Posts tonen met het label Kamervragen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kamervragen. Alle posts tonen

maandag 10 november 2014

Beantwoording Kamervragen over schoonmaakmiddel PX-10

Antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Eijsink en Kerstens (beiden PvdA) aan de minister van Defensie over het gebruik van PX-10 door Defensie (ingezonden 22 oktober 2014 met kenmerk 2014Z18661)

1 
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Een Vandaag van 20 oktober?1

Ja.

2
Hoe lang bent u al op de hoogte van de (mogelijk) schadelijke effecten voor de gezondheid door het gebruik van PX-10?

De documentatie die binnen Defensie is teruggevonden over mogelijke gezondheidseffecten van het werken met PX-10, gaat terug tot 1980. Vanaf 1981 zijn maatregelen getroffen om het gebruik van PX-10 te verminderen. Tevens zijn er vanaf dat moment voorzorgsmaatregelen (waaronder beschermende middelen) getroffen om mogelijke gezondheidsrisico’s te verkleinen. PX-10 is in de periode 1981-1996 stapsgewijs uitgefaseerd.

3
Kunt u aangeven waarom de Kamer destijds niet geïnformeerd is over de (mogelijke) schadelijke gevolgen van het gebruik van PX-10?

De Kamer is in de periode 2008-2011 over het gebruik van PX-10 en de gevolgen ervan geïnformeerd (zie het overzicht in de bijlage bij Kamerstuk 34 000 X, nr.
13).

4
Bent u bereid de interne documenten van uw ministerie over het gebruik en de (mogelijke) schadelijke gevolgen van het gebruik van PX-10 met de Kamer te delen?

Ja, daartoe ben ik bereid. De desbetreffende documenten zijn na een Wob- verzoek van Letselschade Haaglanden ClaimZorg in 2013 al openbaar gemaakt en zijn onder meer terug te vinden op de website van EenVandaag2.

5
Waarom is er, ondanks bekendheid sinds 1976 met de (mogelijke) gezondheidsrisico verbonden aan het gebruik van PX-10, toch voor gekozen het gebruik te handhaven?
6
Hoe oordeelt u over de inhoud van de brief van 26 juni 1984 van de toenmalig directeur Materieel, waarin hij, ondanks de bekendheid met de (mogelijke) schadelijke gevolgen van PX-10, aangeeft: "Het produkt PX- 10 blijft bij de KM (evenals KL en KLU) gehandhaafd."?

In de brief van 1984 staat ook vermeld welke voorzorgsmaatregelen er bij gebruik moeten worden getroffen en dat er actie is genomen om het gebruik van PX-10 te verminderen. De in 1981 getroffen maatregelen zijn aan uw Kamer gemeld bij de beantwoording van Kamervragen in 20083.

7
Overweegt u een contra-expertise over het gebruik en de blootstelling aan PX-10 uit te laten voeren?
8
Bent u van plan de rapporten van het RIVM als gevolg van de informatie in deze uitzending opnieuw tegen het licht te houden? Zo nee, waarom niet?
9
Kunt u aangeven welke maatregelen u gaat nemen naar aanleiding van deze uitzending? Zo nee, waarom niet?

Het RIVM is onafhankelijk en organiseert zelf haar contra-expertise. Dit is in het onderzoek naar de gevolgen van PX-10 ook gebeurd. Zoals ik uw Kamer in mijn brief van 23 oktober jl. (Kamerstuk 34 000 X, nr. 13) heb laten weten, heeft het RIVM twee gerenommeerde en internationaal hoog aangeschreven onderzoeksinstituten bij het onderzoek betrokken. Ook zijn de onderzoeksresultaten onderworpen aan een externe review door twee internationale experts.

Het RIVM bepaalt hoe het onderzoek wordt uitgevoerd, welke wetenschappelijke methoden daarvoor geschikt zijn en stelt het wetenschappelijke rapport op. Het RIVM hanteert daarbij de principes van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid.

De Wet op het RIVM, waarin is vastgelegd welke taken het RIVM zelfstandig uitvoert, borgt haar onafhankelijkheid. In de wet is bepaald dat de minister geen aanwijzingen geeft voor de wijze van uitvoering en rapportage van de resultaten. Daarnaast schrijft de wet een Commissie van Toezicht voor met als taak het wetenschappelijk niveau van het RIVM te bewaken. Deze commissie ziet er  tevens op toe dat de kritiek van wetenschappelijke aard op correcte wijze wordt afgehandeld.


Verder onderschrijft het RIVM de code van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling. Dit houdt onder andere in dat geen invalshoeken worden uitgesloten en actief overleg wordt gepleegd met partijen die kritiek hebben op haar onderzoek.

Het RIVM heeft inmiddels laten weten - in lijn met de door het RIVM gehanteerde zorgvuldigheidseisen - de toxicoloog die in genoemde uitzending van Dossier EenVandaag het woord voert, uit te nodigen voor een gesprek samen met andere deskundigen. Het RIVM zal mij informeren over de uitkomsten en zal deze ook op haar eigen website plaatsen. De uitkomsten worden vanzelfsprekend tevens met uw Kamer gedeeld.

10
Vormt de uitzending van EenVandaag voor u aanleiding om zo spoedig mogelijk actie te ondernemen richting de oud-werknemers en hun nabestaanden? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Het betrokken personeel is destijds over het onderzoek en de resultaten hiervan geïnformeerd. Ik betreur in hoge mate de onrust die nu opnieuw dreigt te ontstaan onder het (voormalige) defensiepersoneel. Medewerkers die zich zorgen maken, kunnen zich wenden tot het ABP Zorgloket (voormalig personeel) of de verantwoordelijk militair arts dan wel de bedrijfsarts (actief dienend personeel). Ook is informatie over PX-10 terug te vinden op de daarvoor ingerichte internetpagina van Defensie.

