, vanaf dag 1 serieus genomen wordt op je expertise. Als je laat zien dat je betrokken bent en je inzet, dan zijn er genoeg mogelijkheden door te groeien. Dat houd je gemotiveerd.
Uiteraard geldt voor iedereen die hier werkt dat je terughoudend moet zijn met naar buiten brengen wat de dienst doet. Jij en je collega’s lopen nu eenmaal een potentieel risico gelieerd te worden aan de dienst. Ik heb daarom een gelaagdheid in mijn persoonlijke verhaal. Afhankelijk van mijn toehoorders vertel ik meer of minder. Het blijft hetzelfde verhaal maar de hoeveelheid informatie varieert. Staatsgeheimen blijven natuurlijk binnen de dienst. Die verklappen is zelfs strafbaar. Tegen mijn vrouw vertel ik wel meer dan bijvoorbeeld op een feestje. Daar zeg ik gewoon dat ik bij defensie een managementfunctie in de ondersteuning heb. Nou dan haken de meesten wel af hoor!”
‘Je merkt wel dat je een wat andere mindset krijgt als je hier werkt’
Anton, militair, leidinggevende, nu voor de tweede maal werkzaam bij de MIVD
“Je zit hier bovenop de actualiteit. Als er een crisis plaatsvindt, zoals bijvoorbeeld met vlucht MH17, dan gaan wij daar razendsnel mee aan de slag om een goed beeld te krijgen van de situatie. Daarnaast kijken we ook verder en schetsen we wat de ontwikkelingen op de langere termijn zijn. Die combinatie tussen actualiteit en lange termijn trekt mij aan in het werken voor de MIVD.
Ik heb niet altijd bij de MIVD gewerkt. Dit is nu de tweede keer dat ik hier een functie heb en tussendoor heb ik weer andere dingen gedaan. Dat geeft een uitstekend beeld van de gang van zaken binnen de MIVD én bij de Defensieonderdelen waar je het als MIVD voor doet. Je merkt wel dat je een wat andere mindset krijgt als je hier werkt. Je bent wel alerter op veiligheidsrisico’s. Zo heb ik Defensiecollega’s wel eens kunnen helpen bij het bewust maken van de do’s en don’ts bij het verzenden van gerubriceerde informatie. Dat zijn zaken die bij ons zijn ingebakken in het dagelijks werk .
Bij de MIVD heerst een iets andere cultuur dan bij een gemiddelde landmachteenheid. 60 procent hier is burger. Daarnaast hebben al die mensen ook nog eens heel veel verschillende specialisaties: van arabist tot ICT’er. Er wordt hier dan ook op een behoorlijk hoog niveau nagedacht en geproduceerd. Dat moet je wel liggen als je hier wilt werken. De ene militair voelt zich nu eenmaal meer senang in de bosrand en de ander is liever wat meer academisch bezig. De combinatie van expeditionair optreden en strategische advisering is uniek voor de MIVD; daarom heb ik het hier zeer naar mijn zin.
Dat je over het resultaat van je werkzaamheden niet kunt praten, heb ik nooit als frustrerend ervaren. Wij leveren producten voor beleidsmakers en als die daarmee uit de voeten kunnen, is het goed. Ik hoef niet zo nodig op te scheppen over mijn werk op feestjes. Ik heb genoeg andere dingen om over op te scheppen, haha.’
(Bron; Defensiekrant, 12 september 2014)
Tekst: Kapitein Klaas Daane BolierLow-profile, altijd op de achtergrond, nooit in de spotlights. De medewerkers van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) doen hun werk vaak gehuld in een waas van geheimzinnigheid, hoewel de dienst zelf liever van ‘zinnig geheim’ spreekt. Omdat de MIVD dit jaar 100 jaar bestaat, treden 4 MIVD’ers voor even uit de schaduw en vertellen hoe het is om voor de inlichtingendienst te werken.
’Voor deze baan had ik een voorspelbaar leven’
David, militair, analist, werkt anderhalf jaar bij de MIVD.
‘Tijdens de crisis met de MH 17 moest ik de Commandant der Strijdkrachten een briefing geven. Na afloop nam hij ter plekke een besluit. Puur gebaseerd op onze informatie. Toen besefte ik me even heel duidelijk hoe groot mijn verantwoordelijkheid is. Zo werkt het hier dus; als jij de expert bent, dan ben jij er ook van. De informatie die jij geeft wordt niet nog eens drie keer gecheckt. Kan ook niet. Daarom zitten wij als analist op die dossiers, maar het was even wennen aan de lijnen die hier een stuk korter zijn. Soms moet je binnen twintig minuten een Kamervraag beantwoorden. De minister is dan in debat en die moet het antwoord hebben.
Je moet je een onderwerp dus snel eigen kunnen maken en je daar ook helemaal in vastbijten. Aan de andere kant moet je ook heel flexibel kunnen zijn, want als de situatie daarom vraagt, kun je zomaar een ander dossier krijgen. Dat merkten we bijvoorbeeld bij de actuele ontwikkelingen in Oekraïne.
Dat maakt het werk erg intensief en onvoorspelbaar. Een crisis laat zich niet sturen. Voor deze baan had ik een voorspelbaar leven. Oefeningen en uitzendingen lagen ruim van tevoren vast en daar konden ze thuis dan rekening mee houden. Mijn vrouw kon mee naar sociale evenementen bij de eenheid en zo kende ze mijn collega’s en wist ze waarmee ik bezig was. Dat is hier allemaal niet. Door de gebeurtenissen in de Oekraïne heb ik tweemaal mijn vakantie moeten annuleren en ik kan thuis maar heel summier vertellen waarom. Dat heeft dus ook impact op het thuisfront.
Toch wilde ik deze baan al heel lang. Ik ben een geïnteresseerd persoon, wil van alles het naadje van de kous weten en dan zit je hier zeker goed. Daarnaast zit je dicht tegen de politieke besluitvorming aan en dat vind ik heel interessant.
‘Bij ons geen lange gesprekken aan de keukentafel over ons werk’
Anna, burger, stafmedewerker, werkt 9 jaar bij de MIVD:
’Ga jij bij die rare mensen werken? Die lui die zich altijd zo belangrijk voelen?’ Dat was zo’n beetje het commentaar dat ik kreeg toen ik vanuit een ander Defensieonderdeel solliciteerde bij de MIVD. Ik wist van niks. Ik solliciteerde gewoon op een andere baan als budgetbeheerder. Toen ik begon, dacht ik wel dat het allemaal ‘geheimer’ en ‘stiekemer’ zou zijn, maar dat is het hier binnen het gebouw totaal niet. Je moet alleen een extra deurtje door. Na een paar jaar ben ik assistent–analist geworden en kreeg ik meer zicht op wat de dienst echt doet en betekent voor de uitgezonden eenheden. En dat maakt het werk interessant. Er is meer dan op het journaal te zien is.
Daar kan je alleen buiten de dienst niet met iemand over praten natuurlijk. Ik praat sowieso nooit over mijn werk. Mijn vriend begrijpt dat heel goed want hij heeft ook een baan waarbij hij niet alles mag vertellen. Dus bij ons geen lange gesprekken aan de keukentafel over ons werk.
Werk en privé zijn daardoor heel strikt gescheiden. En dat komt daarnaast ook voor een groot deel omdat je niet thuis kan en mag werken. Alles gebeurt hier. Ik vind dat ook wel fijn. Als ik hier de poort uitrij kan ik heel makkelijk de knop omzetten. Als ik thuis kom, ben ik weer gewoon mamma.”
‘Ik zeg gewoon dat ik bij defensie een managementfunctie in de ondersteuning heb. Nou dan haken de meesten wel af hoor!’
Dirk, burger, manager ondersteunende afdeling, werkt 18 jaar bij de MIVD.
‘Niet iedereen die hier werkt is een topspion. Als manager ondersteuning ben ik een groot deel van de dag helemaal niet met geheime zaken bezig. En zo zijn er veel meer. Maar het bijzondere aan de MIVD vind ik dat al die mannen en vrouwen samen de waarde bepalen van het eindproduct. Zowel de mensen in het veld zijn cruciaal, maar ook de analist en de persoon die bijvoorbeeld de logistieke zaken doet.
Wij zijn maar een kleine speler in de internationale inlichtingenwereld. Toch bereiken wij hele mooie resultaten met beperkte middelen. Onze kracht is dat je, juist door die beperkingen, vanaf dag 1 serieus genomen wordt op je expertise. Als je laat zien dat je betrokken bent en je inzet, dan zijn er genoeg mogelijkheden door te groeien. Dat houd je gemotiveerd.
Uiteraard geldt voor iedereen die hier werkt dat je terughoudend moet zijn met naar buiten brengen wat de dienst doet. Jij en je collega’s lopen nu eenmaal een potentieel risico gelieerd te worden aan de dienst. Ik heb daarom een gelaagdheid in mijn persoonlijke verhaal. Afhankelijk van mijn toehoorders vertel ik meer of minder. Het blijft hetzelfde verhaal maar de hoeveelheid informatie varieert. Staatsgeheimen blijven natuurlijk binnen de dienst. Die verklappen is zelfs strafbaar. Tegen mijn vrouw vertel ik wel meer dan bijvoorbeeld op een feestje. Daar zeg ik gewoon dat ik bij defensie een managementfunctie in de ondersteuning heb. Nou dan haken de meesten wel af hoor!”
‘Je merkt wel dat je een wat andere mindset krijgt als je hier werkt’
Anton, militair, leidinggevende, nu voor de tweede maal werkzaam bij de MIVD
“Je zit hier bovenop de actualiteit. Als er een crisis plaatsvindt, zoals bijvoorbeeld met vlucht MH17, dan gaan wij daar razendsnel mee aan de slag om een goed beeld te krijgen van de situatie. Daarnaast kijken we ook verder en schetsen we wat de ontwikkelingen op de langere termijn zijn. Die combinatie tussen actualiteit en lange termijn trekt mij aan in het werken voor de MIVD.
Ik heb niet altijd bij de MIVD gewerkt. Dit is nu de tweede keer dat ik hier een functie heb en tussendoor heb ik weer andere dingen gedaan. Dat geeft een uitstekend beeld van de gang van zaken binnen de MIVD én bij de Defensieonderdelen waar je het als MIVD voor doet. Je merkt wel dat je een wat andere mindset krijgt als je hier werkt. Je bent wel alerter op veiligheidsrisico’s. Zo heb ik Defensiecollega’s wel eens kunnen helpen bij het bewust maken van de do’s en don’ts bij het verzenden van gerubriceerde informatie. Dat zijn zaken die bij ons zijn ingebakken in het dagelijks werk .
Bij de MIVD heerst een iets andere cultuur dan bij een gemiddelde landmachteenheid. 60 procent hier is burger. Daarnaast hebben al die mensen ook nog eens heel veel verschillende specialisaties: van arabist tot ICT’er. Er wordt hier dan ook op een behoorlijk hoog niveau nagedacht en geproduceerd. Dat moet je wel liggen als je hier wilt werken. De ene militair voelt zich nu eenmaal meer senang in de bosrand en de ander is liever wat meer academisch bezig. De combinatie van expeditionair optreden en strategische advisering is uniek voor de MIVD; daarom heb ik het hier zeer naar mijn zin.
Dat je over het resultaat van je werkzaamheden niet kunt praten, heb ik nooit als frustrerend ervaren. Wij leveren producten voor beleidsmakers en als die daarmee uit de voeten kunnen, is het goed. Ik hoef niet zo nodig op te scheppen over mijn werk op feestjes. Ik heb genoeg andere dingen om over op te scheppen, haha.’
(Bron; Defensiekrant, 12 september 2014)
donderdag 3 juli 2014
Opvolger NSO gelanceerd: Joint Sigint Cyber Unit
Met de start van de Joint Sigint Cyber Unit (JSCU) zetten de AIVD en MIVD een belangrijke stap om de nationale veiligheid en onze digitale netwerken beter te beschermen tegen bedreigingen en tegelijkertijd onze militairen op missie beter te ondersteunen. Voor een succesvolle samenwerking zijn goede afspraken nodig. Deze afspraken zijn vastgelegd in een, door de ministers van Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties en Defensie ondertekend, convenant.
De gezamenlijke eenheid is gespecialiseerd in Signals Intelligence (Sigint) en Cyber. Sigint omvat inlichtingen die worden verzameld uit (tele)communicatie. Cyber is een verzamelnaam voor verschillende activiteiten die te maken hebben met computernetwerken en datastromen. Denk hierbij aan het in kaart brengen van het internetlandschap in een (nieuw) missiegebied, het informeren van partners over een gevaarlijk computervirus of het hacken van een website van terroristen die de nationale veiligheid in gevaar brengen.
Het kabinet hecht groot belang aan verdergaande samenwerking tussen de AIVD en MIVD. Een belangrijke reden hiervoor is het bundelen van schaarse kennis en middelen. Doordat de technische ontwikkelingen op het gebied van Sigint en Cyber snel gaan, is bundeling van kennis en middelen binnen de JSCU niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk.
De JSCU is een logisch vervolg en intensivering van de lopende samenwerking op het gebied van Signals Intelligence in de Nationale Sigint Organisatie (NSO). De NSO gaat samen met andere specialistische onderdelen van de AIVD en de MIVD op in het nieuwe samenwerkingsverband. De JSCU is geen zelfstandige dienst, maar onderdeel van de AIVD en de MIVD.
Net zoals de overige taken van de AIVD en de MIVD valt ook de taakuitvoering van de JSCU binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) 2002. Het werk van de diensten wordt gecontroleerd door de Commissie betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD).
(AIVD, 3 juli 2014)
De gezamenlijke eenheid is gespecialiseerd in Signals Intelligence (Sigint) en Cyber. Sigint omvat inlichtingen die worden verzameld uit (tele)communicatie. Cyber is een verzamelnaam voor verschillende activiteiten die te maken hebben met computernetwerken en datastromen. Denk hierbij aan het in kaart brengen van het internetlandschap in een (nieuw) missiegebied, het informeren van partners over een gevaarlijk computervirus of het hacken van een website van terroristen die de nationale veiligheid in gevaar brengen.
Het kabinet hecht groot belang aan verdergaande samenwerking tussen de AIVD en MIVD. Een belangrijke reden hiervoor is het bundelen van schaarse kennis en middelen. Doordat de technische ontwikkelingen op het gebied van Sigint en Cyber snel gaan, is bundeling van kennis en middelen binnen de JSCU niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk.
De JSCU is een logisch vervolg en intensivering van de lopende samenwerking op het gebied van Signals Intelligence in de Nationale Sigint Organisatie (NSO). De NSO gaat samen met andere specialistische onderdelen van de AIVD en de MIVD op in het nieuwe samenwerkingsverband. De JSCU is geen zelfstandige dienst, maar onderdeel van de AIVD en de MIVD.
Net zoals de overige taken van de AIVD en de MIVD valt ook de taakuitvoering van de JSCU binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) 2002. Het werk van de diensten wordt gecontroleerd door de Commissie betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD).
(AIVD, 3 juli 2014)
dinsdag 1 juli 2014
Antwoord op Kamervragen over intrekken VGB
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Datum
Betreft Antwoorden op vragen over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar
Onze referentie
BS2014019198
Hierbij bied ik u de antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie
voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar aan (ingezonden 12
juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
Antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar (ingezonden 12 juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).
