Posts tonen met het label EU. Alle posts tonen
Posts tonen met het label EU. Alle posts tonen

woensdag 5 augustus 2015

Patrouilleschip voor het eerst op antipiraterijmissie

Het patrouilleschip Zr.Ms. Groningen van de Koninklijke Marine vertrekt zondag 9 augustus voor een periode van vier maanden naar de wateren rond Somalië. Voor het eerst wordt een ocean-going patrol vessel (OPV) ingezet voor anti-piraterij. Het schip neemt deel aan de EU-antipiraterijoperatie Atalanta.

Het marineschip gaat zich in de regio bezig houden met het beschermen en controleren van schepen die gebruik maken van scheepvaartroutes door de Golf van Aden en de Hoorn van Afrika bij Somalië. Nederland levert al sinds 2008 een bijdrage aan de bestrijding van piraterij in de regio. Operatie Atalanta is een door de Europese Unie geleide missie en richt zich op het terugdringen van piraterij voor de kust van Somalië. Door te patrouilleren vergroten de marineschepen de veiligheid en ontmoedigen en verstoren zij piraterij op zee. Daarnaast levert het schip een bijdrage aan capacity bulding in de regio door het trainen van lokaal Kustwachtpersoneel.

Piraterij
Piraterij vormt een serieuze bedreiging voor onze belangen als handelsnatie. De vrije doortocht van goederen over zee en de ontwikkeling van de regio lopen gevaar door piraterij. Jaarlijks passeren tussen de 20.000 en 30.000 schepen de Golf van Aden. De laatste jaren is piraterij sterk teruggedrongen door de internationale samenwerking van marines, maar de dreiging is nog niet verdwenen. Zo lang de stabiliteit op het land niet is gewaarborgd, blijft de bescherming van schepen nodig. Sinds februari van dit jaar is het mandaat van Atalanta aangepast en mag de maritieme missie ondersteuning bieden aan de EU zustermissies op land.

Zr.Ms. Groningen
Zr.Ms. Groningen is een van de vier OPV’s van de Koninklijke Marine. De patrouilleschepen zijn flexibel inzetbare vaartuigen, toegerust op de bewaking van kustwateren. Naast terrorisme en piraterij, controleren deze ocean-going patrol vessels ook schepen en worden ingezet voor anti-drugsoperaties. Het standaard aantal bemanningsleden van het schip (50) wordt voor deze inzet aangevuld met een detachement van het Korps Mariniers (‘enhanced boarding element’), een geavanceerde NH90 helikopter met bemanning, een medisch/chirurgisch team en enkele aanvullende specialisten zoals een tolk. Hiermee wordt de bemanning uitgebreid tot het recordaantal van 98 personen.

(Bron: ministerie van Defensie)


Zr.Ms. Groningen (foto: Marine)

donderdag 1 mei 2014

Zr.Ms. De Zeven Provinciën op antipiraterijmissie

Het Luchtverdedigings- en Commandofregat Zr.Ms. De Zeven Provinciën vertrekt zondag 4 mei uit thuishaven Den Helder. Het schip wordt tot eind augustus in de wateren rond Somalië ingezet voor de antipiraterijmissie ATALANTA.

De Zeven Provinciën telt een 220-koppige bemanning en staat onder leiding van de commandant, kapitein-luitenant ter-zee Ruud Schoonen. In Malta komen 22 Maltezers aan boord die samen met een gedeelte van de eigen bemanning het boardingteam vormen. De antipiraterijmissie wordt aangestuurd vanaf het Duitse vlaggenschip FGS Brandenburg.

Zr.Ms. Tromp op piratenjacht in 2010. 'Moederskiff' in beslag genomen

Operatie Atalanta is een door de Europese Unie geleide missie en richt zich op het terugdringen van piraterij voor de kust van Somalië. Belangrijkste taken van de EU-taakgroep zijn het verstoren van piraterij in de Golf van Aden en Indische Oceaan, het beschermen van kwetsbare scheepvaart en het escorteren van schepen varend voor het World Food Program. Sinds 2008 levert de Koninklijke Marine een belangrijke bijdrage aan de bestrijding van piraterij. Op dit moment neemt Zr.Ms. Evertsen deel aan de antipiraterij-operatie Ocean Shield van de NAVO en zijn er diverse beveiligingsteams van mariniers (Vessel Protection Detachments) aan boord van Nederlandse koopvaardijschepen geëmbarkeerd.

Zr.Ms. De Zeven Provinciën is een Luchtverdedigings- en Commandofregat (LCF) van de De Zeven Provinciënklasse. Het is één van de vlaggenschepen van de Koninklijke Marine. Hiertoe beschikt het schip over uitgebreide commando-, communicatie- en datafaciliteiten.

(ministerie van Defensie, 1 mei 2014)

maandag 3 maart 2014

Een bom onder Europa

OPINIE Vladimir Poetin heeft de wereld verrast in Oekraïne. De tijden van agressief revanchisme zijn terug in Europa, schrijft Arnout Brouwers in het commentaar van de Volkskrant.

De Russische president Vladimir Poetin, onlangs nog gesignaleerd aan de toog met koning Willem Alexander, heeft voor het eerst sinds de door Slobodan Milosevic aangejaagde Balkanoorlogen, het fundament van de huidige Europese veiligheidsordening geschonden: de territoriale integriteit van staten.

Het is op dit moment te vroeg om te zeggen of het Russische optreden in Oekraïne een invasie is van de Krim of heel oostelijk Oekraïne, of het begin van de creatie van nieuwe separatistische gebieden die - ook als er nooit een schot valt - zich feitelijk aan de Oekraïense soevereiniteit zuilen onttrekken. Maar nu al is duidelijk dat president Poetin een bom heeft gelegd onder de veiligheidsordening die na de instorting van de Sovjet-Unie in Europa is ontstaan.

Poetin heeft nooit verborgen dat Oekraïne voor hem van lijfsbelang is. De Oekraïense Oranjerevolutie van tien jaar geleden was de aanleiding om de democratie in Rusland verder af te knijpen. in 2008 bij de Navo-top in Boekarest trok Poetin in twijfel of Oekraïne wel een staat is. En recent zette hij president Janoekovitsj onder grote druk om af te zien van een associatieverdrag met de EU. Want Poetins Euraziatische Unie stelt te weinig voor zonder Oekraïense deelname.

Dit was allemaal bekend in het Westen, net zoals bekend was dat Poetin jarenlang de druk in Georgie’s afvallige provincies opvoerde tot hij in 2008 president Saakasjvili tot een aanval wist te provoceren - waarna Rusland binnenviel.

Wat westerse politici - jarenlang ingepakt door bilaterale deals met Gazprom en in slaap gesust door hun eigen retoriek over Poetins Nieuwe Rusland’ - niet zagen aankomen, waren de gebeurtenissen van de afgelopen dagen, die herinneringen oproepen aan zowel het Sovjetingrijpen in Boedapest in 1956 ais aan Adolf Hitlers campagne om de ‘rechten van Duitsers’ te waarborgen in Sudetenland. Ook Poetins staatsrevanchisme over het verlies van het door Moskou bestuurde Sovjetrijk, lijkt op een echo uit het verleden.

Maar willen de Russen op de Krim zelf niet bij Rusland? En kunnen we ais we een oogje dichtknijpen onze warme band met het Kremlin - en de gascontracten - niet bewaren? Zeker, de nieuwe overgangsregering in Kiev bevat enkele radicale types en heeft fouten gemaakt, vooral door de taalwet direct terug te draaien. Maar dit was geen westers complot en het is geen ‘fascistoïde bewind, hoezeer de Russische propaganda en Poetins al dan niet betaalde westerse apologeten dat ook betogen. Tot Rusland olie op het vuur gooide, stond niets een gezamenlijke Westers-Russische aanpak van de politieke en economische stabilisering van Oekraïne in de weg.

Het is 2014, niet 1938 of 1956- en dat is waarom Poetins flagrante schending van de Oekraïense soevereiniteit als zo’n verrassing komt. De postmoderne Europeanen hebben hun eigen strijdkrachten al half afgeschaft, rekenen niet meer op militair tromgeroffel in Europa en kunnen alleen denken in termen van ‘win-win’-diplomatie. Bovendien heeft Poetin veel Europese leiders, de Nederlandse voorop, in zijn broekzak zitten ais gevolg van de jarenlange bilaterale opbouw van energieposities in bijna alle EU-markten. Hij wist dat hij er geen direct tegenspel te verwachten had. in zekere zin geldt dat ook voor het 'terugtrekkende’ Amerika, dat Rusland tot nu onmisbaar achtte in onder meer zijn Iran-diplomatie.

Poetin kan dus een de facto inlijving van de Krim, en zelfs delen van Oost-Oekraïne, afdwingen. Het valt zeer te hopen dat de wereldgemeenschap hem nog kan intomen en een hete oorlog in Oekraïne voorkomen kan worden. Maar ongeacht wat volgt: Poetin is de Rubicon overgetrokken. Dat betekent dat alle betrokkenen de balans moeten opmaken van hun relatie met dit Russische bewind. Dat geldt ook voor Nederland als de facto bruggenhoofd voor Gazprom en veilige kluis voor criminele miljarden uit Rusland.

Arnout Brouwers is chef opinie van de Volkskrant.

© de Volkskrant
3 maart 2014

donderdag 13 februari 2014

Kamerbrief over internationale militaire samenwerking

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 13 februari 2014
Betreft Internationale militaire samenwerking

Naar aanleiding van mijn toezegging tijdens het algemeen overleg van 3 juli 2013 (Kamerstuk 33 279, nr. 8) informeer ik u voortaan jaarlijks over de stand van zaken van de internationale militaire samenwerking. In bijlage treft u een overzicht aan van de belangrijkste huidige samenwerkingsverbanden. Dit is een geactualiseerde versie van het overzicht dat u op 25 oktober 2013 heeft ontvangen (Kamerstuk 33 750 X, nr. 6). In deze brief zet ik de belangrijkste ontwikkelingen in 2013 uiteen. Hierbij staat de intensivering van de bilaterale samenwerking met de strategische partners centraal. Allereerst sta ik stil bij de verankering van de internationale militaire samenwerking, nationaal en in zowel Navo als EU-verband. Vervolgens ga ik in op de stand van zaken van de intensivering van de samenwerking met de strategische partners, het samenwerkingsproject voor Air-to-Air Refueling en het overleg in de Northern Group. De brief sluit af met een paragraaf over oefenen en gereedstellen in internationaal verband. Daar krijgt de internationale militaire samenwerking concreet gestalte. De brief gaat niet in op samenwerking bij operationele inzet zoals in Afghanistan, Mali, de Hoorn van Afrika of Turkije aangezien de Kamer daarover afzonderlijk wordt geïnformeerd.

De focus op ontwikkelingen in 2013 laat uiteraard onverlet dat Defensie reeds vele succesvolle vormen van internationale samenwerking kent. Slechts enkele voorbeelden zijn de Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking (Benesam) van het Commando Zeestrijdkrachten (CZSK), het Duits-Nederlandse legerkorpshoofdkwartier in Münster waarbij het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) intensief betrokken is, de samenwerking op het gebied van jachtvliegtuigen zoals de operationele testfase van de F-35 van het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK), en de betrokkenheid van de Koninklijke Marechaussee bij het Europese gendarmeriekorps EUROGENDFOR en de Frontexsamenwerking bij het bewaken van de EU-buitengrenzen.
Ook op de gebieden van materieel, onderzoek en technologieontwikkeling,
inlichtingen en medische deskundigheid wordt intensief samengewerkt.