11
Kunt u deze vragen uiterlijk binnen één week beantwoorden?

Dat is helaas niet mogelijk gebleken.


(Tweede Kamer, 10 november 2014)



donderdag 6 november 2014

Antwoord op Kamervragen over de werkomstandigheden in Mali

Antwoord van minister Hennis – Plasschaert (Defensie) (ontvangen 6 november 2014) op vragen van het lid Jasper van Dijk (SP) aan de Minister van Defensie over tekortkomingen voor militairen in Mali (ingezonden 17 oktober 2014).

1
Wat is uw oordeel over het bericht ‘Gevoelstemperatuur: 67 graden Celsius; bijna alle WC’s kapot’? 1)
2
Voelt u zich aangesproken door de uitspraak van een anonieme militair: “Ik ben nu zes keer uitgezonden geweest en dit heb ik nog nooit meegemaakt. Je wordt gewoon de woestijn ingetrapt en verder zoek je het maar uit”?

Antwoord op vragen 1 en 2:

De strekking van het artikel en de daarin aangehaalde uitspraken worden niet breed gedragen door de militairen die momenteel zijn uitgezonden naar Mali.

3
Waarom slapen de militairen bijna een jaar na aanvang van de missie nog steeds in tenten? In hoeverre is de veiligheid in het geding, vanwege het risico van raketaanvallen op het kamp?

Aangezien het Nederlandse kamp van de grond af aan moest worden gebouwd, zijn de Nederlandse militairen aanvankelijk in tenten gelegerd. Met de Kamerbrief van 28 maart 2014 (Kamerstuk 29 521 nr. 241) heb ik uw Kamer geïnformeerd dat de tenten zouden worden vervangen door beschermende containers. Eind september konden de eerste Nederlandse militairen worden gelegerd in woonchalets. Vanaf begin december kunnen, in geval van nood, alle Nederlandse militairen van het detachement worden gelegerd in beschermde onderkomens. Vanaf eind januari 2015 is er voor alle Nederlandse militairen standaard een onderkomen in deze containers. De veiligheid van het Nederlands personeel is niet in het geding, aangezien er op het kamp onderkomens (‘shelters’) zijn gebouwd waarin kan worden geschuild tijdens raketaanvallen. Nederland is overigens het enige land binnen MINUSMA dat zijn personeel in dergelijke beschermende containers onderbrengt. De dreiging van beschietingen op het Nederlandse kamp in Gao is begin oktober vanwege het lage aantal incidenten bovendien teruggebracht van significant naar matig. De huidige beschermingsmaatregelen op het kamp zijn hiermee voldoende.

4
Deelt u de mening van de voorzitter van vakbond AFMP dat de situatie in Gao “onacceptabel” is? Kunt u uw antwoord toelichten?
5
Deelt u de mening dat goede voorzieningen voor militairen nooit ondergeschikt mogen zijn aan de politieke wens om deel te nemen aan een missie? Zo ja, waarom horen we keer op keer dat uitgezonden militairen met tekortschietende voorzieningen worden geconfronteerd?

Antwoord op vragen 4 en 5:

De Nederlandse militairen werken in Mali onder moeilijke omstandigheden. Dit geldt vooral voor de militairen die zijn geplaatst in Gao, waar de afgelopen maanden de hoge temperatuur en het stof de werk- en leefomstandigheden hebben bemoeilijkt. Defensie stelt alles in het werk om de bouw van het Nederlands kamp, inclusief alle voorzieningen, zo spoedig mogelijk te voltooien. Omdat de logistieke aanvoerlijnen naar Gao lang zijn en de klimatologische omstandigheden zwaar, duurt de bouw van het Nederlands kamp langer dan aanvankelijk was voorzien. Volgens de huidige planning zal het Nederlands kamp in Gao eind april 2015 gereed zijn. Kritieke reservedelen, zoals voor het sanitair, worden versneld naar Mali vervoerd. Ook zijn er alternatieve sanitaire voorzieningen gemaakt. Het standaard VN-voedselrantsoen wordt door Nederland aangevuld tot een meer gevarieerd menu. Vanwege de warme weersomstandigheden in Mali zijn de werktijden aangepast, vooral voor het personeel dat fysieke arbeid verricht. Nieuw personeel neemt deel aan een acclimatisatieprogramma om gefaseerd te wennen aan het werken in een heet klimaat. Met deze maatregelen wordt de situatie in Gao als acceptabel gezien.  Overigens zijn Nederlandse militairen opgeleid om onder moeilijke omstandigheden te opereren.

6
Erkent u dat militairen, vanwege angst voor baanverlies, niet snel zullen klagen over de omstandigheden tegenover hun leidinggevende? Wat onderneemt u om te achterhalen hoe militairen werkelijk over de omstandigheden denken?

Nederlandse militairen zijn goed opgeleid en zijn in staat om hun werkzaamheden uit te voeren. In het missiegebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om problemen kenbaar te maken aan leidinggevenden. Ook andere kanalen staan tot hun beschikking, onder meer de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht. 

Defensie peilt daarnaast periodiek de mening van militairen en burgers over de werkomstandigheden en werkbeleving. Het betreft de monitor werkbeleving (halfjaarlijkse rapportage over de werkbeleving van militairen en burgers), het medewerkertevredenheidsonderzoek ‘ PICTURE/SCOPE’  (periodiek onderzoek naar de werkbeleving van personeel per eenheid) en moreelonderzoeken in de missiegebieden, waaronder ook Mali. In deze onderzoeken kunnen militairen open, eerlijk en anoniem hun mening over de werkomstandigheden en werkbeleving geven. Deelneming aan de onderzoeken geschiedt op vrijwillige basis. De uitkomsten van de onderzoeken worden door commandanten (en veelal ook door  medezeggenschapsraden) gebruikt om, waar mogelijk, verbeteringen aan te brengen in de werkomstandigheden en/of werkbeleving van het personeel.

