SGP over motie Van der Staaij: ‘eerste klap nog geen daalder waard’
“Het is goed dat het kabinet erkent dat basisgereedheid en inzetbaarheid van ons leger vooropstaan. Munitie- en materiaaltekorten moeten dringend aangepakt worden. We snappen dat er dan pas gepraat kan worden over aanschaf van extra materieel en groei van ons leger.” Dat is de eerste reactie van SGP-leider Kees van der Staaij nu het kabinet met een reactie op de eerdere motie is gekomen. (zie onderaan)
Tegelijkertijd had de SGP graag concrete bedragen gezien. Van der Staaij: “Met alleen woorden wordt Poetin niet gestopt. Er is geld nodig. En fors ook. Niet alleen in de begroting voor volgend jaar die op Prinsjesdag wordt gepresenteerd, maar ook voor de lange termijn. Het moet nu wél hard worden gemaakt. Het is jammer dat het Kabinet daar nog niet concreet in is. De bedragen die nu in de media rondgaan zijn daar absoluut niet toereikend voor”
Van der Staaij vindt dat wat er nu wordt gedaan slechts een eerste stap is: “Hiermee is de betreffende motie nog niet uitgevoerd. De SGP zal de versterking van Defensie consequent bij het kabinet op het netvlies houden. Er is nog heel wat inzet én geld nodig voordat ons leger weer in topconditie is om te kunnen doen wat we móeten doen.”
Motie-Van der Staaij
De motie-Van der Staaij c.s. roept het kabinet op het ambitieniveau van de krijgsmacht aan te passen en te waarborgen dat het niveau van defensiebestedingen gelijke tred zal houden met het noodzakelijke ambitieniveau voor onze krijgsmacht.
(bron)
GOV|MHB zwaar teleurgesteld in Kabinetsreactie op Motie-Van der Staaij
19 juni 2015
De GOV|MHB is zwaar teleurgesteld over de kabinetsreactie op de Motie-Van der Staaij. Deze teleurstelling wordt ingegeven door het feit dat het kabinet wederom geen duidelijkheid verstrekt over het noodzakelijke ambitieniveau van de krijgsmacht in de komende jaren. Daar waar miljarden euro’s over de dijk klotsen ten behoeve van een nieuw belastingstelsel lukt het dit kabinet schijnbaar niet om overeenstemming te bereiken over de financiële invulling van de Motie-Van der Staaij. Defensie en haar personeel moeten het wederom doen met intenties en mooie woorden, ondanks de signalen van onder andere de Rekenkamer dat het Kabinet jarenlang een te zware wissel op Defensie heeft getrokken en Defensie hierdoor heeft uitgewoond.
Onlangs hebben zowel de PVDA als de VVD een motie ingediend waarin aan de regering wordt gevraagd waar aanvullende middelen nodig zijn om de bestaande ambities waar te maken, dan wel aan te geven waar de ambities omlaag gaan. Dit vanwege het gebrek aan inzetbaar materieel en een tekort aan personeel. Goede vragen van de regeringspartijen, maar deze zijn afgelopen weken al beantwoord met de Kamerbrieven over materiele knelpunten en de personeelsrapportage.
De GOV|MHB bespeurt een tendens dat, in plaats van in Defensie te investeren, er geld gevonden gaat worden door het verlagen van het ambitieniveau. Uit de Kamerbrieven over de verlenging van de missies blijkt dat het ambitiesniveau, in lijn met het bovenstaande, al naar beneden is bijgesteld. Vanwege materiele tekortkomingen en personele tekorten kunnen deze missies niet meer met eenzelfde ambitieniveau worden uitgevoerd.
Ondanks de ‘positieve’ signalen die nu worden uitgezonden wordt het defensiepersoneel wederom blij gemaakt met een dode mus. Het (uitgewoonde) ‘can do’ defensiepersoneel verwacht als tegenprestatie een ‘can do’ van dit kabinet. Tot op heden wordt hier echter nog steeds geen invulling aan gegeven en wordt ze weer aan het lijntje gehouden. Het wordt hoog tijd dat er daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de steeds weer genoemde ‘trendbreuk’. Van een trendbreuk is alleen sprake als dit leidt tot een meerjarig, Kamer breed gedragen, plan dat er uiteindelijk zorg voor draagt dat er weer sprake is van een gezonde defensieorganisatie. Een organisatie waarbij daadwerkelijk sprake is van een voor haar taak berekende krijgsmacht, met modern en innovatief materieel en die volledig gevuld is met goed opgeleid, getraind en gemotiveerd personeel. Alleen dan is er toekomstperspectief voor Defensie en haar personeel én kan de jarenlange neerwaartse spiraal ten positieve worden gekeerd.
(bron)
Posts tonen met het label krijgsmacht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label krijgsmacht. Alle posts tonen
vrijdag 19 juni 2015
Kabinet: versterking krijgsmacht nodig
Met het oog op de veranderende veiligheidssituatie en de hogere eisen die aan de krijgsmacht worden gesteld, zet het kabinet in op het verder versterken van de basisgereedheid. Dit is wederom een belangrijke stap in het kader van het meerjarig perspectief dat het kabinet voor ogen staat. Dat laten ministers Hennis-Plasschaert van Defensie en Koenders van Buitenlandse Zaken in een brief aan de Tweede Kamer weten. De brief is een reactie op de in september vorig jaar ingediende motie van SGP- fractievoorzitter Van der Staaij en anderen. Het kabinet maakt met deze brief duidelijk de trendbreuk ten aanzien van Defensie voort te willen zetten. De financiële consequenties die het kabinet voor de begroting van 2016 hieraan zal verbinden, worden op Prinsjesdag bekendgemaakt. Dat geldt ook voor de toekomstige financiering van de inzet van de krijgsmacht voor crisisbeheersingsoperaties.
"Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van spanningen en instabiliteit, dichtbij en ver weg", aldus Hennis en Koenders. Internationale conflictbeslechting en preventie in de regio's om ons heen zijn in het belang van Nederland. Internationale crisissituaties kunnen immers een directe impact hebben op de nationale veiligheid. "Gelet op de aard van de (internationale) veiligheidsproblematiek acht het kabinet versterking van de krijgsmacht noodzakelijk. Er is bovendien een actief buitenlandbeleid nodig, een actieve betrokkenheid bij de wereld om ons heen", schrijven beide ministers.
De internationale ontwikkelingen stellen structureel hogere eisen aan de gereedheid, paraatheid, verplaatsbaarheid en inzetbaarheid van militaire eenheden. Dit heeft ook gevolgen voor bijvoorbeeld reservedelen- en munitie die op voorraad moeten liggen. Tevens is er extra capaciteit nodig voor opleiding en training ter verbetering van de geoefendheid van operationele eenheden (inclusief de hogere geweldsniveaus).
Het kabinet acht een actief buitenland-, veiligheids- en defensiebeleid van wezenlijke betekenis voor onze strategische belangen, onze vrijheden en onze waarden. Een integrale benadering staat hierbij voorop. In dit verband wordt van Nederland, als lidstaat van de NAVO en de EU, verwacht dat het een bijdrage van betekenis levert, ook in militair opzicht. Het kabinet gaat de verantwoordelijkheid hiervoor niet uit de weg.
(Rijksoverheid, 19 juni 2015)
"Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van spanningen en instabiliteit, dichtbij en ver weg", aldus Hennis en Koenders. Internationale conflictbeslechting en preventie in de regio's om ons heen zijn in het belang van Nederland. Internationale crisissituaties kunnen immers een directe impact hebben op de nationale veiligheid. "Gelet op de aard van de (internationale) veiligheidsproblematiek acht het kabinet versterking van de krijgsmacht noodzakelijk. Er is bovendien een actief buitenlandbeleid nodig, een actieve betrokkenheid bij de wereld om ons heen", schrijven beide ministers.
De internationale ontwikkelingen stellen structureel hogere eisen aan de gereedheid, paraatheid, verplaatsbaarheid en inzetbaarheid van militaire eenheden. Dit heeft ook gevolgen voor bijvoorbeeld reservedelen- en munitie die op voorraad moeten liggen. Tevens is er extra capaciteit nodig voor opleiding en training ter verbetering van de geoefendheid van operationele eenheden (inclusief de hogere geweldsniveaus).
Het kabinet acht een actief buitenland-, veiligheids- en defensiebeleid van wezenlijke betekenis voor onze strategische belangen, onze vrijheden en onze waarden. Een integrale benadering staat hierbij voorop. In dit verband wordt van Nederland, als lidstaat van de NAVO en de EU, verwacht dat het een bijdrage van betekenis levert, ook in militair opzicht. Het kabinet gaat de verantwoordelijkheid hiervoor niet uit de weg.
(Rijksoverheid, 19 juni 2015)
Kamerbrief: Motie van der Staaij c.s. over het ambitieniveau van de krijgsmacht in de komende jaren
19 juni 2015
Inleiding
Op 7 november 2014 is de Kamer geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet uitvoering geeft aan de tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen ingediende motie van het lid Van der Staaij c.s. over het noodzakelijke ambitieniveau van onze krijgsmacht in de komende jaren (Kamerstuk 33763, nr. 59). Eerder nam de Eerste Kamer de motie Kuiper c.s. aan over het nakomen van budgettaire internationale verplichtingen aangaande het defensiebudget (Kamerstuk 33 750 X, C). In de Miljoenennota 2015 heeft het kabinet zelf al de intentie uitgesproken de trendbreuk ten aanzien van Defensie, waar mogelijk en nodig, voort te zetten.
Het kabinet heeft toegezegd de Tweede Kamer in het voorjaar van 2015 te informeren over de gevolgen die het aan de motie-Van der Staaij c.s. verbindt. Deze toezegging doen wij hierbij gestand.
Bij de totstandkoming van deze brief heeft het kabinet met belangstelling kennisgenomen van het recente briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (Instabiliteit rond Europa: confrontatie met een nieuwe werkelijkheid, no. 94, april 2015). In augustus zal het kabinet apart reageren op de uitkomsten van het in de brief van 7 november 2014 genoemde Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) 'Wapensystemen'. In deze brief werd voorts aangekondigd dat de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) voornemens was om in het voorjaar van 2015 een advies uit te brengen over de toekomst van het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid. De WRR heeft laten weten dat dit advies na de zomer beschikbaar komt.
Integrale benadering
In de Beleidsbrief Internationale Veiligheid Turbulente tijden in een instabiele omgeving (Kamerstuk 33694, nr. 6, 14 november 2014) is het kabinet reeds uitvoerig ingegaan op de relevante ontwikkelingen in onze internationale veiligheidsomgeving en de gevolgen daarvan voor ons buitenland- en veiligheidsbeleid. De daarin beschreven algemene trends zijn onverminderd relevant. Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van spanningen en instabiliteit, dichtbij en ver weg.
Gelet op de aard van de (internationale) veiligheidsproblematiek acht het kabinet versterking van de krijgsmacht noodzakelijk. Er is bovendien een actief buitenlandbeleid nodig, een actieve betrokkenheid bij de wereld om ons heen, waarbij een goede balans moet worden gevonden tussen de noodzakelijke acute symptoombestrijding en een meerjarige, structurele aanpak van de onderliggende oorzaken van instabiliteit om te komen tot duurzame oplossingen. Voor de crises van nu bestaan geen quick fixes: de complexiteit en ook intensiteit van de conflicten vragen om samenwerking in internationaal verband en een geïntegreerde aanpak, met de gecoördineerde inzet van verschillende instrumenten: diplomatie, ontwikkelingssamenwerking, defensie, politie en justitie, het sanctie-instrumentarium, cyber en inlichtingen. Mede naar aanleiding van de terroristische aanslagen in Parijs heeft het kabinet op 27 februari jl., zoals u weet, reeds maatregelen ter versterking van de contraterrorisme (CT)-keten getroffen (kamerstuk 29 754, nr. 302).
De Nederlandse krijgsmacht in de nieuwe veiligheidscontext
Door de ontwikkelingen aan de randen van het Navo-verdragsgebied, krijgt de collectieve verdedigingstaak van de krijgsmacht begrijpelijkerwijs volop de aandacht. Zo hebben we aan de oostflank te maken met de ingrijpende gevolgen van het destabiliserende optreden van Rusland in Oekraïne, en meer in het algemeen met de toegenomen militaire assertiviteit van Rusland. Dit heeft consequenties voor de veiligheid van het bondgenootschappelijk verdragsgebied en noopt tot extra investeringen in de gereedheid en slagkracht van de bondgenootschappelijke strijdkrachten. De grotere aanwezigheid van de Navo in het oostelijke deel van het bondgenootschap en de structureel hogere eisen die de Navo stelt aan de bondgenootschappelijke strijdkrachten, vergen van alle bondgenoten een verhoogde inspanning.
Tijdens de Navo-top in Wales is een Readiness Action Plan (RAP) overeengekomen. Op rotatiebasis zal in de oostelijke Navo-landen worden ontplooid en geoefend. Als onderdeel van het RAP wordt onder meer de Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) opgericht, die bedoeld is om binnen zeer korte tijd troepen te kunnen inzetten. In deze context zijn ook de tijdens de Navo-top overeengekomen afspraken en intenties ten aanzien van het uitgavenniveau voor Defensie relevant (zie verslag van de Navo-top in Newport, Verenigd Koninkrijk van 4 en 5 september 2014, Kamerstuk 28 676, nr. 210). Ons land neemt deze afspraken serieus. Het kabinet stelt vast dat een groeiend aantal Europese landen de defensie-inspanning inderdaad versterkt. De Europese Raad van 25 en 26 juni zal bovendien een verdere impuls willen geven aan de versterking van het GVDB, tegen de achtergrond van de verslechterde veiligheidsomstandigheden (zie Kamerstuk 21501-28-125, 26 april 2015).
De beoogde investeringen zijn evenzeer van belang met het oog op de situatie aan de zuidflank, in het bijzonder de opkomst van ISIS en andere terroristische en extremistische groeperingen in onder meer Irak, Syrië en Libië. Er is sprake van groeiende instabiliteit elders in het Midden-Oosten en ook in Noord-Afrika. Conflictbeslechting en –preventie in deze regio’s, zijn in ons eigen belang. De veiligheid in eigen land is immers onlosmakelijk verbonden met de ontwikkelingen in de wereld om ons heen. Gebleken is dat een verslechtering in de internationale veiligheidssituatie, direct of indirect, repercussies kan hebben voor onze samenleving. Als gevolg van het samengestelde (‘hybride’) karakter van mogelijke dreigingen, moet dus ook rekening worden gehouden met een verhoogde inzet in het kader van de nationale bijstandstaken van de krijgsmacht. De Beleidsbrief Internationale Veiligheid onderstreept bovendien dat Nederland zich blijvend inzet voor een sterke internationale rechtsorde en dat versterking hiervan harder dan ooit nodig is. De tweede hoofdtaak van de krijgsmacht, namelijk de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde, heeft als gevolg van de internationale ontwikkelingen dan ook geenszins aan belang ingeboet. Een gecoördineerde inzet van diplomatieke, militaire en ontwikkelingssamenwerkingsinstrumenten blijft hierbij het uitgangspunt (3D).
Meerjarig perspectief: koersvast in turbulente tijden
In de brief van 7 november jl. over de uitvoering van de motie-Van der Staaij c.s. heeft het kabinet tot uitdrukking gebracht dat de versterking van de krijgsmacht moet berusten op een meerjarig perspectief. Dit strookt met de in Navo-verband gemaakte afspraken en ook met de intentie van dit kabinet om de trendbreuk ten aanzien van Defensie de komende jaren, waar mogelijk en nodig, voort te zetten.
Zoals bekend, heeft het kabinet met de intensivering in de begroting van 2015 van structureel 100 miljoen euro reeds de noodzaak van versterking van de krijgsmacht onderstreept. Ook in het najaar van 2013 heeft het kabinet extra geld (€115 miljoen) voor Defensie vrijgemaakt. De richting die met de nota In het belang van Nederland (2013) is ingeslagen, zal bij de verdere versterking van de krijgsmacht onverminderd het uitgangspunt zijn. In deze nota heeft het kabinet gekozen voor een krijgsmacht die kan omgaan met diffuse dreigingen en risico’s en die is voorbereid op een scala aan inzetmogelijkheden. De recente ontwikkelingen in de veiligheidssituatie onderstrepen de juistheid van deze keuze. Het belang van internationale samenwerking, financiële duurzaamheid en toekomstbestendigheid – kernbegrippen in de nota – is eveneens onverminderd groot.