Verankering internationale militaire samenwerking

Nationaal

In 2013 zijn stappen gezet die voortbouwen op de nota Internationale Militaire Samenwerking van 11 mei 2012 (Kamerstuk 33 279, nr. 3). Deze samenwerking heeft het kabinet verder in het beleid verankerd door middel van de Internationale Veiligheidsstrategie (Kamerstuk 33 694, nr. 2 van 21 juni 2013) en de nota In het belang van Nederland (Kamerstuk 33 763, nr. 1 van 17 september 2013).

De Internationale veiligheidsstrategie (IVS) onderkent drie strategische belangen: de verdediging van het eigen en het bondgenootschappelijk grondgebied; een goed functionerende internationale rechtsorde; en economische veiligheid. De IVS legt in dat kader een accent op meer Europese verantwoordelijkheid. Het afnemende relatieve gewicht van individuele Europese landen vereist verdieping van de samenwerking met Europese partners. Dit is tevens van belang om relevant te blijven voor de Verenigde Staten en de rest van de wereld. Een sterke EU is van belang voor een stabiel internationaal stelsel en een sterke Navo. De IVS bepleit in dat verband meer defensiesamenwerking met andere Europese landen om ons militaire handelingsvermogen te vergroten en voldoende slagkracht te behouden. Internationale coördinatie door Navo en EU is hierbij van belang.

De nota In het belang van Nederland berust op het uitgangspunt dat Nederland niet in staat is op eigen kracht zijn veiligheid te verzekeren. Onze veiligheidsbelangen zijn verknoopt met de wereld om ons heen. Om dreigingen en risico’s ook in de toekomst het hoofd te kunnen bieden, is verdere verdieping van militaire samenwerking noodzakelijk, zowel apart met gelijkgezinde landen als in multinationaal verband. Dit vraagt ook om een andere omgang met soevereiniteit, waarin vergroting van handelingsvermogen en de betrouwbaarheid van samenwerkingspartners centraal staan. Ik heb daarvoor in 2013 in internationaal verband bij herhaling aandacht gevraagd en zal dat blijven doen. Militaire partners moeten op elkaar kunnen rekenen.

Met verdieping van de samenwerking kunnen inzetbaarheid en voortzettingsvermogen worden versterkt en ontbrekende capaciteiten gecompenseerd. Samen met partners kan hiermee op termijn voldoende schaalgrootte worden bereikt. Bestaande samenwerkingsverbanden zullen in dat kader zoveel mogelijk worden benut en verder versterkt. Deze doelstelling sluit aan bij de praktijk, waarbij onderzoek, opleidingen, oefeningen en inzet steeds vaker in internationaal verband worden uitgevoerd. EU en Navo vormen het multilaterale raamwerk voor de inzet van de krijgsmacht. Zij geven sturing en richting aan de ontwikkeling van militaire capaciteiten door middel van de vaststelling van tekorten en de ontwikkeling van doctrines en concepten.

Internationaal

Ook in Europees verband zijn stappen gezet in de beleidsmatige verankering van uitgangspunten voor internationale militaire samenwerking. In 2013 betrof dit vooral de uitwerking van voorstellen in EU-kader voor de verdieping van samenwerking op het terrein van veiligheid en defensie, ter voorbereiding op de Europese Raad op 19 en 20 december 2013. Naast de verhoging van de effectiviteit en zichtbaarheid van het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB) stonden daarbij gezamenlijke capaciteitenontwikkeling en versterking van de defensiemarkt en –industrie centraal. De Europese Raad heeft een groot aantal voorstellen op deze terreinen bekrachtigd, mede op basis van het Final Report on CSDP van de Hoge Vertegenwoordiger Ashton en de Commissiemededeling over defensiemarkt en -industrie. De Europese Raad heeft besloten halverwege 2015 de voortgang te bespreken. Het debat in de Europese Raad over veiligheid en defensie moet daarom niet worden beschouwd als een eindpunt, maar eerder als het begin van een nieuw proces.

Met de Raadsconclusies van de Europese Raad is het kader voor de EU-inspanningen
op het terrein van het GVDB en defensiesamenwerking voor de komende periode vastgelegd. Uit de tekst spreekt het grote belang van de doorontwikkeling van het GVDB, teneinde de Europese landen in staat te stellen gezamenlijk meer verantwoordelijkheid te nemen op het terrein van veiligheid en defensie. Naast de gevoelde noodzaak vanwege veranderingen in de strategische context ligt de nadruk ook op de optimale benutting van het potentieel voor capaciteitsversterking. De inspanningen van de landen afzonderlijk zijn te versnipperd om samen een sterke vuist te maken. De lidstaten moeten beter gebruik maken van schaalvoordelen om investeringen in (de ontwikkeling van) nieuwe kennis, technologieën en capaciteiten betaalbaar te houden. Er is behoefte aan een structurele langetermijnaanpak voor de harmonisering van defensiebeleid en -planning, gezamenlijk onderzoek, en capaciteitsontwikkeling op nieuwe gebieden zoals tankervliegtuigen, cyber en op afstand bestuurde systemen. Europa moet daarvoor kunnen beschikken over een defensie-industrie die innovatief en concurrerend is. De EU en de Navo moeten de samenhang van de Europese defensiesamenwerking bewaken, de landen wijzen op gezamenlijk gedefinieerde prioriteiten en de uitwerking van nieuwe initiatieven optimaal ondersteunen.

Voor de uitwerking van de voorstellen en initiatieven in de praktijk zijn nu de Europese landen in belangrijke mate zelf aan zet. De landen blijven in bilateraal verband of in kleinere groepen de drijvende kracht achter internationale militaire samenwerking. Succesvolle vormen van samenwerking zoals Benesam en het Duits-Nederlands hoofdkwartier onderstrepen de toegevoegde waarde van geïntegreerde bilaterale samenwerking en het European Air Transport Command (EATC) is een goed voorbeeld van pooling and sharing van bestaande capaciteiten. De Raadsconclusies van de Europese Raad onderstrepen dat succesvolle initiatieven zoals het EATC zoveel mogelijk op andere terreinen moeten worden toegepast. Het door Nederland geleide project op het terrein van Air-to-Air Refueling biedt in potentie perspectief op kansrijke projecten voor gezamenlijke verwerving, instandhouding en inzet van strategische capaciteiten op andere gebieden.

Tegen deze achtergrond beschouw ik de uitkomsten van het debat in de Europese Raad als een steun in de rug. De intensivering van de samenwerking met Europese partners in regionale en multinationale verbanden wordt geschraagd door, en draagt tegelijk bij aan, de verdieping van Europese defensiesamenwerking. Deze boodschap zal ik ook centraal stellen in mijn voorbereiding van de Navo-Top in september dit jaar. De strategische uitdagingen waarvoor de Navo staat, hebben in belangrijke mate te maken met hetzelfde vraagstuk van verdieping van Europese defensiesamenwerking in het post-Afghanistan tijdperk. De vastgestelde behoefte aan gezamenlijke capaciteitsontwikkeling is in de Navo en in de EU vergelijkbaar. Beide organisaties zetten daarop in. Initiatieven zoals pooling and sharing en Smart Defence hebben hetzelfde oogmerk. Beide organisaties willen de militaire samenwerking versterken, door deze te coördineren en te faciliteren, te richten op de voornaamste militaire tekorten en in de vorm van multinationale projecten. Ook de Navo zal zich rekenschap moeten geven van het belang om het kader voor internationale militaire samenwerking zoveel mogelijk overeen te laten komen met de inspanningen van de Europese landen in EU-verband. De doorontwikkeling van het GVDB moet tegelijk worden beschouwd als versterking en aanvulling van de defensiesamenwerking in Navo-verband.

Prioriteiten bij samenwerking

In de nota Internationale Militaire Samenwerking van mei 2012 is een indeling gemaakt van mogelijke samenwerkingspartners. Het betreft strategische partners, gelieerde partners en gelegenheidspartners.

Bij strategische partners is de (geo)politiek-strategische afstand tot Nederland gering en zij kennen een met Nederland vergelijkbare politieke cultuur. De samenwerking betreft meerdere, samenhangende doelen van hoge prioriteit en met deze partners is verdiepte, langdurige samenwerking mogelijk met duidelijke samenwerkingsverbanden en tijdschema’s. De samenwerking met deze partners levert aanzienlijke voordelen op voor de effectiviteit en doelmatigheid van de inzet van de Nederlandse krijgsmacht.

Gelieerde partners vinden elkaar doorgaans vanuit een groter verband: zij zijn al aan elkaar gelieerd via bijvoorbeeld EU of Navo. Het initiatief voor samenwerking is meestal top-down ingegeven vanuit deze grotere verbanden.

De samenwerking betreft enkele doelen van hoge prioriteit en de samenwerking is minder verdiept en veelal van kortere duur dan bij de strategische partners. De samenwerkingsvorm ligt minder vast en er is een minder directe of afgeleide relatie met voordelen voor de effectiviteit en de doelmatigheid van de krijgsmacht. Bij gelegenheidspartners is sprake van samenwerking met een beperkt aantal doelen. De samenwerking wordt vooral ingegeven door de urgentie van het moment of door politieke dan wel militaire opportuniteit.

Daarnaast blijft samenwerking aan de orde met gelegenheidspartners om redenen van buitenlandspolitieke aard of economische diplomatie. Defensie geeft bij intensivering van de militaire samenwerking prioriteit aan samenwerking die voor de krijgsmacht duidelijke meerwaarde oplevert, waarbij overigens steeds geldt dat samenwerking niet direct leidt tot besparingen: de kost gaat veelal voor de baat uit. Verdergaande militaire samenwerking wordt daarom vooral gericht op de strategische (regionale) partners, zoals België, Duitsland en Luxemburg. Naar verwachting wordt met deze landen de meeste synergie bereikt.

Strategische partners

Zoals uiteengezet in de nota over internationale militaire samenwerking van mei 2012 richt Defensie zich bij de bilaterale samenwerking op een beperkt aantal strategische partners. Dit zijn in de eerste plaats België, Duitsland en Luxemburg. Daarnaast blijft Defensie nauw samenwerken met bijvoorbeeld Denemarken, Frankrijk, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Hieronder geef ik voor deze landen de belangrijkste ontwikkelingen weer in het afgelopen jaar. De bijlage gaat meer in detail in op de samenwerkingsverbanden met deze partners. Toelichting en bijlage samen geven een volledig beeld van de samenwerking per land en illustreren de betekenis daarvan.

Duitsland

De defensiesamenwerking met Duitsland is van oudsher van grote betekenis. Met de ondertekening op 28 mei 2013 van de Declaration of Intent (DoI) is deze samenwerking op een nog hoger plan gebracht. In de DoI hebben beide landen de intentie vastgelegd om kansrijke samenwerkingsmogelijkheden uit te werken die op werkniveau zijn bedacht en waarbij de integratie van eenheden tot de mogelijkheden behoort. Een hoogambtelijke overlegstructuur (High Level Steering Group, HLSG) geeft sturing aan de samenwerking en bewaakt de voortgang.