7
Bent u bereid om de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) onderzoek te laten doen naar de omstandigheden op het kamp?

Ik zie gezien het bovenstaande geen aanleiding tot een aanvraag voor een onderzoek door de IMG. De IMG kan echter ook op aanvraag van de bonden onderzoek verrichten. Indien hij zelf aanleiding ziet het kamp te bezoeken, zal hem dit uiteraard worden toegestaan. Momenteel ziet de IMG geen aanleiding het kamp op korte termijn te bezoeken.

8
Hebben de Nederlandse troepen in Mali inderdaad “niet de beste uitrusting en de voertuigen voor een gevaarlijke missie”? Hoe wordt dit probleem opgelost? Waarom staat dit niet in de laatste voortgangsrapportage over MINUSMA?

De Nederlandse militairen werken met kwalitatief goed materiaal dat toereikend is om hun werkzaamheden in Mali uit te voeren. De logistieke voorraden zijn in de afgelopen maanden verder aangevuld. Deze aanvoer neemt enige tijd in beslag omdat veel zaken over zee moeten worden aangevoerd. 

1) NRC, 15 oktober 2014

(Tweede Kamer, 6 november 2014)

dinsdag 1 juli 2014

Antwoord op Kamervragen over intrekken VGB

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag

Datum
Betreft Antwoorden op vragen over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar

Onze referentie
BS2014019198

Hierbij bied ik u de antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie
voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar aan (ingezonden 12
juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).


DE MINISTER VAN DEFENSIE

J.A. Hennis-Plasschaert


Antwoorden op de feitelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie over intrekken Verklaring van Geen Bezwaar (ingezonden 12 juni jl. met kenmerk 2014Z09333/2014D21700).

1 
Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het categorisch benoemen van een aantal misdrijven als gevolg waarvan de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) moet worden ingetrokken, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid? 

Het gaat bij een veiligheidsonderzoek om het risico dat iemand kan vormen voor de nationale veiligheid. Gezien de specifieke taken voor Defensie alsmede de omstandigheden waaronder de Defensie-taken dienen te worden uitgevoerd, worden bijzondere normen gesteld. Zo zal het plegen van ieder strafbaar feit als omschreven in artikel 13, tweede lid, van de Opiumwet als regel tot weigering respectievelijk intrekking van een verklaring leiden.

2 
Hoe strookt de keuze in de beleidsregel voor het moeten intrekken van een VGB wegens de omstandigheid dat de militair een partner heeft uit een land, waarmee geen samenwerkingsrelatie bestaat op het gebied van veiligheidsonderzoek, met de keuze die de wetgever heeft gemaakt, door in de wet te bepalen dat een VGB kan worden ingetrokken, en zodoende ruimte laat voor een beoordeling op maat in het kader van de daadwerkelijke risico’s voor de nationale veiligheid? 

Bij een verblijf in een ander land van langer dan drie maanden doet de MIVD, via de AIVD, navraag bij een buitenlandse dienst waarmee de AIVD op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens samenwerkt. Indien dat, door het ontbreken van een dergelijke relatie, niet mogelijk is, geeft de MIVD in principe geen VGB af op grond van het onvoldoende verkrijgen van betrouwbare gegevens. Defensie heeft een aantal mogelijke uitzonderingen op die regel geformuleerd. Daarbij wordt, in een aantal gevallen en onder strikte voorwaarden, toch een VGB afgegeven. Om het risico dat ontstaat door het ontbreken van de gegevens van de partnerdienst te beperken, is dat niet een VGB voor het hoogste veiligheidsmachtigingsniveau. Defensie maakt hierbij een individuele beoordeling conform de kaders van de Wet veiligheidsonderzoeken Wvo).
3 
Welke termijnen hanteert u bij het afhandelen van het bezwaar dat militairen mogelijk indienden tegen het intrekken van de VGB, gezien de forse gevolgen die het intrekken van het VGB voor de militair kan hebben? 
Bij een intrekking van een VGB wordt altijd eerst een voornemen naar betrokkene verzonden en wordt het betreffende defensieonderdeel hierover geïnformeerd. Betrokkene heeft dan twintig dagen de tijd om zijn of haar zienswijze naar de MIVD te zenden. Indien betrokkene (of diens advocaat) daarom verzoekt, wordt extra reactietijd voor de zienswijze verleend. Na ontvangst van de zienswijze wordt deze beoordeeld. Het besluit luidt dan ofwel handhaving intrekking ofwel handhaving VGB. Betrokkene en diens veiligheidsfunctionaris worden van dat besluit op de hoogte gebracht. Vervolgens krijgt betrokkene zes weken om bezwaar tegen dat besluit te maken bij de Minister. De Minister legt de bezwaren voor bij een onafhankelijke bezwarencommissie. Dat bezwaar heeft echter geen opschortende werking; de VGB is op dat moment ingetrokken en betrokkene dient binnen acht weken te worden ontheven uit de vertrouwensfunctie. De (wettelijke) afhandelingstermijn voor Defensie bedraagt zes weken, eventueel te verlengen met zes weken. 

zondag 12 januari 2014

Antwoord op Kamervragen over het gevechtspak

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Segers en Voordewind (beiden Christen Unie) over het bericht ‘Mali missie in matig pak’. Tevens ontvangt u hierbij de antwoorden op de aanvullende schriftelijke vragen van het lid Vuijk (VVD) over hetzelfde onderwerp. Beide sets vragen zijn ingezonden op 6 januari jl. met respectievelijk de kenmerken 2014Z00057 en 2014Z00058.

DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert


Antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Segers en Voordewind (beiden Christen Unie) aan de minister van Defensie over het bericht ‘Mali-missie in matig pak’ (ingezonden op 6 januari jl. met kenmerk 2014Z00057).