De Navo stelt, zoals gezegd, structureel hogere eisen aan de gereedheid van militaire eenheden. Deze hogere eisen gelden ook voor de Nederlandse krijgsmacht. In het kader van het meerjarige perspectief wordt daarom als eerste vervolgstap prioriteit gegeven aan de versterking van de basisgereedheid van de krijgsmacht. Daarmee kan Nederland al op relatief korte termijn een tastbare bijdrage leveren aan het RAP, en als onderdeel daarvan de snel inzetbare VJTF. Langere reactietijden en lagere munitievoorraden die eerder nog acceptabel waren, verhouden zich niet langer met de ontwikkelingen in de (internationale) veiligheidssituatie. Hierbij gaat het enerzijds om de versterking van de operationele gereedheid van bestaande eenheden en anderzijds om de flexibiliteit en robuustheid van de bedrijfsvoering als voorwaarde om de inzet van de krijgsmacht te ondersteunen. Concreet gaat het dan bijvoorbeeld om het vergroten van reservedelen- en munitievoorraden. Ook is er behoefte aan extra capaciteit voor opleiding en training om de geoefendheid van operationele eenheden (inclusief voor de hogere geweldsniveaus) te verbeteren. Tevens moeten op enkele onderdelen de kennisbasis en de ondersteuning van de krijgsmacht worden versterkt. De financiële consequenties die het kabinet voor de begroting van 2016 aan de versterking van de basisgereedheid zal verbinden, worden op Prinsjesdag bekendgemaakt.
Afhankelijk van de ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie de komende jaren, en ook de beschikbare financiële mogelijkheden, staan het kabinet voorts de volgende stappen voor ogen in het kader van een meerjarig perspectief: de versterking van de ondersteunende operationele eenheden van de krijgsmacht, de zogenaamde Combat Support (CS) en Combat Service Support (CSS), evenals een gerichte kwantitatieve en kwalitatieve versterking van gevechtseenheden en de vervanging van noodzakelijke capaciteiten. Met deze benadering kunnen de operationele gereedheid, inzetbaarheid en slagkracht van de krijgsmacht steeds verder worden verbeterd. De balans tussen gevechtseenheden, (gevechts)ondersteunende eenheden, bedrijfsvoering en staven moet daarbij zijn gewaarborgd. Ondersteunende capaciteiten zijn schaars bij vrijwel alle bondgenoten. In de praktijk blijkt het dan ook buitengewoon lastig om op deze terreinen een appel te doen op partners. Als onderdeel van het meerjarig perspectief dient overigens ook te worden gekeken naar de diplomatieke en OS-instrumenten die in het kader van de geïntegreerde benadering nodig zijn om te komen tot duurzame oplossingen.
Versterking van de capaciteiten van de MIVD overeenkomstig de motie-Segers (Kamerstuk 34 000, nr. 55) is onderdeel van de bovenstaande stappen. Met de intensivering van 17 miljoen euro bij de MIVD ten behoeve van de bestrijding van het terrorisme, waartoe het kabinet op 27 februari jl. heeft besloten, is al een belangrijke stap genomen. Dit laat onverlet dat op andere terreinen nog sprake is van een verschil tussen de vraag naar inlichtingen en de mogelijkheden om aan die vraag te voldoen. Inlichtingen zijn onmiskenbaar van groeiend belang. Dit geldt ook voor het in toenemende mate informatiegestuurde optreden van de krijgsmacht. De wijziging van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) die het kabinet heeft voorgesteld, waarmee het technologisch achterhaalde onderscheid tussen kabel- en niet-kabelgebonden interceptie wordt opgeheven, is eveneens een noodzakelijke stap voorwaarts, die niet alleen voor de krijgsmacht van betekenis is maar in een breder verband moet worden geplaatst. Deze wijziging komt niet alleen de ondersteuning van militaire missies ten goede, maar ook de inlichtingenpositie ten behoeve van de nationale veiligheid en de digitale veiligheid van Nederland.
Gevolgen voor het ambitieniveau
De motie-Van der Staaij c.s. roept het kabinet op het ambitieniveau van de krijgsmacht aan te passen en te waarborgen dat het niveau van defensiebestedingen gelijke tred zal houden met het noodzakelijke ambitieniveau voor onze krijgsmacht. In de Miljoenennota 2015 heeft het kabinet de noodzaak van aanpassing van het ambitieniveau reeds onderkend. Ook hier geldt echter dat de mate waarin en het moment waarop het ambitieniveau en de bijbehorende inzetbaarheidsdoelstellingen kunnen worden aangepast, afhangt van de financiële mogelijkheden die het kabinet op een zeker moment tot zijn beschikking heeft.
In de periodieke rapportages aan de Tweede Kamer over de inzetbaarheidsdoelstellingen in het jaarverslag en bij de begroting (Kamerstuk 32 733, nr. 116) is gesteld dat Defensie grotendeels voldoet aan de inzetbaarheidsdoelstellingen maar dat er wezenlijke beperkingen bestaan. Ook de brieven van 9 oktober 2014 (Kamerstuk 33763, nr. 57) en van 22 mei jl. over knelpunten in de materiële gereedheid (Kamerstuk 33 763, nr. 74) gaan uitvoerig op deze beperkingen in. De opheffing van deze beperkingen leidt tot een wezenlijke verbetering van de basisgereedheid en de inzetbaarheid van de krijgsmacht en gaat noodzakelijkerwijs vooraf aan de aanpassing van de inzetbaarheidsdoelstellingen zoals opgenomen in de nota In het belang van Nederland.
Een financieel duurzame krijgsmacht
Zoals bekend zijn in de nota In het belang van Nederland belangrijke aanzetten gegeven om tot een financieel duurzame defensieorganisatie te komen. Zo wordt de systematiek van levensduurkosten structureel ingebed in de bedrijfsvoering. Defensie zet dit op volle kracht voort. Hiermee wordt gaandeweg steeds meer inzicht verkregen in de kosten van het hebben en gebruiken van wapensystemen. Dit leidt er overigens ook toe dat risico’s en budgettaire problematiek, die eerder niet werden onderkend, duidelijker in beeld komen en om een oplossing vragen. Een specifiek aandachtspunt daarbij betreft de invloed van de rijksbrede afspraken over prijsbijstelling en valutaschommelingen. Het kabinet komt hierop in volgende begrotingen terug.
Financiering inzet krijgsmacht voor crisisbeheersingsoperaties
Tijdens het plenaire debat op 2 oktober 2014 over de Nederlandse militaire bijdrage aan de internationale strijd tegen ISIS is aandacht besteed aan de financiering van militaire missies in structurele zin. Overeenkomstig de wens van de Tweede Kamer, heeft het kabinet toegezegd dit onderwerp bij de uitvoering van de motie-Van der Staaij c.s. te betrekken. Bij de begrotingsbehandeling voor Buitenlandse Zaken heeft de Kamer vervolgens de motie van de leden Ten Broeke en Servaes (Kamerstuk 34 000 V, nr. 21) over alternatieve en meer flexibele begrotingsmethoden aangenomen. Het kabinet onderschrijft de opvatting van de Tweede Kamer dat de financiering van de inzet van de krijgsmacht voor crisisbeheersingsoperaties aandacht behoeft. Op Prinsjesdag wordt u geïnformeerd over de financiële uitwerking hiervan.
Tot besluit
In de Internationale Veiligheidsstrategie worden drie strategische belangen onderscheiden, te weten de verdediging van het eigen en het bondgenootschappelijke grondgebied, een goed functionerende internationale rechtsorde en economische veiligheid. Het kabinet is ervan overtuigd dat een actief buitenland-, veiligheids- en defensiebeleid van wezenlijke betekenis is voor onze strategische belangen, onze vrijheden en onze waarden. Een integrale benadering staat hierbij voorop. In dat verband wordt van Nederland, als lidstaat van de Navo en de EU, verwacht dat het een bijdrage van betekenis levert, ook in militair opzicht. Het kabinet gaat de verantwoordelijkheid hiervoor niet uit de weg.
DE MINISTER VAN DEFENSIE DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
J.A. Hennis-Plasschaert Bert Koenders
maandag 15 december 2014
Kamerbrief: de bijzondere positie van de militair
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 11 december 2014
Betreft: De bijzondere positie van de militair
Bijlage: Relevante wetsartikelen
de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Datum 11 december 2014
Betreft De bijzondere positie van de militair
Bijlage: Relevante wetsartikelen
Bij verschillende gelegenheden is in overleggen met de Kamer de bijzondere positie van de militair aan de orde geweest. In mijn brief van 28 oktober jl. over de agenda voor het personeelsbeleid van de toekomst heb ik toegezegd dat de Kamer voor het eind van dit jaar een brief over de bijzondere positie van de militair ontvangt. In het wetgevingsoverleg over personeel van 3 november jl. heb ik in reactie op een motie van de heer Knops deze toezegging herhaald en toegezegd daarbij ook in te gaan op de mogelijkheid en de wenselijkheid van een pakketvergelijking. Over de beschrijving van de bijzondere positie van de militair is eerder overeenstemming bereikt met de centrales van overheidspersoneel. In de bijlage bij deze brief zijn de relevante delen van wetten en voorschriften opgenomen, waarnaar door middel van eindnoten wordt verwezen.
Taak van de krijgsmacht
De bijzondere positie van de militair wordt ontleend aan de taakstelling en positionering van de krijgsmacht in de Nederlandse samenleving. De krijgsmacht beschermt op basis van artikel 97 van de Grondwet Nederland en de Nederlandse belangen wereldwijd en handhaaft de internationale rechtsorde. Om deze grondwettelijke taken te kunnen uitvoeren, moet Nederland onder alle omstandigheden een onmiddellijk en onvoorwaardelijk beroep op de krijgsmacht kunnen doen. De Nederlandse krijgsmacht moet nu en in de toekomst voorbereid zijn op onvoorspelbare dreigingen en risico’s. Deze bijzondere taak van de krijgsmacht betekent dat de militair voortdurend voorbereid en beschikbaar moet zijn op operationele inzet waar dan ook ter wereld en zo lang als nodig. Hij is verplicht de aan hem opgedragen taken, met alle daaraan verbonden gevaren, onvoorwaardelijk uit te voeren. Juist het onvoorwaardelijke karakter van deze inzet stelt eisen aan de militair die nergens in onze maatschappij in dezelfde mate en in die combinatie voorkomen.
Het unieke karakter van de militair
Het meest wezenlijke kenmerk van de krijgsmacht is dat de militair bij de onvoorwaardelijke uitvoering van de opgedragen taken het belangrijkste bezit wat hij heeft, namelijk zijn leven, op het spel zet. In het uiterste geval kan een militair gedood worden of ernstig gewond raken. Daarnaast kan de militair in de positie komen dat hij zelf, binnen het kader van de wet en zijn opdracht, dodelijk geweld tegen anderen moet gebruiken.
De verantwoordelijkheid van de militair blijft voorts niet beperkt tot zijn eigen veiligheid en handelen, maar geldt ook voor ieder die aan zijn zorg is toevertrouwd. De militair is, als leidinggevende of als onderdeel van de eenheid, medeverantwoordelijk voor de veiligheid van de militairen met wie hij optreedt. Bij het uitvoeren van zijn taken zet de militair niet alleen zijn eigen leven op het spel, maar ook dat van zijn eenheid. Militairen gaan door waar anderen moeten stoppen. Deze unieke plicht van militairen laat zich niet uitdrukken in kwantitatieve of meetbare termen.
Bijzondere kenmerken van de militair
De positie van de militair heeft ook andere bijzondere kenmerken die wederom vooral kwalitatief van aard zijn en daardoor moeilijk meetbaar. Het onvoorwaardelijke karakter van de militaire inzetbaarheid stelt allereerst hoge eisen aan de fysieke en mentale inzetbaarheid van militairen. Militairen zijn verplicht hun fysieke conditie op peil te houden. Militairen zijn verplicht gebruik te maken van de militaire gezondheidszorg en ondergaan verplicht periodieke medische keuringen, vaccinaties en conditietests. Zo heeft Defensie altijd inzicht in de belastbaarheid en daarmee de inzetbaarheid van militairen. Wanneer de militair niet meer aan de medische en psychische eisen voldoet, wordt hij dienstongeschikt verklaard en als militair ontslagen, ook al is van arbeidsongeschiktheid in maatschappelijke zin geen sprake.
Defensie hanteert een specifiek personeelssysteem waarin kennis- en ervaringsopbouw van doorslaggevend belang zijn in de ontwikkeling van de militaire loopbaan. Om kennis en ervaring op te bouwen, rouleert de militair allereerst over een groot aantal functies met verschillende standplaatsen en wordt in verschillende situaties ingezet. Daarnaast wordt de vereiste kennis en ervaring bereikt door een intensieve opleiding en training. Dit vereist deelname aan opleidingen binnen en buiten Defensie en aan oefeningen in Nederland en het buitenland. Het veelvuldig rouleren over functies, het deelnemen aan opleidingen en oefeningen en het daadwerkelijk inzetten betekent dat de militair langere tijd buiten zijn persoonlijke omgeving verkeert en gedurende langere tijd gescheiden van partner en gezin moet leven.
Om de effectiviteit en integriteit van de inzet van de militair te bewaken, is de militair onderworpen aan strenge veiligheids- en integriteitseisen. Alle militaire functies zijn vertrouwensfuncties als bedoeld in de Wet Veiligheidsonderzoeken. Dit betekent dat aan hun gedragingen, zowel onder werktijd als daarbuiten, veiligheids- en integriteitseisen worden gesteld die van doorslaggevend belang kunnen zijn voor het al dan niet kunnen vervullen van een vertrouwensfunctie. De reikwijdte van deze integriteitstoetsing strekt zich ook uit tot de gezinssituatie
en persoonlijke omgeving van de militair.
Beperkingen voor de militair
Om de inzetbaarheid van de krijgsmacht te garanderen is een aantal wettelijke maatregelen getroffen. Die wettelijke maatregelen houden ook beperkingen in voor de uitoefening van de grondrechten van militairen. Militairen leveren op grond van die wettelijke maatregelen tevens in op de autonomie van hun eigen maatschappelijke en arbeidsrechtelijke positie. Hieronder volgt een beschrijving van de belangrijkste wettelijke maatregelen.
De verplichting om de opgedragen taken uit te voeren is door de wetgever zo wezenlijk geacht, dat er in de Wet militair tuchtrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht aanvullende regels zijn vastgelegd die het ongestoorde functioneren van de krijgsmacht waarborgen. Het militair tuchtrecht onderscheidt daartoe gedragingen tegen de orde, gedragingen tegen de geheimhoudingsplicht, gedragingen tegen het dienstbevel en gedragingen die het functioneren van de krijgsmacht belemmeren. Het militair strafrecht regelt onder meer de strafbaarstelling van misdrijven tegen de staat, misdrijven waardoor de militair zich aan de dienstverplichtingen onttrekt, en strafbaarstelling van dienstweigering en de schending van krijgsplichten.
Daarnaast wordt bij oefenen en werkelijke inzet de Arbeidstijdenwet buiten werking gesteld en gelden er beperkingen op het gebied van arbeidsomstandigheden. Ook is het militairen verboden deel te nemen aan stakingen. Dit is een belangrijke inperking van de grondrechten van een militair. De verplichting voor de militair om de aan hem opgedragen taken te vervullen krijgt extra gewicht door de strafbaarstelling in het militair strafrecht. Zodra een militair wordt aangewezen om gedurende kortere of langere tijd een operationele missie in het buitenland te vervullen, is hij verplicht om aan deze oproep gehoor te geven. Wanneer een voor uitzending aangewezen militair niet verschijnt op het moment dat hij behoort te vertrekken naar het inzetgebied, maakt hij zich schuldig aan een strafbaar feit. Het is voor een militair niet mogelijk zich aan een oproep te onttrekken door een verzoek tot ontslag in te dienen.