Het afgelopen jaar hebben de defensieorganisaties van beide landen intensief overlegd over de nadere uitwerking van de DoI. Allereerst is de inrichting ter hand genomen van een effectieve samenwerkingsstructuur die beide organisaties in staat stelt toe te zien op de uitvoering van de in de DoI geformuleerde ambities. Naast de inrichting van stuur- en werkgroepen op het niveau van de operationele commando’s (marine, landmacht, luchtmacht), op het gebied van militaire gezondheidszorg en op logistiek gebied, is er ook intensief overleg op het gebied van capaciteitenontwikkeling, alsmede verwerving en onderhoud van defensiematerieel. Daarnaast zijn alle lopende en nieuwe samenwerkingsinitiatieven tegen het licht gehouden om daarmee de samenwerking te bewaken en te sturen.

Op het niveau van de operationele commando’s zijn verschillende werkgroepen bezig met de uitwerking van samenwerkingsvormen. De meest in het oog springende ideeën zijn:

• Het Duits-Nederlandse Legerkorpshoofdkwartier ontwikkelen tot een Joint Task Force hoofdkwartier voor de Navo;
• Integratie van 11 Luchtmobiele Brigade (11 LMB) in de op te richten Division Schnelle Kräfte (DSK);
• Integratie van de eenheden van de Grondgebonden Lucht- en Raketverdediging;
• Integratie van Duitse en Nederlandse vuursteuneenheden;
• Samenwerking op maritiem gebied.

De schietoefening Griffin Strike in augustus 2013 in het Duitse Baumholder was het eerste praktische resultaat van afspraken tussen de twee landmachten over de integratie van vuursteun. In het komende jaar wordt de opstelling van een roadmap voortgezet waarin de ambities worden vertaald naar concrete samenwerkingsplannen met mijlpalen. Een eerste concreet resultaat hiervan zal in juni van dit jaar de formele integratie zijn van 11 LMB in DSK met een ceremonie in het Duitse Stadtallendorf. Verder wordt dit jaar begonnen met de oprichting van een binationale stafkern voor de Grondgebonden Lucht- en Raketverdedigingseenheden in het Duitse Husum.

Benelux

In 2013 zijn de afspraken uit de Ministeriële Verklaring van april 2012 nader uitgewerkt. Inmiddels zijn verschillende overeenkomsten getekend over de uitwisseling van officieren bij de operationele commando’s en de Belgische en Nederlandse defensiestaven. Bij de Defensiestaf en de landmacht zijn de eerste uitwisselingsofficieren aangetreden. De commandanten van de Belgische en Nederlandse luchtmachten zijn het eens geworden over de uitwisseling van helikopterpersoneel en daarnaast hebben zij een overeenkomst getekend over de inrichting van een Belgian-Netherlands Coordination Cell voor de Nederlandse en Belgische helikoptereenheden. In januari 2014 is begonnen met de eerste geïntegreerde opleiding van de zogenoemde jumpmasters (para-instructeurs) in Schaffen. Eveneens dit jaar zullen daar para-opleidingen voor het halen van het brevet ‘automatische opening’ worden gegeven. Op het gebied van de opleidingen zijn inmiddels vergaande stappen gezet voor een begin van de integratie van de vervolgopleidingen van officieren.

Met mijn Belgische collega heb ik op 23 oktober 2013 een Letter of Intent getekend inzake de opstelling van een verdrag over gezamenlijke luchtruimbewaking (Kamerstuk 33 763, nr. 11). Daarnaast zullen de Beneluxpartners naar verwachting binnenkort een Memorandum of Understanding (MoU) tekenen over de inrichting van het Benelux Arms Control Agency (BACA). Bij deze geïntegreerde eenheid nabij Brussel zijn vier Nederlandse militairen geplaatst. Het BACA zal alle inkomende en uitgaande wapenbeheersingsinspecties in de Benelux organiseren.

Samen met mijn Belgische en Luxemburgse collega’s heb ik een Beneluxdocument over defensiesamenwerking opgesteld ter voorbereiding van de Europese Raad in december 2013. De Kamer heeft dit document op 20 november 2013 ontvangen. Wij hebben daarbij de militaire Beneluxsamenwerking ten voorbeeld gesteld voor verdergaande samenwerking in Europees verband. De voorbereiding van de EU Battlegroup in de tweede helft van 2014 onder Belgische leiding is een voorbeeld van regionale samenwerking. Wij hebben uiteengezet dat wij onze bijdragen aan de EU Battlegroup (EUBG) voor 2018 en voor een volgend rotatieschema willen aanbieden als bijdrage vanuit de Benelux.

Ook op materieelgebied werken België en Nederland intensief samen, zoals bij de verwerving van het Smart Vest dat in Nederland deel uitmaakt van het project VOSS, de gezamenlijke aanschaf en het beheer van reservedelen voor de NH-90 helikopters, de aanschaf van graafmachines en samenwerking bij onderzoek naar de kwaliteit van munitie.

Onder het Belgische voorzitterschap van de Benelux-samenwerking in 2012 is veel aandacht geweest voor de inrichting van de structuur en is begonnen met de inrichting van de projectorganisatie. Onder het Luxemburgse voorzitterschap in 2013 zijn de resultaten bereikt die ik hierboven heb beschreven. Onder het Nederlandse voorzitterschap in 2014 zullen de projecten verder worden uitgewerkt. Daarnaast zal de samenwerking zich ook gaan uitstrekken tot het gebied van defensieplanning. Tevens is het komende jaar, na twee jaar van samenwerking en uitwerking van projecten, het moment aangebroken om het geheel van mogelijke projecten tegen het licht te houden, en daarbij de meer kansrijke projecten een extra impuls te geven en de minder perspectiefrijke projecten te beëindigen. De schaarse stafcapaciteit kan daarmee worden gebruikt voor een zo goed mogelijk resultaat.

Frankrijk

De defensiesamenwerking tussen Frankrijk en Nederland is al jaren hecht. De samenwerking op defensiegebied was dan ook een belangrijk thema van de Gemeenschappelijke Verklaring die de Franse president Hollande en ministerpresident Rutte hebben uitgegeven op 20 januari jl. ter gelegenheid van het staatsbezoek van het Franse staatshoofd. De Gemeenschappelijke Verklaring gaat onder andere uitvoerig in op de samenwerking op operationeel gebied, zoals in het kader van de antipiraterijoperaties Atalanta en Ocean Shield, in Mali en in het kader van EUROGENDFOR op het gebied van politie met een militaire basis. Frankrijk heeft op 1 januari jl. het jaarlijks roulerende voorzitterschap van EUROGENDFOR overgenomen van Nederland. Een belangrijk deel van de samenwerking met Frankrijk heeft plaats in een multilateraal kader met een beperkt aantal andere landen. Het EATC te Eindhoven, waarin vijf landen samenwerken en dat inmiddels volledig operationeel is geworden, is een goed voorbeeld op het gebied van luchttransport. Nederland en Frankrijk blijven in dit verband nauw samenwerken en willen bezien hoe dit concept kan worden doorontwikkeld en uitgebreid. Daarnaast trekken Frankrijk en Nederland binnen de EU gezamenlijk op bij het multilaterale project Air-to-Air Refueling voor bijtanken in de lucht.

De beide landmachten hebben onlangs afgesproken om te kijken naar de mogelijkheden voor samenwerking tussen de 13 Gemechaniseerde Brigade, die zal worden omgevormd tot een gemotoriseerde brigade, en een Franse brigade uit Clermont-Ferrand. Het Ondersteuningscommando Land van het CLAS zal nauw gaan samenwerken met een Franse logistieke brigade. Ook op het gebied van opleidingen en trainingen wordt intensief samengewerkt. Zo nemen Nederlandse militairen deel aan cursussen voor het midden- en hogere kader waaronder de Franse Hogere Krijgsschool en de Franse interdepartementale hogere opleiding IHEDN. Verschillende liaison- en uitwisselingsofficieren zijn bij Franse eenheden in Frankrijk en Gabon geplaatst. Beide landen streven naar een vergroting van de uitwisseling van personeel bij opleidingen en bij staven. Tot slot wordt onderzocht of met Frankrijk een gezamenlijke school voor jungletraining in Gabon kan worden opgezet.

Denemarken, Noorwegen, Verenigd Koninkrijk en Verenigde Staten 
De samenwerking met Denemarken, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en, in het bijzonder, de Verenigde Staten is al tientallen jaren zeer intensief en van groot belang voor de Nederlandse krijgsmacht. Daarom valt hierover in 2013 relatief weinig extra te rapporteren. De relaties tussen de krijgsmachten strekken zich uit tot gebieden als doctrine, kennisuitwisseling, innovatie, opleidingen, trainingen, oefeningen en operaties. Nederland en het Verenigd Koninkrijk nemen beide deel aan de operationele testfase van de F-35 in de Verenigde Staten. Inmiddels is personeel van het CLSK begonnen aan de opleiding op dit toestel.

Met onder andere het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen worden de mogelijkheden voor verdere samenwerking bij de F-35 onderzocht. In april 2013 hebben Noorwegen een Nederland een MoU getekend over materieelsamenwerking dat de randvoorwaarden schept voor verdere overeenkomsten zoals over onderzeeboten.

Verder heeft het Verenigd Koninkrijk onlangs het initiatief genomen voor de oprichting van een Joint Expeditionary Force, waarin enkele andere landen waaronder Nederland desgewenst kunnen participeren. Nederland onderzoekt de mogelijkheden hieraan een bijdrage te leveren.

Air-to-Air refueling

Een ander speerpunt van samenwerking is het door Nederland geleide project voor de verwezenlijking van een multinationale Multi-Role Tanker Transport (MRTT) vloot. Met het tekenen van de Letter of Intent in november 2012 is Nederland lead nation geworden van een van de vier pijlers van het project ter versterking van Europese Air-to-Air Refueling capaciteit. Negen EDA-lidstaten (België, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Luxemburg, Nederland, Polen, Portugal en Spanje) en Noorwegen hebben de Letter of Intent ondertekend. Van deze landen zijn vooral België, Frankrijk, Nederland, Noorwegen, Polen en Spanje nauw bij het project betrokken.

De essentie van het door Nederland geleide project is door middel van een gezamenlijke verwerving van tankervliegtuigen een bijdrage te leveren aan vermindering van dit strategische tekort dat zowel door de Navo als de EU is geconstateerd. Doordat de landen hun geplande investeringen in aanvullende, vervangende of nieuwe tankercapaciteit op elkaar afstemmen, kunnen de vliegtuigen goedkoper samen worden aangeschaft dan bij afzonderlijke verwervingstrajecten. Voor Nederland gaat het om de geplande vervanging van de KDC-10 vliegtuigen vanaf 2020.

Na de gezamenlijke investering in hetzelfde type vliegtuig worden aanvullende voordelen behaald doordat de landen voornemens zijn de vliegtuigen onder te brengen in een multinationale structuur voor samenwerking bij onderhoud, opleiding, training en inzet. Daarbij worden ook de mogelijkheden van samenwerking met andere multinationale structuren (zoals het EATC) en partners met een vergelijkbare capaciteit verkend. De uitgangspunten van het project voor Air-to-Air Refueling sluiten nauw aan bij de doelstellingen van de EDA-gedragscode voor pooling and sharing, die de EU-lidstaten in november 2012 hebben bekrachtigd.

Nederland en de meest betrokken landen willen in september dit jaar beginnen met de verwervingsfase van het project. De planning is om in 2015 het verwervingscontract te tekenen zodat de eerste toestellen vanaf 2019 kunnen worden geleverd. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd in overeenstemming met het Defensie Materieelproces.