1
Heeft u kennisgenomen het artikel ‘Mali-missie in matig pak’?  Herinnert u zich tevens de verworpen motie Segers over geen genoegen nemen met minimale kwaliteitseisen bij de aanschaf van materiaal? 
Ja.

2
Kunt u aangeven of er uit financiële overwegingen inderdaad gekozen is voor een uniform van inferieure kwaliteit uit China? Is het waar dat het dat het uniform Defender M, afkomstig van het Nederlandse bedrijf Ten Cate, meer veiligheid biedt aan militairen en om deze reden wordt afgenomen door verschillende NAVO-bondgenoten? Is het waar dat het uniform van Nederlandse makelaardij meer ‘vertragingseconden’ biedt bij brand in het gevechtspak, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Zo niet, wat is dan wel de situatie?
Defensie schaft geen kleding aan van inferieure kwaliteit. Het feit dat technologische vooruitgang nieuwe materialen en mogelijkheden oplevert, laat onverlet dat de huidige kleding voor de Nederlandse militairen - ook die naar Mali gaan - voldoet aan de eisen die bij de aanschaf werden gesteld. Het gaat om kleding van het type dat eerder is gebruikt in woestijnachtige gebieden, zoals in Irak, Afghanistan en Afrika, en dat in de praktijk geschikt is gebleken. Op grond van de praktijkervaringen is de kleding regelmatig verder verbeterd. Defensie schaft niet voor iedere missie nieuwe kleding aan.

Bij de vaststelling van de eisen voor kleding werkt Nederland samen met bondgenoten. De meeste bondgenoten hanteren soortgelijke eisen aan de brandwerendheid van kleding. Enkele NAVO-landen gebruiken gevechtskleding met verhoogde brandwerende eigenschappen of hebben plannen om dergelijke kleding te verwerven. Voor zover bekend is vooralsnog alleen de gevechtskleding van de Verenigde Staten gemaakt van de stof Defender M.*

3
Bent u van mening dat, zoals ook in de bovengenoemde motie wordt verzocht, er niet genoegen genomen mag worden met minimale kwaliteitseisen wanneer de veiligheid van onze militairen in het geding is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich dan tot de reactie vanuit uw ministerie in het bovengenoemde artikel: ‘Misschien is Defender M een beter product, maar ook het huidige uniform voldoet aan de eisen'?
De veiligheid van militairen is cruciaal. Bij al het materieel waarmee Nederlandse militairen werken, staat kwaliteit voorop. De Commandant der Strijdkrachten is verantwoordelijk voor de behoeftestelling voor materieel en bepaalt de eisen daarvoor. Bij kleding gaat het om eisen op het gebied van onder andere brandwerendheid, slijtage, camouflage, warmte of kou, vochtafdrijving, draagcomfort en duurzaamheid. Als meer producten aan de gestelde eisen voldoen, speelt ook de prijs-kwaliteitverhouding een rol. Het feit dat technologische vooruitgang nieuwe materialen en mogelijkheden oplevert, laat onverlet dat de huidige kleding voldoet.

Zoals bekend bereidt Defensie momenteel in het project Defensie Operationeel Kledingsysteem de vervanging van de gevechtskleding voor. Hierover bent u geïnformeerd in het Materieelprojectenoverzicht 2013 (Kamerstuk 27 830, nr. 113 van 17 september 2013). Zodra de behoefte aan de nieuwe gevechtskleding is vastgesteld, zal ik de Kamer hierover informeren, in overeenstemming met het Defensie Materieel Proces. Dit is naar verwachting in de loop van dit jaar. De keuze voor een leverancier is in deze fase dus nog niet aan de orde. Gevechtskleding wordt verworven via een Europese aanbesteding. Wanneer de behoeftestelling is vastgesteld, worden, binnen de kaders van de Europese regelgeving, de marktmogelijkheden verkend en zal uiteindelijk een leverancier worden gekozen. In het kader van de behoeftestelling wordt vanzelfsprekend gekeken naar nieuwe technologische mogelijkheden en internationale ontwikkelingen.

4
Kunt u, zo nodig vertrouwelijk, de Kamer informeren op welke wijze u heeft gekozen voor het huidige uniform?
Voor de missie naar Mali is geen nieuwe gevechtskleding aangeschaft. De huidige gevechtskleding van het type desert (woestijn-print) is al sinds 1996 bij de Nederlandse krijgsmacht in gebruik voor inzet in woestijnachtige gebieden. Mede op grond van opgedane ervaringen is de kleding sindsdien in vervolgbestellingen regelmatig verder verbeterd, zoals door impregnatie met insectenwerende middelen en verstevigingen en aanpassingen tegen slijtage. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 verwacht ik de Kamer in de loop van dit jaar te kunnen informeren over de behoeftestelling voor nieuwe gevechtskleding.

(ministerie van Defensie, 10 januari 2014)

* Die mededeling van de minister klopt niet. In de openbare literatuur is te vinden dat ook de Australische krijgsmacht de Defender M-stof gebruikt (zelfs die van een tweede generatie), zie bijvoorbeeld http://soldiersystems.net/2011/10/20/australian-amp-update/, HdV 


Gevechtstenue, desert (foto Hans de Vreij)

maandag 21 januari 2013

Antwoorden op Kamervragen over Wet Uniformering Loonbegrip (WUL)

Aan:      de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum:  21 januari 2013
Betreft:  Antwoorden op de vragen van de vaste commissie voor Defensie inzake de gevolgen van de invoering van de Wet uniformering loonbegrip

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de vragen van de vaste commissie voor Defensie inzake de gevolgen van de invoering van de Wet uniformering loonbegrip (ingezonden 15 januari jl. met kenmerk 33 400-X-47/2013D01035).

DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert

Antwoorden aan op de schriftelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie inzake de gevolgen van de invoering van de Wet uniformering loonbegrip (ingezonden 15 januari jl. met kenmerk 33 400-X-47/2013D01035).