Dit verzoek zal derhalve, en zeker wanneer operationele omstandigheden hiertoe noodzaken, worden afgewezen. De verplichting om aan opgedragen taken invulling te geven wordt op deze wijze door zowel strafrechtelijke als arbeidsrechtelijke instrumenten gewaarborgd. Er is geen enkele andere beroepsgroep in Nederland waarbij strafrechtelijke vervolging volgt bij het niet uitvoeren van de opgedragen taken.
Datum 11 december 2014
Betreft: De bijzondere positie van de militair
Bijlage: Relevante wetsartikelen
de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Datum 11 december 2014
Betreft De bijzondere positie van de militair
Bijlage: Relevante wetsartikelen
Bij verschillende gelegenheden is in overleggen met de Kamer de bijzondere positie van de militair aan de orde geweest. In mijn brief van 28 oktober jl. over de agenda voor het personeelsbeleid van de toekomst heb ik toegezegd dat de Kamer voor het eind van dit jaar een brief over de bijzondere positie van de militair ontvangt. In het wetgevingsoverleg over personeel van 3 november jl. heb ik in reactie op een motie van de heer Knops deze toezegging herhaald en toegezegd daarbij ook in te gaan op de mogelijkheid en de wenselijkheid van een pakketvergelijking. Over de beschrijving van de bijzondere positie van de militair is eerder overeenstemming bereikt met de centrales van overheidspersoneel. In de bijlage bij deze brief zijn de relevante delen van wetten en voorschriften opgenomen, waarnaar door middel van eindnoten wordt verwezen.
Taak van de krijgsmacht
De bijzondere positie van de militair wordt ontleend aan de taakstelling en positionering van de krijgsmacht in de Nederlandse samenleving. De krijgsmacht beschermt op basis van artikel 97 van de Grondwet Nederland en de Nederlandse belangen wereldwijd en handhaaft de internationale rechtsorde. Om deze grondwettelijke taken te kunnen uitvoeren, moet Nederland onder alle omstandigheden een onmiddellijk en onvoorwaardelijk beroep op de krijgsmacht kunnen doen. De Nederlandse krijgsmacht moet nu en in de toekomst voorbereid zijn op onvoorspelbare dreigingen en risico’s. Deze bijzondere taak van de krijgsmacht betekent dat de militair voortdurend voorbereid en beschikbaar moet zijn op operationele inzet waar dan ook ter wereld en zo lang als nodig. Hij is verplicht de aan hem opgedragen taken, met alle daaraan verbonden gevaren, onvoorwaardelijk uit te voeren. Juist het onvoorwaardelijke karakter van deze inzet stelt eisen aan de militair die nergens in onze maatschappij in dezelfde mate en in die combinatie voorkomen.
Het unieke karakter van de militair
Het meest wezenlijke kenmerk van de krijgsmacht is dat de militair bij de onvoorwaardelijke uitvoering van de opgedragen taken het belangrijkste bezit wat hij heeft, namelijk zijn leven, op het spel zet. In het uiterste geval kan een militair gedood worden of ernstig gewond raken. Daarnaast kan de militair in de positie komen dat hij zelf, binnen het kader van de wet en zijn opdracht, dodelijk geweld tegen anderen moet gebruiken.
De verantwoordelijkheid van de militair blijft voorts niet beperkt tot zijn eigen veiligheid en handelen, maar geldt ook voor ieder die aan zijn zorg is toevertrouwd. De militair is, als leidinggevende of als onderdeel van de eenheid, medeverantwoordelijk voor de veiligheid van de militairen met wie hij optreedt. Bij het uitvoeren van zijn taken zet de militair niet alleen zijn eigen leven op het spel, maar ook dat van zijn eenheid. Militairen gaan door waar anderen moeten stoppen. Deze unieke plicht van militairen laat zich niet uitdrukken in kwantitatieve of meetbare termen.
Bijzondere kenmerken van de militair
De positie van de militair heeft ook andere bijzondere kenmerken die wederom vooral kwalitatief van aard zijn en daardoor moeilijk meetbaar. Het onvoorwaardelijke karakter van de militaire inzetbaarheid stelt allereerst hoge eisen aan de fysieke en mentale inzetbaarheid van militairen. Militairen zijn verplicht hun fysieke conditie op peil te houden. Militairen zijn verplicht gebruik te maken van de militaire gezondheidszorg en ondergaan verplicht periodieke medische keuringen, vaccinaties en conditietests. Zo heeft Defensie altijd inzicht in de belastbaarheid en daarmee de inzetbaarheid van militairen. Wanneer de militair niet meer aan de medische en psychische eisen voldoet, wordt hij dienstongeschikt verklaard en als militair ontslagen, ook al is van arbeidsongeschiktheid in maatschappelijke zin geen sprake.
Defensie hanteert een specifiek personeelssysteem waarin kennis- en ervaringsopbouw van doorslaggevend belang zijn in de ontwikkeling van de militaire loopbaan. Om kennis en ervaring op te bouwen, rouleert de militair allereerst over een groot aantal functies met verschillende standplaatsen en wordt in verschillende situaties ingezet. Daarnaast wordt de vereiste kennis en ervaring bereikt door een intensieve opleiding en training. Dit vereist deelname aan opleidingen binnen en buiten Defensie en aan oefeningen in Nederland en het buitenland. Het veelvuldig rouleren over functies, het deelnemen aan opleidingen en oefeningen en het daadwerkelijk inzetten betekent dat de militair langere tijd buiten zijn persoonlijke omgeving verkeert en gedurende langere tijd gescheiden van partner en gezin moet leven.
Om de effectiviteit en integriteit van de inzet van de militair te bewaken, is de militair onderworpen aan strenge veiligheids- en integriteitseisen. Alle militaire functies zijn vertrouwensfuncties als bedoeld in de Wet Veiligheidsonderzoeken. Dit betekent dat aan hun gedragingen, zowel onder werktijd als daarbuiten, veiligheids- en integriteitseisen worden gesteld die van doorslaggevend belang kunnen zijn voor het al dan niet kunnen vervullen van een vertrouwensfunctie. De reikwijdte van deze integriteitstoetsing strekt zich ook uit tot de gezinssituatie
en persoonlijke omgeving van de militair.
Beperkingen voor de militair
Om de inzetbaarheid van de krijgsmacht te garanderen is een aantal wettelijke maatregelen getroffen. Die wettelijke maatregelen houden ook beperkingen in voor de uitoefening van de grondrechten van militairen. Militairen leveren op grond van die wettelijke maatregelen tevens in op de autonomie van hun eigen maatschappelijke en arbeidsrechtelijke positie. Hieronder volgt een beschrijving van de belangrijkste wettelijke maatregelen.
De verplichting om de opgedragen taken uit te voeren is door de wetgever zo wezenlijk geacht, dat er in de Wet militair tuchtrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht aanvullende regels zijn vastgelegd die het ongestoorde functioneren van de krijgsmacht waarborgen. Het militair tuchtrecht onderscheidt daartoe gedragingen tegen de orde, gedragingen tegen de geheimhoudingsplicht, gedragingen tegen het dienstbevel en gedragingen die het functioneren van de krijgsmacht belemmeren. Het militair strafrecht regelt onder meer de strafbaarstelling van misdrijven tegen de staat, misdrijven waardoor de militair zich aan de dienstverplichtingen onttrekt, en strafbaarstelling van dienstweigering en de schending van krijgsplichten.
Daarnaast wordt bij oefenen en werkelijke inzet de Arbeidstijdenwet buiten werking gesteld en gelden er beperkingen op het gebied van arbeidsomstandigheden. Ook is het militairen verboden deel te nemen aan stakingen. Dit is een belangrijke inperking van de grondrechten van een militair. De verplichting voor de militair om de aan hem opgedragen taken te vervullen krijgt extra gewicht door de strafbaarstelling in het militair strafrecht. Zodra een militair wordt aangewezen om gedurende kortere of langere tijd een operationele missie in het buitenland te vervullen, is hij verplicht om aan deze oproep gehoor te geven. Wanneer een voor uitzending aangewezen militair niet verschijnt op het moment dat hij behoort te vertrekken naar het inzetgebied, maakt hij zich schuldig aan een strafbaar feit. Het is voor een militair niet mogelijk zich aan een oproep te onttrekken door een verzoek tot ontslag in te dienen.
Dit verzoek zal derhalve, en zeker wanneer operationele omstandigheden hiertoe noodzaken, worden afgewezen. De verplichting om aan opgedragen taken invulling te geven wordt op deze wijze door zowel strafrechtelijke als arbeidsrechtelijke instrumenten gewaarborgd. Er is geen enkele andere beroepsgroep in Nederland waarbij strafrechtelijke vervolging volgt bij het niet uitvoeren van de opgedragen taken.
Waardering van de militair
Defensie voert een personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid dat recht doet aan de beschreven unieke en bijzondere positie van de militair. Dit beleid kenmerkt zich naast opleiding en training door zorg en beloning.
Het personeelsbeleid moet militairen niet alleen zo goed mogelijk voorbereiden op werkelijke inzet, maar moet er ook voor zorgen dat indien de risico’s van deze inzet zich manifesteren, de gevolgen daarvan zo goed mogelijk worden ondervangen. Deze opvang is het meest kenbaar in de vorm van een zorgstelsel dat ter beschikking staat van de militair en zijn thuisfront. De uitvoering van operationele taken en de soms blijvende gevolgen daarvan verplichten tot bijzondere zorg voor de militair, de gewezen militair en diens naasten. Daarnaast worden de gevolgen van de inzet van de militair zo goed mogelijk opgevangen door het sociale zekerheidsstelsel en de specifieke aanvullingen hierop.
Uit de beschrijving blijkt dat er voor de militair een reeks verplichtingen bestaat die sterk afwijken van wat maatschappelijk en arbeidsrechtelijk gebruikelijk is. Deze lopen uiteen van fysieke eisen tot beperkingen in de uitoefening van grondrechten. Het personeelsbeleid en het arbeidsvoorwaardenstelsel van Defensie weerspiegelen de bijzondere positie van de militair. Daarmee kan Defensie goed werkgeverschap vormgeven en worden de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht onder alle omstandigheden gewaarborgd.
De pakketvergelijking
In het algemeen overleg over personeel van 16 april 2013 heb ik de Kamer gemeld dat als eerste zou worden gewerkt aan de beschrijving van de bijzondere positie van de militair en dat daarna eventuele vervolgstappen zouden worden bezien. Hoewel een pakketvergelijking een complexe aangelegenheid is, heb ik toen ook gezegd met een open houding over de vervolgstappen met de centrales te willen spreken. Eind oktober jl. zijn de onderhandelingen voor een nieuwe CAO voor Defensie begonnen. Defensie streeft naar de modernisering van het arbeidsvoorwaardenstelsel. De bijzondere positie van de militair blijft daarbij het uitgangspunt, zonder de ontwikkelingen in andere overheidssectoren te negeren.
Een robuust en duurzaam stelsel is onmiskenbaar in het belang van het defensiepersoneel. Naar mijn mening, en die van de centrales, is een pakketvergelijking op dit moment geen voorwaarde om tot vruchtbaar overleg te kunnen komen. Wij zullen daartoe dan ook geen initiatief nemen.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(Bron)
dinsdag 7 januari 2014
Nieuwjaarsboodschap Commandant der Strijdkrachten
Historisch maar ook stormachtig. Dat was het jaar 2013 voor Defensie. Historisch, omdat belangrijke besluiten zijn genomen over de toekomst van de krijgsmacht. Stormachtig, omdat het ook het jaar was van de man met de hamer.
Een jaar waarin honderden loyale, hardwerkende collega’s hun baan verloren. Een jaar ook dat eindigde met meer duidelijkheid en perspectief. Zo kwam er een einde aan een lange periode van baanonzekerheid, zo toonde het herfstakkoord een toenemend besef in de Tweede Kamer dat er genoeg is bezuinigd op Defensie en zo bood de nota over de toekomst van de krijgsmacht voor alle Operationele Commando's een duidelijke stip aan de horizon.
Daarmee kunnen we de blik weer vooruit richten. Cruciaal voor een moderne krijgsmacht want “Het zijn niet de sterksten die overleven, maar diegenen die zich het beste aanpassen aan de omstandigheden”. Een toepasselijk citaat van Charles Darwin dat ik eind vorig jaar gebruikte tijdens de Future Force Conference. Stilstand is achteruitgang en dat kunnen we ons niet veroorloven. Daarvoor is ons werk te belangrijk. Wij maken de wereld om ons heen veiliger. Om de hoek, in de straten van Amsterdam waar we helpen criminelen op te sporen. En verder weg, zoals in landen als Mali, waar broeinesten van terreur ook onze veiligheid in Nederland raken.
We moeten er dus voor zorgen dat we het verschil kunnen blijven maken waar anderen dat niet kunnen. 2014 is het jaar waarin we herstellen van de klappen en de draad weer oppakken. Waarin we gaan toewerken naar die nieuwe stippen op de horizon en praktisch invulling geven aan onze plannen.
Hoe we dat gaan doen? Allereerst door ons te blijven onderscheiden in onze missies. Zo werd net voor de kerst besloten om de inzet van onze Patriots aan de grens met Syrië te verlengen, evenals onze inzet in het kader van antipiraterij. In Afghanistan beschermen onze F-16’s nog steeds de internationale troepen en zijn onze mensen zowel in het noorden als in het hoofdkwartier in Kabul hard aan het werk. We hebben er zelfs een nieuwe missie bij: MINUSMA, de VN-missie in Mali. 2 jaar lang gaan 400 Nederlandse militairen in Mali helpen om de rust in het land te herstellen. Relevant werk dat alleen wij kunnen doen en dat direct bijdraagt aan onze veiligheid in Nederland.
Daarnaast door samenwerking en modernisering. Ik geloof in veiligheid door samenwerking. Samenwerking met landen die dicht bij ons staan zodat we middelen kunnen delen. Samenwerking met bedrijven en onderzoeksinstituten zodat we kunnen blijven innoveren en moderniseren. Samenwerking met civiele autoriteiten zoals politie en brandweer, om de veiligheid in eigen land te vergroten. En last but not least samenwerking met andere landen bij de uitvoering van missies, want dat is en blijft onze core business.
Kortom, er is in 2014 volop werk aan de winkel. En dan heb ik het nog niet eens over onze 15 andere lopende missies, over de vele nationale taken zoals de grensbewaking door de Koninklijke Marechaussee en over de nationale operaties die we in toenemend aantal uitvoeren (circa 2.200 in 2013). Zo heeft de Explosieven Opruimingsdienst Defensie in de aanloop naar het nieuwe jaar op veel plekken zwaar en gevaarlijk vuurwerk geruimd. Goed werk, zo houden we Nederland ook veilig!
Ik ben dan ook trots op alle medewerkers van de krijgsmacht, burgers en militairen. Iedereen heeft zich keihard ingezet om de reorganisatie mogelijk te maken en zo de krijgsmacht op 2014 en verder voor te bereiden. Samen zorgen we ervoor dat we ons aanpassen aan veranderende omstandigheden. Daar draait het uiteindelijk om!
Ik hoop dan ook dat we er samen voor Defensie een positief jaar van maken. Ik zal mij sterk blijven maken voor een goede krijgsmacht en ik zal blijven uitleggen wat we doen, en vooral ook waarom. Het moet duidelijk zijn dat veiligheid/vrijheid nooit vanzelfsprekend is. Dat we daar hard aan moeten werken. Dag in, dag uit.
Laten we samen aan de slag gaan!
(Facebook, 7 januari 2014)
Een jaar waarin honderden loyale, hardwerkende collega’s hun baan verloren. Een jaar ook dat eindigde met meer duidelijkheid en perspectief. Zo kwam er een einde aan een lange periode van baanonzekerheid, zo toonde het herfstakkoord een toenemend besef in de Tweede Kamer dat er genoeg is bezuinigd op Defensie en zo bood de nota over de toekomst van de krijgsmacht voor alle Operationele Commando's een duidelijke stip aan de horizon.