De vorderingen worden nauwlettend gevolgd in de EU en in de Navo. De oprichting van een multinationale MRTT-vloot kan een voorbeeldfunctie vervullen voor verdieping van Europese defensiesamenwerking op andere terreinen. Anderzijds is het welslagen afhankelijk van diverse beslismomenten met meerdere actoren, waarbij de keuze voor het type toestel en het besluit tot de inrichting van een multinationale eenheid in sterke mate de uitkomst bepalen.

Northern Group

In de Northern Group spreken Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, IJsland, Letland, Litouwen, Nederland, Noorwegen, Polen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden sinds 2011 regelmatig informeel over Navo- en EU-aangelegenheden. Hierbij is geen besluitvorming aan de orde; het gaat om informele gedachtewisselingen. Bijkomend voordeel is de mogelijkheid van gezamenlijk overleg tussen landen die geen lid zijn van de EU (Noorwegen) dan wel de Navo (Finland en Zweden). Verder zijn in 2013 de mogelijkheden onderzocht van nauwere samenwerking binnen de Northern Group. Uitgangspunt in dezen is zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande samenwerkingsverbanden. In dat kader hebben de ministers van de Northern Group op 3 december in Helsinki een matrix besproken met activiteiten die perspectief bieden op nauwere samenwerking. Hierbij gaat het om gezamenlijke oefening en training (onder meer voor cyberveiligheid), het uitbreiden en pooling and sharing van capaciteiten (onder andere Air-to-Air refueling en trainingsfaciliteiten) en kennisdeling en -vergaring door middel van non-papers en seminars (zoals over green defence en het NATO Defence Planning Process).

Belangrijk resultaat is de uitnodiging aan Nederland en het Verenigd Koninkrijk om aan te sluiten bij het project Sea Surveillance of the Baltic Sea (SUCBAS) dat streeft naar een omvattend maritiem informatiebeeld van de Oostzee en de Noordzee. Nederland zal hierop positief reageren. Dit project bevordert de veiligheid op zee en de informatie is economisch van belang vanwege onder meer inzicht in de vaarroutes. Nederland zal verder het initiatief nemen voor een seminar over de mogelijkheden van het EATC. Ik heb in Helsinki nog eens onderstreept dat het EATC open staat voor toetreding van andere landen of groepen landen. Verder onderzoekt Nederland mogelijkheden om aan te sluiten bij activiteiten van de Nordic Defence Cooperation (NORDEFCO), het samenwerkingsverband van Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden. Hierover zal in de loop van 2014 duidelijkheid ontstaan.

Oefeningen en gereedstelling

Gezamenlijk oefenen en gereedstellen zijn belangrijke vormen van militaire samenwerking. De bekendste voorbeelden van samenwerking bij gereedstelling zijn de bijdragen aan de NATO Response Force (NRF) en de Battlegroups. Het meest zichtbare resultaat van deze bijdragen van verschillende landen bestaat uit de beschikbaarheid van de desbetreffende snel inzetbare eenheid.

De samenwerking biedt echter ook andere voordelen. Door gezamenlijk te oefenen en de gereedstelling voor te bereiden, kunnen de deelnemende landen van elkaar leren en doet het deelnemende personeel ervaring op in internationale samenwerking. Dit is van belang aangezien de Nederlandse krijgsmacht bij operaties in vrijwel alle gevallen intensief samenwerkt met andere landen. De bijdragen aan NRF en EU Battlegroups kunnen daarom ook indirect positieve effecten hebben op de kwaliteit van de krijgsmacht. Dit geldt uiteraard ook voor internationale oefeningen waar Nederland aan deelneemt. In deze paragraaf zal ik enkele van de grotere oefeningen benoemen.

In de tweede helft van 2013 heeft Nederland samen met Zweden, Litouwen en Letland deelgenomen aan een door het Verenigd Koninkrijk geleide EUBG-oefening. De Nederlandse bijdrage bestond uit elf Viking-voertuigen met chauffeurs en onderhoudspersoneel. De deelnemende landen aan deze Battlegroup hebben met enige regelmaat politieke en ambtelijke consultaties gehouden over inzetscenario’s en nationale afwegingen bij besluitvorming over inzet. De landen hebben op basis van de ervaringen geconcludeerd dat regelmatige consultaties tussen de deelnemende landen, inclusief op politiek niveau, kunnen bijdragen aan een betere voorbereiding op inzet en snellere politieke besluitvorming. Dit belangrijke aspect is op basis van een gezamenlijk paper overgenomen in de voorstellen die door de Europese Raad zijn bekrachtigd voor een beter gebruik van het EUBG-concept.

In 2013 leverde Nederland gedurende twee perioden van in totaal zeven maanden een mijnenjager voor de Immediate Response Force (IRF) van de NRF. Deze mijnenjager werd in Navo-verband voorbereid op inzet. In 2014 levert Nederland een amfibisch transportschip en acht F-16’s voor de IRF. Daarnaast wordt vanaf maart en vanaf augustus twee keer voor een periode van drie maanden een mijnenjager beschikbaar gesteld. Ook zal Nederland de eerste helft van het jaar een fregat bijdragen dat zal deelnemen aan een grote Navo-oefening in de Baltische regio.

De operationele commando’s hebben in 2013 op uitgebreide schaal deelgenomen aan oefeningen waarbij sprake was van internationale samenwerking. Het CZSK heeft een permanente samenwerking met de Belgische marine terwijl het Korps Mariniers is geïntegreerd in de UK/NL Amphibious Force die in 2013 haar 40-jarig bestaan vierde. Maritieme eenheden hebben samen met het Verenigd Koninkrijk deelgenomen aan de Navo-oefening Joint Warrior. Daarnaast heeft het CZSK met een LPD een bijdrage geleverd aan het African Partnership Station waarbij intensief is samengewerkt met een aantal Afrikaanse landen en Navo-landen zoals Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.

Het CLAS organiseert regelmatig certificeringsoefeningen voor bataljons samen met Duitse eenheden in het Duitse Altmark en houdt jaarlijks met Duitsland de binationale vuursteunoefening Griffin Strike. Eenheden van het CLAS en CLSK hebben deelgenomen aan meerdere oefeningen in het Amerikaanse Fort Hood.

Speciale eenheden van CLAS en CZSK hebben deelgenomen aan de oefening Flintlock in Mauritanië, Burkina Faso en Senegal. Daarbij wordt samen met de lokale Afrikaanse strijdkrachten geoefend onder verantwoordelijkheid van het Amerikaanse Africa Command. Het CLAS heeft een oefening van Afrikaanse landen in Zambia ondersteund op het gebied van verbindingen, en levert met genisten en geneeskundig personeel een bijdrage aan de opbouw van de veiligheidssector in Burundi. Het CLSK heeft de oefening voor jachtvliegtuigen Frisian Flag gehouden samen met eenheden uit België, Finland, Frankrijk en Zweden. Met eenheden uit België, Duitsland, Frankrijk en Spanje is geoefend op het gebied van transportvliegtuigen en met eenheden uit onder andere België, Duitsland, Finland en Portugal op het gebied van transporthelikopters.

Ten slotte

Nederland behoort sinds jaar en dag tot de koplopers als het gaat om internationale militaire samenwerking. Dat is uiteraard niet alleen een Nederlands succes. Verdere verdieping van de samenwerking veronderstelt opnieuw de bereidheid van partners om even ver te willen gaan. De verdieping van de samenwerking heeft met enkele landen inmiddels een niveau bereikt waarbij belangrijke gevolgen voor de wederzijdse investeringsprogramma’s aan de orde kunnen zijn. Stappen die leiden tot verdergaande wederzijdse afhankelijkheden vragen verder om nauwere betrokkenheid van nationale parlementen bij internationale militaire samenwerking. Ik zal mij in 2014 daarom opnieuw krachtig inzetten voor de verdere uitvoering van de samenwerkingsagenda, onder meer door mij actief in te zetten voor meer samenhang tussen nationale procedures, plannings- en verwervingsprocessen.

Ik ben er van overtuigd dat met de strategische partners, en in EU en Navo-verband, opnieuw resultaten zullen worden behaald.

DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert

Bijlage: Geactualiseerd overzicht van samenwerkingsverbanden
Standdatum 1 januari 2014

Het onderstaande is een overzicht van de belangrijkste samenwerkingsthema’s per land of categorie landen, alsmede van de samenwerking in multinationaal verband. Mede vanwege het overwegend vertrouwelijke karakter van internationale samenwerking is dit overzicht niet uitputtend.

Samenwerkingsgebieden met België en Luxemburg
Benelux: structurele samenwerking op basis van de ministeriële verklaring van 18 april 2012, geleid door een tri-nationale stuurgroep. Nederland is in 2014 voorzitter hiervan.

Gezamenlijk helikoptercommando (Combined Joint Helicopter Command, CJHC): in oktober 2013 hebben de Belgische en Nederlandse luchtmachtcommandanten een overeenkomst getekend over een uitwisselingsprogramma voor vliegers en over de inrichting van een Belgian-Netherlands Coordination Cell (BENECC). Beide landen houden reeds gezamenlijke oefeningen. Ook is begonnen met de uitwisseling van leerlingen bij de opleiding van gevechtsleiders. De gezamenlijke training op en onderhoud van de NH-90 helikopter worden verder uitgewerkt.

Luchtruimbewaking: op 23 oktober 2013 hebben de ministers van Defensie van België en Nederland een Letter of Intent getekend over de opstelling van een verdrag over de integratie van de luchtruimbewaking, inclusief de Renegade-taak. Een binationale werkgroep werkt nu dit verdrag uit. Het ligt in de bedoeling de integratie van de luchtruimbewaking in 2016 tot stand te brengen.

Oprichten combined Paraschool: in januari 2014 is een geïntegreerde opleiding gestart voor parainstructeurs. In 2014 zullen Nederlandse militairen worden opgeleid voor het parabrevet automatische opening (static line) in Schaffen, België. Het onderzoek naar een geïntegreerde vrije valopleiding is naar verwachting gereed in 2014.

Opleiding & Training: beide landen maken steeds meer wederzijds gebruik van bestaande opleidings- en oefenfaciliteiten, zoals op het gebied van civiel-militaire samenwerking (CIMIC), explosievenopruiming (EOD), verdediging tegen chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen (CBRN), verkenningen (ISTAR) en Counter-IED. Waar mogelijk worden doctrines en syllabi gesynchroniseerd om tot gezamenlijke opleidingen te komen.

Tactische oefeningen en schietseries: Voor 2014 wordt een overeenkomst voorzien over de uitwisseling en training van detachementen op het Belgische oefengebied in het Duitse Bergen. België en Nederland streven naar een gezamenlijke trainingskalender en het gezamenlijk gebruik van de tactische trainingsfaciliteiten in 2014 en 2015. De doelstelling is om vanaf 2016 gebruik te maken van een geïntegreerde trainingsagenda. De ontwikkeling van een Beneluxcentrum voor simulaties van landoptreden in Amersfoort is in onderzoek.

Special Forces: in 2014 verdergaande samenwerking op het gebied van gereedstelling en inzet. Een geïntegreerde bijdrage wordt voorzien aan de snel inzetbare eenheden van EU en Navo.

Uitwisseling officieren: Een aanvang is gemaakt met de Belgisch-Nederlandse uitwisseling bij nationale staven, de staven van operationele commando’s en bij eenheden. Een studie wordt verricht naar de mogelijke gezamenlijke vulling posities in internationale staven.