1. Waarom is de Kamer tot op heden niet geïnformeerd over de WUL-problematiek?
Met mijn brief van 21 december jl. (Kamerstuk 33 400 X, nr. 47) heb ik de Kamer geïnformeerd over de consequenties voor militairen van de combinatie van het niet verschuldigd zijn van de IAB ZVW door militairen en de invoering van de Wet uniformering loonbegrip (Wet ULB).

2. Wat is uw mening over de informatievoorziening hierover aan de Kamer, ook ten tijde van het wetsvoorstel ULB?
4. Op welk ambtelijk niveau waren de consequenties van de WUL voor militairen bekend ten tijde van de totstandkoming van het wetsvoorstel? Is de toenmalige minister van Defensie hierover adequaat geïnformeerd? Waarom heeft Defensie bij het wetsvoorstel van de WUL niet gereageerd naar Financiën en in de ministerraad?
5. Waarom heeft Defensie kennelijk pas op 20 september 2012 in het Georganiseerd Overleg Defensie laten weten bezig te zijn met de reparatie van de effecten van de WUL, terwijl op ambtelijk niveau de consequenties naar verluid al in januari 2012 bekend waren, dat terwijl de geldende procedure is dat Defensie het Georganiseerd Overleg onverwijld informeert over een wetsvoorstel als dat specifieke effecten met zich brengt voor militairen en/of burgermedewerkers bij Defensie?
Vanaf het begin van het wetgevingsproces was duidelijk dat de Wet ULB voor verschillende groepen belastingplichtigen inkomenseffecten zou kunnen hebben. Die inkomenseffecten blijven voor grofweg 80 procent van de werknemers beperkt tot tussen -1,5 en +1,5 procent. Dit zijn ook door het parlement aanvaarde marges. De implicaties voor militairen zijn separaat inzichtelijk gemaakt en in de voorbereiding van de implementatie duidelijk geworden.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer op 24 mei 2011 (Handelingen EK 2010-2011, nr. 28 item 13) heeft de staatssecretaris van Financiën toegezegd bij onvoorziene en onbedoelde gevolgen van de wet voor groepen belastingplichtigen bij de finetuning van het algemene koopkrachtbeeld in de zomer en het najaar van 2012 in het Belastingplan 2013 deze gevolgen te willen betrekken. Hierbij is het goed te vermelden dat bij de berekening van inkomenseffecten van wetsvoorstellen geen onderscheid wordt gemaakt naar militairen en niet-militairen. Als het dus gaat over het algemene koopkrachtbeeld en daarbij wordt gekeken naar werknemers, dan worden deze effecten niet specifiek zichtbaar voor de groep militairen.

Toen, in september, de precieze gevolgen van de wet voor de inkomens van militairen duidelijk werden, heeft mijn ambtsvoorganger op 31 oktober 2012 hierover een brief gestuurd naar de minister van Financiën. Het antwoord hierop is intussen naar buiten gebracht, hetgeen ik betreur. Over de uitkomst van dit overleg heb ik de centrales van overheidspersoneel geïnformeerd.

Zoals gebruikelijk is er op meer momenten in het wetgevingsproces op diverse niveaus overleg geweest tussen ambtenaren van de betrokken ministeries. Voorts wordt over de inhoud van de beraadslagingen in de ministerraad geen mededeling gedaan.

3. Wat is uw reactie op de uitgelekte brief van de staatssecretaris van Financiën, d.d. 26 november 2012, waarin gesteld wordt dat Defensie geen opmerkingen gemaakt heeft ter zake van de inkomensconsequenties van de WUL, ten tijde van de totstandkoming van het wetsvoorstel, alsmede dat al op 19 januari 2012 ‘de consequenties van de Wet ULB bij ambtelijk Defensie bekend waren’?
Ik betreur het dat er uit persoonlijke correspondentie tussen bewindspersonen wordt gepubliceerd, mede omdat er door de openbaarmaking van een deel van vertrouwelijke correspondentie geen compleet beeld van de gevoerde overleggen ontstaat.

6. Op welke wijze compenseert Defensie het personeel voor de gevolgen van de WUL in 2013, respectievelijk in latere jaren? Welk bedrag is hiermee gemoeid? Hoe wordt dit gefinancierd? Gaat dit ten koste van de bedrijfsvoering van Defensie? Draagt het ministerie van Financiën bij?
7. Wat is uw reactie op de uitspraak van de woordvoerder van Defensie (ANP, 7 januari 2013) dat de oplossing voor de WUL-problematiek binnen de arbeidsvoorwaarden gezocht moet worden?
31. Kunt u nader ingaan op de bedragen van 42 á 43 mln. voor 2013 die in de pers (bij monde van een woordvoerder van het ministerie van Defensie) worden genoemd? Waar komen deze bedragen vandaan?
Op zoek naar compensatie zijn uiteenlopende mogelijkheden in beschouwing genomen. Voor 2013 worden de inkomenseffecten van de combinatie van het niet verschuldigd zijn van de IAB ZVW door militairen en de Wet ULB gecompenseerd uit vertraging van activiteiten binnen de defensiebegroting. Hiermee is € 47,5 miljoen gemoeid. Het ministerie van Financiën draagt niet bij, maar stemt in met de gekozen oplossing. Er wordt nog gezocht naar een structurele oplossing voor latere jaren (2014 e.v.).

8. Kunt u de e-mail van de Secretaris-Generaal en de Commandant der Strijdkrachten aan het personeel, waarin zij stelden dat volledige compensatie niet mogelijk is en het beperken van het negatieve effect tot -1.5% het ‘maximaal haalbare’, toelichten?
14. Klopt het dat de brief die in de eerste week van januari verstuurd is aan alle militairen het eerste moment is waarop de lastenverzwaring als gevolg van de WUL invoering gecommuniceerd is richting de militairen?
Nadat op vrijdag 21 december jl. duidelijk werd dat geen overeenstemming met de centrales kon worden bereikt over zowel de korte- als langetermijnoplossing om de eerder genoemde negatieve effecten van de WUL te verlichten, en waarover een akkoord met het ministerie van Financiën was bereikt, is diezelfde middag besloten het defensiepersoneel met een e-mail hiervan op de hoogte te stellen. Omdat een groot deel van het personeel rond de feestdagen verlof heeft, is tevens besloten het personeel schriftelijk te infomeren.