Daarmee kunnen we de blik weer vooruit richten. Cruciaal voor een moderne krijgsmacht want “Het zijn niet de sterksten die overleven, maar diegenen die zich het beste aanpassen aan de omstandigheden”. Een toepasselijk citaat van Charles Darwin dat ik eind vorig jaar gebruikte tijdens de Future Force Conference. Stilstand is achteruitgang en dat kunnen we ons niet veroorloven. Daarvoor is ons werk te belangrijk. Wij maken de wereld om ons heen veiliger. Om de hoek, in de straten van Amsterdam waar we helpen criminelen op te sporen. En verder weg, zoals in landen als Mali, waar broeinesten van terreur ook onze veiligheid in Nederland raken.
We moeten er dus voor zorgen dat we het verschil kunnen blijven maken waar anderen dat niet kunnen. 2014 is het jaar waarin we herstellen van de klappen en de draad weer oppakken. Waarin we gaan toewerken naar die nieuwe stippen op de horizon en praktisch invulling geven aan onze plannen.
Hoe we dat gaan doen? Allereerst door ons te blijven onderscheiden in onze missies. Zo werd net voor de kerst besloten om de inzet van onze Patriots aan de grens met Syrië te verlengen, evenals onze inzet in het kader van antipiraterij. In Afghanistan beschermen onze F-16’s nog steeds de internationale troepen en zijn onze mensen zowel in het noorden als in het hoofdkwartier in Kabul hard aan het werk. We hebben er zelfs een nieuwe missie bij: MINUSMA, de VN-missie in Mali. 2 jaar lang gaan 400 Nederlandse militairen in Mali helpen om de rust in het land te herstellen. Relevant werk dat alleen wij kunnen doen en dat direct bijdraagt aan onze veiligheid in Nederland.
Daarnaast door samenwerking en modernisering. Ik geloof in veiligheid door samenwerking. Samenwerking met landen die dicht bij ons staan zodat we middelen kunnen delen. Samenwerking met bedrijven en onderzoeksinstituten zodat we kunnen blijven innoveren en moderniseren. Samenwerking met civiele autoriteiten zoals politie en brandweer, om de veiligheid in eigen land te vergroten. En last but not least samenwerking met andere landen bij de uitvoering van missies, want dat is en blijft onze core business.
Kortom, er is in 2014 volop werk aan de winkel. En dan heb ik het nog niet eens over onze 15 andere lopende missies, over de vele nationale taken zoals de grensbewaking door de Koninklijke Marechaussee en over de nationale operaties die we in toenemend aantal uitvoeren (circa 2.200 in 2013). Zo heeft de Explosieven Opruimingsdienst Defensie in de aanloop naar het nieuwe jaar op veel plekken zwaar en gevaarlijk vuurwerk geruimd. Goed werk, zo houden we Nederland ook veilig!
Ik ben dan ook trots op alle medewerkers van de krijgsmacht, burgers en militairen. Iedereen heeft zich keihard ingezet om de reorganisatie mogelijk te maken en zo de krijgsmacht op 2014 en verder voor te bereiden. Samen zorgen we ervoor dat we ons aanpassen aan veranderende omstandigheden. Daar draait het uiteindelijk om!
Ik hoop dan ook dat we er samen voor Defensie een positief jaar van maken. Ik zal mij sterk blijven maken voor een goede krijgsmacht en ik zal blijven uitleggen wat we doen, en vooral ook waarom. Het moet duidelijk zijn dat veiligheid/vrijheid nooit vanzelfsprekend is. Dat we daar hard aan moeten werken. Dag in, dag uit.
Laten we samen aan de slag gaan!
(Facebook, 7 januari 2014)
dinsdag 17 december 2013
Persbriefing CDS over de missie in Mali
Commandant der Strijdkrachten generaal Tom Middendorp heeft vandaag de media bijgepraat over hoe de Nederlandse bijdrage aan VN-operatie MINUSMA er uit ziet. Hij gaf uitgebreid antwoord op de vragen hoe Nederland de missie in Mali invult en hoe belangrijk deze bijdrage is.
De briefing volgt een week nadat een meerderheid in de Tweede Kamer instemde met het plan om 370 militairen en 4 Apache-gevechtshelikopters naar het Afrikaanse land te sturen. Middendorp stond de verslaggevers samen met de kolonels Joost de Wolf en Tony Keijsers te woord. Als respectievelijk deputy chief of staff operations van de staf van MINUSMA en commandant All Sources Information Fusion Unit (ASIFU) vervullen beiden straks een sleutelfunctie.
Dreigingsbeeld
Volgens de hoogste militair is het gevaarlijk om de missie naar Mali te vergelijken met Bosnië en Afghanistan. "Een groot verschil is dat Nederland dit keer geen gebiedsverantwoordelijkheid heeft. Ook is het dreigingsbeeld in Mali van een andere orde. We zitten nog aan de 'goede' kant van een potentieel conflict en kunnen voorkomen dat Mali verder afglijdt." Overigens is Middendorp blij met het robuuste mandaat. "Mocht het escaleren, dan zijn onze eenheden voldoende uitgerust om in te grijpen. Met de zelfredzaamheid van de eenheden zit het goed. We sturen niet voor niets onze best getrainde militairen."
Hoewel Nederland slechts 3% van de totale missieomvang bijdraagt, betreft het niche-capaciteit. Middendorp: "De kritische behoefte van de Verenigde Naties ligt op het gebied van inlichtingen. Qua importantie en kwaliteit kunnen wij dus echt het verschil maken."
Tijdspad
Net als eerdere missies wordt Mali een flinke logistieke operatie. De logistieke lijn is zo’n 5.000 kilometer lang. Missiegevoelig materieel zoals wapens en verbindingsmiddelen gaat per vliegtuig naar de Malinese hoofdstad Bamako. De rest van de spullen reist per zeecontainer naar Senegal, waarvandaan ze verder worden getransporteerd.
Aan de voorzieningen op het sectorhoofdkwartier in Gao wordt volgens Middendorp de komende tijd hard gewerkt. "De randvoorwaarden zoals een hospitaal, legering- en eetzaal regelt de VN, maar een aantal specifieke voorzieningen gaan Nederlandse genisten zelf aanleggen. Denk aan prefab shelters om de Apaches tegen de zon en zandstormen te beschermen."
De generaal verwacht april 2014 zijn troepen en materieel op volle sterkte in het Afrikaanse land te hebben.
(ministerie van Defensie, 17 december 2013)
De briefing volgt een week nadat een meerderheid in de Tweede Kamer instemde met het plan om 370 militairen en 4 Apache-gevechtshelikopters naar het Afrikaanse land te sturen. Middendorp stond de verslaggevers samen met de kolonels Joost de Wolf en Tony Keijsers te woord. Als respectievelijk deputy chief of staff operations van de staf van MINUSMA en commandant All Sources Information Fusion Unit (ASIFU) vervullen beiden straks een sleutelfunctie.
![]() |
| Persbriefing CDS |
Dreigingsbeeld
Volgens de hoogste militair is het gevaarlijk om de missie naar Mali te vergelijken met Bosnië en Afghanistan. "Een groot verschil is dat Nederland dit keer geen gebiedsverantwoordelijkheid heeft. Ook is het dreigingsbeeld in Mali van een andere orde. We zitten nog aan de 'goede' kant van een potentieel conflict en kunnen voorkomen dat Mali verder afglijdt." Overigens is Middendorp blij met het robuuste mandaat. "Mocht het escaleren, dan zijn onze eenheden voldoende uitgerust om in te grijpen. Met de zelfredzaamheid van de eenheden zit het goed. We sturen niet voor niets onze best getrainde militairen."
Hoewel Nederland slechts 3% van de totale missieomvang bijdraagt, betreft het niche-capaciteit. Middendorp: "De kritische behoefte van de Verenigde Naties ligt op het gebied van inlichtingen. Qua importantie en kwaliteit kunnen wij dus echt het verschil maken."
Tijdspad
Net als eerdere missies wordt Mali een flinke logistieke operatie. De logistieke lijn is zo’n 5.000 kilometer lang. Missiegevoelig materieel zoals wapens en verbindingsmiddelen gaat per vliegtuig naar de Malinese hoofdstad Bamako. De rest van de spullen reist per zeecontainer naar Senegal, waarvandaan ze verder worden getransporteerd.
Aan de voorzieningen op het sectorhoofdkwartier in Gao wordt volgens Middendorp de komende tijd hard gewerkt. "De randvoorwaarden zoals een hospitaal, legering- en eetzaal regelt de VN, maar een aantal specifieke voorzieningen gaan Nederlandse genisten zelf aanleggen. Denk aan prefab shelters om de Apaches tegen de zon en zandstormen te beschermen."
De generaal verwacht april 2014 zijn troepen en materieel op volle sterkte in het Afrikaanse land te hebben.
(ministerie van Defensie, 17 december 2013)
woensdag 1 mei 2013
Minister Hennis-Plasschaert: Koning en krijgsmacht
Sinds 1890 heeft ons land weer een Koning. Op 30 april, om 10.07 uur tekende Koningin Beatrix de Akte van Abdicatie. Daarmee werd zij prinses en staat Koning Willem-Alexander, bijgestaan door Koningin Máxima, aan het hoofd van het Koninklijk Huis.
Na Prinses Beatrix mochten 31 getuigen hun handtekening onder de akte zetten. Als rijksminister van Defensie was ik een van die getuigen. Een bijzondere eer. De banden tussen de Oranjes en de krijgsmacht gaan terug tot de Tachtigjarige Oorlog. Onze onafhankelijkheidsstrijd werd militair aangevoerd door de Oranjefamilie, met Willem van Oranje, onze Vader des Vaderlands, voorop. De ceremoniële rol van Defensie bij de troonswisseling symboliseert de hechte verbondenheid van de Nederlandse krijgsmacht met het Koninklijk Huis en de militaire trouw en loyaliteit aan het Nederlandse volk.
Rond 9 uur begon de dag van de Troonswisseling met 101 saluutschoten vanaf het luchtverdedigings- en commandofregat Harer Majesteits Evertsen, die de aanwezigheid van Koningin Beatrix in de hoofdstad onderstreepten. Als Zijner Majesteit meerde het schip af. Mooie traditie, net als alle eenheden die een ceremoniële groet brachten, de salvo's van de Gele Rijders, de militaire kapellen die op de Dam het Wilhelmus speelden, de Koninklijke Marechaussee die zorgde voor erewachten, de operationele commandanten met hun vaandels, de Commandant der Strijdkrachten met het Rijkszwaard, de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht met de Rijksstandaard en de bijzonder indrukwekkende afsluiting van de dag door de F-16's van de Koninklijke Luchtmacht. Iets om trots op te zijn.
Achter de schermen van deze historische dag was Defensie ook actief. We leverden een belangrijke bijdrage aan de veiligheid in de stad, op en in het water en in de lucht. Een indrukwekkend visitekaartje.
Onze samenleving heeft baat bij gedeelde symbolen en samenbindende krachten. Het zijn wat de Britse zakenman en journalist Walter Bagehot in 1867 de “dignified parts of the constitution” noemde. Voor een vrij en welvarend Nederland is de constitutionele monarchie zonder meer een goede staatsvorm. Defensie vervult daarin een noodzakelijk rol.
Naast ceremoniële taken hebben koning en krijgsmacht een samenbindende rol. De koning staat boven de partijen en vertegenwoordigt de gehele natie. Defensie dient de belangen van onze natie. "Onze kracht ligt niet in afzondering, maar in samenwerking, stelde Koning Willem-Alexander in de Nieuwe Kerk. "Tal van opgaven zijn alleen in internationaal verband op te lossen". Die opdracht heeft de krijgsmacht ook. Net als ons Koninklijk Huis komt de krijgsmacht op voor de belangen van alle inwoners van ons Koninkrijk.
Ik ben ervan overtuigd dat de wens die Koningin Beatrix in haar Dagorder van 30 april uitsprak, met verve wordt vervuld. De krijgsmacht zal namens en voor ons allen haar taken vervullen door blijvend op te komen voor vrede en recht.
Jeanine Hennis-Plasschaert
Minister van Defensie
1 mei 2013
Na Prinses Beatrix mochten 31 getuigen hun handtekening onder de akte zetten. Als rijksminister van Defensie was ik een van die getuigen. Een bijzondere eer. De banden tussen de Oranjes en de krijgsmacht gaan terug tot de Tachtigjarige Oorlog. Onze onafhankelijkheidsstrijd werd militair aangevoerd door de Oranjefamilie, met Willem van Oranje, onze Vader des Vaderlands, voorop. De ceremoniële rol van Defensie bij de troonswisseling symboliseert de hechte verbondenheid van de Nederlandse krijgsmacht met het Koninklijk Huis en de militaire trouw en loyaliteit aan het Nederlandse volk.
Rond 9 uur begon de dag van de Troonswisseling met 101 saluutschoten vanaf het luchtverdedigings- en commandofregat Harer Majesteits Evertsen, die de aanwezigheid van Koningin Beatrix in de hoofdstad onderstreepten. Als Zijner Majesteit meerde het schip af. Mooie traditie, net als alle eenheden die een ceremoniële groet brachten, de salvo's van de Gele Rijders, de militaire kapellen die op de Dam het Wilhelmus speelden, de Koninklijke Marechaussee die zorgde voor erewachten, de operationele commandanten met hun vaandels, de Commandant der Strijdkrachten met het Rijkszwaard, de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht met de Rijksstandaard en de bijzonder indrukwekkende afsluiting van de dag door de F-16's van de Koninklijke Luchtmacht. Iets om trots op te zijn.
Achter de schermen van deze historische dag was Defensie ook actief. We leverden een belangrijke bijdrage aan de veiligheid in de stad, op en in het water en in de lucht. Een indrukwekkend visitekaartje.
Onze samenleving heeft baat bij gedeelde symbolen en samenbindende krachten. Het zijn wat de Britse zakenman en journalist Walter Bagehot in 1867 de “dignified parts of the constitution” noemde. Voor een vrij en welvarend Nederland is de constitutionele monarchie zonder meer een goede staatsvorm. Defensie vervult daarin een noodzakelijk rol.
Naast ceremoniële taken hebben koning en krijgsmacht een samenbindende rol. De koning staat boven de partijen en vertegenwoordigt de gehele natie. Defensie dient de belangen van onze natie. "Onze kracht ligt niet in afzondering, maar in samenwerking, stelde Koning Willem-Alexander in de Nieuwe Kerk. "Tal van opgaven zijn alleen in internationaal verband op te lossen". Die opdracht heeft de krijgsmacht ook. Net als ons Koninklijk Huis komt de krijgsmacht op voor de belangen van alle inwoners van ons Koninkrijk.
Ik ben ervan overtuigd dat de wens die Koningin Beatrix in haar Dagorder van 30 april uitsprak, met verve wordt vervuld. De krijgsmacht zal namens en voor ons allen haar taken vervullen door blijvend op te komen voor vrede en recht.
Jeanine Hennis-Plasschaert
Minister van Defensie
1 mei 2013
vrijdag 22 maart 2013
CDS: krijgsmacht mag geen tandeloze leeuw worden
Blog Commandant der Strijdkrachten, generaal Tom Middendorp
In mijn vorige blog heb ik benadrukt dat de militaire stem niet vergeten mag worden in de keuzes die worden gemaakt voor de krijgsmacht van de toekomst.
Als Nederlandse krijgsmacht moeten we altijd kunnen doen wat nodig is om Nederland vrij en veilig te houden. Wij zorgen dat de Hollandse leeuw niet alleen kan brullen maar – als dat nodig is – ook kan bijten. Maar dan moet de krijgsmacht natuurlijk zelf geen tandeloze leeuw worden!
Op de krijgsmacht rust een grote verantwoordelijkheid. Immers, als de nood aan de man is, kijkt iedereen naar ons. En terecht. Daar zijn we voor. Of het nu is bij terreuraanslagen, overstromingen, oude bommen in de achtertuin, noodhulp of vredesmissies, wij hebben de taak om in actie te komen.
Maar...dan moeten we dat werk wel kúnnen doen.
We hebben de juiste mix aan gereedschap nodig.