1
Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het categorisch benoemen van een aantal misdrijven als gevolg waarvan de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) moet worden ingetrokken, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid?
Het gaat bij een veiligheidsonderzoek om het risico dat iemand kan vormen voor de nationale veiligheid. Gezien de specifieke taken voor Defensie alsmede de omstandigheden waaronder de Defensie-taken dienen te worden uitgevoerd, worden bijzondere normen gesteld. Zo zal het plegen van ieder strafbaar feit als omschreven in artikel 13, tweede lid, van de Opiumwet als regel tot weigering respectievelijk intrekking van een verklaring leiden.
2
Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het moeten intrekken van een VGB wegens de omstandigheid dat de militair een partner heeft uit een land, waarmee geen samenwerkingsrelatie bestaat op het gebied van veiligheidsonderzoek, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt, door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid?
Bij een verblijf in een ander land van langer dan drie maanden doet de MIVD, via de AIVD, navraag bij een buitenlandse dienst waarmee de AIVD op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens samenwerkt. Indien dat, door het ontbreken van een dergelijke relatie, niet mogelijk is, geeft de MIVD in principe geen VGB af op grond van het onvoldoende verkrijgen van betrouwbare gegevens. Defensie heeft een aantal mogelijke uitzonderingen op die regel geformuleerd. Daarbij wordt, in een aantal gevallen en onder strikte voorwaarden, toch een VGB afgegeven. Om het risico dat ontstaat door het ontbreken van de gegevens van de partnerdienst te beperken, is dat niet een VGB voor het hoogste veiligheidsmachtigingsniveau. Defensie maakt hierbij een individuele beoordeling conform de kaders van de Wet veiligheidsonderzoeken Wvo).
Plein 2
2511 CR Den Haag
Datum
Betreft Antwoorden op vragen over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar
Onze referentie
BS2014019198
Hierbij bied ik u de antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie
voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar aan (ingezonden 12
juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
Antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar (ingezonden 12 juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).
1
Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het categorisch benoemen van een aantal misdrijven als gevolg waarvan de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) moet worden ingetrokken, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid?
Het gaat bij een veiligheidsonderzoek om het risico dat iemand kan vormen voor de nationale veiligheid. Gezien de specifieke taken voor Defensie alsmede de omstandigheden waaronder de Defensie-taken dienen te worden uitgevoerd, worden bijzondere normen gesteld. Zo zal het plegen van ieder strafbaar feit als omschreven in artikel 13, tweede lid, van de Opiumwet als regel tot weigering respectievelijk intrekking van een verklaring leiden.
2
Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het moeten intrekken van een VGB wegens de omstandigheid dat de militair een partner heeft uit een land, waarmee geen samenwerkingsrelatie bestaat op het gebied van veiligheidsonderzoek, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt, door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid?
Bij een verblijf in een ander land van langer dan drie maanden doet de MIVD, via de AIVD, navraag bij een buitenlandse dienst waarmee de AIVD op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens samenwerkt. Indien dat, door het ontbreken van een dergelijke relatie, niet mogelijk is, geeft de MIVD in principe geen VGB af op grond van het onvoldoende verkrijgen van betrouwbare gegevens. Defensie heeft een aantal mogelijke uitzonderingen op die regel geformuleerd. Daarbij wordt, in een aantal gevallen en onder strikte voorwaarden, toch een VGB afgegeven. Om het risico dat ontstaat door het ontbreken van de gegevens van de partnerdienst te beperken, is dat niet een VGB voor het hoogste veiligheidsmachtigingsniveau. Defensie maakt hierbij een individuele beoordeling conform de kaders van de Wet veiligheidsonderzoeken Wvo).
3
Welke termijnen hanteert u bij het afhandelen van het bezwaar dat militairen mogelijk indienden tegen het intrekken van de VGB, gezien de forse gevolgen die het intrekken van het VGB voor de militair kan hebben?
Bij een intrekking van een VGB wordt altijd eerst een voornemen naar betrokkene verzonden en wordt het betreffende defensieonderdeel hierover geïnformeerd. Betrokkene heeft dan twintig dagen de tijd om zijn of haar zienswijze naar de MIVD te zenden. Indien betrokkene (of diens advocaat) daarom verzoekt, wordt extra reactietijd voor de zienswijze verleend. Na ontvangst van de zienswijze wordt deze beoordeeld. Het besluit luidt dan ofwel handhaving intrekking ofwel handhaving VGB. Betrokkene en diens veiligheidsfunctionaris worden van dat besluit op de hoogte gebracht. Vervolgens krijgt betrokkene zes weken om bezwaar tegen dat besluit te maken bij de Minister. De Minister legt de bezwaren voor bij een onafhankelijke bezwarencommissie. Dat bezwaar heeft echter geen opschortende werking; de VGB is op dat moment ingetrokken en betrokkene dient binnen acht weken te worden ontheven uit de vertrouwensfunctie. De (wettelijke) afhandelingstermijn voor Defensie bedraagt zes weken, eventueel te verlengen met zes weken.
maandag 2 juni 2014
Mali: Nederlandse eenheden overgedragen aan MINUSMA
De Nederlandse eenheden in Mali vallen sinds vandaag officieel onder de VN-missie MINUSMA. Met de zogenoemde Transfer of Authority is de missie voor de ongeveer 400 Nederlandse militairen echt begonnen.
MINUSMA
De Verenigde Naties (VN) proberen de veiligheid en stabiliteit in Mali te herstellen. Dit gebeurt met de Multidimensional Integrated Stabilisation Mission in Mali (MINUSMA). Nederland levert sinds april 2014 een belangrijke bijdrage aan deze VN-missie. Het gaat om zo’n 370 man en 4 Apache-gevechtshelikopters. Vanaf oktober komen daar nog 3 Chinook-transporthelikopters bij en circa 70 man. Halverwege 2015 besluit de regering of ze de missie verlengt.
Nederlandse bijdrage in Mali
Speciale eenheden vormen de operationele kern op de grond. Zij gaan vooral verkenningen uitvoeren en inlichtingen verzamelen. Die informatie gebruikt de commandant van de VN-missie om operaties voor te bereiden. De Nederlanders vormen daarmee de ‘oren en ogen’ binnen de VN-missie. Daarnaast helpt een dertigtal politiefunctionarissen en een aantal civiele deskundigen de Malinese politie en rechtsstaat te verbeteren. De eenheden werken vanuit het sectorhoofdkwartier in Gao. Enkele stafofficieren hebben hun werkplek op het Minusma-hoofdkwartier in de hoofdstad Bamako.
Helikopters
Defensie levert 4 Apache-gevechtshelikopters, waarover commandant Minusma generaal-majoor Jean Bosco Kazura zeggenschap heeft. De toestellen voeren verkenningen uit en escorteren eenheden. Ook kunnen ze dreigend optreden (show of force) of vuursteun leveren. Verder verzamelen de Apaches inlichtingen met hun sensoren. Later dit jaar arriveren ook 3 Chinook-transporthelikopters, vooral bestemd voor medische evacuaties. Tot die tijd opereren de eenheden alleen op grotere afstand van Gao als de Franse operatie Serval de medische evacuatie garandeert.
(ministerie van Defensie, 2 juni 2014)
MINUSMA
De Verenigde Naties (VN) proberen de veiligheid en stabiliteit in Mali te herstellen. Dit gebeurt met de Multidimensional Integrated Stabilisation Mission in Mali (MINUSMA). Nederland levert sinds april 2014 een belangrijke bijdrage aan deze VN-missie. Het gaat om zo’n 370 man en 4 Apache-gevechtshelikopters. Vanaf oktober komen daar nog 3 Chinook-transporthelikopters bij en circa 70 man. Halverwege 2015 besluit de regering of ze de missie verlengt.
Nederlandse bijdrage in Mali
Speciale eenheden vormen de operationele kern op de grond. Zij gaan vooral verkenningen uitvoeren en inlichtingen verzamelen. Die informatie gebruikt de commandant van de VN-missie om operaties voor te bereiden. De Nederlanders vormen daarmee de ‘oren en ogen’ binnen de VN-missie. Daarnaast helpt een dertigtal politiefunctionarissen en een aantal civiele deskundigen de Malinese politie en rechtsstaat te verbeteren. De eenheden werken vanuit het sectorhoofdkwartier in Gao. Enkele stafofficieren hebben hun werkplek op het Minusma-hoofdkwartier in de hoofdstad Bamako.
Helikopters
Defensie levert 4 Apache-gevechtshelikopters, waarover commandant Minusma generaal-majoor Jean Bosco Kazura zeggenschap heeft. De toestellen voeren verkenningen uit en escorteren eenheden. Ook kunnen ze dreigend optreden (show of force) of vuursteun leveren. Verder verzamelen de Apaches inlichtingen met hun sensoren. Later dit jaar arriveren ook 3 Chinook-transporthelikopters, vooral bestemd voor medische evacuaties. Tot die tijd opereren de eenheden alleen op grotere afstand van Gao als de Franse operatie Serval de medische evacuatie garandeert.
(ministerie van Defensie, 2 juni 2014)
Labels:
commando's,
DHC,
ISTAR,
KCT,
Korps Commandotroepen,
Mali,
MARSOF,
MINUSMA,
MIVD,
Scorpion,
SOLTG,
Special Forces
donderdag 24 april 2014
MIVD meer gericht op Afrika en het Midden-Oosten
De focus van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) verschuift naar Afrika en het Midden-Oosten. Dat blijkt uit het jaarverslag van de MIVD over 2013. Na het einde van de geïntegreerde politietrainingsmissie in Afghanistan is de focus in 2013 steeds meer verschoven naar Mali, Somalië en Syrië. Een zelfstandige informatiepositie om inlichtingen te verzamelen over conflicten in actuele en potentiële inzetgebieden, is heel belangrijk voor de ondersteuning van politieke en militaire besluiten. Door het tijdig herkennen van mogelijke dreigingen kan de krijgsmacht veilig en effectief optreden. Zonder hoogwaardige inlichtingenondersteuning is de kans van slagen van militaire missies aanzienlijk kleiner.
Bescherming krijgsmacht
Evenals voorgaande jaren was de MIVD in 2013 alert op potentiële dreiging tegen de krijgsmacht en Defensie-industrie. De aandachtsgebieden varieerden van het bevorderen van beveiligingsbewustzijn tot het ontdekken van externe dreiging gericht tegen de krijgsmacht en in het bijzonder uitgezonden Nederlandse eenheden.
De krijgsmacht heeft betrouwbare informatie nodig om in Nederland en tijdens uitzendingen de juiste beslissingen te nemen. Om te zorgen voor de nationale veiligheid van Nederland en de veiligheid van militairen. En om te bepalen of personen een vertrouwensfunctie kunnen krijgen. Maar ook om zeker te weten dat militaire geheimen veilig zijn bij bedrijven waarmee Defensie samenwerkt.
(ministerie van Defensie, 23 april 2014)
Klik hier voor het jaarverslag
Bescherming krijgsmacht
Evenals voorgaande jaren was de MIVD in 2013 alert op potentiële dreiging tegen de krijgsmacht en Defensie-industrie. De aandachtsgebieden varieerden van het bevorderen van beveiligingsbewustzijn tot het ontdekken van externe dreiging gericht tegen de krijgsmacht en in het bijzonder uitgezonden Nederlandse eenheden.
De krijgsmacht heeft betrouwbare informatie nodig om in Nederland en tijdens uitzendingen de juiste beslissingen te nemen. Om te zorgen voor de nationale veiligheid van Nederland en de veiligheid van militairen. En om te bepalen of personen een vertrouwensfunctie kunnen krijgen. Maar ook om zeker te weten dat militaire geheimen veilig zijn bij bedrijven waarmee Defensie samenwerkt.
(ministerie van Defensie, 23 april 2014)
Klik hier voor het jaarverslag
maandag 10 februari 2014
Antwoord op Kamervragen aan minister Plasterk over metadata
30977 AIVD
Nr. Lijst van vragen
Vastgesteld 6 februari 2014
1
Hoe komt het dat een aantal maanden geleden niet bekend was dat er sprake was van gegevens die rechtmatig (binnen de wettelijke doelen) verzameld zijn? Had dit niet bekend moeten zijn?
Op 5 augustus 2013 publiceerde Der Spiegel een staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld. Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen “telefoongesprekken” in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. Het NSA programma Boundless Informant sprak van data “collection against that country” en gaf het getal 1,8 miljoen voor Nederland. In eerste instantie lag het dus in de rede te veronderstellen dat het ging om Nederlandse telefoongesprekken. In de publieke beeldvorming ontstond vervolgens al snel de suggestie dat het om het ‘aftappen’ van 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken zou gaan.
Uw Kamer en de media hebben naar aanleiding van voornoemde berichtgeving vragen gesteld aan de regering. Op dat moment kon het kabinet het getal van 1,8 miljoen nog niet plaatsen.
Hierna is er onderzoek ingesteld door de diensten. Ook is er intensief contact geweest tussen de Nederlandse diensten en de NSA om tot een nadere duiding te komen. Op basis van dit onderzoek is op 20 november 2013 gebleken dat het in de berichtgeving genoemde getal van 1,8 miljoen hoogstwaarschijnlijk betrekking had op verzameling van metadata van telefoongesprekken door de Nationale Sigint Organisatie (NSO). Dit werd bevestigd door verder intern onderzoek van de diensten. Op 22 november 2013 zijn de Minister van Defensie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) hierover door de diensten gelijktijdig geïnformeerd.
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, die zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
Het getal van 1,8 miljoen heeft derhalve geen betrekking op gesprekken die via Nederlandse telefoonnummers zouden zijn gevoerd. Het betreft metadata verzameld in het kader van de wettelijke taakuitoefening.
Zie verder ook het antwoord op vraag 38.
2
Op welke metadata doelde de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) toen de minister in het debat met de Kamer op 6 november 2013 en bij Nieuwsuur van 30 oktober 2013 over metadata sprak?
Op dat moment doelde de minister van BZK op metadata van telefoongesprekken met Nederlandse nummers.
3
Staat de minister van BZK nog steeds achter de uitlating, gedaan op 30 oktober 2013 in het tv-programma Nieuwsuur, dat de National Security Agency (NSA) in één maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept?
Nee. Er zijn 2 redenen waarom de minister van BZK dit als mogelijkheid zag:
1. Het stond voor de Nederlandse diensten vast dat zij niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard. Een alternatieve verklaring was dat deze door een buitenlandse dienst waren vergaard.
2. Opvragen door de AIVD leverde op dat er per dag circa 60.000 gesprekken tussen Nederland en de VS zijn. Over een peilperiode van een maand kwam dat overeen met de 1,8 miljoen uit Der Spiegel.
Terugkijkend hierop vindt de minister van BZK dat hij deze mogelijke verklaring achterwege had moeten laten.
Zie verder ook het antwoord op vraag 7.
4
Waarom heeft de minister van BZK, die tijdens een AO in het najaar van 2013 nog uitlegde dat de NSA niet zelfstandig de betreffende data heeft kunnen verzamelen en daarnaast ook stelde dat: “de verklaring die het NSA heeft gegeven, is dat er kennelijk ook door andere bondgenoten dergelijke informatie met hen is gedeeld. Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan. Het zou kunnen dat andere landen in het bondgenootschap dat wel hebben gedaan", de Kamer in oktober 2013 nog medegedeeld dat de gegevens niet door Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren verzameld en verstrekt?
Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen “telefoongesprekken” in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. De indruk ontstond dat in ons land op grote schaal Nederlandse telefoongesprekken zouden worden vergaard en verstrekt door de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Op vragen in de media en in uw Kamer daarover heeft de minister van BZK medegedeeld dat de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten alleen binnen wettelijke kaders metadata verzamelen en verstrekken, en dus niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard en verstrekt.
Zie verder ook het antwoord op vraag 3.
5
Op basis van welke informatie heeft de minister van BZK tijdens zowel het AO op 6 november 2013 als de Nieuwsuur-uitzending 30 oktober 2013 kunnen verklaren dat 1,8 miljoen Nederlandse telefoontjes zijn geregistreerd door de NSA en dat, na onderzoek, het NIET de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren die de data-verkeersgegevens hebben verzameld. Waar bestond dit interne onderzoek uit? Waarom kreeg de minister op dat moment niet de juiste informatie?
Er was in dat stadium sprake van een mogelijke verklaring. Op basis daarvan heeft de minister van BZK de uitspraak gedaan. In het publieke debat was de stellige indruk ontstaan dat de Nederlandse veiligheidsdiensten 1,8 miljoen telefoongesprekken van Nederlanders zouden hebben vergaard. De minister van BZK heeft dit beeld willen weerleggen.
Zie verder het antwoord op vraag 3.
6
Wat is de precieze inhoud van het gesprek dat de minister van BZK in het najaar van 2013 met de NSA had over mogelijke activiteiten van de NSA in Nederland? Is toen al duidelijk geworden dat deze 1,8 miljoen registraties niet het werk van de NSA maar van de Nederlandse diensten was?
Nee. Op dat moment beperkte, zowel in het bilaterale gesprek als in de reguliere contacten tussen de diensten en de NSA, de NSA zich tot de mededeling dat Nederland ‘geen target’ was. Overigens was dit gesprek op 11 oktober 2013, dus voordat de publicatie in Le Monde over 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken kwam.
7
Doelde de minister van BZK met de uitspraak “Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan” tijdens het AO op 6 november 2013, enkel op door Nederlandse diensten op Nederlandse bodem vergaarde metadata van gesprekken van Nederlanders met andere Nederlanders?
Ja. Om precies te zijn doelde hij op kabelgebonden telefoongesprekken in of vanuit Nederland.
Met het oog op het publieke debat dat naar aanleiding van de onthullingen was ontstaan, heeft de minister van BZK twee zaken willen corrigeren, namelijk:
1. dat er sprake zou zijn van ‘afgeluisterde’ telefoongesprekken en
2. dat de Nederlandse diensten betrokken zouden zijn geweest bij mogelijke door de NSA in Nederland vergaarde telefoongesprekken.
8
Hoe beoordeelt de minister van BZK zijn mediaoptreden bij Nieuwsuur op 30 oktober 2013 en bij Pauw en Witteman op 22 oktober 2013? Hoe interpreteert de minister nu wat hij destijds heeft gezegd? Doelt de minister van Defensie op deze uitspraken wanneer zij het heeft over 'hardnekkige beeldvorming'? Zo nee, waar doelt zij dan wel op?
Zie de antwoorden op de vragen 3,4 en 5.
De uitspraak van de minister van Defensie over hardnekkige beeldvorming heeft betrekking op het beeld in het publieke debat, namelijk dat er sprake zou zijn van illegale metadataverzameling, het massaal ‘afluisteren’ van Nederlandse telefoongesprekken en ook het ongeoorloofd delen van die informatie met partnerdiensten.
9
Waaruit bestonden de 'toen beschikbare gegevens' die het aannemelijk maakten dat het zou gaan om metadata van telefoonverkeer tussen de VS en Nederland? Was op dat moment niet al mogelijk om snel en precies duidelijk te krijgen hoe het zat? Zo ja, waarom is dat dan niet gebeurd?
10
Hoe verhoudt de uitspraak van de minister van BZK dat de NSA in een maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept (gedaan tijdens de Nieuwsuur-uitzending op 30 oktober 2013) tot de opmerking in de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) waarin de ministers van BZK en Defensie schrijven dat de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) deze 1,8 miljoen metadata heeft verzameld en deze gegevens heeft ‘gedeeld met de Verenigde Staten’?
11
Op welke grond baseerde de minister van BZK zich toen hij stelde dat het getal van 1,8 miljoen records metadata gekoppeld moest worden aan dataverzameling door de NSA?
Zie voor de antwoorden op de vragen 9, 10 en 11 de antwoorden op de vragen 1 en 3.
12
Welke aanvullende informatie had de minister van BZK om te kunnen concluderen dat de 1,8 miljoen records metadata niet afkomstig is van Nederlandse diensten terwijl dit op zichzelf niet af te leiden uit de door de minister aangehaalde verklaring van de NSA?
De verklaring van de NSA was de eerste gelegenheid dat de NSA richting Nederland bevestigde dat de door Der Spiegel genoemde metadata inderdaad bestonden. De verklaring zelf laat overigens in het midden of de Nederlandse metadata door Nederland of de NSA waren verkregen. De minister van BZK heeft deze verklaring onmiddellijk publiek gemaakt, zie de brief van 31 oktober 2013, kenmerk 8330f574-or1-1.7.
Zie verder ook het antwoord op de vragen 1 en 3.
13
Wanneer ontving de minister van BZK voor het eerst het signaal dat niet de NSA, maar de Nederlandse Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten verantwoordelijk waren of zouden kunnen zijn voor de vergaring van de 1,8 miljoen records metadata? Wanneer hoorde de minister van BZK voor het eerst dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn en wanneer realiseerde de minister van BZK zich dat zijn verklaring waarin het getal van 1,8 miljoen records metadata werd gekoppeld aan de NSA, niet klopte?
14
Hoe en door wie is de minister van BZK geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO zijn verzameld?
15
Hoe verhoudt de volgende zinsnede uit de brief van de ministers van BZK en Defensie van 4 februari 2014 (2014Z01980): 'Aanvullende informatie en vervolgens nader onderzoek en analyse hebben echter geleid tot de volgende conclusie', zich tot de opmerkingen van de minister van Defensie in media-interviews door o.a. de NOS en Pownews, na afloop van AO defensie d.d. 5 februari j.l., dat zij al die tijd al wist dat die metadata door de NSO is verzameld en is gedeeld met de NSA?
Antwoord op de vragen 13,14 en 15:
Op 22 november zijn beide ministers gelijktijdig geïnformeerd door de diensten.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
16
Hoe is het verschil in de conclusies van de vorige brief en deze brief te verklaren? Hoe kan het dat de conclusies heel anders zijn?
Op 31 oktober 2013 was er nog geen duidelijkheid over de exacte herkomst van de 1,8 miljoen metadata. In voorgaande brieven is vooral inzichtelijk gemaakt wat de Nederlandse inlichtingendiensten op basis van de WIV mogen en wat buitenlandse diensten in Nederland mogen. Tenslotte is vermeld dat nader onderzoek nog gaande was.
Dit onderzoek heeft de noodzakelijke duidelijkheid opgeleverd. De conclusie van de brief van 4 februari 2014 is hierop gebaseerd.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
17
Wanneer werd het onderzoek, waarover de brief van 4 februari 2014 spreekt, officieel afgerond? Is de Kamer meteen geïnformeerd nadat er duidelijkheid kwam over de herkomst van de gegevens?
Op 22 november 2013 is het onderzoek afgerond, zie ook het antwoord op vraag 1.
Daarna hebben de Minister van Defensie en de Minister van BZK de afweging gemaakt tussen de plicht om de Kamer zoveel als mogelijk te informeren en het belang van de Staat om in het openbaar niet in te gaan op de mogelijke modus operandi van onze diensten. Het laatste gaf de doorslag.
In het kader van de voorbereiding van de civiele procedure over het gebruik van gegevens afkomstig van buitenlandse diensten is er eind januari 2014 een nieuw toetsmoment ontstaan.
De vordering van eisers heeft immers verstrekkende consequenties voor onze veiligheidspositie omdat een deel van de eisen, indien door de rechter toegekend, een zeer grote schade zou doen aan het succes van de operaties van de diensten, zoals de eis beperkingen op te leggen aan het verkrijgen en gebruiken van gegevens van buitenlandse diensten. Het zwaarwegende belang bij dit proces inclusief het belang van de nationale veiligheid was en is erbij gediend te beargumenteren dat er geen sprake is geweest van het ‘witwassen van illegale data’, maar van het rechtmatig vergaren van metadata. Gelet op het gewicht van de genoemde belangen en de verdediging hiervan, diende de weergave van het handelen van de diensten door de eiser te worden weerlegd omdat deze anders, als de gedaagde deze weergave onweersproken liet, voor waar zou kunnen worden aangenomen.
Daarom is besloten tot openbaarmaking van een deel van de werkwijze in de brief van 4 februari 2014 aan de Kamer. De ministers van Defensie en BZK hebben deze nieuwe afweging gezamenlijk gemaakt.
18
Waar bestond het 'nader onderzoek en analyse' precies uit? Waarom kon deze analyse niet eerder tot de gewenste helderheid leiden?
Er was in eerste instantie slechts een staafdiagram (Der Spiegel), en later nog een nadere maar minimale duiding (Le Monde), beschikbaar. Dit getal en het staafdiagram waren niet één op één te herleiden tot informatie uit de eigen systemen.
‘Nader onderzoek en analyse’ behelsde een reconstructie aan de hand van eigen onderzoek in combinatie met aanvullende informatie van de NSA. Op grond hiervan konden op 22 november 2013 definitieve conclusies worden getrokken.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
19
Ligt het, met de kennis van nu, niet heel erg voor de hand dat de minister van BZK vanaf het gesprek met de NSA-directeur Keith Alexander over bilaterale contacten (iets wat de minister tijdens het AO op 16 oktober 2013 aangaf) al wist (of in ieder geval met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op gewezen bent) dat de minister van BZK zelf verantwoordelijk was voor het verzamelen en delen van 1,8 miljoen records metadata? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
20
Hoeveel tijd zat er tussen het moment dat de minister van BZK hiervan op de hoogte werd gesteld en het moment dat hij de Kamer inlichtte?
21
Waarom is de Kamer niet terstond geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn?
22
Waarom en wanneer is besloten om deze informatie op 4 februari te delen met de Tweede Kamer?
23 Is het waar dat de minister van BZK pas heeft besloten om het parlement te informeren nadat het risico ontstond dat u op rechterlijke last de ware toedracht zou moeten openbaren?
Zie voor de antwoorden op de vragen 20, 21, 22 en 23 het antwoord op vraag 17.
24
Wist de minister van BZK vooraf aan het versturen van de brief van 4 februari (2014Z01980) dat publicatie in de media aanstaande was? Zo ja, heeft dit een rol gespeeld in de overweging tot het alsnog openbaren van deze informatie aan de Kamer?
Nee, eventuele op handen zijnde publicaties hebben hierbij geen rol gespeeld.
Zie verder ook het antwoord op vraag 17.
25
Wat was de directe aanleiding om de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) naar de Kamer te sturen en waarom was dit zo'n korte brief zonder nadere uitleg over de gang van zaken rond de 1,8 miljoen taps?
Zie het antwoord op vraag 17.
26
Hoe verklaart de minister van BZK het feit dat er meer dan drie maanden verstreken zijn tussen het moment dat de minister onjuiste informatie naar buiten bracht en de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980)?
Zie het antwoord op vraag 1, 17, 22 en 23.
27
Wanneer zijn de toezichthouders en de vaste commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) geïnformeerd over het feit dat de registratie van 1,8 miljoen taps het werk van onze eigen veiligheidsdiensten is geweest?
Er is geen sprake van taps, maar van metadata. Op 4 februari 2014 is de Kamer geïnformeerd. De CTIVD kan hier continu kennis van nemen en is bekend met de werkwijze van de diensten. De CTIVD wordt niet separaat geïnformeerd.
28
Kan de minister van BZK precies aangeven wanneer welke informatie inzake dit schandaal is verstrekt aan de vaste commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten? Is de minister van BZK van mening dat de 'commissie stiekem' actief en volledig is geïnformeerd? Zo ja, waarom?
Over contacten met de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
29
Is de minister van BZK bereid om de geheime bijlages bij de rapporten van de CTIVD, die op dit spionageschandaal betrekking hebben, openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Deze bijlagen hebben betrekking op operaties en zijn daarom niet openbaar gemaakt. Het geheime deel betreft een uitwerking van het openbare rapport en bevat geen andere conclusies of aanbevelingen dan degene die in meer abstracte zin in het openbare rapport zijn vermeld. Vertrouwelijke bijlagen die betrekking hebben operaties kunnen naar hun aard niet publiek gemaakt worden.
30
Heeft de minister van BZK nog meer informatie aan de Kamer verstrekt over het werk van de inlichtingendiensten waarvan nu blijkt dat het vermoeden bestaat dat die informatie niet klopt?
Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.
31
Hoe kijkt de minister van BZK terug op de wijze waarop de hij het parlement heeft geïnformeerd over het vermeende spionageschandaal?
Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.
32
In hoeverre zijn de ministers van BZK en Defensie volledig op de hoogte van de informatieverzameling en doorgifte van de inlichtingendiensten en de NSO? Vindt u deze constructie wenselijk voor de politieke controle op de inlichtingendiensten?
Ja. De ministers van Defensie en BZK zijn, met oog op hun ministeriële verantwoordelijkheid voor de NSO, op de hoogte van de activiteiten van de NSO.
33
Is het waar dat de minister van Defensie eerder dan de minister van BZK wist dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn? En zo ja, wat is de verklaring van het gebrek aan communicatie tussen de ministers? Waarom is de Kamer daarover niet geinformeerd?
Nee. Zie ook het antwoord op de vragen 1 en 15.
34
Wat was het doel van het gesprek op woensdagavond 5 februari 2014 op het Torentje?
Doel en inhoud van dit gesprek zijn naar hun aard vertrouwelijk.
35
Ten behoeve van welke activiteiten worden die miljoenen metadata-records verzameld en waarom is dit nooit opgemerkt in de CTIVD-rapportages?
De metadata worden door de NSO verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland, hetgeen valt binnen de kaders van de wettelijke taakuitoefening (artikelen 6 en 7 WIV). De CTIVD is een onafhankelijke commissie die haar rapporten aan de Tweede Kamer stuurt. De inzet van bijzondere bevoegdheden (waaronder de inzet van de bevoegdheid tot ongerichte interceptie van niet-kabelgebonden telecommunicatie als bedoeld in artikel 27 WIV) door de diensten wordt door de CTIVD al sinds jaren onderzocht.
36
Is dit de specifieke Nederlandse informatie waar de onderzoeksjournalist Greenwald op duidde? Zo nee, wat komt er nog meer?
Het is ons niet bekend op welke informatie de heer Greenwald heeft geduid.
37
Moet uit de brief van 4 februari (2014Z01980) worden opgemaakt dat de NSA, in tegenstelling tot eerdere uitspraken van de minister van BZK, in het geheel geen metadata van telefoonverkeer tussen Nederland en de Verenigde Staten aftapt en opslaat? Of moet uit de brief worden opgemaakt dat de NSA dit wel doet en deze data opslaat, maar dat het in de Der Spiegel genoemde getal van 1,8 miljoen niet aan deze activiteit te verbinden is?