9. Wat zijn de mogelijkheden om de negatieve inkomenseffecten van de WUL buiten de defensiebegroting om te compenseren?
Naar aanleiding van de effecten van de Wet ULB ben ik inmiddels in overleg getreden met het ministerie van Financiën over een objectiveerbare vergelijking van de inkomens van militairen met andere ambtenaren, de zgn. pakketvergelijking. De uitkomsten van deze vergelijking zullen met open blik worden beschouwd. Dit acht ik noodzakelijk om tot een structurele oplossing (2014 e.v.) te komen. Voor alle duidelijkheid: de gevraagde mogelijkheden, dus buiten de defensiebegroting, zijn er thans niet.

10. Wat zijn de gevolgen van het opschorten van het overleg met de vakbonden voor de reorganisatie en de wijze waarop de minister het overleg wil hervatten?
De opschorting van het overleg vertraagt de vulling van organisatieonderdelen en vertraagt daarmee de reorganisaties binnen Defensie. Hierdoor duurt de onzekerheid voor het betrokken personeel voort. Bovendien kost de vertraging maandelijks extra geld. Dit bedrag komt ten laste van de defensiebegroting. Aan de bonden is gevraagd om het overleg informeel te hervatten.

11. Klopt het dat militairen 1,8%-4,8% van hun loon dreigen kwijt te raken? Zo nee, wat is de bandbreedte?
Zonder compensatie zou het negatieve inkomenseffect van de Wet ULB voor het jaar 2013 2,8 tot 4,7 procent kunnen bedragen. Met de geboden compensatie blijven de negatieve effecten voor militairen voor dit jaar binnen de bandbreedte van maximaal 1,5 procent. Let wel, omdat het hier gaat om een ingewikkelde compensatiemaatregel die niet eerder in het systeem kon worden verwerkt, zal het militair personeel in de maanden januari tot en met maart eerst op een andere wijze gedeeltelijk worden gecompenseerd. De percentages lopen dan iets meer uit elkaar van -0,3 tot -2,3 procent. Vanaf april is voor het jaar 2013 het negatieve effect beperkt tot maximaal 1,5 procent.

12. Kunt u een overzicht geven van de koopkrachtgevolgen van zowel het gewone kabinetsbeleid, als de lastenverzwaring, als gevolg van de invoering van de WUL voor militairen in oplopende rangen, van korporaal tot kolonel, voor de jaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017?
16. Heeft het ministerie zelf op enig moment de koopkrachtgevolgen voor militairen van het kabinetsbeleid en de aanvullende lastenverzwaring als gevolg van de WUL invoering zelf in beeld gebracht of dat in kaart laten brengen? Zo ja, wanneer?
25. Kunt u een afschrift van de schriftelijke correspondentie tussen het ministerie van Defensie en de bonden over de gevolgen van de invoering van de WUL voor militairen en voor de begroting aan de Kamer doen toekomen?
De centrales van overheidspersoneel zijn op 19 december jl. met een brief geïnformeerd over de inkomenseffecten van de Wet ULB. Een afschrift van deze brief doe ik u hierbij toekomen. Hierin zijn de inkomenseffecten voor 2013 uiteengezet. De gevolgen voor de koopkracht van ULB voor specifieke groepen militairen kan ik niet weergeven omdat deze altijd zijn gebaseerd op standaard groepen en niet op afzonderlijke situaties. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onlangs aan de Tweede en Eerste kamer een update gestuurd van het algemene koopkrachtbeeld als gevolg van de Wet ULB (Kamerstuk 32131, nr. 25).

13. Kunt u een overzicht geven van wat de begrotingsgevolgen zouden zijn van het volledig compenseren van de lastenverzwaring als gevolg van de invoering van de WUL voor de jaren 2013-2017?
Zoals aangegeven, wordt er gezocht naar een structurele oplossing (2014 e.v.). Zodra hierover een besluit is genomen, wordt de Kamer geïnformeerd.

15. Vindt u dat er sprake is van een ‘fout’ of is er sprake van een bewuste wijziging in de arbeidsvoorwaarden?
Zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 4 en 5 is uitgegaan van een algemeen koopkrachtbeeld waarbij de koopkrachteffecten binnen aanvaardbare marges blijven. Daarbij worden de gevolgen van de wet ULB voor grofweg 80 procent van de werknemers beperkt tot tussen -1,5/+1,5 procent. Er is door het toenmalige kabinet gestreefd naar een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld. Het is echter via generieke fiscale wetgeving niet goed mogelijk om specifieke groepen belastingplichtigen te compenseren. Verder ben ik van mening dat negatieve effecten voor militairen te laat ten volle zijn onderkend en geadresseerd. Het was voor iedereen beter geweest om in een eerder stadium tot een structurele oplossing te komen. Er is in dezen overigens geen sprake van een bewuste wijziging in de arbeidsvoorwaarden.

17.
Zijn de militairen in het wetgevingstraject meegenomen in het opstellen van de ramingen van de belastingopbrengsten als gevolg van de invoering van de WUL door het ministerie van Financiën?
De wet ULB veroorzaakt door het afschaffen van de belaste vergoeding voor de inkomenafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet een voordeel voor werknemers. Om dat voordeel voor de loon- en inkomstenbelasting voor werknemers te voorkomen is een pakket aan maatregelen genomen. Binnen de mogelijkheden van de fiscaliteit is dit voordeel zo goed als mogelijk inkomensneutraal teruggenomen. Daarbij is het zo dat de algemene inkomenseffecten voor het overgrote deel van de belastingplichten binnen een door beide Kamers aanvaarde marges blijven. Die inkomenseffecten blijven voor grofweg 80 procent van de werknemers beperkt tot tussen -1,5 en +1,5 procent.