De fregatten, gevechtseenheden en jachtvliegtuigen zijn de hamers in onze gereedschapskist. Maar een hamer alleen is niet voldoende. Je hebt ook andere gereedschappen nodig. Een zaag, een beitel, een nijptang. Denk bijvoorbeeld aan logistiek, inlichtingen en bescherming tegen bermbommen. In de juiste mix vormen zij het basisgereedschap waarover een krijgsmacht moet beschikken om te doen wat nodig is: zo veel mogelijk verschillende klussen klaren met zo weinig mogelijk middelen.
Daarbij maken professionele militairen het verschil. Want je kunt de beste beitel hebben, zonder vakman wordt het niets.
Naast het juiste basisgereedschap heb je voor bepaalde klussen ook speciaal gereedschap nodig. Het is slim om geavanceerder en kostbaar gereedschap met de buren te delen. Als jij je dure hogedrukspuit uitleent, mag je op jouw beurt weer hun elektrische zaag lenen. Zo is het ook met internationale militaire samenwerking.
Sommige capaciteiten lenen zich goed voor verdergaande samenwerking of specialisatie. Nederland heeft bijvoorbeeld unieke onderzeeboten en Patriot-raketverdedigingssystemen die nu aan de grens met Syrië staan. Als wij andere landen daarmee helpen, helpen zij ons weer met niche-capaciteiten waar wij zelf geen geld voor hebben.
Welke keuzes we ook maken voor de krijgsmacht van de toekomst, de samenstelling van die gereedschapskist moet in balans zijn.
Wij laten die Hollandse leeuw niet in zijn hemd staan als het er op aan komt. Desnoods doen we maar wat minder klussen, maar de klussen die we doen, moeten we goed kunnen doen. Voor veiligheid en vrijheid. In het belang van Nederland.
Generaal Tom Middendorp
Commandant der Strijdkrachten
18 maart 2013
Facebook.com/Commandantderstrijdkrachten
(ministerie van Defensie, 22 maart 2013)
![]() |
| Generaal Tom Middendorp |
Als Nederlandse krijgsmacht moeten we altijd kunnen doen wat nodig is om Nederland vrij en veilig te houden. Wij zorgen dat de Hollandse leeuw niet alleen kan brullen maar – als dat nodig is – ook kan bijten. Maar dan moet de krijgsmacht natuurlijk zelf geen tandeloze leeuw worden!
Op de krijgsmacht rust een grote verantwoordelijkheid. Immers, als de nood aan de man is, kijkt iedereen naar ons. En terecht. Daar zijn we voor. Of het nu is bij terreuraanslagen, overstromingen, oude bommen in de achtertuin, noodhulp of vredesmissies, wij hebben de taak om in actie te komen.
Maar...dan moeten we dat werk wel kúnnen doen.
We hebben de juiste mix aan gereedschap nodig.
De fregatten, gevechtseenheden en jachtvliegtuigen zijn de hamers in onze gereedschapskist. Maar een hamer alleen is niet voldoende. Je hebt ook andere gereedschappen nodig. Een zaag, een beitel, een nijptang. Denk bijvoorbeeld aan logistiek, inlichtingen en bescherming tegen bermbommen. In de juiste mix vormen zij het basisgereedschap waarover een krijgsmacht moet beschikken om te doen wat nodig is: zo veel mogelijk verschillende klussen klaren met zo weinig mogelijk middelen.
Daarbij maken professionele militairen het verschil. Want je kunt de beste beitel hebben, zonder vakman wordt het niets.
Naast het juiste basisgereedschap heb je voor bepaalde klussen ook speciaal gereedschap nodig. Het is slim om geavanceerder en kostbaar gereedschap met de buren te delen. Als jij je dure hogedrukspuit uitleent, mag je op jouw beurt weer hun elektrische zaag lenen. Zo is het ook met internationale militaire samenwerking.
Sommige capaciteiten lenen zich goed voor verdergaande samenwerking of specialisatie. Nederland heeft bijvoorbeeld unieke onderzeeboten en Patriot-raketverdedigingssystemen die nu aan de grens met Syrië staan. Als wij andere landen daarmee helpen, helpen zij ons weer met niche-capaciteiten waar wij zelf geen geld voor hebben.
Welke keuzes we ook maken voor de krijgsmacht van de toekomst, de samenstelling van die gereedschapskist moet in balans zijn.
Wij laten die Hollandse leeuw niet in zijn hemd staan als het er op aan komt. Desnoods doen we maar wat minder klussen, maar de klussen die we doen, moeten we goed kunnen doen. Voor veiligheid en vrijheid. In het belang van Nederland.
Generaal Tom Middendorp
Commandant der Strijdkrachten
18 maart 2013
Facebook.com/Commandantderstrijdkrachten
(ministerie van Defensie, 22 maart 2013)
donderdag 7 maart 2013
Koning Willem-Alexander: geen actieve militaire status
"Ik ben trots op onze krijgsmacht wier inzet bijdraagt aan de veiligheid en welvaart van ons land"
Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander wordt 30 april ingehuldigd als Koning der Nederlanden. Een bijzonder moment voor het hele land en zeker ook voor de Nederlandse krijgsmacht. De hechte verbondenheid tussen haar en het Koningshuis bestaat al eeuwen, maar voor het eerst sinds 1849 krijgen we weer een koning die als militair heeft gediend.
Deze bijzondere gelegenheid heeft een aantal consequenties. Als aanstaand staatshoofd doet de Kroonprins na bijna 28 jaar afstand van zijn actieve militaire status. Maar afstand of afscheid van de krijgsmacht neemt hij daarmee zeker niet.
“Aangezien de Koning behoort tot de Nederlandse regering, kan ik geen actief dienend militair meer zijn”, zo stelt de Kroonprins. “Ik neem daarom ontslag, maar blijf straks als Koning mijn trots voor en verbondenheid met de Nederlandse krijgsmacht uitdragen.”
Eervol ontslag
De Kroonprins is nu nog militair in de rang van commandeur bij de marine en heeft een overeenkomstige opperofficiersrang bij de andere krijgsmachtdelen. Voor zijn inhuldiging als Koning der Nederlanden wordt hem op eigen verzoek eervol ontslag verleend.
De Koning is in ons land immers niet de opperbevelhebber van de krijgsmacht en heeft daarbinnen ook geen functie. Integendeel: in de Nederlandse rechtsstaat is wettelijk geregeld dat een militair in dienst geen deel kan uitmaken van de regering. Hij zou daar namelijk dan tegelijkertijd aan onderworpen zijn. De regel geldt ook voor de Koning, die grondwettelijk deel uitmaakt van de regering.
Koning Willem-Alexander behoudt wel het recht zijn uniform te dragen bij gelegenheden die hij daarvoor ceremonieel en representatief geschikt acht.
“Om onze sterke band te onderstrepen, zal ik graag gebruik maken van dat recht”, zegt de Kroonprins. “Ik ben trots op onze krijgsmacht en haar militairen. Ik heb zelf ervaren en met eigen ogen gezien wat onze mannen en vrouwen doen en laten voor onze vrede en veiligheid - en die van anderen. Daar kan elke Nederlander trots op zijn. Als koning zal ik mijn waardering voor Defensie onverminderd tonen, in woord, daad en militair ceremonieel.”
Geen rang
De Koning zal dus ook op gepaste momenten in uniform deelnemen aan ceremoniële activiteiten. Dit doet hij als Koning en niet als actief dienend militair. De Koning staat boven alle partijen, ook de krijgsmacht. Dat moet zichtbaar zijn.
De hoogste militair van ons land is de Commandant der Strijdkrachten met de rang van generaal. Wij kennen in Nederland geen hogere rang (zoals admiraal of maarschalk) meer. De Kroonprins wordt daarom in zijn huidige rang ontslag verleend en zal na zijn inhuldiging als Koning een uniform dragen zonder rangonderscheidingstekens.
Een keuze met een bijzondere historische achtergrond. “Mijn voorvader Koning Willem I had aan het eind van de achttiende eeuw als officier ervaring opgedaan in de strijd tegen de Fransen en zou op grond daarvan een zeer acceptabele opperbevelhebber zijn geweest. Hij koos er voor zich buiten de hiërarchie van de krijgsmacht te plaatsen. Hij droeg een generaalsuniform zonder de daarbij behorende onderscheidingstekens.
Koninklijk distinctief
Ook Koning Willem-Alexander zal bij gelegenheid een uniform dragen, gebaseerd op dat van de vlag- en opperofficieren van de betreffende krijgsmachtdelen, maar zonder rangonderscheidingstekens. Op de plaats van galon of epaulet draagt de Koning een nieuw Koninklijk distinctief, een wapenbeeld opgemaakt met de Rijksappel, het Rijkszwaard en de Scepter, drie van de symbolen van de Koninklijke macht (regalia). Samen vormen zij een samensmelting van de beveiliging en verdediging (Rijkszwaard) van ons grondgebied en de wereld (Rijksappel) én de waardigheid van de Koning (Scepter).
Het vierde Koninklijke symbool, de Koningskroon is niet in het ontwerp opgenomen, omdat het al in veel functietekens binnen de krijgsmacht wordt gebruikt.
Verbonden
Als de Prins van Oranje op 30 april wordt ingehuldigd als Koning der Nederlanden, is hij officieel gewezen militair. De krijgsmacht kan zich echter geen betere ‘vaandeldrager’ wensen dan de Koning, constitutioneel staatshoofd in militair uniform.
“Wij zijn en blijven immers voorgoed aan elkaar verbonden,” stelt de aanstaande Koning. “Defensie, het Huis van Oranje en de Nederlandse samenleving.”
(Defensiekrant, 7 maart 2013)
Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander wordt 30 april ingehuldigd als Koning der Nederlanden. Een bijzonder moment voor het hele land en zeker ook voor de Nederlandse krijgsmacht. De hechte verbondenheid tussen haar en het Koningshuis bestaat al eeuwen, maar voor het eerst sinds 1849 krijgen we weer een koning die als militair heeft gediend.
Deze bijzondere gelegenheid heeft een aantal consequenties. Als aanstaand staatshoofd doet de Kroonprins na bijna 28 jaar afstand van zijn actieve militaire status. Maar afstand of afscheid van de krijgsmacht neemt hij daarmee zeker niet.
“Aangezien de Koning behoort tot de Nederlandse regering, kan ik geen actief dienend militair meer zijn”, zo stelt de Kroonprins. “Ik neem daarom ontslag, maar blijf straks als Koning mijn trots voor en verbondenheid met de Nederlandse krijgsmacht uitdragen.”
Eervol ontslag
De Kroonprins is nu nog militair in de rang van commandeur bij de marine en heeft een overeenkomstige opperofficiersrang bij de andere krijgsmachtdelen. Voor zijn inhuldiging als Koning der Nederlanden wordt hem op eigen verzoek eervol ontslag verleend.
De Koning is in ons land immers niet de opperbevelhebber van de krijgsmacht en heeft daarbinnen ook geen functie. Integendeel: in de Nederlandse rechtsstaat is wettelijk geregeld dat een militair in dienst geen deel kan uitmaken van de regering. Hij zou daar namelijk dan tegelijkertijd aan onderworpen zijn. De regel geldt ook voor de Koning, die grondwettelijk deel uitmaakt van de regering.
Koning Willem-Alexander behoudt wel het recht zijn uniform te dragen bij gelegenheden die hij daarvoor ceremonieel en representatief geschikt acht.
“Om onze sterke band te onderstrepen, zal ik graag gebruik maken van dat recht”, zegt de Kroonprins. “Ik ben trots op onze krijgsmacht en haar militairen. Ik heb zelf ervaren en met eigen ogen gezien wat onze mannen en vrouwen doen en laten voor onze vrede en veiligheid - en die van anderen. Daar kan elke Nederlander trots op zijn. Als koning zal ik mijn waardering voor Defensie onverminderd tonen, in woord, daad en militair ceremonieel.”
Geen rang
De Koning zal dus ook op gepaste momenten in uniform deelnemen aan ceremoniële activiteiten. Dit doet hij als Koning en niet als actief dienend militair. De Koning staat boven alle partijen, ook de krijgsmacht. Dat moet zichtbaar zijn.
De hoogste militair van ons land is de Commandant der Strijdkrachten met de rang van generaal. Wij kennen in Nederland geen hogere rang (zoals admiraal of maarschalk) meer. De Kroonprins wordt daarom in zijn huidige rang ontslag verleend en zal na zijn inhuldiging als Koning een uniform dragen zonder rangonderscheidingstekens.
Een keuze met een bijzondere historische achtergrond. “Mijn voorvader Koning Willem I had aan het eind van de achttiende eeuw als officier ervaring opgedaan in de strijd tegen de Fransen en zou op grond daarvan een zeer acceptabele opperbevelhebber zijn geweest. Hij koos er voor zich buiten de hiërarchie van de krijgsmacht te plaatsen. Hij droeg een generaalsuniform zonder de daarbij behorende onderscheidingstekens.
Koninklijk distinctief
Ook Koning Willem-Alexander zal bij gelegenheid een uniform dragen, gebaseerd op dat van de vlag- en opperofficieren van de betreffende krijgsmachtdelen, maar zonder rangonderscheidingstekens. Op de plaats van galon of epaulet draagt de Koning een nieuw Koninklijk distinctief, een wapenbeeld opgemaakt met de Rijksappel, het Rijkszwaard en de Scepter, drie van de symbolen van de Koninklijke macht (regalia). Samen vormen zij een samensmelting van de beveiliging en verdediging (Rijkszwaard) van ons grondgebied en de wereld (Rijksappel) én de waardigheid van de Koning (Scepter).
Het vierde Koninklijke symbool, de Koningskroon is niet in het ontwerp opgenomen, omdat het al in veel functietekens binnen de krijgsmacht wordt gebruikt.
Verbonden
Als de Prins van Oranje op 30 april wordt ingehuldigd als Koning der Nederlanden, is hij officieel gewezen militair. De krijgsmacht kan zich echter geen betere ‘vaandeldrager’ wensen dan de Koning, constitutioneel staatshoofd in militair uniform.
“Wij zijn en blijven immers voorgoed aan elkaar verbonden,” stelt de aanstaande Koning. “Defensie, het Huis van Oranje en de Nederlandse samenleving.”
(Defensiekrant, 7 maart 2013)
dinsdag 29 januari 2013
Kroonprins Willem-Alexander: ‘mijn band met de krijgsmacht is een warme'
"Ik denk dat op wat Rambo’s na, de meeste militairen die de verschrikkingen van een oorlog kennen in principe pacifist zijn. Daarom vind ik de rede van generaal Van Uhm afgelopen jaar op het ideeëncongres TEDx zo goed. Hij toonde een wapen als zijn instrument om de vrede te handhaven. Je wilt het niet gebruiken, maar als je het doet, doe je het kort en heftig voor behoud van de rechtsstaat en vrede. Daar is de krijgsmacht voor en daar draagt Nederland een belangrijke steen aan bij, waar ook ter wereld. Ik blijf het zelf ongelooflijk vinden dat zoveel soldaten zich in de Tweede Wereldoorlog hebben ingezet om ons te bevrijden en de rechtstaat te herstellen.""Het is dan ook aan leden van het Koninklijk Huis en zeker de Koning om een brug te vormen tussen burgermaatschappij en Defensie. Ik hoop dat mijn dochter dat voor haar generatie ook zal doen."
'Als de prins iets na aan het hart ligt, dan is het wel zijn relatie met de krijgsmacht, die nu zo door bezuinigingen wordt geplaagd. ‘Ik zou het omschrijven als een heel warme band,’ zegt hij.'
(Uit een uitgebreid interview door Elsevier met Kroonprins Willem-Alexander, december 2012. Voor de volledige tekst, klik hier)
zaterdag 26 januari 2013
Minister Hennis over het belang van de krijgsmacht
(...)
Onze militaire historie toont aan hoe nauw het succes van Nederland met onze krijgsmacht verweven is. Tot op de dag van vandaag het geval en dat geldt ook voor de toekomst! Als de geschiedenis ons één ding leert, is het dat je altijd alert moet zijn - én blijven! Dat je altijd in staat moet zijn - én willen zijn - om je belangen te beschermen en te bevorderen. Ook militair! De krijgsmacht doet dat, elke dag, en gelukkig maar!