De brief van 4 februari 2014 zegt inderdaad dat het in Der Spiegel getoonde staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld niet aan interceptie door de NSA te verbinden is. De brief zegt niets over de activiteiten van de NSA.
38
Zijn de 1,8 miljoen, door de NSO verzamelde en met de NSA gedeelde, records metadata van satelliet- en radioverkeer afkomstig van communicatie uit het buitenland? Is er ook in Nederland verzamelde communicatie tussen Nederlanders onderling met de Nationale Security Agency gedeeld? Zo ja, in welke mate en om welke reden?
In de metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en de ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
39
Is het aantal van 1,8 miljoen taps in december 2012 een maandelijks gemiddelde of is dit een afwijkend getal? Kan nader worden uitgelegd om wat voor taps het gaat, zijn het bijvoorbeeld telefoongesprekken, websitebezoeken, etc.?
Het gaat niet om taps maar om metadata. Een verdere specificatie van dit aantal of andere details kan in de openbaarheid niet worden gegeven.
40
Hoe is voor deze 1,8 miljoen taps gecontroleerd of de activiteiten rechtmatig zijn en kan de vigerende regelgeving in het antwoord worden betrokken?
Het gaat niet om taps maar om metadata. Het ongericht intercepteren van niet kabelgebonden telecommunicatie is een bijzondere bevoegdheid ingevolge artikel 27 van de WIV en kan slechts worden uitgeoefend voor zover dat noodzakelijk is voor de taken van de diensten en met inachtneming van de beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit (artikel 18, 27 en 31 van de WIV). Voor de uitvoering van deze bijzondere bevoegdheid geldt geen toestemmingsvereiste als bedoeld in artikel 19 WIV 2002. De CTIVD houdt toezicht op de rechtmatigheid.
41
Wat wordt precies bedoeld met de zinsnede in de brief van 4 februari dat de gegevens zijn verzameld 'in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland'? Betreffen dit gegevens van dreiging van terrorisme binnen Nederland of ook van gegevens die te maken hebben met terrorisme in, of afkomstig uit het buitenland?
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Het is niet mogelijk om in het openbaar meer specifieke informatie te delen.
42
Vindt het verzamelen van de metadata, gericht op de genoemde doelen in de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) nog steeds plaats? Zo ja, wat is daarvan de reden? Zo nee, waarom is het verzamelen van die gegevens nu niet meer nodig?
In het kader van de aan de AIVD en MIVD opgedragen taken zoals geregeld in de artikelen 6 onderscheidenlijk 7 lid 2 van de WIV, kunnen metadata worden verzameld over dreigingen gericht tegen de nationale veiligheid en Nederlandse militairen die in het buitenland worden ingezet. Uiteraard moet daarbij wel worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.
43
Is het niet bijzonder onprofessioneel om publiekelijk uit te spreken dat bondgenoten toch niet zo met elkaar om horen te gaan en te zeggen dat de regering de NSA hierop zou aanspreken, terwijl de (Nederlandse) NSO die gegevens zelf heeft verzameld en uitgewisseld?
Zie het antwoord op vraag 3.
44
Zijn de door de NSO verzamelde records metadata met name in het buitenland verzameld en is de privacy van Nederlanders dus minder in het geding dan eerder gedacht?
Ja. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
45
Betreffen de 1,8 miljoen records metadata gegevens die de NSO zelfstandig vergaard heeft?
Ja.
46
Betreffen de 1,8 miljoen records metadata ook 1,8 miljoen verschillende momenten/vormen van communicatie? Zo nee, hoeveel communicatiemomenten beslaan deze data?
Ja.
47
Wat voor kenmerken van de communicatie zijn in de bedoelde records metadata vastgelegd?
In deze metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek.
48
Kan de minister van BZK uitsluiten dat de genoemde records metadata ook betrekking hebben op communicatie waarbij zender en ontvanger zich beiden in Nederland bevinden? Zo nee, waarom niet?
Uitgesloten kan worden dat de genoemde 1,8 miljoen metadata Nederlandse telefoonnummers betreft.
49
Bij hoeveel van de 1,8 miljoen metadata-records is sprake van communicatie waarbij in ieder geval één van de betrokkenen zich naar het weten van de minister van BZK in Nederland bevond?
Daarover kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
50
Op welke vormen van communicatie hebben de metadata betrekking? Gaat het uitsluitend om telefoongesprekken, of ook mailberichten en andere communicatie?
Het betreft uitsluitend metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, op basis van satellietcommunicatie.
51
Welk deel van de metadata hebben betrekking op satellietcommunicatie? Op welke andere communicatietechnieken hebben de data betrekking?
Zie het antwoord op vraag 50.
52
Staat de minister van BZK nog steeds achter de uitlating die hij na de ministerraad van 21 juni 2013 deed dat onze geheime diensten geen gebruik maken van PRISM of andersoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten?
De diensten maken geen gebruik van PRISM of van gelijksoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten.
53
Hoe hebben de Nederlandse geheime diensten, waaronder de NSO, dit soort informatie verzameld en waarom was de minister van BZK daar niet van op de hoogte?
De betrokken ministers zijn op de hoogte van de wijze waarop de diensten informatie verzamelen.
54
Hoe kan de minister van BZK de Kamer garanderen dat zijn uitspraak tijdens het AO op 6 november 2013 dat de afgetapte metadata geen betrekking hebben op het telefoon- dan wel sms-verkeer binnen Nederland, wel juist is?
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
55
Hoever strekken de wettelijke bevoegdheden om gegevens te verschaffen aan de Verenigde Staten? Is er voor het aftappen van alle telefoongegevens sprake van verschaffen binnen de wettelijke mogelijkheden?
De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV) kent een gesloten verstrekkingenstelsel. Verstrekking van gegevens aan buitenlandse diensten kan plaatsvinden op grond van artikel 36 dan wel op grond van artikel 59 van de wet. Dit wettelijk kader bepaalt dus ook de verstrekking van gegevens aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Verenigde Staten.
Artikel 36, eerste lid, aanhef en onder d, biedt de AIVD en de MIVD de mogelijkheid om in het kader van een goede taakuitvoering omtrent door of ten behoeve van de dienst verwerkte gegevens mededeling te doen aan daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen, alsmede andere daarvoor in aanmerking komende internationale beveiligings-, verbindingsinlichtingen- en inlichtingenorganen. Bij de verstrekking op grond van deze bepaling staat de (eigen) goede taakuitvoering centraal en zal het veelal gaan om verstrekking van door de dienst bewerkte gegevens (“ mededeling”) omtrent concrete personen of organisaties (vgl. ambtsberichten). Indien de aard van de mededeling daartoe aanleiding geeft, geschiedt de verstrekking door de voor de dienst verantwoordelijke minister. Bij verstrekking van gegevens aan de diensten als hier bedoeld dient ingevolge artikel 37 van de wet altijd de voorwaarde te worden gesteld dat deze gegevens niet aan derden mogen worden verstrekt (de derde partijregel). Door de verantwoordelijke minister of namens deze het hoofd van de dienst kan echter alsnog toestemming worden verleend om de gegevens aan andere personen of instanties te verstrekken; daaraan kunnen voorwaarden worden verbonden.
De verstrekking op grond van artikel 59 van de wet staat in het teken van de aan de hoofden van de diensten opgedragen zorgplicht tot het onderhouden van verbindingen met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen. In dat kader kunnen op grond van artikel 59, tweede lid, aan deze instanties gegevens worden verstrekt ten behoeve van door deze instanties te behartigen belangen, voor zover (a) deze belangen niet onverenigbaar zijn met de belangen die diensten hebben te behartigen, en (b) een goede taakuitvoering door de diensten zich niet tegen verstrekking verzet. Hier staat dus het belang van de buitenlandse dienst centraal. Artikel 59 biedt de grondslag voor allerlei samenwerkinsgverbanden, bilateraal of multilateraal en al dan niet geinstitutionaliseerd, waarbij gegevens kunnen worden uitgewisseld. De verstrekking van bulk data, waaronder metadata, vindt in de praktijk op deze grondslag plaats. Bij de vraag welke gegevens verstrekt mogen worden, zal getoetst dienen te worden aan de hiervoor genoemde criteria. Dat geldt ook voor de verstrekking van metadata. In beginsel komen dus allerlei gegevens voor verstrekking in aanmerking, zij het dat ook hier geldt als uitgangspunt dat gegevens omtrent bronnen en modus operandi (over en weer) geheim worden gehouden. Voorts is ook bij deze verstrekking de derde partijregel onverkort van toepassing.
56
Was de minister van BZK bekend met de herkomst van de gegevens en de precieze status ervan alsmede het doel waar deze gegevens voor werden verzameld?
Zie het antwoord op vraag 1.
57
Op welke wijze vindt er afstemming plaats tussen de NSO en de ministers van Defensie en BZK over de precieze mogelijkheden en beperkingen bij het verzamelen van gegevens en de doelen waarvoor deze verzameld mogen worden? Zijn de ministers verplicht daar steeds persoonlijk toestemming voor te geven?
De NSO valt gezagsmatig onder de verantwoordelijkheid van beide ministers (Defensie en BZK) en beheersmatig onder de minister van Defensie. De NSO wordt aangestuurd door de directeur van de MIVD en het hoofd van de AIVD en zij leggen daarover verantwoording af aan beide ministers.
Zie verder ook het antwoord op vraag 55.
58
Hoe ver reikt, naar het oordeel van de minister van BZK, de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van de activiteiten die de NSO verricht?
Er is sprake van volledige ministeriële verantwoordelijkheid van de beide ministers.
Zie verder ook het antwoord op vraag 57.
59
Wat wordt gedaan om onduidelijkheden over het onbevoegd verzamelen en/of het doorgeven van gegevens in de toekomst te voorkomen? Is de minister van BZK voornemens hier zelf actiever bij betrokken te zijn?
In algemene zin geldt dat eventuele onduidelijkheden worden betrokken bij de lopende evaluatie van de WIV. In het onderhavige geval was geen sprake van onduidelijkheden en is er rechtmatig gehandeld.
60
Onder verantwoordelijkheid van welke dienst zijn de metadata verzameld en overgedragen aan de Verenigde Staten? Welke bewindspersoon heeft op welke wijze daartoe de beslissing genomen?
Dit geschiedt onder verantwoordelijkheid van beide diensten.
Zie voorts het antwoord op vraag 55.
61
Hoe reageerde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken op de, door de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken in oktober 2013 overgebrachte Nederlandse zorgen? Wat was de reactie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken op het Nederlandse pleidooi voor meer transparantie?
Tijdens het gesprek in september 2013 tussen minister Timmermans en zijn Amerikaanse ambtgenoot toonde minister Kerry veel begrip voor de Nederlandse zorgen ten aanzien van NSA. Hij gaf aan dat het recht op privacy een groot goed is, waar hij zich gedurende zijn carrière voor heeft ingezet. Minister Kerry benadrukte dat de VS er geen baat bij heeft om een overmatige hoeveelheid informatie te verzamelen. Hij verwees naar de adviescommissie die de VS-Administratie had ingesteld om de bevoegdheden van de veiligheidsdiensten onder de loep te nemen. Inmiddels heeft die adviescommissie tientallen aanbevelingen gedaan om de NSA transparanter en terughoudender te maken.
62
Welke rol speelt Nederland precies in 'the nine eyes'?
Zoals reeds eerder gemeld, werken de AIVD en MIVD op bilaterale - en multilaterale wijze samen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Nadere mededelingen hierover zijn in het openbaar niet mogelijk.
63
Hebben buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten zoals de Amerikaanse NSA op enig moment inlichtingen verzameld buiten de wettelijke kaders om? Zo ja, welke maatregelen zijn daarop gevolgd?
Noch de minister van Defensie, noch de minister van BZK verkeert in de positie om te beoordelen of buitenlandse inlichtingendiensten hun taak uitvoeren in overeenstemming met de eigen nationale wetgeving. Het spreekt voor zich dat inlichtingenactiviteiten op Nederlands grondgebied moeten plaatsvinden in overeenstemming met de Nederlandse wet.
64
In welk licht moet de volgende uitspraak van de minister van BZK tijdens het AO op 16 oktober 2013 dat: 'Nederland ook veel heeft te bieden, omdat het juist op het gebied van intelligence een goede, waardevolle samenwerkingspartner is. Dat mag best leiden tot een stevige positie met het oog op het maken van afspraken over wat de bondgenoten in de richting van het Nederlandse territorium doen', worden beschouwd? Moet, met de wetenschap van nu dat de minister van BZK naar eigen zeggen op dat moment kennelijk niet wist dat het om door Nederland verzamelde en gedeelde gegevens ging, geconstateerd worden dat die veronderstelde stevige positie überhaupt niet bestaat, laat staan waargemaakt is?
De recente ontwikkelingen geven geen aanleiding deze uitspraak bij te stellen. De Nederlandse diensten zijn een gewaardeerde internationale samenwerkingspartner.
65
Op 6 februari 2014 zijn er geruchten naar boven gekomen over het eventueel adviseren van de minister om ergens niet aan deel te nemen. Graag een reactie hierop van de minster van BZK.
De minister van BZK is als enige verantwoordelijk voor zijn optredens in de media.
(Rijksoverheid, 10 februari 2014)
Nr. Lijst van vragen
Vastgesteld 6 februari 2014
1
Hoe komt het dat een aantal maanden geleden niet bekend was dat er sprake was van gegevens die rechtmatig (binnen de wettelijke doelen) verzameld zijn? Had dit niet bekend moeten zijn?
Op 5 augustus 2013 publiceerde Der Spiegel een staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld. Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen “telefoongesprekken” in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. Het NSA programma Boundless Informant sprak van data “collection against that country” en gaf het getal 1,8 miljoen voor Nederland. In eerste instantie lag het dus in de rede te veronderstellen dat het ging om Nederlandse telefoongesprekken. In de publieke beeldvorming ontstond vervolgens al snel de suggestie dat het om het ‘aftappen’ van 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken zou gaan.
Uw Kamer en de media hebben naar aanleiding van voornoemde berichtgeving vragen gesteld aan de regering. Op dat moment kon het kabinet het getal van 1,8 miljoen nog niet plaatsen.
Hierna is er onderzoek ingesteld door de diensten. Ook is er intensief contact geweest tussen de Nederlandse diensten en de NSA om tot een nadere duiding te komen. Op basis van dit onderzoek is op 20 november 2013 gebleken dat het in de berichtgeving genoemde getal van 1,8 miljoen hoogstwaarschijnlijk betrekking had op verzameling van metadata van telefoongesprekken door de Nationale Sigint Organisatie (NSO). Dit werd bevestigd door verder intern onderzoek van de diensten. Op 22 november 2013 zijn de Minister van Defensie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) hierover door de diensten gelijktijdig geïnformeerd.
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, die zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
Het getal van 1,8 miljoen heeft derhalve geen betrekking op gesprekken die via Nederlandse telefoonnummers zouden zijn gevoerd. Het betreft metadata verzameld in het kader van de wettelijke taakuitoefening.
Zie verder ook het antwoord op vraag 38.
2
Op welke metadata doelde de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) toen de minister in het debat met de Kamer op 6 november 2013 en bij Nieuwsuur van 30 oktober 2013 over metadata sprak?
Op dat moment doelde de minister van BZK op metadata van telefoongesprekken met Nederlandse nummers.