Er wordt uitgegaan van een algemeen koopkrachtbeeld voor alle belastingplichtigen, van welk beeld de Wet ULB slechts onderdeel uitmaakt. Specifieke groepen, zoals militairen worden niet apart meegenomen in de ramingen van belastingopbrengsten. Die negatieve koopkrachteffecten voor militairen ontstaan doordat zij niet het voordeel van het afschaffen van de IAB ZVW voelen maar wel de compenserende maatregelen in de wet ULB.

18. Wanneer werden de negatieve gevolgen van de invoering van de WUL voor militairen voor het eerst bekend bij het ministerie van Defensie?
19. Wanneer werden de gevolgen voor de begroting van de invoering van de WUL voor het eerst bekend bij het ministerie van Defensie?
20. Waren de negatieve gevolgen van de invoering van de WUL voor militairen en de gevolgen voorde begroting bekend bij de ambtelijke top van het ministerie van Defensie bekend toen de secretarissen generaal hun brief opstelden richting de informateurs?
21. Waren de negatieve gevolgen van de invoering van de WUL voor militairen en de gevolgen voor de begroting bekend bij het ministerie van Defensie toen de formatieonderhandelingen plaatsvonden? Zijn ze ter sprake gebracht of meegewogen bij het vaststellen van de (hoogte van) de taakstelling in het regeerakkoord?
22. Op welk moment bent u voor het eerst geïnformeerd over de negatieve gevolgen van de invoering van de WUL voor militairen?
In januari 2012 is er – en marge van een overleg over de voorbereiding van de Verkenning Loonsomheffing - gesproken tussen ambtelijk Financiën en Defensie over de effecten en de positie van de militairen. De volledige omvang van de gevolgen werd eerst in september duidelijk. In overleg met het ministerie van Financiën heeft Defensie in december jl. compensatiemaatregelen afgesproken om de inkomensachteruitgang te verkleinen en de effecten van de combinatie van het niet verschuldigd zijn van de IAB door militairen en de invoering van de WUL voor 2013 zoveel mogelijk te beperken. Een volledige reparatie blijkt binnen de gegeven financiële kaders helaas niet mogelijk, maar Defensie heeft het negatieve effect voor 2013 kunnen verlagen. Van januari tot april variërend van -0,3 tot -2,3 procent. Vanaf april is voor het jaar 2013 het negatieve effect beperkt tot maximaal 1,5 procent.

23. Wanneer is voor het eerst gesproken met de vakbonden over de negatieve gevolgen van de invoering van de WUL voor militairen?
26. Waarom zijn de gesprekken met de vakbonden over de arbeidsvoorwaarden voor militairen vastgelopen?
Defensie heeft vanaf september 2012 enige malen (informeel) met de centrales van overheidspersoneel overlegd over de gevolgen van de invoering van de Wet uniformering loonbegrip. De precieze omvang van de gevolgen werd na de zomer 2012 duidelijk (zie antwoord vraag 18). Daarna is met de bonden gesproken over (gedeeltelijke) compensatie. Eind december is door de centrales naar voren gebracht dat zij niet konden instemmen met het voorstel van Defensie. Door de centrales van overheidspersoneel is vervolgens het overleg met Defensie, inclusief het (in)formele overleg over reorganisaties, opgeschort in afwachting van een nieuw voorstel voor de volledige en structurele compensatie van de effecten van de combinatie van het niet verschuldigd zijn van de IAB door militairen en de invoering van de Wet ULB.

24. Kunt u een afschrift van de schriftelijke correspondentie tussen de ministeries van Financiën en Defensie over de gevolgen van de invoering van de WUL voor militairen en voor de begroting aan de Kamer doen toekomen?
Neen. De briefwisseling tussen de ministers van Financiën en van Defensie valt onder de beslotenheid van de ministerraad.

27. Verwacht u mogelijke stakingen of andere acties als gevolg van het vastlopen van de gesprekken met de vakbonden?
Ik streef er naar het overleg met de bonden op korte termijn voort te zetten. Ook ik wil immers graag tot een structurele oplossing komen.

28. Zijn de gevolgen van de invoering van de WUL voor militairen in de ministerraad ter sprake gekomen tijdens het wetgevingstraject of in de bespreking van het belastingplan 2013?
29. Zijn de onderhandelingen met de bonden over de eventuele compensatie voor de gevolgen van de invoering van de WUL voor militairen in de ministerraad ter sprake gekomen?
Over de beraadslagingen in de ministerraad wordt geen mededeling gedaan.
30. Kunt u toelichten wat de stand van zaken is van de eenzijdige arbitrage aanvraag?
Ik heb in mijn brief van 21 december jl. (Kamerstuk 33 400 X, nr. 47) uiteengezet dat Defensie een advies heeft gevraagd aan de Advies- en Arbitragecommissie over het opschorten van het overleg voor de reorganisaties. Ik ben nog in afwachting van dit advies.

32. Wat is de positie van de medezeggenschap op dit dossier?
De compensatiemaatregelen worden in 2013 gefinancierd uit de gelden die ter beschikking staan in verband met de vertraging van activiteiten binnen de defensiebegroting. De Centrale Medezeggenschapscommissie Defensie is op 17 januari jl. schriftelijk geïnformeerd. Aanstaande woensdag 23 januari vindt een overleg plaats.