(...)
[passage uit toespraak van minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert bij de start van de bouw van het Nationaal Militair Museum, 25 januari 2013)
Onze militaire historie toont aan hoe nauw het succes van Nederland met onze krijgsmacht verweven is. Tot op de dag van vandaag het geval en dat geldt ook voor de toekomst! Als de geschiedenis ons één ding leert, is het dat je altijd alert moet zijn - én blijven! Dat je altijd in staat moet zijn - én willen zijn - om je belangen te beschermen en te bevorderen. Ook militair! De krijgsmacht doet dat, elke dag, en gelukkig maar!
(...)
[passage uit toespraak van minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert bij de start van de bouw van het Nationaal Militair Museum, 25 januari 2013)
donderdag 20 december 2012
Prins Willem-Alexander: ‘mijn band met de krijgsmacht is een warme’
Robert Stiphout
Als veertienjarige maakte prins Willem-Alexander (45) een onvergetelijke tocht met de mariniers in het noorden van Noorwegen. Al sinds zijn jeugd voelt hij zich verbonden met Defensie en doet hij zijn best een brug te vormen tussen burgers en militairen. ‘Ik hoop dat mijn dochter dat voor haar generatie ook zal doen.’
De prins ontvangt in zijn bibliotheek thuis in De Eikenhorst. Hij vraagt de geüniformeerde bediende in de deuropening om een cola light en schuift naar het puntje van de bank. Wie prins Willem-Alexander wil ondervragen over een onderwerp dat hem echt interesseert, kan rekenen op zijn volle aandacht. En als de prins iets na aan het hart ligt, dan is het wel zijn relatie met de krijgsmacht, die nu zo door bezuinigingen wordt geplaagd. ‘Ik zou het omschrijven als een heel warme band,’ zegt hij.
Eén die volgens de prins – donker jasje, kaki broek, blauwgeruit overhemd – al van jongs af aan vaststond. ‘Zo jong als ik me kan herinneren, kwam de krijgsmacht al op mijn verjaardag. De Marechaussee verscheen op al onze verjaardagen. Dat was traditie. En altijd was er een delegatie van het Alexanderregiment. Op foto’s sta ik als klein jochie naast de Huzaren van het Regiment Prins Alexander. Voor mij was dat de normaalste zaak van de wereld. Later reed ik elke week paard op de cavaleriekazerne in Amersfoort.’
Veel indruk maakte een meerdaags bezoek met een vriendje aan oefenende mariniers in het noordelijkste puntje van Noorwegen. De prins was nog maar veertien. ‘Mijn vader had er de mariniers een keer bezocht en zei: “Dit moet Alexander ook doen.”
‘Het was waanzinnig: slapen in een iglo, maar vooral de sfeer van mannen onder elkaar. Met zo’n peloton op pad in moeilijke omstandigheden binnen de soms levensbedreigende poolcirkel, en met het buddysysteem waarbij je van elkaar controleert of je genoeg eet, drinkt, plast, en of je nog wel ademt. Dat kameraadschappelijke sprak me aan. Het leerde me hoe je in zware, zelfs gevaarlijke omstandigheden van elkaar op aan moet kunnen. Later besefte ik dat het ook een bijzondere plek is omdat de NATO daar direct grensde aan tegenstander Sovjet-Unie.’
De prins was er in 1981, acht jaar voor het einde van de Koude Oorlog, waarin de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie van het Westen en het Warschaupact onder de Sovjet-Unie tegenover elkaar stonden. De prins zelf spreekt overigens, zoals de meeste militairen doen, niet van de NAVO maar van de NATO. In 1985 volgde voor de prins de dienstplicht, ook in de Koude Oorlog.
‘Ik was goedgekeurd en wist niet zo goed wat ik na mijn middelbare school wilde doen. Dus ik dacht: ik ga eerst mijn dienstplicht vervullen voor ik naar de universiteit ga. Ik had de keuze: een volle dienstplicht bij één krijgsmachtdeel, of de landmacht, marine en luchtmacht alle drie een beetje leren kennen. Ik koos voor het eerste. Ik wilde er niet telkens bijhangen, maar in een groep beginnen en het dan samen afmaken. Varen vond ik interessant. Vliegen zat er voor dienstplichtigen niet in. Dus zo kwam ik bij de marine.
‘Met een groep van vijftien navigatieofficieren doorliepen we de opleiding in Den Helder. Met die klas heb ik nog steeds reünies, de goede band is gebleven. Natuurlijk heb ik toen al gezegd dat ik na de universiteit ook de andere krijgsmachtdelen wilde leren kennen, opdat men niet zou zeggen: “Waarom komt de prins alleen bij de marine?”’
Na de universiteit behaalde hij zijn militair vliegbrevet bij het 334 Transportsquadron en volgde hij opleidingen aan het Instituut Defensie Leergangen. Tijdens de oorlog in Joegoslavië begin jaren negentig vloog hij op steden als Split, Zagreb en Sarajevo, ook om gewonden op te halen. Gevaarlijk? ‘Je deed gewoon je werk als vlieger. Je wist af en toe dat je een gevaarlijk gebied inging en dan deed je je scherfvest om en je helm op. Daar had ik niet zoveel moeite mee.’
Zijn bezoek aan Dutchbat na de val van de moslimenclave Srebrenica in juli 1995 leidde tot discussie. De prins werd onterecht in verband gebracht met beelden van feestende Dutchbatters, maar hij kwam een dag later. ‘Wij waren op vakantie in Afrika met de familie. Niemand wist nog van de vreselijke moordpartijen in Srebrenica. Ik weet alleen dat iedereen, ook wij in Afrika, onze adem inhielden en onze vingers gekruist hielden voor de veilige terugkomst van de Nederlanders.
‘Toen ze veilig waren, ben ik er met minister-president Wim Kok naartoe gegaan. Twee maanden eerder was ik nog de laatste bezoeker in de enclave zelf. De militairen hadden het er moeilijk en probeerden met gebrek aan alles hun werk te doen. Dus ja, ik voelde wel een beetje een band met ze toen ik ze opnieuw zag. De beelden van het hossen en feesten op de avond voor mijn bezoek heb ik pas veel later gezien. Nee, het heeft mijn band met de militairen totaal niet verstoord.
‘De krijgsmacht goed leren kennen, vond ik een goede manier om actief te zijn na mijn studententijd. Ik moest van mezelf die kans grijpen en ik ben verder gegaan als adjudant in buitengewone dienst van de Koningin. Zo kon ik een echte rol vervullen binnen de krijgsmacht. Je bent dan vertegenwoordiger van de Koningin wanneer je de krijgsmacht bezoekt. Bovendien vond ik het interessant en nuttig omdat ik in mijn toekomstige functie veel met Defensie te maken zou hebben.
‘Het is niet meer zo dat het opperbevel bij de Koning ligt. Dat ligt nu bij de regering, al maakt de Koning daar in grondwettelijke zin wel deel van uit en is er dus een gedeeld opperbevel. Maar het is natuurlijk in naam van het instituut waarin veel wordt gedaan: het land wordt verdedigd in naam van het staatshoofd, officieren leggen de eed af op het staatshoofd, bevorderingen hebben plaats in naam van het staatshoofd.’
De prins is nog steeds adjudant in buitengewone dienst, legt geregeld werkbezoeken af bij Defensie en woont krijgsmachtraden bij. Hij slaat bijna geen Nederlandse missie over. In oktober nog bezocht hij het transportschip Hr.Ms. Rotterdam, op anti-piratenmissie voor de kust van Somalië. Toch staat hij eerder bekend om zijn expertise op het terrein van watermanagement dan om zijn kennis van de krijgsmacht.
‘De meeste Nederlanders zien me op niet meer dan drie momenten per jaar in uniform. Bij de Nationale Herdenking op 4 mei, dan draag ik het uniform van mijn krijgsmachtdeel: de marine. Dan is er nog Prinsjesdag, waar ik beurtelings het uniform van een van de krijgsmachtdelen draag – ik ga gewoon het rijtje af. En in 2005 is daar Veteranendag bij gekomen, waar ik als beschermheer van het Veteranen Comité het defilé afneem. Aangezien de meeste veteranen van de landmacht zijn, heb ik besloten om daar standaard mijn landmachtuniform te dragen.’
Het was prins Bernhard die aan de wieg stond van de rol die zijn kleinzoon vervult voor veteranen. ‘Eens in de vijf jaar was er een bijeenkomst van alle veteranen in de tuin van Soestdijk. Daar nodigde mijn grootvader me voor uit. Hij introduceerde me. Indertijd heeft hij me gevraagd om zijn rol bij een nieuw te vormen Veteranendag op me te nemen. Toen hij wist dat hij niet lang meer te leven had, heeft hij me gevraagd om wat zijn laatste keer in Wageningen had moeten worden over te nemen. Dat was in 2005 en ik heb dat toen gedaan.
‘Hij hoopte dat ik de veteranen een warm hart zou blijven toedragen, al wist hij uiteraard ook dat ik niet dezelfde verhouding had tot de oudere veteranen. Hij is actief geweest in de oorlog, heeft velen van hen in Engeland leren kennen. Dat heb ik niet.’
Zou hij net als zijn grootvader Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK) willen worden? ‘Ik denk niet dat het staatshoofd dat kan. Bovendien is de functie van IGK dermate doorontwikkeld tot een ombudsman binnen Defensie dat je daarvoor niet iemand moet nemen omdat die toevallig lid is van de familie of een nazaat van prins Bernhard. Dat moet iemand uit de organisatie zelf zijn.’
De prins neemt een slok van zijn cola. Zijn grootmoeder Juliana hield in 1952 tegenover het Amerikaanse Congres een rede met pacifistische uitspraken en van zijn ouders is vaak gezegd dat zij meer met kunst, cultuur en ontwikkelingssamenwerking ophadden dan met Defensie. Hoe denkt hij over de aanname dat zijn ouders en grootmoeder weinig ophadden met het militaire?
‘Dat is zeker niet waar. Ook koningin Juliana had een groot hart voor de militairen. Ze maakte per slot van rekening de Tweede Wereldoorlog mee en had een heel goede band met koningin Wilhelmina. Maar ze had natuurlijk prins Bernhard aan haar zijde die zelf al zo’n actieve rol speelde. Voor mijn moeder geldt hetzelfde. Ze draagt geen uniform, maar ook zij heeft een groot hart voor Defensie en een grote interesse voor de militairen. Als ooit de dag komt dat ik het van mijn moeder overneem, zal ik niet anders opereren dan zij dat nu doet.
‘En mijn vader. Kijk, mijn vader heeft gediend in de oorlog en daarom heeft hij er altijd een probleem mee gehad om zich actief met de krijgsmacht te identificeren. Maar dat betekent niet dat hij tegen de krijgsmacht was. Hij was groot voorstander van de wijze waarop wij als NATO het vrije Westen verdedigen.’
Zou de prins zichzelf pacifist noemen? ‘Ik denk dat op wat Rambo’s na, de meeste militairen die de verschrikkingen van een oorlog kennen in principe pacifist zijn. Daarom vind ik de rede van generaal Van Uhm afgelopen jaar op het ideeëncongres TEDx zo goed. Hij toonde een wapen als zijn instrument om de vrede te handhaven. Je wilt het niet gebruiken, maar als je het doet, doe je het kort en heftig voor behoud van de rechtsstaat en vrede. Daar is de krijgsmacht voor en daar draagt Nederland een belangrijke steen aan bij, waar ook ter wereld. Ik blijf het zelf ongelooflijk vinden dat zoveel soldaten zich in de Tweede Wereldoorlog hebben ingezet om ons te bevrijden en de rechtstaat te herstellen.
‘In Kandahar, Afghanistan, maakte ik een ramp ceremony mee. Er werd afscheid genomen van de kist met daarin een Canadese soldate, een meisje dat was omgekomen door een bermbom. Ik dacht aan al die Canadezen die destijds huis en haard verlieten om ons te bevrijden en van wie er ook velen zo naar huis gingen. Hoeveel zoons hebben ze daar in een kist zien terugkomen omdat ze vochten voor ons? Ik denk dat militairen met oorlogservaringen ook zo snel mogelijk vrede willen realiseren, maar dan op hun manier.’
Heeft hij zelf de aanvechting gehad om net als in de Joegoslavië-oorlog persoonlijk bij te dragen aan een missie? ‘Neem iemand als prins Harry, die is nu in Afghanistan. Maar hij is ook Apache-piloot. Het zou raar zijn als hij niet ging. Het is goed als het je werk is, maar als je omwille van eigen glorie of wat dan ook ergens moet worden ingepast om actief te zijn in een operatiegebied, dan is dat niet goed. Ook voor je collega’s niet.
‘Ik ben opgeleid tot wachtofficier, een navigatiefunctie op een schip. Ja, ik zou in theorie kunnen meegaan op piratenmissie. En dan? Toen ik achttien was en mijn eerste anti-onderzeebootactie draaide met driehonderd man op een schip in een Noors fjord was dat fantastisch. Waanzinnig dat je die verantwoordelijkheid krijgt op die leeftijd. Maar dat is de rol van een jonge officier. Ik heb nu de leeftijd en de rang van de commandant van zo’n schip, maar niet dezelfde ervaring en kennis. Zo moet je niet actief willen dienen.’
Kabinet-Rutte I besloot dat het ministerie van Defensie 1 miljard euro moet inleveren. Er zullen 12.000 banen bij Defensie verdwijnen. Maatschappelijk protest bleef uit. Enquêtes in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van 12 september wezen uit dat de bevolking het wel best vond dat Defensie inlevert. Kabinet-Rutte II doet er nu nog eens een kwart miljard euro aan bezuinigingen bovenop. Heeft de krijgsmacht een imagoprobleem?
‘Met enquêtes moet je voorzichtig zijn: de vraag bepaalt vaak het antwoord. Ik denk juist dat de waardering is toegenomen. Toen ik in dienst kwam, was het op zijn zachtst gezegd niet verstandig om in uniform in de trein te zitten en werd dat zelfs ontraden. Nu is er meer waardering voor mensen in uniform en waar ze voor staan.
‘Neem Afghanistan. Ook al waren velen het niet eens met de missie, de waardering voor de militairen was er niet minder om. Ook op Veteranendag zie ik grote waardering. Dutchbatters kregen een staande ovatie. Dat vind ik mooi. Nederland is geen militaristisch land, wel een land met een militaire traditie en in de tijden van de Republiek hebben de Oranjes daar een grote rol ingespeeld.’
De prins kijkt even door de openslaande deuren naar het roodgele bladerdak van landgoed De Horsten. ‘Als er beslissingen worden genomen over bezuinigingen, dan ga ik daar niet over. Ik vind het ook erg lastig om daarover een oordeel uit te spreken. Maar ik snap wel dat als mensen in een enquête keuzes krijgen voorgelegd tussen bezuinigen op iets wat henzelf wel en iets wat henzelf niet direct raakt, ze uiteraard kiezen voor wat hen niet direct raakt. Maar dat betekent niet dat ze negatief zijn over Defensie. Het is gewoon iets wat verder van hun bed staat en ze kunnen de gevolgen van hun beslissing op dat moment niet inschatten.’
De noodzaak van de krijgsmacht toont zich volgens de prins bij crises. ‘Denk bijvoorbeeld aan het piratenprobleem bij de kust van Oost-Afrika, ook beginnend bij West-Afrika. Een groot probleem voor onze koopvaardij. Denk ook aan tijden waarin het water stijgt en Defensie helpt de dijken te steunen, zoals in 1993 en 1995. Het moet niet afhankelijk zijn van dergelijke crises om het belang van Defensie uit te leggen. Defensie levert immers een bijdrage aan stabiliteit, vrede en veiligheid in de wereld. Maar concrete voorbeelden gebruiken die betrekking hebben op zaken die de Nederlanders rechtstreeks raken, is wel het gemakkelijkst. Ik zou eerlijk gezegd niet weten hoe je het anders moet uitleggen. Misschien weet de nieuwe minister van Defensie het.’