3
Staat de minister van BZK nog steeds achter de uitlating, gedaan op 30 oktober 2013 in het tv-programma Nieuwsuur, dat de National Security Agency (NSA) in één maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept?
Nee. Er zijn 2 redenen waarom de minister van BZK dit als mogelijkheid zag:
1. Het stond voor de Nederlandse diensten vast dat zij niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard. Een alternatieve verklaring was dat deze door een buitenlandse dienst waren vergaard.
2. Opvragen door de AIVD leverde op dat er per dag circa 60.000 gesprekken tussen Nederland en de VS zijn. Over een peilperiode van een maand kwam dat overeen met de 1,8 miljoen uit Der Spiegel.
Terugkijkend hierop vindt de minister van BZK dat hij deze mogelijke verklaring achterwege had moeten laten.
Zie verder ook het antwoord op vraag 7.
4
Waarom heeft de minister van BZK, die tijdens een AO in het najaar van 2013 nog uitlegde dat de NSA niet zelfstandig de betreffende data heeft kunnen verzamelen en daarnaast ook stelde dat: “de verklaring die het NSA heeft gegeven, is dat er kennelijk ook door andere bondgenoten dergelijke informatie met hen is gedeeld. Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan. Het zou kunnen dat andere landen in het bondgenootschap dat wel hebben gedaan", de Kamer in oktober 2013 nog medegedeeld dat de gegevens niet door Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren verzameld en verstrekt?
Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen “telefoongesprekken” in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. De indruk ontstond dat in ons land op grote schaal Nederlandse telefoongesprekken zouden worden vergaard en verstrekt door de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Op vragen in de media en in uw Kamer daarover heeft de minister van BZK medegedeeld dat de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten alleen binnen wettelijke kaders metadata verzamelen en verstrekken, en dus niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard en verstrekt.
Zie verder ook het antwoord op vraag 3.
5
Op basis van welke informatie heeft de minister van BZK tijdens zowel het AO op 6 november 2013 als de Nieuwsuur-uitzending 30 oktober 2013 kunnen verklaren dat 1,8 miljoen Nederlandse telefoontjes zijn geregistreerd door de NSA en dat, na onderzoek, het NIET de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren die de data-verkeersgegevens hebben verzameld. Waar bestond dit interne onderzoek uit? Waarom kreeg de minister op dat moment niet de juiste informatie?
Er was in dat stadium sprake van een mogelijke verklaring. Op basis daarvan heeft de minister van BZK de uitspraak gedaan. In het publieke debat was de stellige indruk ontstaan dat de Nederlandse veiligheidsdiensten 1,8 miljoen telefoongesprekken van Nederlanders zouden hebben vergaard. De minister van BZK heeft dit beeld willen weerleggen.
Zie verder het antwoord op vraag 3.
6
Wat is de precieze inhoud van het gesprek dat de minister van BZK in het najaar van 2013 met de NSA had over mogelijke activiteiten van de NSA in Nederland? Is toen al duidelijk geworden dat deze 1,8 miljoen registraties niet het werk van de NSA maar van de Nederlandse diensten was?
Nee. Op dat moment beperkte, zowel in het bilaterale gesprek als in de reguliere contacten tussen de diensten en de NSA, de NSA zich tot de mededeling dat Nederland ‘geen target’ was. Overigens was dit gesprek op 11 oktober 2013, dus voordat de publicatie in Le Monde over 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken kwam.
7
Doelde de minister van BZK met de uitspraak “Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan” tijdens het AO op 6 november 2013, enkel op door Nederlandse diensten op Nederlandse bodem vergaarde metadata van gesprekken van Nederlanders met andere Nederlanders?
Ja. Om precies te zijn doelde hij op kabelgebonden telefoongesprekken in of vanuit Nederland.
Met het oog op het publieke debat dat naar aanleiding van de onthullingen was ontstaan, heeft de minister van BZK twee zaken willen corrigeren, namelijk:
1. dat er sprake zou zijn van ‘afgeluisterde’ telefoongesprekken en
2. dat de Nederlandse diensten betrokken zouden zijn geweest bij mogelijke door de NSA in Nederland vergaarde telefoongesprekken.
8
Hoe beoordeelt de minister van BZK zijn mediaoptreden bij Nieuwsuur op 30 oktober 2013 en bij Pauw en Witteman op 22 oktober 2013? Hoe interpreteert de minister nu wat hij destijds heeft gezegd? Doelt de minister van Defensie op deze uitspraken wanneer zij het heeft over 'hardnekkige beeldvorming'? Zo nee, waar doelt zij dan wel op?
Zie de antwoorden op de vragen 3,4 en 5.
De uitspraak van de minister van Defensie over hardnekkige beeldvorming heeft betrekking op het beeld in het publieke debat, namelijk dat er sprake zou zijn van illegale metadataverzameling, het massaal ‘afluisteren’ van Nederlandse telefoongesprekken en ook het ongeoorloofd delen van die informatie met partnerdiensten.
9
Waaruit bestonden de 'toen beschikbare gegevens' die het aannemelijk maakten dat het zou gaan om metadata van telefoonverkeer tussen de VS en Nederland? Was op dat moment niet al mogelijk om snel en precies duidelijk te krijgen hoe het zat? Zo ja, waarom is dat dan niet gebeurd?
10
Hoe verhoudt de uitspraak van de minister van BZK dat de NSA in een maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept (gedaan tijdens de Nieuwsuur-uitzending op 30 oktober 2013) tot de opmerking in de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) waarin de ministers van BZK en Defensie schrijven dat de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) deze 1,8 miljoen metadata heeft verzameld en deze gegevens heeft ‘gedeeld met de Verenigde Staten’?
11
Op welke grond baseerde de minister van BZK zich toen hij stelde dat het getal van 1,8 miljoen records metadata gekoppeld moest worden aan dataverzameling door de NSA?
Zie voor de antwoorden op de vragen 9, 10 en 11 de antwoorden op de vragen 1 en 3.
12
Welke aanvullende informatie had de minister van BZK om te kunnen concluderen dat de 1,8 miljoen records metadata niet afkomstig is van Nederlandse diensten terwijl dit op zichzelf niet af te leiden uit de door de minister aangehaalde verklaring van de NSA?
De verklaring van de NSA was de eerste gelegenheid dat de NSA richting Nederland bevestigde dat de door Der Spiegel genoemde metadata inderdaad bestonden. De verklaring zelf laat overigens in het midden of de Nederlandse metadata door Nederland of de NSA waren verkregen. De minister van BZK heeft deze verklaring onmiddellijk publiek gemaakt, zie de brief van 31 oktober 2013, kenmerk 8330f574-or1-1.7.
Zie verder ook het antwoord op de vragen 1 en 3.
13
Wanneer ontving de minister van BZK voor het eerst het signaal dat niet de NSA, maar de Nederlandse Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten verantwoordelijk waren of zouden kunnen zijn voor de vergaring van de 1,8 miljoen records metadata? Wanneer hoorde de minister van BZK voor het eerst dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn en wanneer realiseerde de minister van BZK zich dat zijn verklaring waarin het getal van 1,8 miljoen records metadata werd gekoppeld aan de NSA, niet klopte?
14
Hoe en door wie is de minister van BZK geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO zijn verzameld?
15
Hoe verhoudt de volgende zinsnede uit de brief van de ministers van BZK en Defensie van 4 februari 2014 (2014Z01980): 'Aanvullende informatie en vervolgens nader onderzoek en analyse hebben echter geleid tot de volgende conclusie', zich tot de opmerkingen van de minister van Defensie in media-interviews door o.a. de NOS en Pownews, na afloop van AO defensie d.d. 5 februari j.l., dat zij al die tijd al wist dat die metadata door de NSO is verzameld en is gedeeld met de NSA?
Antwoord op de vragen 13,14 en 15:
Op 22 november zijn beide ministers gelijktijdig geïnformeerd door de diensten.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
16
Hoe is het verschil in de conclusies van de vorige brief en deze brief te verklaren? Hoe kan het dat de conclusies heel anders zijn?
Op 31 oktober 2013 was er nog geen duidelijkheid over de exacte herkomst van de 1,8 miljoen metadata. In voorgaande brieven is vooral inzichtelijk gemaakt wat de Nederlandse inlichtingendiensten op basis van de WIV mogen en wat buitenlandse diensten in Nederland mogen. Tenslotte is vermeld dat nader onderzoek nog gaande was.
Dit onderzoek heeft de noodzakelijke duidelijkheid opgeleverd. De conclusie van de brief van 4 februari 2014 is hierop gebaseerd.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
17
Wanneer werd het onderzoek, waarover de brief van 4 februari 2014 spreekt, officieel afgerond? Is de Kamer meteen geïnformeerd nadat er duidelijkheid kwam over de herkomst van de gegevens?
Op 22 november 2013 is het onderzoek afgerond, zie ook het antwoord op vraag 1.
Daarna hebben de Minister van Defensie en de Minister van BZK de afweging gemaakt tussen de plicht om de Kamer zoveel als mogelijk te informeren en het belang van de Staat om in het openbaar niet in te gaan op de mogelijke modus operandi van onze diensten. Het laatste gaf de doorslag.
In het kader van de voorbereiding van de civiele procedure over het gebruik van gegevens afkomstig van buitenlandse diensten is er eind januari 2014 een nieuw toetsmoment ontstaan.
De vordering van eisers heeft immers verstrekkende consequenties voor onze veiligheidspositie omdat een deel van de eisen, indien door de rechter toegekend, een zeer grote schade zou doen aan het succes van de operaties van de diensten, zoals de eis beperkingen op te leggen aan het verkrijgen en gebruiken van gegevens van buitenlandse diensten. Het zwaarwegende belang bij dit proces inclusief het belang van de nationale veiligheid was en is erbij gediend te beargumenteren dat er geen sprake is geweest van het ‘witwassen van illegale data’, maar van het rechtmatig vergaren van metadata. Gelet op het gewicht van de genoemde belangen en de verdediging hiervan, diende de weergave van het handelen van de diensten door de eiser te worden weerlegd omdat deze anders, als de gedaagde deze weergave onweersproken liet, voor waar zou kunnen worden aangenomen.
Daarom is besloten tot openbaarmaking van een deel van de werkwijze in de brief van 4 februari 2014 aan de Kamer. De ministers van Defensie en BZK hebben deze nieuwe afweging gezamenlijk gemaakt.
18
Waar bestond het 'nader onderzoek en analyse' precies uit? Waarom kon deze analyse niet eerder tot de gewenste helderheid leiden?
Er was in eerste instantie slechts een staafdiagram (Der Spiegel), en later nog een nadere maar minimale duiding (Le Monde), beschikbaar. Dit getal en het staafdiagram waren niet één op één te herleiden tot informatie uit de eigen systemen.
‘Nader onderzoek en analyse’ behelsde een reconstructie aan de hand van eigen onderzoek in combinatie met aanvullende informatie van de NSA. Op grond hiervan konden op 22 november 2013 definitieve conclusies worden getrokken.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
19
Ligt het, met de kennis van nu, niet heel erg voor de hand dat de minister van BZK vanaf het gesprek met de NSA-directeur Keith Alexander over bilaterale contacten (iets wat de minister tijdens het AO op 16 oktober 2013 aangaf) al wist (of in ieder geval met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op gewezen bent) dat de minister van BZK zelf verantwoordelijk was voor het verzamelen en delen van 1,8 miljoen records metadata? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
20
Hoeveel tijd zat er tussen het moment dat de minister van BZK hiervan op de hoogte werd gesteld en het moment dat hij de Kamer inlichtte?
21
Waarom is de Kamer niet terstond geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn?
22
Waarom en wanneer is besloten om deze informatie op 4 februari te delen met de Tweede Kamer?
23 Is het waar dat de minister van BZK pas heeft besloten om het parlement te informeren nadat het risico ontstond dat u op rechterlijke last de ware toedracht zou moeten openbaren?
Zie voor de antwoorden op de vragen 20, 21, 22 en 23 het antwoord op vraag 17.
24
Wist de minister van BZK vooraf aan het versturen van de brief van 4 februari (2014Z01980) dat publicatie in de media aanstaande was? Zo ja, heeft dit een rol gespeeld in de overweging tot het alsnog openbaren van deze informatie aan de Kamer?
Nee, eventuele op handen zijnde publicaties hebben hierbij geen rol gespeeld.
Zie verder ook het antwoord op vraag 17.
25
Wat was de directe aanleiding om de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) naar de Kamer te sturen en waarom was dit zo'n korte brief zonder nadere uitleg over de gang van zaken rond de 1,8 miljoen taps?
Zie het antwoord op vraag 17.
26
Hoe verklaart de minister van BZK het feit dat er meer dan drie maanden verstreken zijn tussen het moment dat de minister onjuiste informatie naar buiten bracht en de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980)?
Zie het antwoord op vraag 1, 17, 22 en 23.
27
Wanneer zijn de toezichthouders en de vaste commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) geïnformeerd over het feit dat de registratie van 1,8 miljoen taps het werk van onze eigen veiligheidsdiensten is geweest?
Er is geen sprake van taps, maar van metadata. Op 4 februari 2014 is de Kamer geïnformeerd. De CTIVD kan hier continu kennis van nemen en is bekend met de werkwijze van de diensten. De CTIVD wordt niet separaat geïnformeerd.
28
Kan de minister van BZK precies aangeven wanneer welke informatie inzake dit schandaal is verstrekt aan de vaste commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten? Is de minister van BZK van mening dat de 'commissie stiekem' actief en volledig is geïnformeerd? Zo ja, waarom?
Over contacten met de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
29
Is de minister van BZK bereid om de geheime bijlages bij de rapporten van de CTIVD, die op dit spionageschandaal betrekking hebben, openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Deze bijlagen hebben betrekking op operaties en zijn daarom niet openbaar gemaakt. Het geheime deel betreft een uitwerking van het openbare rapport en bevat geen andere conclusies of aanbevelingen dan degene die in meer abstracte zin in het openbare rapport zijn vermeld. Vertrouwelijke bijlagen die betrekking hebben operaties kunnen naar hun aard niet publiek gemaakt worden.
30
Heeft de minister van BZK nog meer informatie aan de Kamer verstrekt over het werk van de inlichtingendiensten waarvan nu blijkt dat het vermoeden bestaat dat die informatie niet klopt?
Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.
31
Hoe kijkt de minister van BZK terug op de wijze waarop de hij het parlement heeft geïnformeerd over het vermeende spionageschandaal?
Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.
32
In hoeverre zijn de ministers van BZK en Defensie volledig op de hoogte van de informatieverzameling en doorgifte van de inlichtingendiensten en de NSO? Vindt u deze constructie wenselijk voor de politieke controle op de inlichtingendiensten?
Ja. De ministers van Defensie en BZK zijn, met oog op hun ministeriële verantwoordelijkheid voor de NSO, op de hoogte van de activiteiten van de NSO.
33
Is het waar dat de minister van Defensie eerder dan de minister van BZK wist dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn? En zo ja, wat is de verklaring van het gebrek aan communicatie tussen de ministers? Waarom is de Kamer daarover niet geinformeerd?
Nee. Zie ook het antwoord op de vragen 1 en 15.
34
Wat was het doel van het gesprek op woensdagavond 5 februari 2014 op het Torentje?
Doel en inhoud van dit gesprek zijn naar hun aard vertrouwelijk.