Militaire gezondheidszorg: de gezamenlijke training en oefening van medische evacuaties per helikopter in 2014 is vastgelegd. Op basis van operationele testen lijkt een gezamenlijk concept voor medische zorg aan boord van schepen haalbaar. De ontwikkeling van gezamenlijke opleidingen voor geneeskundig personeel is gestart.

ISTAR: oprichting gezamenlijk Recognition Center in het Belgische Heverlee, gezamenlijke opleidingskalender en opleidingen, onderzoek naar gezamenlijke verwerving van tactische onbemande toestellen. Nederlandse deelneming is voorzien aan de EU Battlegroup in de tweede helft van 2014 onder Belgische leiding met Raven UAV’s.

Officiersopleidingen: de samenwerking bij hogere stafcursussen is begonnen. De Nederlandse deelneming aan de bestaande Belgische masteropleiding wordt uitgewerkt en een studie naar de verdere integratie van vervolg- en masteropleidingen is gaande. Voorzien is dat de hogere stafopleiding in het cursusjaar 2014 -2015 voor de helft geïntegreerd zal zijn.

Wapenbeheersing: in 2013 is de combined Benelux Arms Control Agency (BACA) begonnen met de werkzaamheden. De MOU voor de oprichting wordt binnenkort getekend. De Belgische, Luxemburgse en Nederlandse eenheden zijn samengevoegd onder één gezamenlijk commando en de nieuwe eenheid wordt gestationeerd in het Belgische Peutie. De BACA wordt aangestuurd door een trinationale stuurgroep.

Professional Education & Training Air: een studie wordt uitgevoerd naar een gezamenlijke opleidingseenheid voor overlevingstechnieken voor de bemanningen van vliegtuigen. Aanvankelijk zal de eenheid onder binationaal commando staan, op termijn komt er een gezamenlijk commando.

Benesam: het voortzetten van de marinesamenwerking in het kader van Benesam.

Marineschepen: samenwerking bij de modernisering en het onderhoud van de M-fregatten en het onderhoud van de mijnenjagers. Mogelijke samenwerking bij de vervanging van de mijnenjagers wordt onderzocht.

Smart Vest: de verwerving van een communicatie-, informatie- en beschermingssysteem voor individuele militairen. Smart Vest is het gemeenschappelijke element van de drie nationale programma’s, in Nederland bekend als Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS). Voor de aanbesteding van het Smart Vest treedt Nederland op als single contracting nation namens de drie Benelux-landen.

Overig materieel: het betreft onder meer de gezamenlijke verwerving van graafmachines, de aankoop en het beheer van reservedelen voor de NH-90 helikopter en samenwerking bij het kwaliteitsonderzoek van munitie.

Investeringsplan: onderzoek in 2014 naar de mogelijkheden voor gemeenschappelijke verwerving, standaardisatie en interoperabiliteit op basis van de langetermijn defensieplannen.

Deelnemen EUBG 2014-2: het gezamenlijk trainen ter voorbereiding op deelneming aan de EU Battlegroup in de tweede helft van 2014 onder Belgische leiding.

Samenwerkingsgebieden met Duitsland
Duits-Nederlands legerkorpshoofdkwartier: het consolideren van de geïnstitutionaliseerde samenwerking van beide Framework Nations, Nederland en Duitsland, door oefeningen en inzet. Dit hoofdkwartier wordt verder ontwikkeld tot Joint Task Force Land HQ en aangeboden aan de Navo.

Luchtmobiel: verdergaande samenwerking door integratie van de 11e Luchtmobiele Brigade in de Division Schnelle Kräfte.

Lucht- en raketverdediging: verdergaande organisatorische samenwerking en integratie van de grondgebonden lucht- en raketverdediging (waaronder Patriots).

Artillerie: verdergaande samenwerking en uiteindelijk integratie van artillerieeenheden (onderwijs en training, onderhoud, verwerving onderdelen en operationeel optreden).

Tankoptreden: het intensiveren van de samenwerking gericht op het behoud van expertise over het opereren met tanks op compagnie- en bataljonsniveau.

Doctrine: ontwikkeling van gezamenlijke doctrines.

Uitwisseling van personeel: uitwisseling bij nationale staven, staven van de operationele commando’s en eenheden, zodat er wederzijds kennis en begrip ontstaat over de manier van opereren.

Opleidingen & Training: gebruikmaken van elkaars opleidingen en trainingsfaciliteiten. Hierdoor ontstaan schaalvoordelen en wordt het personeel op vergelijkbare wijze opgeleid, wat bevorderlijk is voor samenwerking en uitwisseling.

Oefenmogelijkheden: Duitsland beschikt over veel goede en grote oefengebieden waarvan Nederland veelvuldig gebruik maakt en wil blijven maken.

Militaire gezondheidszorg: gezamenlijk opleiden van personeel voor de Boxer en van vliegend personeel; training ter voorbereiding op uitzendingen; kennisuitwisseling; ontwikkelen van een Trauma Registratie Systeem en een modulaire Role 2/3 capaciteit (beide Navo-projecten); gezamenlijke en gedeelde onderzoeksprogramma’s.

Samenwerking op het gebied van Joint capaciteiten: onderzoeken van samenwerkingsmogelijkheden van Joint capaciteiten, zoals logistiek, CBRN, CIMIC, inlichtingen, elektronische oorlogvoering en commando- en informatiesystemen (CIS).

Capaciteitsontwikkeling: vergelijken en waar mogelijk synchroniseren van capaciteitsontwikkeling, zoals marineplannen, amfibische capaciteiten, onderzeeboten, mijnenbestrijdingscapaciteit, maar ook grondgebonden lucht- en raketverdediging en cyber.

Materieel: het bestendigen van de samenwerking bij lopende projecten en gemeenschappelijk gevoerde systemen zoals munitie, Fennek, Boxer, Pantserhouwitser, NH-90 en SMART-L, alsmede het onderzoeken van de samenwerking voor nieuwe systemen of vervanging van systemen, zoals MALE UAV, onderzeeboten, mijnenbestrijdingseenheden en fregatten.

CSSM: het voortzetten en verbreden van de samenwerking in het kennisgebied scheepssignaturen bij het Duits-Nederlandse Centre for Ship Signature Management (CSSM) in Eckernförde (DEU).

Samenwerkingsgebieden met Noorwegen en Denemarken
Northern Group: de opzet van de Northern Group wordt breed gesteund. De ministeriële ontmoetingen leiden tot nieuwe initiatieven tussen gelijkgestemde landen.

Hoge Noorden: het strategisch belang van het hoge Noorden neemt toe door het slinken van de ijskap. Hierdoor worden de noordelijke vaarroutes aantrekkelijk, komen er meer toeristische mogelijkheden, ontstaan nieuwe visgebieden en nemen de mogelijkheden van olie- en gaswinning toe. Nederland volgt het multilaterale overleg tussen betrokken landen met grote belangstelling.

F-35: Nederland en Noorwegen hebben beide besloten de F-35 aan te schaffen. Beide landen willen onderzoeken welke mate van samenwerking mogelijk is, eventueel in combinatie met andere F-35 gebruikers zoals Groot-Brittannië en Italië. Mogelijke samenwerkingsgebieden zijn F-35 motorenonderhoud, opleiding en training van vliegers en onderhoudspersoneel, onderhoud van de airframes en gezamenlijk optreden als Europese F-35 partners.

Onderzeeboten: Nederland onderzoekt, samen met Noorwegen, de mogelijkheden van samenwerking bij de vervanging van de huidige onderzeebootcapaciteit in de periode vanaf 2025. Binnenkort wordt hiervoor een technische overeenkomst getekend.

UKNLAF: Noorwegen heeft interesse in nauwere samenwerking met de UK-NL Amphibious Force. De mogelijkheden worden onderzocht.

CV-90: Denemarken en Nederland beschikken over dezelfde versie van het Infanterie Gevechtsvoertuig CV-90. De mogelijkheden op het gebied van gezamenlijke doctrinevorming, training, exploitatie en verwerving van specifieke munitie worden onderzocht.

NRF 2015: Noorwegen zal samen met Nederland en Duitsland deelnemen met een landmachtcomponent in de NRF-rotatie in 2015.

Oefenmogelijkheden: de uitgestrektheid en klimatologische omstandigheden maken Noorwegen en andere landen in de regio aantrekkelijk voor oefeningen en training. Nederland maakt hier veelvuldig gebruik van en wil dit blijven doen.

ACI: Op landmachtgebied wordt in het kader van het Army Cooperation Initiative samengewerkt bij onder andere doctrinevorming. Andere samenwerkingsgebieden worden onderzocht.

Submarine Command Course (SMCC): Groot-Brittannië, Noorwegen en Nederland werken nauw samen bij de opleiding van toekomstige onderzeebootcommandanten.

Cyber: Onderzoeken van samenwerkingsmogelijkheden op het gebied van cyber.

NATO Air Policing: Nederland levert in februari 2014 een bijdrage met tankercapaciteit in de vorm van een KDC-10 aan de uitvoering door Noorwegen van de Air Policing taak van de Navo boven IJsland.

Samenwerkingsgebieden met Frankrijk
Opleiding & training: het consolideren en actief verder zoeken naar nieuwe mogelijkheden tot samenwerking op het gebied van opleiding en training. Voorbeelden hiervan zijn samenwerking op het niveau van brigadehoofdkwartieren, en opleidingen in Afrika (EMSOME).

Jungleschool: in het kader van het Budget Internationale Veiligheid (BIV) worden met Frankrijk de mogelijkheden onderzocht van een gezamenlijke jungleschool in Gabon.

Uitwisseling officieren: De Frans-Nederlandse uitwisseling wordt uitgebreid van officieren bij nationale staven, de staven van operationele commando’s en bij eenheden.

Politiemissies: het onderzoeken van samenwerkingsmogelijkheden op het gebied van politiemissies.

Sub-Sahara: het intensiveren van de samenwerking met Frankrijk in deze regio.

Anti-drugsoperaties: het intensiveren van de samenwerking in het Caribisch gebied, samen met de Verenigde Staten.

Materieel: het behalen van doelmatigheidswinsten door gezamenlijke aanschaf, beheer en onderhoud van materieel. Frankrijk is vaste partner voor materieelsamenwerking in verbanden als Navo, EDA, Letter of Intent en OCCAR.

Capaciteitsontwikkeling: samenwerken bij de capaciteitsontwikkeling van op afstand bestuurbare onbemande systemen.

Cyber: onderzoeken van samenwerkingsmogelijkheden op het gebied van Cyber. Officiersopleidingen: Nederland laat officieren studeren aan de L’ecole de Guerre en in het Franse equivalent van de Middelbare Defensie Vorming voor officieren in de rang van kapitein of majoor.

Samenwerkingsgebieden met het Verenigd Koninkrijk
UK/NL Amphibious Force: sinds 1973 zijn Britse en Nederlandse marinierseenheden geïntegreerd in de UK/NL AF. Zij maken gebruik van dezelfde doctrines, technieken en tactieken, trainen en oefenen gezamenlijk en zij kunnen overal ter wereld als eenheid worden ingezet.