Dat militairen bereid zijn het hoogste offer te brengen en dat ze niet mogen actievoeren tegen bezuinigingen, maakt ontslag extra wrang, maar de prins vindt niet dat Defensie daarom jegens ontslagen militairen een extra zorgplicht heeft. ‘Ik maak geen verschil tussen militairen die worden ontslagen, of burgers. Het zijn allemaal hardwerkende mensen die in hun bestaan worden bedreigd. Publiek of privaat: voor iedereen is het keihard en soms traumatisch om een baan te verliezen.’
Zou hij het goed vinden als zijn twee jongste dochters voor een carrière in de krijgsmacht gaan? ‘Ga vooral je gang, zou ik zeggen. Ze moeten sowieso hun eigen leven opbouwen en er zijn een heleboel dingen die ze kunnen doen die veel slechter zijn, dus ik zou het fantastisch vinden.’ Hij lacht: ‘En dan draag ik positief bij aan het quotum van vrouwen in de krijgsmacht.’
Dat Nederland nu een vrouwelijke minister van Defensie kent, maakt op de prins weinig indruk. Andere landen – ‘zelfs een macholand als Chili’ – gingen Nederland voor. Maar de veranderde ideeën over de rol van mannen en vrouwen werpen wel de vraag op of zijn oudste dochter, prinses Amalia, net zo grondig moet kennismaken met de krijgsmacht als de prins dat deed.
‘Ik had gelukkig de dienstplicht waardoor ik bij Defensie terechtkwam. Ik moet tegen die tijd kijken hoe de maatschappij in elkaar steekt en wat haar eigen interesses zijn. Het is als lid van het Koninklijk Huis heel belangrijk dat je authentiek bent in wat je doet, anders kom je ook niet geloofwaardig over. Ik zou tegen Amalia in elk geval zeggen: snuffel er even aan. Hetzelfde deed prinses Victoria in Zweden en zelfs prinses Mary, als aangetrouwd lid van de koninklijke familie, maakte in Denemarken kennis met Defensie.
‘Omdat er geen opperbevel meer aan vastzit, is het strikt formeel niet noodzakelijk voor haar om de krijgsmacht te leren kennen, maar ik denk wel dat het wenselijk is. Je bent een samenbindende en vertegenwoordigende partij.’ Gebarend: ‘Samenbindend, vertegenwoordigend en aanmoedigend, dat is je rol. Het is dan ook aan leden van het Koninklijk Huis en zeker de Koning om een brug te vormen tussen burgermaatschappij en Defensie. Ik hoop dat mijn dochter dat voor haar generatie ook zal doen.’
(Elsevier, 22-29 december 2012)
Overname van dit artikel door derden is niet toegestaan.
![]() |
| Foto: RVD |
De prins ontvangt in zijn bibliotheek thuis in De Eikenhorst. Hij vraagt de geüniformeerde bediende in de deuropening om een cola light en schuift naar het puntje van de bank. Wie prins Willem-Alexander wil ondervragen over een onderwerp dat hem echt interesseert, kan rekenen op zijn volle aandacht. En als de prins iets na aan het hart ligt, dan is het wel zijn relatie met de krijgsmacht, die nu zo door bezuinigingen wordt geplaagd. ‘Ik zou het omschrijven als een heel warme band,’ zegt hij.
Eén die volgens de prins – donker jasje, kaki broek, blauwgeruit overhemd – al van jongs af aan vaststond. ‘Zo jong als ik me kan herinneren, kwam de krijgsmacht al op mijn verjaardag. De Marechaussee verscheen op al onze verjaardagen. Dat was traditie. En altijd was er een delegatie van het Alexanderregiment. Op foto’s sta ik als klein jochie naast de Huzaren van het Regiment Prins Alexander. Voor mij was dat de normaalste zaak van de wereld. Later reed ik elke week paard op de cavaleriekazerne in Amersfoort.’
Veel indruk maakte een meerdaags bezoek met een vriendje aan oefenende mariniers in het noordelijkste puntje van Noorwegen. De prins was nog maar veertien. ‘Mijn vader had er de mariniers een keer bezocht en zei: “Dit moet Alexander ook doen.”
‘Het was waanzinnig: slapen in een iglo, maar vooral de sfeer van mannen onder elkaar. Met zo’n peloton op pad in moeilijke omstandigheden binnen de soms levensbedreigende poolcirkel, en met het buddysysteem waarbij je van elkaar controleert of je genoeg eet, drinkt, plast, en of je nog wel ademt. Dat kameraadschappelijke sprak me aan. Het leerde me hoe je in zware, zelfs gevaarlijke omstandigheden van elkaar op aan moet kunnen. Later besefte ik dat het ook een bijzondere plek is omdat de NATO daar direct grensde aan tegenstander Sovjet-Unie.’
De prins was er in 1981, acht jaar voor het einde van de Koude Oorlog, waarin de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie van het Westen en het Warschaupact onder de Sovjet-Unie tegenover elkaar stonden. De prins zelf spreekt overigens, zoals de meeste militairen doen, niet van de NAVO maar van de NATO. In 1985 volgde voor de prins de dienstplicht, ook in de Koude Oorlog.
‘Ik was goedgekeurd en wist niet zo goed wat ik na mijn middelbare school wilde doen. Dus ik dacht: ik ga eerst mijn dienstplicht vervullen voor ik naar de universiteit ga. Ik had de keuze: een volle dienstplicht bij één krijgsmachtdeel, of de landmacht, marine en luchtmacht alle drie een beetje leren kennen. Ik koos voor het eerste. Ik wilde er niet telkens bijhangen, maar in een groep beginnen en het dan samen afmaken. Varen vond ik interessant. Vliegen zat er voor dienstplichtigen niet in. Dus zo kwam ik bij de marine.
‘Met een groep van vijftien navigatieofficieren doorliepen we de opleiding in Den Helder. Met die klas heb ik nog steeds reünies, de goede band is gebleven. Natuurlijk heb ik toen al gezegd dat ik na de universiteit ook de andere krijgsmachtdelen wilde leren kennen, opdat men niet zou zeggen: “Waarom komt de prins alleen bij de marine?”’
Na de universiteit behaalde hij zijn militair vliegbrevet bij het 334 Transportsquadron en volgde hij opleidingen aan het Instituut Defensie Leergangen. Tijdens de oorlog in Joegoslavië begin jaren negentig vloog hij op steden als Split, Zagreb en Sarajevo, ook om gewonden op te halen. Gevaarlijk? ‘Je deed gewoon je werk als vlieger. Je wist af en toe dat je een gevaarlijk gebied inging en dan deed je je scherfvest om en je helm op. Daar had ik niet zoveel moeite mee.’
Zijn bezoek aan Dutchbat na de val van de moslimenclave Srebrenica in juli 1995 leidde tot discussie. De prins werd onterecht in verband gebracht met beelden van feestende Dutchbatters, maar hij kwam een dag later. ‘Wij waren op vakantie in Afrika met de familie. Niemand wist nog van de vreselijke moordpartijen in Srebrenica. Ik weet alleen dat iedereen, ook wij in Afrika, onze adem inhielden en onze vingers gekruist hielden voor de veilige terugkomst van de Nederlanders.
‘Toen ze veilig waren, ben ik er met minister-president Wim Kok naartoe gegaan. Twee maanden eerder was ik nog de laatste bezoeker in de enclave zelf. De militairen hadden het er moeilijk en probeerden met gebrek aan alles hun werk te doen. Dus ja, ik voelde wel een beetje een band met ze toen ik ze opnieuw zag. De beelden van het hossen en feesten op de avond voor mijn bezoek heb ik pas veel later gezien. Nee, het heeft mijn band met de militairen totaal niet verstoord.
‘De krijgsmacht goed leren kennen, vond ik een goede manier om actief te zijn na mijn studententijd. Ik moest van mezelf die kans grijpen en ik ben verder gegaan als adjudant in buitengewone dienst van de Koningin. Zo kon ik een echte rol vervullen binnen de krijgsmacht. Je bent dan vertegenwoordiger van de Koningin wanneer je de krijgsmacht bezoekt. Bovendien vond ik het interessant en nuttig omdat ik in mijn toekomstige functie veel met Defensie te maken zou hebben.
‘Het is niet meer zo dat het opperbevel bij de Koning ligt. Dat ligt nu bij de regering, al maakt de Koning daar in grondwettelijke zin wel deel van uit en is er dus een gedeeld opperbevel. Maar het is natuurlijk in naam van het instituut waarin veel wordt gedaan: het land wordt verdedigd in naam van het staatshoofd, officieren leggen de eed af op het staatshoofd, bevorderingen hebben plaats in naam van het staatshoofd.’
De prins is nog steeds adjudant in buitengewone dienst, legt geregeld werkbezoeken af bij Defensie en woont krijgsmachtraden bij. Hij slaat bijna geen Nederlandse missie over. In oktober nog bezocht hij het transportschip Hr.Ms. Rotterdam, op anti-piratenmissie voor de kust van Somalië. Toch staat hij eerder bekend om zijn expertise op het terrein van watermanagement dan om zijn kennis van de krijgsmacht.
‘De meeste Nederlanders zien me op niet meer dan drie momenten per jaar in uniform. Bij de Nationale Herdenking op 4 mei, dan draag ik het uniform van mijn krijgsmachtdeel: de marine. Dan is er nog Prinsjesdag, waar ik beurtelings het uniform van een van de krijgsmachtdelen draag – ik ga gewoon het rijtje af. En in 2005 is daar Veteranendag bij gekomen, waar ik als beschermheer van het Veteranen Comité het defilé afneem. Aangezien de meeste veteranen van de landmacht zijn, heb ik besloten om daar standaard mijn landmachtuniform te dragen.’
Het was prins Bernhard die aan de wieg stond van de rol die zijn kleinzoon vervult voor veteranen. ‘Eens in de vijf jaar was er een bijeenkomst van alle veteranen in de tuin van Soestdijk. Daar nodigde mijn grootvader me voor uit. Hij introduceerde me. Indertijd heeft hij me gevraagd om zijn rol bij een nieuw te vormen Veteranendag op me te nemen. Toen hij wist dat hij niet lang meer te leven had, heeft hij me gevraagd om wat zijn laatste keer in Wageningen had moeten worden over te nemen. Dat was in 2005 en ik heb dat toen gedaan.
‘Hij hoopte dat ik de veteranen een warm hart zou blijven toedragen, al wist hij uiteraard ook dat ik niet dezelfde verhouding had tot de oudere veteranen. Hij is actief geweest in de oorlog, heeft velen van hen in Engeland leren kennen. Dat heb ik niet.’
Zou hij net als zijn grootvader Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK) willen worden? ‘Ik denk niet dat het staatshoofd dat kan. Bovendien is de functie van IGK dermate doorontwikkeld tot een ombudsman binnen Defensie dat je daarvoor niet iemand moet nemen omdat die toevallig lid is van de familie of een nazaat van prins Bernhard. Dat moet iemand uit de organisatie zelf zijn.’
De prins neemt een slok van zijn cola. Zijn grootmoeder Juliana hield in 1952 tegenover het Amerikaanse Congres een rede met pacifistische uitspraken en van zijn ouders is vaak gezegd dat zij meer met kunst, cultuur en ontwikkelingssamenwerking ophadden dan met Defensie. Hoe denkt hij over de aanname dat zijn ouders en grootmoeder weinig ophadden met het militaire?
‘Dat is zeker niet waar. Ook koningin Juliana had een groot hart voor de militairen. Ze maakte per slot van rekening de Tweede Wereldoorlog mee en had een heel goede band met koningin Wilhelmina. Maar ze had natuurlijk prins Bernhard aan haar zijde die zelf al zo’n actieve rol speelde. Voor mijn moeder geldt hetzelfde. Ze draagt geen uniform, maar ook zij heeft een groot hart voor Defensie en een grote interesse voor de militairen. Als ooit de dag komt dat ik het van mijn moeder overneem, zal ik niet anders opereren dan zij dat nu doet.
‘En mijn vader. Kijk, mijn vader heeft gediend in de oorlog en daarom heeft hij er altijd een probleem mee gehad om zich actief met de krijgsmacht te identificeren. Maar dat betekent niet dat hij tegen de krijgsmacht was. Hij was groot voorstander van de wijze waarop wij als NATO het vrije Westen verdedigen.’
Zou de prins zichzelf pacifist noemen? ‘Ik denk dat op wat Rambo’s na, de meeste militairen die de verschrikkingen van een oorlog kennen in principe pacifist zijn. Daarom vind ik de rede van generaal Van Uhm afgelopen jaar op het ideeëncongres TEDx zo goed. Hij toonde een wapen als zijn instrument om de vrede te handhaven. Je wilt het niet gebruiken, maar als je het doet, doe je het kort en heftig voor behoud van de rechtsstaat en vrede. Daar is de krijgsmacht voor en daar draagt Nederland een belangrijke steen aan bij, waar ook ter wereld. Ik blijf het zelf ongelooflijk vinden dat zoveel soldaten zich in de Tweede Wereldoorlog hebben ingezet om ons te bevrijden en de rechtstaat te herstellen.
‘In Kandahar, Afghanistan, maakte ik een ramp ceremony mee. Er werd afscheid genomen van de kist met daarin een Canadese soldate, een meisje dat was omgekomen door een bermbom. Ik dacht aan al die Canadezen die destijds huis en haard verlieten om ons te bevrijden en van wie er ook velen zo naar huis gingen. Hoeveel zoons hebben ze daar in een kist zien terugkomen omdat ze vochten voor ons? Ik denk dat militairen met oorlogservaringen ook zo snel mogelijk vrede willen realiseren, maar dan op hun manier.’
Heeft hij zelf de aanvechting gehad om net als in de Joegoslavië-oorlog persoonlijk bij te dragen aan een missie? ‘Neem iemand als prins Harry, die is nu in Afghanistan. Maar hij is ook Apache-piloot. Het zou raar zijn als hij niet ging. Het is goed als het je werk is, maar als je omwille van eigen glorie of wat dan ook ergens moet worden ingepast om actief te zijn in een operatiegebied, dan is dat niet goed. Ook voor je collega’s niet.
‘Ik ben opgeleid tot wachtofficier, een navigatiefunctie op een schip. Ja, ik zou in theorie kunnen meegaan op piratenmissie. En dan? Toen ik achttien was en mijn eerste anti-onderzeebootactie draaide met driehonderd man op een schip in een Noors fjord was dat fantastisch. Waanzinnig dat je die verantwoordelijkheid krijgt op die leeftijd. Maar dat is de rol van een jonge officier. Ik heb nu de leeftijd en de rang van de commandant van zo’n schip, maar niet dezelfde ervaring en kennis. Zo moet je niet actief willen dienen.’
Kabinet-Rutte I besloot dat het ministerie van Defensie 1 miljard euro moet inleveren. Er zullen 12.000 banen bij Defensie verdwijnen. Maatschappelijk protest bleef uit. Enquêtes in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van 12 september wezen uit dat de bevolking het wel best vond dat Defensie inlevert. Kabinet-Rutte II doet er nu nog eens een kwart miljard euro aan bezuinigingen bovenop. Heeft de krijgsmacht een imagoprobleem?
‘Met enquêtes moet je voorzichtig zijn: de vraag bepaalt vaak het antwoord. Ik denk juist dat de waardering is toegenomen. Toen ik in dienst kwam, was het op zijn zachtst gezegd niet verstandig om in uniform in de trein te zitten en werd dat zelfs ontraden. Nu is er meer waardering voor mensen in uniform en waar ze voor staan.
‘Neem Afghanistan. Ook al waren velen het niet eens met de missie, de waardering voor de militairen was er niet minder om. Ook op Veteranendag zie ik grote waardering. Dutchbatters kregen een staande ovatie. Dat vind ik mooi. Nederland is geen militaristisch land, wel een land met een militaire traditie en in de tijden van de Republiek hebben de Oranjes daar een grote rol ingespeeld.’