35
Ten behoeve van welke activiteiten worden die miljoenen metadata-records verzameld en waarom is dit nooit opgemerkt in de CTIVD-rapportages?
De metadata worden door de NSO verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland, hetgeen valt binnen de kaders van de wettelijke taakuitoefening (artikelen 6 en 7 WIV). De CTIVD is een onafhankelijke commissie die haar rapporten aan de Tweede Kamer stuurt. De inzet van bijzondere bevoegdheden (waaronder de inzet van de bevoegdheid tot ongerichte interceptie van niet-kabelgebonden telecommunicatie als bedoeld in artikel 27 WIV) door de diensten wordt door de CTIVD al sinds jaren onderzocht.
36
Is dit de specifieke Nederlandse informatie waar de onderzoeksjournalist Greenwald op duidde? Zo nee, wat komt er nog meer?
Het is ons niet bekend op welke informatie de heer Greenwald heeft geduid.
37
Moet uit de brief van 4 februari (2014Z01980) worden opgemaakt dat de NSA, in tegenstelling tot eerdere uitspraken van de minister van BZK, in het geheel geen metadata van telefoonverkeer tussen Nederland en de Verenigde Staten aftapt en opslaat? Of moet uit de brief worden opgemaakt dat de NSA dit wel doet en deze data opslaat, maar dat het in de Der Spiegel genoemde getal van 1,8 miljoen niet aan deze activiteit te verbinden is?
De brief van 4 februari 2014 zegt inderdaad dat het in Der Spiegel getoonde staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld niet aan interceptie door de NSA te verbinden is. De brief zegt niets over de activiteiten van de NSA.
38
Zijn de 1,8 miljoen, door de NSO verzamelde en met de NSA gedeelde, records metadata van satelliet- en radioverkeer afkomstig van communicatie uit het buitenland? Is er ook in Nederland verzamelde communicatie tussen Nederlanders onderling met de Nationale Security Agency gedeeld? Zo ja, in welke mate en om welke reden?
In de metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en de ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
39
Is het aantal van 1,8 miljoen taps in december 2012 een maandelijks gemiddelde of is dit een afwijkend getal? Kan nader worden uitgelegd om wat voor taps het gaat, zijn het bijvoorbeeld telefoongesprekken, websitebezoeken, etc.?
Het gaat niet om taps maar om metadata. Een verdere specificatie van dit aantal of andere details kan in de openbaarheid niet worden gegeven.
40
Hoe is voor deze 1,8 miljoen taps gecontroleerd of de activiteiten rechtmatig zijn en kan de vigerende regelgeving in het antwoord worden betrokken?
Het gaat niet om taps maar om metadata. Het ongericht intercepteren van niet kabelgebonden telecommunicatie is een bijzondere bevoegdheid ingevolge artikel 27 van de WIV en kan slechts worden uitgeoefend voor zover dat noodzakelijk is voor de taken van de diensten en met inachtneming van de beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit (artikel 18, 27 en 31 van de WIV). Voor de uitvoering van deze bijzondere bevoegdheid geldt geen toestemmingsvereiste als bedoeld in artikel 19 WIV 2002. De CTIVD houdt toezicht op de rechtmatigheid.
41
Wat wordt precies bedoeld met de zinsnede in de brief van 4 februari dat de gegevens zijn verzameld 'in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland'? Betreffen dit gegevens van dreiging van terrorisme binnen Nederland of ook van gegevens die te maken hebben met terrorisme in, of afkomstig uit het buitenland?
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Het is niet mogelijk om in het openbaar meer specifieke informatie te delen.
42
Vindt het verzamelen van de metadata, gericht op de genoemde doelen in de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) nog steeds plaats? Zo ja, wat is daarvan de reden? Zo nee, waarom is het verzamelen van die gegevens nu niet meer nodig?
In het kader van de aan de AIVD en MIVD opgedragen taken zoals geregeld in de artikelen 6 onderscheidenlijk 7 lid 2 van de WIV, kunnen metadata worden verzameld over dreigingen gericht tegen de nationale veiligheid en Nederlandse militairen die in het buitenland worden ingezet. Uiteraard moet daarbij wel worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.
43
Is het niet bijzonder onprofessioneel om publiekelijk uit te spreken dat bondgenoten toch niet zo met elkaar om horen te gaan en te zeggen dat de regering de NSA hierop zou aanspreken, terwijl de (Nederlandse) NSO die gegevens zelf heeft verzameld en uitgewisseld?
Zie het antwoord op vraag 3.
44
Zijn de door de NSO verzamelde records metadata met name in het buitenland verzameld en is de privacy van Nederlanders dus minder in het geding dan eerder gedacht?
Ja. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
45
Betreffen de 1,8 miljoen records metadata gegevens die de NSO zelfstandig vergaard heeft?
Ja.
46
Betreffen de 1,8 miljoen records metadata ook 1,8 miljoen verschillende momenten/vormen van communicatie? Zo nee, hoeveel communicatiemomenten beslaan deze data?
Ja.
47
Wat voor kenmerken van de communicatie zijn in de bedoelde records metadata vastgelegd?
In deze metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek.
48
Kan de minister van BZK uitsluiten dat de genoemde records metadata ook betrekking hebben op communicatie waarbij zender en ontvanger zich beiden in Nederland bevinden? Zo nee, waarom niet?
Uitgesloten kan worden dat de genoemde 1,8 miljoen metadata Nederlandse telefoonnummers betreft.
49
Bij hoeveel van de 1,8 miljoen metadata-records is sprake van communicatie waarbij in ieder geval één van de betrokkenen zich naar het weten van de minister van BZK in Nederland bevond?
Daarover kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
50
Op welke vormen van communicatie hebben de metadata betrekking? Gaat het uitsluitend om telefoongesprekken, of ook mailberichten en andere communicatie?
Het betreft uitsluitend metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, op basis van satellietcommunicatie.
51
Welk deel van de metadata hebben betrekking op satellietcommunicatie? Op welke andere communicatietechnieken hebben de data betrekking?
Zie het antwoord op vraag 50.
52
Staat de minister van BZK nog steeds achter de uitlating die hij na de ministerraad van 21 juni 2013 deed dat onze geheime diensten geen gebruik maken van PRISM of andersoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten?
De diensten maken geen gebruik van PRISM of van gelijksoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten.
53
Hoe hebben de Nederlandse geheime diensten, waaronder de NSO, dit soort informatie verzameld en waarom was de minister van BZK daar niet van op de hoogte?
De betrokken ministers zijn op de hoogte van de wijze waarop de diensten informatie verzamelen.
54
Hoe kan de minister van BZK de Kamer garanderen dat zijn uitspraak tijdens het AO op 6 november 2013 dat de afgetapte metadata geen betrekking hebben op het telefoon- dan wel sms-verkeer binnen Nederland, wel juist is?
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
55
Hoever strekken de wettelijke bevoegdheden om gegevens te verschaffen aan de Verenigde Staten? Is er voor het aftappen van alle telefoongegevens sprake van verschaffen binnen de wettelijke mogelijkheden?
De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV) kent een gesloten verstrekkingenstelsel. Verstrekking van gegevens aan buitenlandse diensten kan plaatsvinden op grond van artikel 36 dan wel op grond van artikel 59 van de wet. Dit wettelijk kader bepaalt dus ook de verstrekking van gegevens aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Verenigde Staten.
Artikel 36, eerste lid, aanhef en onder d, biedt de AIVD en de MIVD de mogelijkheid om in het kader van een goede taakuitvoering omtrent door of ten behoeve van de dienst verwerkte gegevens mededeling te doen aan daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen, alsmede andere daarvoor in aanmerking komende internationale beveiligings-, verbindingsinlichtingen- en inlichtingenorganen. Bij de verstrekking op grond van deze bepaling staat de (eigen) goede taakuitvoering centraal en zal het veelal gaan om verstrekking van door de dienst bewerkte gegevens (“ mededeling”) omtrent concrete personen of organisaties (vgl. ambtsberichten). Indien de aard van de mededeling daartoe aanleiding geeft, geschiedt de verstrekking door de voor de dienst verantwoordelijke minister. Bij verstrekking van gegevens aan de diensten als hier bedoeld dient ingevolge artikel 37 van de wet altijd de voorwaarde te worden gesteld dat deze gegevens niet aan derden mogen worden verstrekt (de derde partijregel). Door de verantwoordelijke minister of namens deze het hoofd van de dienst kan echter alsnog toestemming worden verleend om de gegevens aan andere personen of instanties te verstrekken; daaraan kunnen voorwaarden worden verbonden.
De verstrekking op grond van artikel 59 van de wet staat in het teken van de aan de hoofden van de diensten opgedragen zorgplicht tot het onderhouden van verbindingen met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen. In dat kader kunnen op grond van artikel 59, tweede lid, aan deze instanties gegevens worden verstrekt ten behoeve van door deze instanties te behartigen belangen, voor zover (a) deze belangen niet onverenigbaar zijn met de belangen die diensten hebben te behartigen, en (b) een goede taakuitvoering door de diensten zich niet tegen verstrekking verzet. Hier staat dus het belang van de buitenlandse dienst centraal. Artikel 59 biedt de grondslag voor allerlei samenwerkinsgverbanden, bilateraal of multilateraal en al dan niet geinstitutionaliseerd, waarbij gegevens kunnen worden uitgewisseld. De verstrekking van bulk data, waaronder metadata, vindt in de praktijk op deze grondslag plaats. Bij de vraag welke gegevens verstrekt mogen worden, zal getoetst dienen te worden aan de hiervoor genoemde criteria. Dat geldt ook voor de verstrekking van metadata. In beginsel komen dus allerlei gegevens voor verstrekking in aanmerking, zij het dat ook hier geldt als uitgangspunt dat gegevens omtrent bronnen en modus operandi (over en weer) geheim worden gehouden. Voorts is ook bij deze verstrekking de derde partijregel onverkort van toepassing.
56
Was de minister van BZK bekend met de herkomst van de gegevens en de precieze status ervan alsmede het doel waar deze gegevens voor werden verzameld?
Zie het antwoord op vraag 1.
57
Op welke wijze vindt er afstemming plaats tussen de NSO en de ministers van Defensie en BZK over de precieze mogelijkheden en beperkingen bij het verzamelen van gegevens en de doelen waarvoor deze verzameld mogen worden? Zijn de ministers verplicht daar steeds persoonlijk toestemming voor te geven?
De NSO valt gezagsmatig onder de verantwoordelijkheid van beide ministers (Defensie en BZK) en beheersmatig onder de minister van Defensie. De NSO wordt aangestuurd door de directeur van de MIVD en het hoofd van de AIVD en zij leggen daarover verantwoording af aan beide ministers.
Zie verder ook het antwoord op vraag 55.
58
Hoe ver reikt, naar het oordeel van de minister van BZK, de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van de activiteiten die de NSO verricht?
Er is sprake van volledige ministeriële verantwoordelijkheid van de beide ministers.
Zie verder ook het antwoord op vraag 57.
59
Wat wordt gedaan om onduidelijkheden over het onbevoegd verzamelen en/of het doorgeven van gegevens in de toekomst te voorkomen? Is de minister van BZK voornemens hier zelf actiever bij betrokken te zijn?
In algemene zin geldt dat eventuele onduidelijkheden worden betrokken bij de lopende evaluatie van de WIV. In het onderhavige geval was geen sprake van onduidelijkheden en is er rechtmatig gehandeld.
60
Onder verantwoordelijkheid van welke dienst zijn de metadata verzameld en overgedragen aan de Verenigde Staten? Welke bewindspersoon heeft op welke wijze daartoe de beslissing genomen?
Dit geschiedt onder verantwoordelijkheid van beide diensten.
Zie voorts het antwoord op vraag 55.
61
Hoe reageerde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken op de, door de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken in oktober 2013 overgebrachte Nederlandse zorgen? Wat was de reactie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken op het Nederlandse pleidooi voor meer transparantie?
Tijdens het gesprek in september 2013 tussen minister Timmermans en zijn Amerikaanse ambtgenoot toonde minister Kerry veel begrip voor de Nederlandse zorgen ten aanzien van NSA. Hij gaf aan dat het recht op privacy een groot goed is, waar hij zich gedurende zijn carrière voor heeft ingezet. Minister Kerry benadrukte dat de VS er geen baat bij heeft om een overmatige hoeveelheid informatie te verzamelen. Hij verwees naar de adviescommissie die de VS-Administratie had ingesteld om de bevoegdheden van de veiligheidsdiensten onder de loep te nemen. Inmiddels heeft die adviescommissie tientallen aanbevelingen gedaan om de NSA transparanter en terughoudender te maken.
62
Welke rol speelt Nederland precies in 'the nine eyes'?
Zoals reeds eerder gemeld, werken de AIVD en MIVD op bilaterale - en multilaterale wijze samen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Nadere mededelingen hierover zijn in het openbaar niet mogelijk.
63
Hebben buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten zoals de Amerikaanse NSA op enig moment inlichtingen verzameld buiten de wettelijke kaders om? Zo ja, welke maatregelen zijn daarop gevolgd?
Noch de minister van Defensie, noch de minister van BZK verkeert in de positie om te beoordelen of buitenlandse inlichtingendiensten hun taak uitvoeren in overeenstemming met de eigen nationale wetgeving. Het spreekt voor zich dat inlichtingenactiviteiten op Nederlands grondgebied moeten plaatsvinden in overeenstemming met de Nederlandse wet.
64
In welk licht moet de volgende uitspraak van de minister van BZK tijdens het AO op 16 oktober 2013 dat: 'Nederland ook veel heeft te bieden, omdat het juist op het gebied van intelligence een goede, waardevolle samenwerkingspartner is. Dat mag best leiden tot een stevige positie met het oog op het maken van afspraken over wat de bondgenoten in de richting van het Nederlandse territorium doen', worden beschouwd? Moet, met de wetenschap van nu dat de minister van BZK naar eigen zeggen op dat moment kennelijk niet wist dat het om door Nederland verzamelde en gedeelde gegevens ging, geconstateerd worden dat die veronderstelde stevige positie überhaupt niet bestaat, laat staan waargemaakt is?
De recente ontwikkelingen geven geen aanleiding deze uitspraak bij te stellen. De Nederlandse diensten zijn een gewaardeerde internationale samenwerkingspartner.
65
Op 6 februari 2014 zijn er geruchten naar boven gekomen over het eventueel adviseren van de minister om ergens niet aan deel te nemen. Graag een reactie hierop van de minster van BZK.
De minister van BZK is als enige verantwoordelijk voor zijn optredens in de media.
(Rijksoverheid, 10 februari 2014)
woensdag 5 februari 2014
Kamerbrief Plasterk en Hennis over metadata
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 4 februari 2014
Betreft Berichtgeving in Der Spiegel
Op 5 augustus jl. heeft het Duitse weekblad Der Spiegel een grafiek gepubliceerd die afkomstig zou zijn uit één van de documenten die door Snowden naar buiten zijn gebracht. De toen beschikbare gegevens maakten het aannemelijk dat het getal van 1,8 miljoen zou wijzen op metadata van telefoonverkeer tussen de Verenigde Staten en Nederland.