Opleiding & training: het gebruik van faciliteiten in het Verenigd Koninkrijk voor tactische oefeningen van de marine, landmacht en luchtmacht en het opwerken en trainen van Nederlandse marine-eenheden door deelneming aan de Flag Officer Sea Training (FOST). Nederlands marinepersoneel neemt structureel deel aan Britse maritieme opleidingen en de opleiding van maritieme helikopterbemanningen gebeurt in het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast maken Nederlandse Chinook-bemanningen gebruik van Britse simulatoren. De onderzeediensten van Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Nederland werken nauw samen bij de opleiding van onderzeebootcommandanten.

Uitwisseling personeel: het VK en Nederland hebben een uitwisselingsprogramma voor officieren en onderofficieren bij de marine (staf, instructie/training en aan boord), de Defensie Materieel Organisatie (instandhouding), bij de landmacht (doctrineontwikkeling) en bij de luchtmacht (jacht- en helivliegers).

Onderhoud: Beide landen beschikken over een gezamenlijke pool voor het onderhoud aan de gasturbines van de LCF en M-fregatten.

F-35: het Verenigd Koninkrijk, Nederland en de Verenigde Staten zullen gezamenlijk de operationele testfase van de F-35 uitvoeren.

Joint Expeditionary Force (JEF): Het VK heeft Canada, Denemarken, Estland, Nederland en Noorwegen uitgenodigd om bij te dragen aan de ontwikkeling van het UK JEF-concept. Het VK beoogt te komen tot een expeditionaire eenheid voor snelle inzet, opgebouwd rond Britse eenheden, concepten en voorzieningen, waarbij gebruik zal worden gemaakt van specifieke (niche)capaciteiten van de genoemde partners. Een eventuele Nederlandse inbreng wordt onderzocht.

Samenwerkingsgebieden met de Verenigde Staten
Doctrinevorming en -ontwikkeling: de Verenigde Staten zijn koploper op dit gebied in de wereld en binnen de Navo in het bijzonder. De uitwisseling van kennis omtrent doctrinevorming en -ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het plaatsen van Nederlands personeel bij strategische militaire commando’s (CENTCOM, AFRICOM), bij operationele commando’s, bij krijgsmachtdeelstaven en bij hogere defensieopleidingen (Defense Colleges).

Opleiding, training en oefeningen: het consolideren van bestaande en verkennen van nieuwe mogelijkheden op het gebied van opleiding, training en oefeningen. Voorbeelden van bestaande samenwerking zijn de initiële vliegeropleiding voor F-16 en helikopters, voortgezette F-16 opleiding, Apache-training, de Air Assault en gunnery training, en oefeningen van mariniers. Nieuw zijn opleidingen en cursussen op het gebied van de ruimte en de intensivering van gezamenlijke training en oefeningen met het US Marine Corps. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van individuele loopbaanopleidingen op alle rangniveau’s voor alle operationele commando’s.

Materieel: het onderzoeken van operationele en materiële samenwerkingsmogelijkheden op het gebied van de F-35, raketverdediging, onbemande vliegtuigen, Apache-helikopters en cyber.

Anti-drugsoperaties: CZMCARIB is een van de zes ondercommandanten van de Amerikaanse Joint Inter Agency Task Force South (JIATFS) bij anti-drugsoperaties in het Caribisch gebied. CZMCARIB is daarbij niet alleen een leverancier van capaciteiten, maar voert ook operaties uit. Voor de uitwisseling van inlichtingen heeft Nederland een vertegenwoordiger geplaatst bij JIATFS. De Verenigde Staten maken gebruik van Curaçao en Aruba als steunpunten voor (onbewapende) drugsbestrijdingsvluchten.

F-35: het Verenigd Koninkrijk, Nederland en de Verenigde Staten zullen vanaf 2015 gezamenlijk de operationele testfase van de F-35 uitvoeren. Nederland stelt daarvoor de twee F-35 testtoestellen beschikbaar. Eind oktober 2013 zijn de eerste Nederlandse vlieger en onderhoudspersoneel met hun opleiding op de F-35 begonnen.

Overige Navo- en EU-partners; andere partners
Met diverse Navo- en EU-partners en met andere partners zoals Australië en Indonesië bestaan – buiten de multilaterale kaders – ook bilaterale samenwerkingsverbanden op uiteenlopende gebieden, zoals kennisuitwisseling, operationele samenwerking, gezamenlijk oefenen, opleiding en training en materieelsamenwerking. Nederland heeft op 4 februari jl. met Indonesië een MoU getekend over verdieping van de defensierelatie.

Partners voor specifieke thema’s
Buiten de meer strategische en gelieerde partners zijn er veel, vaak tijdelijke, bilaterale relaties met landen rondom specifieke thema’s. Voorbeelden bij operaties zijn Afghanistan en de Verenigde Arabische Emiraten (logistiek); diverse landen in Afrika met het oog op bevordering van ontwikkeling en stabiliteit, waaronder Burundi in het kader van SSD-programma’s; partnerlanden in antipiraterij-operaties zoals Malta, de Verenigde Arabische Emiraten, Egypte, Singapore, Kenia en India, Indonesië en Zuid-Afrika; partners voor oefenen, opleiding en training, bijvoorbeeld onderzoek naar jungletrainingsmogelijkheden in Gabon en Peru, opleiden van marineofficieren uit Australië en Singapore, trainingsfaciliteiten voor special forces in Jordanië en Israël; en samenwerking met landen in verband met instandhouding, verkoop en afstoting van materieel, bijvoorbeeld Chili, Estland, Finland, Jordanië, Marokko, Vietnam en Zuid-Korea.

Samenwerkingsgebieden in de Navo
Naast de reguliere en veelomvattende samenwerking in Navo-verband is Nederland betrokken bij de volgende projecten en initiatieven in het kader van Smart Defence:

Immersive Training Environment: het delen van trainingsprogramma’s van
virtuele trainingsomgevingen.

Centres of Excellence (COE) as hub of Education and Individual Training: het toebedelen van een leidende rol aan de Centres of Excellence voor opleiding en training op hun specialisme. Een COE is een multinationale entiteit die door Allied Command Transformation (ACT) wordt geaccrediteerd, maar geen deel uitmaakt van de Navo-commandostructuur. Inmiddels zijn achttien COE’s door ACT geaccrediteerd en zijn nog vier COE’s in oprichting. Elk COE heeft zijn eigen karakteristieken.

CIS E-learning Training Centres Network: het opzetten van een netwerk voor het delen van online-trainingen op het gebied van communicatie- en informatiesystemen (CIS).

Individual Training and Education Programme: het bereiken van meer doelmatige en doeltreffende coördinatie van individuele trainingsprogramma’s van Navo-personeel dat op missie gaat.

Remote Controlled Vehicles for Route Clearance Operations: het gezamenlijk
verwerven van op afstand bedienbare Counter-IED voertuigen.

Female Leaders in Security and Defence: a Roadmap to Provide Equal Opportunities: het opzetten van een conferentie als opstap naar een betere implementatie van VN-genderresolutie (VNVR 1325).

Joint Logistics Support Group capability: het ontwikkelen en implementeren van een standaard format voor gezamenlijke logistieke ondersteuning. Vanwege ervaring en expertise vervult Nederland hierbij een voortrekkersrol.

Shared Operational Resources Tool: het opzetten van een virtuele markplaats waarop landen in het operatiegebied militaire goederen en diensten kunnen aanbieden en uitruilen.

P&S MN Medical Treatment facilities (Role 2): het samenbrengen van multinationaal samengestelde medische faciliteiten op het niveau van Role 2 Enhanced.

Pooling of Deployable Air Activation Modules: het coördineren van nationale Deployable Air Activation Modules opdat Navo-breed meer eenheden inzetbaar zijn.

Theatre Opening Capability: het inzichtelijk maken en delen van capaciteiten om Ports of Disembarkation operationeel te krijgen.

Multinational Logistics Partnership – Fuel Handling: samenwerking op het gebied brandstofvoorziening in het operatiegebied.

Dismantling, Demilitarization and Disposal (DD&D) of Military Equipment: het gezamenlijk demilitariseren, ontmantelen en afstoten van militaire uitrustingsstukken.

Multinational Cooperation on Munitions: het opzetten van een netwerk van internationale verdragen over samenwerking op munitiegebied.

SMART-L: de ontwikkeling van een detectiecapaciteit van ballistische raketten in de hogere luchtlagen op schepen.

Samenwerkingsgebieden in de EU
Naast de reguliere en veelomvattende samenwerking in EU-verband is Nederland in EU-kader betrokken bij de volgende projecten en initiatieven, waarbij ook het Europees Defensieagentschap (EDA) een rol speelt:

Helicopter Training Programme: Programma voor het gezamenlijk organiseren en uitvoeren van multinationale helikoptertraining en oefeningen met behulp van een permanent Core Planning Team (CPT).

MARSUR Network Development: programma voor een netwerk waarin de deelnemende landen informatie delen over civiele scheepvaartbewegingen voor de ondersteuning van maritieme operaties in het kader van het GVDB, en voor de verbetering van situational awareness in de Europese kustwateren.

Multinational Modular Medical Units: de oprichting van geïntegreerde multinationale, modulair opgebouwde uitzendbare hospitaaleenheden voor EU-crisisbeheersingsoperaties. Nationale operationele hospitaalmodules worden voor inzet gereed gemaakt en getraind in een framework nation-concept.

Air-to-Air Refueling: de gezamenlijk aanpak van het Europese tekort aan capaciteit voor bijtanken in de lucht (Air-to-Air Refueling) door een beter gebruik van de reeds beschikbare capaciteiten of door gezamenlijke verwerving en gebruik van nieuwe capaciteiten.

Pilot Training: programma om (delen van) de vliegeropleidingen gezamenlijk uit te voeren.

European Transport Hubs: programma voor het inrichten van logistieke knooppunten waarin goederen voor uitgezonden troepen kunnen worden verzameld voor een zo doelmatig mogelijk transport naar het inzetgebied.

Smart Munitions: Programma voor het gezamenlijk aanvullen van munitievoorraden.

JDEAL. Het Joint Deployable Exploitation and Analysis Laboratory is een projectvoorstel voor de inrichting van een permanente multinationale technische analysecapaciteit voor training en inzet. De uitzendbare JDEAL-faciliteiten zijn sensoren waarmee uiteenlopende technische inlichtingen verzameld kunnen worden, bijvoorbeeld ter ondersteuning van Counter-IED activiteiten. Nederland vervult hierin de leidende rol.

Personnel Recovery: Project voor het gezamenlijk oefenen en trainen voor het redden van vermist eigen personeel in missiegebieden.

Cyber Defence: Programma voor onder meer samenwerking bij het gebruik van nationale cyberfaciliteiten, en overige samenwerking bij oefeningen en trainingen op cybergebied.

RPAS Initiatief: Programma voor samenwerking bij het gebruik van op afstand bestuurbare vliegtuigen (Remotely Piloted Aircraft Systems (RPAS)).

Overige multilaterale samenwerkingsgebieden
Movement Coordination Centre Europe (MCCE): het MCCE is een multinationaal samenwerkingsverband dat het strategisch militair transport en Air-to-Air Refueling van de 25 participerende landen coördineert. Het MCCE beoogt een meer doelmatig en doeltreffend gebruik van de beschikbare nationale transportmiddelen. Het MCCE is gevestigd op de vliegbasis Eindhoven.

European Air Transport Command (EATC): het EATC is een multinationaal samenwerkingsverband van België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland op het gebied van militair luchttransport. Het hoofdkwartier van het EATC bevindt zich op de vliegbasis Eindhoven.