(Bovenstaande antwoorden op Kamervragen kwamen maandag vrij maar stonden dinsdag nog niet in de rubriek Kamerstukken van het ministerie van Defensie of op de website van de Tweede Kamer, HdV)

dinsdag 27 maart 2012

Antwoord op Kamervragen over niet-uitgereikte onderscheidingen aan Libanon-veteranen

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de vragen van het lid Holtackers (CDA) over niet uitgereikte onderscheidingen aan Libanon-veteranen (ingezonden 21 februari 2012 met kenmerk 2012Z03250).

DE MINISTER VAN DEFENSIE
drs. J.S.J. Hillen

Antwoorden op de vragen van het lid Holtackers (CDA) over niet uitgereikte onderscheidingen aan Libanon-veteranen (ingezonden 21 februari 2012 met kenmerk 2012Z03250)

1
Is het waar dat aan het einde van de periode van de Nederlandse militaire inzet (1979-1985) door de Libanese regering een onderscheiding toegekend is aan het gehele Nederlandse UNIFILdetachement?


2
Is het waar dat deze onderscheiding wel door Nederland, in de vorm van de detachementscommandant ter plaatse, formeel in ontvangst is genomen, maar daarna niet is uitgereikt aan de militairen die destijds in Libanon gediend hebben?


3
Ziet u mogelijkheden om deze onderscheiding alsnog uit te reiken aan de Libanon-gangers, dan wel het mogelijk te maken dat de onderscheiding erkend wordt om gedragen te mogen worden? 


Midden 1984 hebben drie Nederlandse officieren de Libanese onderscheiding National Order of the Cedar ontvangen van de ambassadeur van Libanon in Nederland. Bij deze gelegenheid heeft de ambassadeur uiteengezet dat de Libanese regering hiermee haar dank en waardering uitsprak voor alle Nederlandse militairen die in Libanon hadden gediend of op dat moment nog dienden. Ik heb geen aanwijzingen dat de Libanese regering het voornemen had alle Nederlandse militairen te onderscheiden.


4
Bent u bekend met de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan de Verenigde Naties op 10 december 1988 voor vredesmissies na 1956? Is het waar dat de regering deze prijs, die ook de Nederlandse militairen die gediend hebben in de desbetreffende vredesmissies ten deel viel, formeel in ontvangst heeft genomen? Zo ja, waarom is het desondanks, en ondanks de motie Aasted-Madsen-Van Stiphout c.s. 1), veteranen die gediend hebben in VN-missies tussen 1956 en 1998 niet toegestaan om een medaille te dragen ter ere van deze prijs? Bent u bereid een eigen Nederlandse medaille ter ere van de Nobelprijs in te stellen, die naast de Herinneringsmedaille VN-vredesoperaties gedragen mag worden, dan wel erkenning van particulier initiatief daartoe in Nederland mogelijk te maken?


In 1988 hebben de VN-vredesmachten (United Nations Peacekeeping Forces) de Nobelprijs voor de Vrede gekregen voor de deelneming aan missies na 1956. Aan deze prijs was een geldbedrag verbonden maar geen medaille. De prijs is op 10 december 1988 in Oslo in ontvangst genomen door de toenmalige Secretaris- Generaal van de Verenigde Naties.

Het Nederlands decoratiestelsel voorziet onder meer in een onderscheiding voor de deelneming aan vredesmissies. Iedere missie heeft een eigen medaille dan wel een aparte gesp met de vermelding van de naam van de missie. Met deze onderscheidingen brengt de regering haar waardering voor de uitgezonden militairen tot uitdrukking.

In zijn brief van 30 maart 2005 (Kamerstuk 29 800 X, nr. 69) heeft de minister van Defensie in reactie op de in de vraag genoemde motie-Aasted Madsen-Van Stiphout c.s. uiteengezet dat Noorwegen en Denemarken, in tegenstelling tot Nederland, geen aparte overheidsmedaille voor deelneming aan vredesmissies kennen. Wel kunnen veteranenorganisaties in deze landen een medaille toekennen waarmee wordt verwezen naar de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede. De medailles worden door de overheid erkend. De (oud-)militairen moeten de medailles overigens zelf betalen. In de genoemde brief is naar voren gebracht dat de erkenning van een particulier initiatief voor een aanvullende onderscheiding voor dezelfde verdiensten die van een lagere orde is dan een bij Koninklijke Besluit toegekende onderscheiding, aan de laatstgenoemde onderscheidingen afbreuk zou doen. Ik zie daarom geen aanleiding om naar aanleiding van de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede het decoratiestelsel uit te breiden.

5
Is het waar dat in 1983 het zogenoemde ‘Bronzen Schild’ is toegekend aan 44 Pantserinfanteriebataljon voor haar voortreffelijke wijze van opereren in Libanon, maar dat het bijbehorende insigne nooit aan desbetreffende UNIFIL-veteranen is uitgereikt? Zo ja, waarom niet? Bent u bereid alsnog tot uitreiking over te gaan?

De commandant van het Commando landstrijdkrachten kan op een aantal manieren zijn waardering voor eenheden en werknemers kenbaar maken. De toekenning van het Schild aan een eenheid, ook wel aangeduid als het Bronzen Schild, is een daarvan. De commandant kan besluiten om naast de uitreiking van het Schild, een draagspeld behorend bij het Schild te geven aan het personeel van de desbetreffende eenheid.

In het geval van het 44 Pantserinfanteriebataljon heeft de toenmalige Bevelhebber der Landstrijdkrachten er in 1983 voor gekozen alleen het bataljon deze blijk van waardering te geven. Bij de uitreiking van het Schild heeft hij uiteengezet dat de militairen van het bataljon die hadden deelgenomen aan de Unifil-missie, reeds een tastbare waardering hadden gekregen in vorm van de medaille voorzien van de gesp ‘Libanon’. De verstrekking van een draagspeld was volgens hem daarna niet aan de orde. Deze overwegingen zijn nog steeds valide.

1) Kamerstuk 29 800 X, nr. 20

(bron: ministerie van Defensie, 27 maart 2012)