Aanvullende informatie en vervolgens nader onderzoek en analyse van de gepubliceerde gegevens hebben echter geleid tot de volgende conclusie. De bedoelde grafiek wijst op circa 1,8 miljoen records metadata die door de Nationale Sigint Organisatie (NSO) zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland. Het betreft dus uitdrukkelijk data verzameld in het kader van de wettelijke taakuitoefening. De gegevens zijn rechtmatig gedeeld met de Verenigde Staten in het licht van internationale samenwerking op de hierboven genoemde onderwerpen.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
dr. R.H.A. Plasterk
De minister van Defensie,
J.A. Hennis-Plasschaert
Datum 4 februari 2014
Betreft Berichtgeving in Der Spiegel
Op 5 augustus jl. heeft het Duitse weekblad Der Spiegel een grafiek gepubliceerd die afkomstig zou zijn uit één van de documenten die door Snowden naar buiten zijn gebracht. De toen beschikbare gegevens maakten het aannemelijk dat het getal van 1,8 miljoen zou wijzen op metadata van telefoonverkeer tussen de Verenigde Staten en Nederland.
Aanvullende informatie en vervolgens nader onderzoek en analyse van de gepubliceerde gegevens hebben echter geleid tot de volgende conclusie. De bedoelde grafiek wijst op circa 1,8 miljoen records metadata die door de Nationale Sigint Organisatie (NSO) zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland. Het betreft dus uitdrukkelijk data verzameld in het kader van de wettelijke taakuitoefening. De gegevens zijn rechtmatig gedeeld met de Verenigde Staten in het licht van internationale samenwerking op de hierboven genoemde onderwerpen.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
dr. R.H.A. Plasterk
De minister van Defensie,
J.A. Hennis-Plasschaert
dinsdag 4 februari 2014
Antwoord op Kamervragen over inlichtingenvergaring in Burum
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Betreft Antwoorden op vragen over de inlichtingenvergaring in Burum naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur
Hierbij ontvangt u, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Eijsink en Recourt (beiden PvdA) over de inlichtingenvergaring in Burum naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur op 13 januari jl. (ingezonden 16 januari 2014, 2014Z00554).
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
1
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Nieuwsuur van 13 januari jl. over de inlichtingenvergaring in Burum?
Ja.
2
Bent u op de hoogte van de plaatsing van de Amerikaanse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling op Nederlands grondgebied? Zo nee, hoe kan de Nederlandse overheid dan toezicht houden op de activiteiten van de Amerikanen in Nederland? Zo ja, op welke wijze gaat u de Kamer hierover informeren?
3
Bent u door of namens de Amerikaanse regering geïnformeerd over de activiteiten op het gebied van inlichtingenvergaring door de Amerikanen in Burum? Zo ja, wanneer bent u hierover geïnformeerd? Zo nee, gaat u alsnog de Amerikaanse regering verzoeken u hierover te informeren?
4
Houdt de Nederlandse overheid toezicht op de Amerikaanse activiteiten met betrekking tot inlichtingenverzameling in Nederland? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
5
Op hoeveel bedrijventerreinen in Nederland is Amerikaanse of overige buitenlandse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling geplaatst? Op welke wijze is het toezicht door de Nederlandse overheid op het gebruik van deze soort apparatuur door anderen geregeld?
8
Welke controle is er op de rechtmatigheid van inlichtingenvergaring door anderen dan de Nederlandse organisaties die onder toezicht staan van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD)?
12
Op welke wijze garandeert u de naleving van de Nederlandse wetgeving door buitenlandse bedrijven die zich bezig houden met inlichtingenvergaring?
Inmarsat levert vanuit Teleport Burum commerciële telecommunicatiediensten aan overheden en organisaties binnen het kader van de Telecommunicatiewet in Nederland. Het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische Zaken houdt toezicht op de handhaving van deze wet.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) hebben geen aanwijzingen dat er in Burum sprake is van inlichtingenactiviteiten door buitenlandse mogendheden. De diensten doen structureel onderzoek naar dergelijke activiteiten van buitenlandse mogendheden in Nederland. Indien wordt geconstateerd dat een buitenlandse mogendheid zonder toestemming en medewerking van de AIVD en MIVD inlichtingenactiviteiten verricht op Nederlands grondgebied, treft de regering altijd maatregelen.
6
Hoe vaak komt het voor dat een Nederlands defensieterrein grenst aan een bedrijventerrein?
7
Hoe gebruikelijk is het dat activiteiten in het vitale en hele delicate veiligheidssegment plaatsvinden op een bedrijventerrein grenzend aan een defensieterrein waar men dezelfde activiteiten verricht?
In veel gevallen grenzen defensieterreinen aan bedrijventerreinen of bieden zij ruimte voor civiel medegebruik. Voorbeelden hiervan zijn de marinehaven in Den Helder, de ontwikkeling van de nieuwe marinierskazerne in Vlissingen op een bedrijventerrein en het civiele medegebruik van de militaire luchthavens.
9
Deelt de Nederlandse overheid de door de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) verzamelde inlichtingen in Burum met derden? Zo ja, met welke partijen?
De Nederlandse diensten werken zowel in als buiten het NAVO-bondgenootschap samen met buitenlandse partnerdiensten. Dit gebeurt binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv2002). Het gaat vooral om het uitwisselen van gegevens om de informatiepositie van de diensten te versterken. Over de partnerdiensten kunnen in het openbaar geen uitspraken worden gedaan.
10
Aan wie betaalt het Amerikaanse leger huur, het zogeheten telehousing, om de apparatuur in Burum te kunnen plaatsen en om satellietservice te ontvangen?
Inmarsat is een commerciële onderneming die op het private satellietgrondstation in Burum diensten aanbiedt voor het ontvangen en verzenden van satellietsignalen. Klanten betalen Inmarsat voor deze diensten. Voor meer informatie over Inmarsat verwijs ik de indieners naar de antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Van Raak c.s.
11
Welk Amerikaans bedrijf is betrokken bij de exclusieve beheersing van
het United States Government Network van Inmarsat?
US Government Network Access (USGNA) is een communicatiesysteem van de Amerikaanse overheid en geen inlichtingenverwervend systeem. Informatie over dit systeem is te vinden in openbare bronnen op het internet.
(ministerie van Defensie, 5 februari 2014)
Betreft Antwoorden op vragen over de inlichtingenvergaring in Burum naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur
Hierbij ontvangt u, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Eijsink en Recourt (beiden PvdA) over de inlichtingenvergaring in Burum naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur op 13 januari jl. (ingezonden 16 januari 2014, 2014Z00554).
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
1
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Nieuwsuur van 13 januari jl. over de inlichtingenvergaring in Burum?
Ja.
2
Bent u op de hoogte van de plaatsing van de Amerikaanse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling op Nederlands grondgebied? Zo nee, hoe kan de Nederlandse overheid dan toezicht houden op de activiteiten van de Amerikanen in Nederland? Zo ja, op welke wijze gaat u de Kamer hierover informeren?
3
Bent u door of namens de Amerikaanse regering geïnformeerd over de activiteiten op het gebied van inlichtingenvergaring door de Amerikanen in Burum? Zo ja, wanneer bent u hierover geïnformeerd? Zo nee, gaat u alsnog de Amerikaanse regering verzoeken u hierover te informeren?
4
Houdt de Nederlandse overheid toezicht op de Amerikaanse activiteiten met betrekking tot inlichtingenverzameling in Nederland? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
5
Op hoeveel bedrijventerreinen in Nederland is Amerikaanse of overige buitenlandse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling geplaatst? Op welke wijze is het toezicht door de Nederlandse overheid op het gebruik van deze soort apparatuur door anderen geregeld?
8
Welke controle is er op de rechtmatigheid van inlichtingenvergaring door anderen dan de Nederlandse organisaties die onder toezicht staan van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD)?
12
Op welke wijze garandeert u de naleving van de Nederlandse wetgeving door buitenlandse bedrijven die zich bezig houden met inlichtingenvergaring?
Inmarsat levert vanuit Teleport Burum commerciële telecommunicatiediensten aan overheden en organisaties binnen het kader van de Telecommunicatiewet in Nederland. Het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische Zaken houdt toezicht op de handhaving van deze wet.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) hebben geen aanwijzingen dat er in Burum sprake is van inlichtingenactiviteiten door buitenlandse mogendheden. De diensten doen structureel onderzoek naar dergelijke activiteiten van buitenlandse mogendheden in Nederland. Indien wordt geconstateerd dat een buitenlandse mogendheid zonder toestemming en medewerking van de AIVD en MIVD inlichtingenactiviteiten verricht op Nederlands grondgebied, treft de regering altijd maatregelen.
6
Hoe vaak komt het voor dat een Nederlands defensieterrein grenst aan een bedrijventerrein?
7
Hoe gebruikelijk is het dat activiteiten in het vitale en hele delicate veiligheidssegment plaatsvinden op een bedrijventerrein grenzend aan een defensieterrein waar men dezelfde activiteiten verricht?
In veel gevallen grenzen defensieterreinen aan bedrijventerreinen of bieden zij ruimte voor civiel medegebruik. Voorbeelden hiervan zijn de marinehaven in Den Helder, de ontwikkeling van de nieuwe marinierskazerne in Vlissingen op een bedrijventerrein en het civiele medegebruik van de militaire luchthavens.
9
Deelt de Nederlandse overheid de door de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) verzamelde inlichtingen in Burum met derden? Zo ja, met welke partijen?
De Nederlandse diensten werken zowel in als buiten het NAVO-bondgenootschap samen met buitenlandse partnerdiensten. Dit gebeurt binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv2002). Het gaat vooral om het uitwisselen van gegevens om de informatiepositie van de diensten te versterken. Over de partnerdiensten kunnen in het openbaar geen uitspraken worden gedaan.
10
Aan wie betaalt het Amerikaanse leger huur, het zogeheten telehousing, om de apparatuur in Burum te kunnen plaatsen en om satellietservice te ontvangen?
Inmarsat is een commerciële onderneming die op het private satellietgrondstation in Burum diensten aanbiedt voor het ontvangen en verzenden van satellietsignalen. Klanten betalen Inmarsat voor deze diensten. Voor meer informatie over Inmarsat verwijs ik de indieners naar de antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Van Raak c.s.
11
Welk Amerikaans bedrijf is betrokken bij de exclusieve beheersing van
het United States Government Network van Inmarsat?
US Government Network Access (USGNA) is een communicatiesysteem van de Amerikaanse overheid en geen inlichtingenverwervend systeem. Informatie over dit systeem is te vinden in openbare bronnen op het internet.
(ministerie van Defensie, 5 februari 2014)
donderdag 26 december 2013
Nederlandse missie in Mali
Officiële naam
Republiek Mali / République du Mali
Oppervlakte
1.240.192 km² (ruim 30 keer Nederland)
Hoofdstad
Bamako
Inwoner
Malinees (m), Malinese (v)
Aantal inwoners
Circa 15 miljoen
Inkomen per inwoner per jaar
$ 700 (NL: $ 50.300)
Talen
Frans, Bamakan en andere Mandétalen
Gemiddelde levensverwachting
51,8 jaar (NL: 80,1 jaar)
Munteenheid
CFA-franc (XOF)
Bevolking
Bambara (32%), Fulani of Peul (14%), Senufo (12%), Soninke (9%), Touareg (7%), Songhai (7%) en de Malinke of Mandingo, Mandinke (7%). Ongeveer 10% van de bevolking leeft als nomaden.
Religie
Islamitisch 80 % , traditionele godsdiensten 9%, christendom 1,2%. Het land is sinds de oprichting in 1969 lid van de Organisatie van de Islamitische Conferentie.
Geografie
Mali bestaat voor 70% uit woestijn of semiwoestijn. In het zuidwesten liggen enkele grote rivieren, namelijk de Niger, Sénégal en de Bani.
Klimaat
Het noorden van het land heeft een woestijnklimaat en er is praktisch het hele jaar geen regenval. Het regenseizoen in het zuiden is van mei tot oktober.
Economie
Terwijl het noorden alleen door het woestijnvolk van de Touareg bewoond wordt, leeft 90% van de overwegend islamitische bevolking in het zuiden. Het aantal emigranten naar de buurlanden is door de in Mali heersende armoede zeer groot. Voor meer dan 80% van de bevolking is de landbouw de basis van het bestaan. Ook nomadische veeteelt in de Sahelzone en visserij in de Nigerdelta zijn belangrijk de voedselvoorziening. De industriesector levert met de verwerking van agrarische producten 15% van het BNP. Mali heeft verschillende grondstoffen. Alleen zout en goud worden op grote schaal ontgonnen.
Achtergrond
Onrust
Na ruim 60 jaar Franse overheersing kreeg Mali in 1958 autonoom bestuur. Het nieuwe marxistisch georiënteerde bewind faalde economische groei te brengen en riep in 1967 de permanente revolutie uit die het land in chaos en geweld stortte. Een staatsgreep en opeenvolgende watertekorten en droogtes verergerde de situatie. In 1990 brak in het noorden van het land een opstand van de Toearegs uit die in eerste instantie naar onafhankelijkheid streefden. De Toearegrebellenbeweging Mouvement Populaire pour la Libération de l'Azawad bracht het Malinese leger enkele nederlagen toe.
Vredesverdrag
Na maanden vol strijd voorzag een vredesverdrag, het Pacte National, in een decentrale overheid, meer autonomie voor het noorden, economische ontwikkeling voor de regio's en het houden van vrije verkiezingen. Een definitieve vrede met de Toearegs bleef echter uit. In 1994 ontaardde het conflict in interne gevechten tussen verschillende Toearegstammen onderling, en tussen de Toearegs en de Songhaibevolking, waarbij veel burgerslachtoffers vielen. In 1996 keerde de vrede terug in het noorden na een langdurig proces van verzoening tussen de verschillende stammen en bevolkingsgroepen.
21e eeuw
Na tien jaar vrede laaide de strijd in mei 2006 weer kort op. De Touaregs eisten de volledige uitvoering van het oorspronkelijke Pacte National uit 1992. Na de Libische burgeroorlog in 2011 keerden veel Touaregs die voor Qadhafi hadden gevochten zwaar bewapend terug naar Mali. Ze begonnen een veroveringstocht om het noorden van het land in te nemen. De regering en het leger konden hen niet de baas en, na maanden van ontevredenheid over leiding en uitrusting, pleegden soldaten een staatsgreep waarbij de president werd verjaagd. Na onderhandelingen met de Economic Community Of West African States (ECOWAS) werd een overgangsregime geïnstalleerd. In januari 2013 zetten de rebellen opnieuw een offensief naar het zuiden in.
Franse interventie
De situatie in het noorden van het land verslechterde zo snel, dat Frankrijk (op aanvraag van Mali) besloot tot militair ingrijpen. Vanaf Franse bases in Mali voerde het Franse leger op vrijdag 11 januari 2013 luchtaanvallen uit op de rebellen. Het tegenoffensief dat met ‘Operatie Serval’ werd ingezet, was succesvol. De rebellen werden teruggedreven naar het noorden. Door snelle interventie door Frankrijk, unaniem gesteund door de VN Veiligheidsraad, kon de territoriale integriteit van Mali hersteld worden. Nu moesten de democratie en de grondwettelijke orde in het land hervonden worden.
Verkiezingen
Verkiezingen in juli 2013 verliepen naar omstandigheden goed. Het verzoeningsproces is gestart. De vraag is in hoeverre de situatie echt stabiel is. Nog streven groepen Touaregs naar onafhankelijkheid. Ook waren er verschillende aanslagen in noordelijke steden.