SAC C-17: SAC C-17 is een internationaal samenwerkingsverband tussen twaalf landen voor het gezamenlijk gebruik van drie in Hongarije gestationeerde C-17 transportvliegtuigen van de Heavy Airlift Wing (HAW). De deelnemende landen beschikken hiermee over een strategische luchttransportcapaciteit aan de hand van een vlieguurverdeelsleutel.

European Gendarmerie Force (EUROGENDFOR): multinationaal samenwerkingsverband van politiekorpsen met een militaire basis voor de uitvoering van politietaken in instabiele landen.

European Air Group (EAG): samenwerkingsverband van zeven Europese landen met als doel de operationele capaciteiten te verbeteren door bijvoorbeeld vergroting van de interoperabiliteit.

(ministerie van Defensie, 13 februari 2014)

vrijdag 15 november 2013

Voor het eerst wordt een OPV ingezet tegen piraterij

Nederland verlengt zijn deelname aan anti-piraterijmissies van de EU en de NAVO voor de kust van Somalië met een jaar, tot eind 2014. De ministerraad heeft daarmee ingestemd op voorstel van minister Timmermans van Buitenlandse Zaken en minister Hennis van Defensie. Nederland levert sinds 2009 een bijdrage aan deze operaties in de wateren bij Somalië.

Oceangoing Patrol Vessel: Zr.Ms. Holland (foto Marine)

Van februari tot half mei 2014 zet Nederland een Luchtverdedigings- en Commando Fregat in voor de NAVO-operatie Ocean Shield. Daarna neemt tot eind augustus een Luchtverdedigings- en Commando fregat deel aan de EU-operatie Atalanta. Tot slot, van eind augustus tot en met december, zet Nederland voor de eerste keer een Ocean Going Patrol Vessel (OPV) in voor de kust van Somalië. Ook zal Nederland in de tweede helft van 2014 de plaatsvervangend commandant in het operationele hoofdkwartier van EU-Atalanta leveren.

Het aantal kapingen is sinds 2011 sterk gedaald. De oorzaken van de Somalische piraterij zijn nog wel steeds aanwezig. Om de dalende trend vast te houden moeten daarom niet alleen inspanningen op zee, maar ook op land worden voortgezet. Naast de inzet van marineschepen zet Nederland daarom ook in op meer veiligheid en stabiliteit in Somalië, door het Somalische leger op te leiden en te trainen en straffeloosheid van piraterij tegen te gaan door versterking van het rechtssysteem.

(Rijksvoorlichtingsdienst, 15 november 2013)

donderdag 14 november 2013

Kamerdebat over de Defensiebegroting voor 2014 (deel 2)

Voortzetting van het Kamerdebat over de Defensiebegroting voor 2014. 'Gestript' verslag. Voor de volledige tekst, klik hier. Stemming over de ingediende moties: dinsdag 19 november.

Minister Hennis-Plasschaert: 
Voorzitter. Ik begin met een paar inleidende zinnen en zal dan een aantal blokjes benoemen. Hopelijk zal ik daarmee duidelijkheid scheppen voor de leden over de momenten waarop interrupties handig zijn.

Ik bedank de geachte afgevaardigden voor hun bijdragen vorige week en gisteren. Veel belangrijke aspecten van de krijgsmacht zijn aan de orde gekomen. Ik herinner mij nog dat ik hier vorig jaar stond als kersverse minister van Defensie. Tussen die begrotingsbehandeling en nu liggen slechts elf maanden. In die elf maanden is er ontzettend veel gebeurd. De missie in Kunduz is voltooid, maar onze F-16's zijn nog steeds actief in Afghanistan. De antipiraterijmissies zijn voortgezet en zo ook de inzet van onze VPD's. Onze Patrioteenheden zitten aan de Turks-Syrische grens. Onlangs besloot het kabinet bovendien tot een missie in Mali.

In nauwe samenwerking met vijf andere ministers is de nota over de toekomst van de krijgsmacht tot stand gebracht. Hierover hebben wij vorige week uitvoerig gedebatteerd. De F-35 wordt de opvolger van de F-16. Nog dit jaar zal 85% van de reorganisaties als gevolg van de beleidsbrief 2011 zijn voltooid. Er is het afgelopen jaar veel realiteitszin getoond op veel terreinen, waaronder financieel, materieel en personeel beheer. Met dank aan de recente begrotingsafspraken is het ons eindelijk gelukt om enkele maatregelen te verzachten dan wel terug te draaien. Ik ben nu niet volledig, maar het afgelopen jaar is ontzettend veel tot stand gebracht. Ik hoop van harte dat wij de gelegenheid krijgen om de komende jaren samen verder te werken aan die zo noodzakelijke en toekomstbestendige krijgsmacht.

Tijdens alle onrust die de Defensieorganisatie de laatste jaren zo heeft gekenmerkt, is het werk doorgegaan. Veel leden hebben vorige week en gisteren hierover hun respect uitgesproken. Dat waardeer ik enorm. Ook ik heb groot respect voor al die mannen en vrouwen die zich dag in, dag uit inzetten in het belang van Nederland. Het notaoverleg vond plaats op dankdag. De heer Dijkgraaf en ook de heer Segers merkten op dat wij intens dankbaar mogen zijn voor de vrede en veiligheid die ons land al jaren kent. Zij hebben groot gelijk. Dreigingen en risico's zijn diffuus en reëel, dichtbij en ver weg. Onze vrijheid en veiligheid mogen wij dan ook nooit beschouwen als vanzelfsprekend, als een gegeven. Ik heb het al vaker gezegd, gisteren ook op de radio: defensie is nadrukkelijk geen nice-to-have, maar een fundamentele investering in onze vrijheid, veiligheid en welvaart. De heer Segers citeerde gisteren de Commandant der Strijdkrachten naar aanleiding van zijn laatste blog. Ik zeg het hem na: be good and tell it, dat verdienen onze militairen.

Ik kom toe aan de beantwoording van de gestelde vragen. Daarbij richt ik mij op de volgende blokjes: de ambitie van de krijgsmacht, samenwerking en soevereiniteit, personeel en veteranen, het Budget Internationale Veiligheid — in het bijzonder voor de heer Knops, zeg ik daarbij — cyber en onbemand en ten slotte een kopje "overig". Ik begin met de ambitie van de krijgsmacht.

Verschillende sprekers, met name de heren Van Dijk, Van Ojik en De Roon, riepen zo nu en dan toch het beeld op van een krijgsmacht die maar alles wil. Minder is beter, zo vat ik sommige betogen een beetje oneerbiedig, maar wel kernachtig samen. De heren Van Dijk en Van Ojik stelden tevens dat ambitie en middelen niet met elkaar in evenwicht zijn. Laat ik een ding hier heel duidelijk zeggen: de Nederlandse krijgsmacht wil helemaal niet alles kunnen. Het is heel simpel: we kunnen niet alles. In de bezuinigingsrondes van de afgelopen twintig jaar is de krijgsmacht aanzienlijk kleiner geworden en zijn complete wapensystemen afgeschaft. Minister Kamp zat in zijn huidige hoedanigheid vorige week aan bij het notaoverleg. Hij refereerde nog eens eventjes aan bijvoorbeeld de opheffing van de Marine Luchtvaartdienst en aan de opheffing van de bases Twente en Valkenburg. Mijn voorganger Hans Hillen heeft nog maar twee jaar geleden moeten besluiten om afscheid te nemen van alle gevechtstanks. Ik zeg u dus dat niemand, maar dan ook niemand bij de krijgsmacht het idee heeft dat die krijgsmacht altijd maar alles kan. Wat wij wel willen, is dat wat wij wel kunnen zo goed mogelijk doen. Dat is precies wat wij in de nota In het belang van Nederland uiteenzetten.

De tegenstelling die ik een beetje bespeurde bij de heer Van Ojik in het bijzonder — een krijgsmacht die alles wil maar kort en een krijgsmacht die minder kan maar dan langduriger — vind ik een valse tegenstelling. Zoals ik net zei, kan de Nederlandse krijgsmacht niet alles. En wat zij kan, kan zij over het algemeen wel degelijk langdurig volhouden.

Natuurlijk houdt de Algemene Rekenkamer ons scherp, als het gaat om het evenwicht tussen ambitie en middelen en dat is maar goed ook. Dat wat ik als politiek gezicht van Defensie in het vizier heb, moet ook daadwerkelijk worden bereikt. Ik noem in dit verband het voorbeeld van de Chinook-helikopters. Wij menen dat wij vraag en aanbod met elkaar in evenwicht hebben gebracht. Een gerichte investering in simulatoren is ook mogelijk geworden dankzij de nieuwe begrotingsafspraken; dat helpt daarbij. Maar mocht over enige tijd blijken dat een evenwicht uitblijft — overigens ga ik daar nu niet van uit — dan zal ik natuurlijk aanvullende maatregelen nemen. Ik streef en blijf streven naar een evenwicht tussen ambitie en middelen. Dat is hét kenmerk van een toekomstbestendige krijgsmacht. Ik beschouw de Algemene Rekenkamer als een zeer noodzakelijke, een belangrijke en ook een zeer constructief-kritische partner in dezen.

(...)

Ik heb vorige week al aangegeven — ik kom er later in het betoog nog uitgebreid op terug — dat ook ik rekening heb te houden met de financieel-economische werkelijkheid. Dat geldt voor ons allemaal. Er is niet zoiets als een geldboom op het Binnenhof. Ik heb niet zoiets als een bosje toverstokken. Ik heb dus te dealen met de financieel-economische werkelijkheid.

(...)

in de nota over de toekomst van de krijgsmacht hebben wij het fundament neergelegd dat uiteindelijk leidt tot het in evenwicht brengen van de ambitie en middelen. Wij zijn van mening dat ons dat ook gaat lukken met de maatregelen die nu zijn voorgesteld. Kortom, het is niet zo dat ik het vandaag roep en dat dat morgen geregeld is. Het is een proces dat in gang gezet moet worden. Dat heb ik eerder uiteengezet over bijvoorbeeld de Chinook-helikopters. Dus geef het even tijd. Maar met de maatregelen die wij nu hebben genomen, ben ik ervan overtuigd dat wij dat evenwicht weten te bereiken.

(...)

Ik heb zojuist aangegeven dat er een spanning kan zitten tussen ambitie en middelen. Ik loop er niet voor weg dat dit de afgelopen jaren ook absoluut het geval is geweest. Ik blijf echter streven naar het juiste evenwicht tussen ambitie en middelen, want alleen dat zal de krijgsmacht toekomstbestendig maken.

De heer De Roon somde een aantal verlangens op en vroeg mij om een reactie daarop. Hij zei: schrap toch die grondwettelijke taak met betrekking tot de internationale rechtsorde; stuur onze militairen alleen op internationale missies als onze belangen of die van onze bondgenoten, afhankelijk van wie die bondgenoot dan is, manifest en existentieel worden bedreigd; blijf vooral ver van EU-bemoeienis met onze krijgsmacht en verkwansel de zeggenschap over de inzet van Nederlandse militairen en middelen nooit in deals met andere landen, dus geen Benelux-leger.