De prins kijkt even door de openslaande deuren naar het roodgele bladerdak van landgoed De Horsten. ‘Als er beslissingen worden genomen over bezuinigingen, dan ga ik daar niet over. Ik vind het ook erg lastig om daarover een oordeel uit te spreken. Maar ik snap wel dat als mensen in een enquête keuzes krijgen voorgelegd tussen bezuinigen op iets wat henzelf wel en iets wat henzelf niet direct raakt, ze uiteraard kiezen voor wat hen niet direct raakt. Maar dat betekent niet dat ze negatief zijn over Defensie. Het is gewoon iets wat verder van hun bed staat en ze kunnen de gevolgen van hun beslissing op dat moment niet inschatten.’
![]() |
| Willem-Alexander a/b van Hr. Ms. Evertsen |
Dat militairen bereid zijn het hoogste offer te brengen en dat ze niet mogen actievoeren tegen bezuinigingen, maakt ontslag extra wrang, maar de prins vindt niet dat Defensie daarom jegens ontslagen militairen een extra zorgplicht heeft. ‘Ik maak geen verschil tussen militairen die worden ontslagen, of burgers. Het zijn allemaal hardwerkende mensen die in hun bestaan worden bedreigd. Publiek of privaat: voor iedereen is het keihard en soms traumatisch om een baan te verliezen.’
Zou hij het goed vinden als zijn twee jongste dochters voor een carrière in de krijgsmacht gaan? ‘Ga vooral je gang, zou ik zeggen. Ze moeten sowieso hun eigen leven opbouwen en er zijn een heleboel dingen die ze kunnen doen die veel slechter zijn, dus ik zou het fantastisch vinden.’ Hij lacht: ‘En dan draag ik positief bij aan het quotum van vrouwen in de krijgsmacht.’
Dat Nederland nu een vrouwelijke minister van Defensie kent, maakt op de prins weinig indruk. Andere landen – ‘zelfs een macholand als Chili’ – gingen Nederland voor. Maar de veranderde ideeën over de rol van mannen en vrouwen werpen wel de vraag op of zijn oudste dochter, prinses Amalia, net zo grondig moet kennismaken met de krijgsmacht als de prins dat deed.
‘Ik had gelukkig de dienstplicht waardoor ik bij Defensie terechtkwam. Ik moet tegen die tijd kijken hoe de maatschappij in elkaar steekt en wat haar eigen interesses zijn. Het is als lid van het Koninklijk Huis heel belangrijk dat je authentiek bent in wat je doet, anders kom je ook niet geloofwaardig over. Ik zou tegen Amalia in elk geval zeggen: snuffel er even aan. Hetzelfde deed prinses Victoria in Zweden en zelfs prinses Mary, als aangetrouwd lid van de koninklijke familie, maakte in Denemarken kennis met Defensie.
‘Omdat er geen opperbevel meer aan vastzit, is het strikt formeel niet noodzakelijk voor haar om de krijgsmacht te leren kennen, maar ik denk wel dat het wenselijk is. Je bent een samenbindende en vertegenwoordigende partij.’ Gebarend: ‘Samenbindend, vertegenwoordigend en aanmoedigend, dat is je rol. Het is dan ook aan leden van het Koninklijk Huis en zeker de Koning om een brug te vormen tussen burgermaatschappij en Defensie. Ik hoop dat mijn dochter dat voor haar generatie ook zal doen.’
(Elsevier, 22-29 december 2012)
Overname van dit artikel door derden is niet toegestaan.
zaterdag 10 november 2012
Afghaanse tolken
Jaren geleden kwamen zij, op de vlucht voor het oorlogsgeweld in hun eigen land, naar Nederland. In 2006 ging Nederland naar Uruzgan en dus had Defensie behoefte aan Nederlanders die de diverse talen die in die streek gebezigd worden, machtig waren. En aldus kwam Defensie uit bij mensen van Afghaanse origine en de Nederlandse nationaliteit.
Kennelijk was er sprake van haast, dus een fatsoenlijke opleiding voor die tolken zat er niet in. In het gunstigste geval wat exercitie, rangen en standen en soms schieten. Dat was het wel zo ongeveer, maar zeker niet langer dan 5 weken. Oh ja, en ze werden ook nog bijna allemaal gekeurd, zowel fysiek als psychisch. Gezonde mensen zou je dus zeggen. Ja, maar wel met een geschiedenis!
Afijn, men haalde de mensen binnen op basis van jaarcontracten en vervolgens begon de ellende. Uitzendbescherming, welnee. Deze mensen kon je gewoon in een frequentie van 1 op 1 uitzenden. Gewoon 6 maanden naar Uruzgan, een paar maanden in Nederland en dan opnieuw naar Uruzgan. Of zelfs gewoon buiten die provincie. Ja, dan kan het voorkomen dat je in een periode van amper 5 jaar 7 keer voor 6 maanden of langer op uitzending gaat.
Dat een dergelijke uitzenddruk niet gezond is, tsja dat is het probleem van de man in kwestie. En wil hij niet, dan zeg je gewoon dat zijn contract afloopt en hij dus geen werk meer heeft. Natuurlijk heb je misschien ook nog de pech dat je gewond raakt bij een IED- of een raketaanslag. Tsja, dat is ook het probleem van de man in kwestie.
Als je vorenstaande leest dan denk je, dat is een uitzondering. Helaas, was dat maar waar. En dan trekt Nederland zich terug. Het zou Defensie niet zijn geweest als zij niet zou trachten zo vlug en goedkoop mogelijk van die mensen af te komen.
Gewoon, het hek over na ommekomst van het contract en de WW in. ‘Uitgekeurd', hoezo? Begeleiding van werk naar werk, - soms. Psychische problemen? Ja bijna allemaal! Fysieke problemen? Ja! De ene als gevolg van een IED, de ander als gevolg van een raketaanval, etc.. Ontslagbescherming? Hoezo?
Sommigen van die tolken hebben inmiddels een heel medisch traject achter de rug. Resultaat: dienstongeschikt en 80-100% arbeidsongeschikt voor de rest van hun leven. Toekomst: een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een Militair Invaliditeits Pensioen van amper 30%, dat overigens niet tot uitbetaling komt.
En het PTSS waar de meesten aan lijden? Tsja dat komt door de tijd dat zij in Afghanistan woonden, de oorlog in die tijd, de periode van de Taliban, noem maar op. Met ander woorden, het trauma waar zij nu last van hebben komt niet door de uitzendingen of maar voor klein deel.
Wellicht vraagt u zich af of de Defensieleiding dit weet. Ja, de minister vindt dat de mensen geholpen moeten worden. Diegene die daar beleidsmatig verantwoordelijk voor is, tsja die denkt nog steeds na.
Heb ik een kwalificatie voor deze houding? Ja, abject en Defensie onwaardig!
(column Jan Kleian, voorzitter ACOM)
| Afghaanse tolk aan het werk (foto Hans de Vreij) |
Afijn, men haalde de mensen binnen op basis van jaarcontracten en vervolgens begon de ellende. Uitzendbescherming, welnee. Deze mensen kon je gewoon in een frequentie van 1 op 1 uitzenden. Gewoon 6 maanden naar Uruzgan, een paar maanden in Nederland en dan opnieuw naar Uruzgan. Of zelfs gewoon buiten die provincie. Ja, dan kan het voorkomen dat je in een periode van amper 5 jaar 7 keer voor 6 maanden of langer op uitzending gaat.
Dat een dergelijke uitzenddruk niet gezond is, tsja dat is het probleem van de man in kwestie. En wil hij niet, dan zeg je gewoon dat zijn contract afloopt en hij dus geen werk meer heeft. Natuurlijk heb je misschien ook nog de pech dat je gewond raakt bij een IED- of een raketaanslag. Tsja, dat is ook het probleem van de man in kwestie.
Als je vorenstaande leest dan denk je, dat is een uitzondering. Helaas, was dat maar waar. En dan trekt Nederland zich terug. Het zou Defensie niet zijn geweest als zij niet zou trachten zo vlug en goedkoop mogelijk van die mensen af te komen.
Gewoon, het hek over na ommekomst van het contract en de WW in. ‘Uitgekeurd', hoezo? Begeleiding van werk naar werk, - soms. Psychische problemen? Ja bijna allemaal! Fysieke problemen? Ja! De ene als gevolg van een IED, de ander als gevolg van een raketaanval, etc.. Ontslagbescherming? Hoezo?
Sommigen van die tolken hebben inmiddels een heel medisch traject achter de rug. Resultaat: dienstongeschikt en 80-100% arbeidsongeschikt voor de rest van hun leven. Toekomst: een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een Militair Invaliditeits Pensioen van amper 30%, dat overigens niet tot uitbetaling komt.
En het PTSS waar de meesten aan lijden? Tsja dat komt door de tijd dat zij in Afghanistan woonden, de oorlog in die tijd, de periode van de Taliban, noem maar op. Met ander woorden, het trauma waar zij nu last van hebben komt niet door de uitzendingen of maar voor klein deel.
Wellicht vraagt u zich af of de Defensieleiding dit weet. Ja, de minister vindt dat de mensen geholpen moeten worden. Diegene die daar beleidsmatig verantwoordelijk voor is, tsja die denkt nog steeds na.
Heb ik een kwalificatie voor deze houding? Ja, abject en Defensie onwaardig!
(column Jan Kleian, voorzitter ACOM)
zondag 30 september 2012
Afghanistan: gesneuvelde, omgekomen en overleden militairen
• 26 juli 2006: Overste Jan van Twist (47 jaar, Hoofd Sectie Operationeel Recht bij de Stafgroep Juridische Zaken van de Luchtmacht). Sergeant Bart van Boxtel (29 jaar, commandant van het Force Protection Team van het Contingentscommando in Kabul. Samen met andere passagiers en bemanningsleden omgekomen bij een helikoptercrash in de provincie Paktika.
![]() |
| Michael Donkervoort |
• 31 augustus 2006: de F-16 van kapitein-vlieger Michael Donkervoort stort neer in de provincie Ghazni, terwijl hij onderweg is van Kabul naar de provincie Helmand om daar luchtsteun te verlenen aan Britse troepen. Na een noodoproep van Donkervoort stortte het toestel bijna loodrecht naar beneden. Op twee oproepen van zijn wingman kwam geen reactie. De oorzaak van het neerstorten kon niet worden vastgesteld.
• 11 oktober 2006: sergeant Wim Dijkstra pleegt met zijn dienstwapen zelfmoord op Kamp Holland.
![]() |
| Robert Donkers |
• 6 april 2007: Sergeant der eerste klasse Robert Donkers komt om het leven bij een ongeluk met een Patria-pantserwagen. De Patria kantelt als gevolg van een wegverzakking, het slachtoffer raakt bekneld.
![]() |
| Cor Strik |
• 20 april 2007: de 21-jarige korporaal Cor Strik van de Luchtmobiele Brigade sneuvelt tijdens een patrouille ter ondersteuning van een Amerikaanse eenheid bij de stad Sangin (provincie Helmand). De korporaal stapt op een explosief en is op slag dood. Hij is de eerste gevechtsdode tijdens de Nederlandse inzet in Afghanistan. Bij het bergen van zijn stoffelijk overschot komt een Amerikaanse sergeant met Nederlandse familiewortels, Alex van Aalten, ook om het leven.
![]() |
| Jos Leunissen |
• 18 juni 2007: de 44-jarige sergeant-majoor Jos Leunissen komt om het leven bij gevechten rondom Chora. Er doet zich een ongeluk voor bij het afschieten van een mortiergranaat tijdens de heftige 'Slag om Chora'. Drie van zijn collega's raken gewond.
![]() |
| Tom Krist |
• 12 juli 2007: Eerste luitenant Tom Krist (24) overlijdt in het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht. Hij raakt op dinsdag 10 juli zwaargewond bij een zelfmoordaanslag in Deh Rawod.
![]() |
| Martijn Rosier |
• 26 augustus 2007: Sergeant Martijn Rosier (30) sneuvelt wanneer hij ten noorden van Deh Rawod een explosief onschadelijk probeert te maken.
![]() |
| Tim Hoogland |
• 20 september 2007: Soldaat eerste klasse Tim Hoogland (20) komt om bij een langdurig vuurgevecht bij Deh Rawod. Hij is de eerste militair die tijdens de missie in Uruzgan sneuvelt door vijandelijk vuur.
![]() |
| Ronald Groen |
• 3 november 2007: Korporaal Ronald Groen (21) sneuvelt. Hij zit in een Fennek pantserwagen die ten noorden van Tarin Kowt op een bermbom rijdt.
![]() |
| Aldert Poortema |
![]() |
| Wesley Schol |
• 12 januari 2008: Soldaat Wesley Schol (20) en korporaal Aldert Poortema (22) sneuvelen door eigen vuur ten noorden van Deh Rawod.
![]() |
| Mark Schouwink |
![]() |
| Dennis van Uhm |
• 18 april 2008: Soldaat Mark Schouwink (22) en eerste luitenant Dennis van Uhm (23) sneuvelen tijdens een verplaatsing ten noorden van Tarin Kowt. Van Uhm is de zoon van generaal Peter van Uhm, die een dag eerder Dick Berlijn was opgevolgd als Commandant der Strijdkrachten. De militairen rijden met hun MB-jeep op een bermbom. Twee andere inzittenden raken zwaar gewond.
![]() |
| Jos ten Brinke |
• 7 september 2008: De 21-jarige soldaat eerste klasse Jos ten Brinke komt om het leven in een YPR pantservoertuig dat op 19 kilometer van Kamp Holland op een IED rijdt. Vijf andere militairen raken gewond.
![]() |
| Mark Weijdt |
• 19 december 2008: De 24-jarige sergeant Mark Weijdt komt om tijdens een vuurgevecht. Vermoedelijk stapte hij op een bermbom.
![]() |
| Azdin Chadli |
• 6 april 2009: Bij een beschieting van Kamp Holland sneuvelt soldaat der eerste klasse Azdin Chadli (20). Het is de eerste keer dat bij een beschieting op Kamp Holland militairen zijn getroffen. Er vallen vijf gewonden. De huidige Commandant der Strijdkrachten, Generaal Middendorp, komt met de schrik vrij.
![]() |
| Kevin van de Rijdt |
• 6 september 2009: Bij een vuurgevecht in Uruzgan sneuvelt korporaal Kevin van de Rijdt. De 26-jarige militair van het Korps Commandotroepen maakte deel uit van Task Force 55.
![]() |
| Mark Leijsen |
• 7 september 2009: Bij een aanslag met een geïmproviseerd explosief (IED) sneuvelt de 44-jarige sergeant-majoor Mark Leijsen. Bij de explosie raken drie Nederlandse militairen en een Afghaanse tolk gewond.
![]() |
| Jeroen Houweling en Marc Harders |
• 17 april 2010: twee mariniers sneuvelen wanneer hun Viking-pantservoertuig ten noorden van Tarin Kowt op een bermbom rijdt. De slachtoffers zijn de 29-jarige korporaal Jeroen Houweling en de 23-jarige marinier der eerste klasse Marc Harders.
![]() |
| Luc Janzen |
• 22 mei 2010: korporaal der eerste klasse Luc Janzen (25) sneuvelt bij de explosie van een bermbom in het district Deh Rawod. Bij de ontploffing komen ook een Franse kapitein van een OMLT-team en een Afghaanse tolk om het leven. Vier militairen raken gewond, waarvan twee zwaar.
![]() |
| Fons Dur |
• 17 november 2010: Reserve Luitenant-kolonel-Arts Fons Dur (56) overlijdt op Kamp Holland in zijn slaap door hartfalen.
Totaal aantal doden sinds het begin van de missie op 1 augustus 2006: 25
Waarvan in Uruzgan: 21
Doodsoorzaak:
bermbommen (IED's): 11
Ongelukken: 5
Vijandelijk kleinkaliber vuur: 2
Eigen vuur: 2
Zelfmoordaanslagen: 2
Raketaanvallen: 1
Zelfdoding: 1
Natuurlijke dood: 1
(Defensie weblog, 30 september 2012)
Labels:
Afghanistan,
gesneuveld,
ISAF,
krijgsmacht,
omgekomen,
TFU,
Uruzgan
Abonneren op:
Posts (Atom)


.jpg)

.jpg)












.jpg)
.jpg)



.jpg)


.jpg)