MINUSMA
Internationaal was de bezorgdheid over de crisis in Mali groot.
December 2012: De VN Veiligheidsraad besluit een African-led International Support Mission in Mali (AFISMA) te autoriseren.
Februari 2013: de EU richt een trainingsmissie op ter versterking van het Malinese leger (EUTM Mali). 25 april 2013: de VN Veiligheidsraad richt de opvolger van AFISMA op. Met resolutie 2100 zag de ‘VN multidimensionele geïntegreerde stabilisatiemissie in Mali’ (MINUSMA) vredesmacht het licht.
1 juli 2013: MINUSMA neemt taken van het huidige VN-kantoor in Mali, UNOM, AFISMA en de ECOWAS-vredesmacht over. Verder werkt de missie, met name op logistiek en administratief vlak, ook samen met de United Nations Mission in Liberia (UNMIL) en de , United Nations Operation in Côte d'Ivoire (UNOCI), die in respectievelijk Liberia en Ivoorkust opereren. De sterkte van de missie wordt opgebouwd naar uiteindelijk 12.600 man.
Hoofddoelstellingen
MINUSMA kreeg een mandaat van twaalf maanden met volgende hoofddoelstellingen mee:
1. De belangrijkste bevolkingscentra stabiliseren en meewerken aan de uitbreiding van het staatsgezag over heel het land
2. De uitvoering van het overgangsplan van de regering, inclusief de dialoog en verkiezingen, ondersteunen
3. De bevolking en VN-personeel beschermen
4. De mensenrechten bevorderen
5. De levering van noodhulp ondersteunen
6. Het cultureel erfgoed van Mali helpen beschermen
7. Inspanningen om oorlogsmisdadigers voor de rechter te brengen ondersteunen
8. Er is een Europese trainingsmissie, EUTM, om de Malinese veiligheidsdiensten op te leiden en te adviseren.
Operatie Serval
De Franse operatie ‘Serval’ zal, synchroon met de opbouw van MINUSMA zullen worden afgeslankt, maar als parallel force (militaire escalatiemacht) beschikbaar blijven. Over de precieze vorm en uitvoering van deze steun zijn afspraken gemaakt met de VN.
Nederlandse bijdrage aan MINUSMA
Nederland levert een bijdrage aan de UN Multidimensional Integrated Stabilisation Mission in Mali (MINUSMA). Deze nieuwe missie, de op drie na grootste van de VN, is op 1 juli 2013 begonnen onder leiding van de Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris Generaal van de VN, Bert Koenders.
Doel
MINUSMA heeft ten doel om de stabiliteit in Mali te herstellen en de burgerbevolking te beschermen. Op de lange termijn is het doel structurele stabiliteit en versterking van het Malinese overheidsapparaat zodat Mali weer in staat is zelfstandig veiligheid en rechtsorde te waarborgen. De VN Veiligheidsraad heeft MINUSMA voorzien van een robuust mandaat, zodat in het uiterste geval met geweld kan worden opgetreden.
Overwegingen
Het is (mede) in Nederlands belang te voorkomen dat deze kwetsbare regio (vlakbij de zuidgrens van Europa) nog verder destabiliseert. Op verzoek van de VN heeft Nederland besloten een bijdrage te leveren aan MINUSMA. Deelname aan deze missie dient verschillende Nederlandse belangen waaronder de volgende:
• Een instabiel en ongecontroleerd noorden van Mali is een potentiële broedplaats voor gewelddadig extremisme en grensoverschrijdende criminaliteit aan de rand van Europa. De dreiging die daar van uitgaat beperkt zich niet tot de eigen regio, maar kan ook Europa en Nederland raken (terrorisme, drugs/wapens, illegale migratie).
• De humanitaire situatie in het noorden van Mali is schrijnend. Burgers, vooral in het noorden, moeten worden beschermd tegen geweld, onrechtvaardigheid en armoede.
• Noord-Afrika is voor Nederland en andere Europese landen een belangrijke handelspartner voor grondstoffen en energiebronnen. Instabiliteit Mali en Sahel brengt bereikbaarheid en beschikbaarheid daarvan in gevaar.
• Mali heeft de internationale gemeenschap expliciet om hulp gevraagd. Er is daarnaast een duidelijke en breed gedragen mandaat voor het VN-optreden in Mali. De VN heeft Nederland verzocht om een bijdrage aan MINUSMA. Met deze bijdrage komt Nederland tegemoet aan een kritieke behoefte van MINUSMA.
• Mali wil en kan in zekere mate zelfredzaam zijn. De doelstellingen van MINUSMA op het gebied van stabilisering, noodhulp en steun bij verkiezingen zijn haalbaar. Dit biedt kansen, want hiermee ligt er een basis voor duurzame wederopbouw en een politiek-sociaal contract met het noorden.
• Nederland levert een integrale, herkenbare bijdrage aan een geïntegreerde VN-missie, waarbij aansluiting kan en zal worden gezocht met de bilaterale inspanningen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Nederland heeft een sterke uitgangspositie in Mali: we beschikken als betrouwbare en neutrale ontwikkelingspartner over de nodige kennis, ervaring en contacten.
• Nederland is sterk gebaat bij internationale samenwerking. Met deze bijdrage dragen we medeverantwoordelijkheid voor internationale veiligheid, stabiliteit en een functionerende rechtsorde. Een waardevolle en zichtbare bijdrage aan MINUSMA dient de internationale belangen van Nederland op de middellange termijn.
Inlichtingen MINUSMA
Het commando van de All Sources Information Fusion Unit (ASIFU) bevindt zich op het hoofdkwartier (HQ) van MINUSMA te Bamako. Hier stuurt ASIFU de inlichtingenoperatie aan, coördineert de informatiestromen en analyseert en integreert de verzamelde informatie en inlichtingen tot inlichtingenproducten.
Belang inlichtingen
De operatie is sterk afhankelijk van inlichtingen. Deze inlichtingen dienen als basis voor de planning van en besluitvorming rond operaties door de militaire commandant van de missie. Bovendien spelen ze een belangrijke rol in het garanderen van de veiligheid voor de ingezette eenheden.
In het veld
In de sectorhoofdkwartieren (SHQ) van MINUSMA, respectievelijk te Timboektoe en Gao, bevinden zich de operationele onderdelen van de ASIFU. Deze onderdelen zijn verantwoordelijk voor het verzamelen en verwerken van de gegevens uit hun sector tot inlichtingenproducten voor enerzijds het HQ in BAMAKO en anderzijds de MINUSMA-brigades van de sector waarin zij zich bevinden.
Verschillende domeinen
De inlichtingen benodigd voor MINUSMA beperken zich niet tot inlichtingen over de opstandige en gewapende groeperingen. Om een geïntegreerd beeld te scheppen focust ASIFU op inlichtingen in de domeinen Politiek, Militair, Economisch, Sociaal, Infrastructuur en Informatie.
Nederlandse inlichtingenbijdrage MINUSMA
Delen van het Nederlandse Joint Intelligence, Surveillance, Target Acquisition & Reconnaissance Commando (JISTARC) worden voor MINUSMA ontplooid voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen. In Gao komt een Nederlandse ASIFU-compagnie van circa 50 personen. Voor het verkrijgen van inlichtingen wordt een human terrain team uitgezonden. Daarnaast levert het JISTARC een eenheid met de ScanEagle en Raven unmanned aerial vehicles voor het verzamelen van beeldinformatie. De ASIFU-compagnie ontvangt ook informatie vanuit de Nederlandse special operations forces die in het veld verkenningen uitvoeren en van de Apache helikopters met speciale sensoren die Nederland in Gao stationeert.
| Vliegveld en militaire basis in Gao (foto RFI) |
De Nederlandse bijdrage bestaat uit ongeveer 30 man voor de politiecomponent en ongeveer 220 man voor de inlichtingenketen van de militaire component van de VN-missie. Dit betreft analisten, verkenners en een detachement met vier Apache gevechtshelikopters. Voor de ondersteuning zijn voorts 128 militairen nodig. Ook streeft Nederland naar een bijdrage van civiele deskundigen, onder meer op het terrein van gender, bescherming van burgers, rechtsstaatontwikkeling, security sector reform en de bescherming van cultureel erfgoed. Zoals gebruikelijk zijn bij aanvang en de beëindiging van militaire missies extra militairen nodig in de ondersteuning. De bijdrage aan MINUSMA past goed binnen de bilaterale ontwikkelingsinspanningen van Nederland, in het bijzonder het programma Veiligheid en Rechtsorde. Dit programma richt zich vooral op de ondersteuning van het Malinese justitieapparaat. Daarnaast zal worden gekeken hoe het programma kan worden toegesneden op de politiecomponent van MINUSMA. Het streven is om de Nederlandse bijdrage aan de politiecomponent in te zetten in de regio Gao, waar ook het Veiligheid en Rechtsorde programma actief is.
![]() |
| Infographic: ministerie van Defensie |
Inzet tot 2015
De Nederlandse inzet loopt, in beginsel, tot midden 2015. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de VN Veiligheidsraad het mandaat van MINUSMA na 25 april 2014 verlengt. Midden 2015 zal de Nederlandse bijdrage geëvalueerd worden. Mede op grond van die ‘weging’ zal het kabinet een besluit nemen over de verlenging of de beëindiging van (elementen van) de Nederlandse bijdrage aan deze VN-missie vanaf midden 2016.
Tijdens MINUSMA voeren special operations forces (SOF) eenheden verkenningen uit. Door het vergaren van inlichtingen draagt SOF bij aan de verbetering van de informatiepositie van de missie. Daarnaast kan de SOF-eenheid ook onbeperkte Direct Action-taken uitvoeren. Hierbij kan worden gedacht aan het ontmantelen van verdekte wapenopslagplaatsen, het creëren van Freedom of Movement voor VN-eenheden en het oppakken van opponenten die zich bezighouden met het fabriceren van Improvised Explosive Devices (IED’s).
Nederlandse SOF
De Nederlandse SOF bestaan uit het Korps Commandotroepen en de maritieme SOF (NLMARSOF) van het Korps Mariniers. SOF bestaan uit speciaal opgeleid personeel dat onder alle (klimatologische) omstandigheden en zeer snel kan worden ingezet. Inzet van SOF kan heimelijk of openlijk plaatsvinden, met een kleine eenheid of een robuuste capaciteit en vindt vooral plaats in gebieden die niet (volledig) onder controle zijn. De kerntaken van SOF zijn Special Reconnaissance (speciale verkenningen), Military Assistance (bijdrage aan opbouw lokaal veiligheidsapparaat) en Direct Action (offensieve operaties)
Gao
De Nederlandse SOF-eenheid bevindt zich in Gao, onder directe aansturing van de militaire commandant in het MINUSMA hoofdkwartier in Bamako. Om de aansturing goed te laten verlopen plaatst Nederland hier ook een SOF plannings- en liaisonelement.
Taken
De Nederlandse SOF-eenheden voeren primair lange-afstandsverkenningen uit. Dit zijn meerdaagse activiteiten waarbij de SOF-eenheden informatie verzamelen in veraf gelegen gebieden. Direct Action-taken worden niet uitgesloten. Daarnaast is de eenheid in staat om Military Assistance uit te voeren door samen te werken met Malinese speciale eenheden.
Opzet SOF-operatie
De operationele kern wordt gevormd door drie SOF-ploegen, in totaal zo’n 90 personen. Een staf zorgt voor de planning en aansturing van de operaties. Verder gaan o.a. een team verkenners, een groep mortieren (3 stuks 81mm), twee personen van Elektronische Oorlogsvoering, een medisch team, een team van de Explosieven OpruimingsDienst Defensie, verbindings-, onderhouds- en logistiek personeel mee. Ook moet in noodgevallen kunnen worden teruggegrepen op ondersteuning in de vorm van een Quick Reaction Force of Close Air Support en, in voorkomend geval, een medische evacuatie.
Materieel
De SOF-eenheid beschikt over verschillende voertuigen, waaronder de Bushmaster, de Fennek, de Mercedes Benz (MB) G280 CDI en de quad. De Bushmaster is een licht gepantserd voertuig en biedt bescherming tegen klein kaliber wapens, mijnen en IED’s. De MB is het standaard tactische wielvoertuig waarmee SOF opereert. De Quad maakt, vanwege de terreinvaardigheid deel uit van het operationele concept van SOF. Het verkenningsteam werkt met de Fennek, een tactisch wielverkenningsvoertuig.
![]() |
| Fennek.. Links .50 mitrailleur, rechts sensormast (foto Defensie) |
![]() |
| Mercedes-Benz G280 CDI met .50 en 7,62mm mitrailleurs |
Apaches
Nederland draagt onder andere bij aan MINUSMA bij door het leveren van 4 Apache AH-64 gevechtshelikopters.
MINUSMA
De Apache helikopters vallen gedurende de inzet voor MINUSMA rechtstreeks onder de militaire commandant van MINUSMA. Deze commandant wijst dus taken toe aan de eenheid. Hierbij kan gedacht worden aan: uitvoeren van verkenningen, escorteren van eenheden, Show of force en het leveren van vuursteun voor grondeenheden.
![]() |
| Apache (foto Defensie) |
Opereren vanuit Gao
Door de Nederlandse eenheden centraal te laten opereren vanuit Gao zullen de Apache’s een groot aandeel hebben bij het verzamelen van gegevens voor de inlichtingenketen van MINUSMA. Dit gebeurt binnen het Sectorhoofdkwartier te Gao, gezamenlijk met de aanwezige special operations forces. Indien noodzakelijk kunnen de gevechtshelikopters, conform afspraken met MINUSMA, ingezet worden voor de bescherming en ondersteuning van Nederlandse eenheden in het gebied.
Kenmerken
Naast verkenningstaken met zijn sensoren is de geavanceerde gevechtshelikopter geschikt voor gevechtstaken. Deze taken kunnen zowel bij dag als nacht worden uitgevoerd. Ook zijn Apaches zeer geschikt voor escort/beveiligingstaken (zowel voor helikopters als grondeenheden). Bovendien biedt de constructie en uitrusting een zekere bescherming tegen klein kaliber wapens en hittezoekende luchtdoelraketten. De verscheidenheid aan bewapening die de Apache rijk is, heeft in een dreigende situatie een de-escalerend effect. Als wapens toch moeten worden ingezet kan dit met grote precisie en met een geringe kans op nevenschade. Apaches treden altijd op in tweetallen om wederzijdse steun te garanderen.
![]() |
| Gao (foto MINUSMA) |
(Bron tekst: ministerie van Defensie, december 2013)
Niet genoemd in het artikel: het personeel van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) dat een centrale rol speelt bij het vergaren en analyseren van inlichtingen.
Websites MINUSMA:
Lokale VN-site (alleen in het Frans): http://minusma.unmissions.org/
Site VN-New York http://www.un.org/en/peacekeeping/missions/minusma/
Mali Newstrackers:
Google Nieuws (Nederlands)
NewsNow (Engels)
Yahoo! Actualités (Frans)
Het weer in Gao
Labels:
commando's,
Gao,
inlichtingen,
JISTARC,
KCT,
Mali,
mariniers,
MARSOF,
MINUSMA,
MIVD,
Verenigde Naties
Abonneren op:
Posts (Atom)

+Special+Operations+Land+Task+Group+(SOLTG)+'Scorpion'.jpg)


.jpg)

-1.jpg)
.jpg)