Ik ben van mening dat juist deze benadering de welvaart en veiligheid van Nederland schade zou toebrengen. De bevordering van de internationale rechtsorde is namelijk niet voor niets een wettelijke taak en een van de strategische belangen in de internationale veiligheidsstrategie. De handelsnatie Nederland is daarbij gebaat. En ja, ik ben ook van mening dat Europa meer verantwoordelijkheid moet nemen voor de eigen veiligheid. Ook onze Amerikaanse vrienden vragen dat nogal nadrukkelijk. De wereld is in beweging en Europa moet in staat zijn om de eigen broek op te houden. Ik weet werkelijk niet wie de heer De Roon bedoelt als hij spreekt over "Brusselse machtsaspiraties". Ik zit er in elk geval niet zo in. Ik ben heel pragmatisch en mijn doel is het vergroten van ons handelingsvermogen in het belang van Nederland.

Wellicht stel ik de heer De Roon gerust als ik zeg dat er geen Benelux-leger komt, tenminste als hij doelt op een volledig geïntegreerde gezamenlijke krijgsmacht van de drie Benelux-landen onder centraal commando. Het spreekt echter voor zich dat we met BENESAM als lichtend voorbeeld wel steeds nauwer zullen samenwerken, bijvoorbeeld op het terrein van air policing, waarover ik laatst een letter of intent met mijn Belgische collega De Crem heb getekend. Het zal de heer De Roon misschien minder bevallen maar mij des te meer dat er wel een Benelux-EU-Battlegroup komt. Het gaat om een tijdelijke formatie die in 2018 gereed zal worden gehouden voor mogelijke inzet als onderdeel van de Europese "Rapid Response"-capaciteit.

De heer Van Dijk vroeg net terecht of een missie naar Uruzgan nog mogelijk zou zijn. Die vraag werd mij vorige week ook door mevrouw Eijsink gesteld. Ik zeg nogmaals: ja, een dergelijke missie kan nog. Dat doe ik niet met de natte vinger, ik laat mij daarover adviseren via de militaire lijn. De kern bestaat uit een bataljonstaakgroep, oftewel een battlegroup. Die kunnen we met de aangepaste inzetbaarheidsdoelstellingen langdurig inzetten met voldoende voortzettingsvermogen, inclusief de benodigde logistiek en ondersteuning. Als Nederland weer lead nation zou zijn, vereist dat nog andere capaciteiten, zoals verkenningscapaciteit, special forces, basisbeveiliging, medische voorzieningen, Apache- en Chinook-detachementen et cetera.

Voor dergelijke capaciteiten moest in de tijd van Uruzgan ook al een internationale verdeling worden gemaakt. Delen daarvan werden geleverd door bijvoorbeeld Australië en Frankrijk. Dat zal ook in de toekomst zo blijven. Voor alle duidelijkheid: op deze capaciteiten is niet beknibbeld in de nota over de toekomst van de krijgsmacht. Of een missie à la Uruzgan nog kan, hangt uiteindelijk natuurlijk ook af van andere missies, kleine of grote, die we op deze aardbol uitvoeren. De boodschap is dat we uiteindelijk niet alles tegelijkertijd kunnen doen. We kunnen best heel veel heel langdurig, maar we kunnen niet meer alles tegelijk doen.

De heer Knops vroeg of ik bereid ben om een verhoging van FNIK te bespreken met mijn collega's van V en J en BZK. FNIK staat voor het convenant Financiering Nationale Inzet Krijgsmacht. Het convenant is in 2010 met V en J en BZK gesloten. Ik zeg toe dat ik een herijking met de heren zal bespreken. Ik wil dat doen in het kader van de interdepartementale evaluatie van het convenant. Ik zal daar op korte termijn mee starten. Het huidige budgettaire kader van FNIK wordt dan uiteraard meegenomen in die evaluatie.

Ook vroeg de heer Knops naar veel meer duiding ten aanzien van de veranderingen bij de landmacht, in het bijzonder ten aanzien van de omvorming tot een gemotoriseerde eenheid. Hij was het hier nogal hartgrondig mee oneens, als ik hem goed beluisterde. Ik vraag de heer Knops toch om de brief nog een keer goed te lezen juist met het oog op de operationele voordelen. Mevrouw Eijsink kondigde gisteren tijdens de procedurevergadering aan een technische briefing aan te vragen. Het spreekt voor zich dat Defensie daar van harte aan meewerkt. Bij de planning van missies zal de CdS nauwgezet analyseren met welk materieel de taken het beste kunnen worden uitgevoerd. Het voordeel van een nieuwe inrichting van de landmacht is dat de gereedschapskist van de landmacht evenwichtiger is opgebouwd. Hierdoor zijn er meer mogelijkheden om een missie met de juiste combinatie van middelen uit te voeren. Ook hierbij geldt dat ik dit niet in mijn werkkamer doe. Ik laat mij daarover nauwgezet adviseren. Ook kunnen de gemechaniseerde en gemotoriseerde eenheden in elkaars voortzettingsvermogen voorzien. De aanpassingen waartoe is besloten, stroken met de ervaringen die wij in missies hebben opgedaan. Ook voor de toekomst is de verwachting dat er behoefte is aan dergelijke eenheden. Wij kijken natuurlijk ook naar de ons omringende landen. Hoe hebben zij zichzelf georganiseerd? Welke lessen hebben zij getrokken? Wij bereiden ons daar nu op een heel degelijke wijze op voor. Voor alle duidelijkheid: er blijven 88 operationele CV90's beschikbaar bij de 43ste Gemechaniseerde Brigade. Dit aantal is toereikend voor de inzet van de brigadetaakgroep voor maximaal een jaar of een bataljonstaakgroep voor langere duur.

(...)

 ik ga niet over de Belgische keuze voor de opvolger van de F-16. Voorlopig vliegen wij de komende tien jaar nog door met de F-16. Ook de Belgen zullen dat voorlopig nog doen. Wij hebben gezegd dat wij voor het gezamenlijk bewaken van ons luchtruim niet hetzelfde vliegtuig nodig hebben. We brengen wel de druk op onze capaciteit terug, waardoor we meer capaciteit beschikbaar krijgen voor bijvoorbeeld inzet in missiegebieden. Dat is het uitgangspunt van die letter of intent. Ik kom bij het blok "samenwerking en soevereiniteit". Als ik zeg dat soevereiniteit en defensiesamenwerking geen tegenpolen zijn, zal dat mevrouw Hachchi zeker bevallen. Ik heb dinsdagavond een buitengewoon aangenaam debat hierover gehad met mevrouw Hachchi, mevrouw Eijsink en de heer Vuijk. De intensivering van de verdieping van de internationale defensiesamenwerking vergroot ons vermogen tot handelen; ik zei dat net al. Ik beschouw dit ook als een wezenlijk kenmerk van de hedendaagse interpretatie van soevereiniteit. Het vergroten van ons handelingsvermogen is voor mij een belangrijke leidraad.

De heer Van Dijk vroeg mij wat ik bedoelde met mijn opmerking dat de Europese samenwerking naar een "volgend niveau" moet. De heer Vuijk vroeg om extra aandacht voor soevereiniteit, als ik hem goed heb begrepen in relatie tot de gevolgen voor de nationale besluitvormingsprocedures en de betrokkenheid van nationale parlementen, ook dit huis. Het is geen verrassing dat ik in het afgelopen jaar herhaaldelijk heb gepleit voor intensivering van de Europese defensiesamenwerking. Immers, alleen dan zal Europa kunnen beschikken over de capaciteiten die het nodig heeft voor gezamenlijk optreden, alleen dan kan Europa meer verantwoordelijkheid nemen en alleen dan kan Europa zijn eigen broek ophouden. Ter geruststelling van de heer De Roon zeg ik dat ik geen voorstander ben van een Europees leger. Er is ook geen NAVO-leger, om maar iets te noemen. Van het opheffen van soevereiniteit, gesuggereerd door de heer Van Dijk, is wat mij betreft geen sprake. Wel vraagt het begrip "soevereiniteit" anno 2013 om die hedendaagse benadering van het vergroten van het handelingsvermogen. Wij hebben daarover vaak met elkaar van gedachten gewisseld. Bij die verdergaande internationale samenwerking is het uitgangspunt natuurlijk wel dat landen op elkaar moeten kunnen vertrouwen. Tegen de heer Vuijk zeg ik dat het voor zich spreekt dat de nationale parlementen hierbij een onmisbare rol spelen.

Die Europese samenwerking moet dus inderdaad naar een volgend niveau worden gebracht. De internationale samenwerking is ook een van de uitgangspunten in de nota over de toekomst van de krijgsmacht. De samenwerking met bondgenoten zal in de toekomst de hele levenscyclus van capaciteiten omvatten. In de toekomst, dus niet morgen; dat proces gaat heel geleidelijk. Ik heb het hierbij ook over de verwerving en de instandhouding van capaciteiten. De verregaande integratie van capaciteiten is een nadrukkelijk onderdeel van dat perspectief. De NAVO en de EU hebben een zeer belangrijke rol te spelen bij die verdere intensivering van de internationale defensiesamenwerking. Zonder coördinatie en harmonisatie is het immers op zijn minst twijfelachtig of we in de toekomst bij een gezamenlijk optreden over de capaciteiten kunnen beschikken die we nodig hebben. Het zijn de NAVO en de EU die ervoor moeten zorgen dat landen beredeneerde keuzes kunnen maken, die goed op elkaar zijn afgestemd. Het heeft niet zo veel zin als 28 landen tanks aanschaffen, maar niemand over bijvoorbeeld een Patrioteenheid beschikt. Daarvoor is het noodzakelijk dat de landen politieke wil tonen. In dat proces zitten we nu. We maken kleine stappen vooruit en uiteindelijk zullen die kleine stappen vooruit wel degelijk leiden tot de vergroting van het handelingsvermogen en een Europa dat zijn eigen broek kan ophouden. Daar wil ik ook naartoe.

De heer Vuijk stelde dat Nederland zelf de basiscapaciteiten goed op orde moet houden en deze niet uit handen moet geven. Dat begrijp ik. We hadden het net even over die stip op de horizon en de verregaande taakspecialisatie. Het is zo mooi op papier en het klinkt mooi, maar zo ver zijn we echt nog lang niet, ook niet in de komende decennia. Ik geef toe dat wat ik net zei over "en passant even de landmacht opheffen" misschien wat oneerbiedig was, want ik weet zeker dat mevrouw Hachchi het niet zo heeft bedoeld. Een "stip op de horizon" klinkt dus heel mooi, maar die leidt op dit moment helemaal nergens toe, behalve tot veel onrust. Wellicht is het voor de gemoedsrust van de heer Vuijk goed om te zeggen dat de voorziene samenwerking met België op het gebied van bijvoorbeeld de luchtruimbewaking, losstaat van het zelf kunnen beschikken over basiscapaciteiten, in dit geval het jachtvliegtuig. We geven met die samenwerking niet zozeer een basiscapaciteit uit handen, maar door de synergiewinst die ontstaat komt wel een groter deel van de basiscapaciteit beschikbaar voor de expeditionaire taken. Zoals ook helder is verwoord in de nota over de toekomst van de krijgsmacht, heeft de krijgsmacht de beschikking over een combinatie van basis- en nichecapaciteiten voor diverse typen missies en soorten conflicten, en dat zal zo blijven. Basiscapaciteiten zijn de capaciteiten waar de krijgsmacht niet zonder kan of die nodig zijn voor de wettelijke taken en dus ook nationaal voorhanden moeten blijven. Samen vormen ze de zogenaamde basisgereedschapskist van de krijgsmacht.

De nichecapaciteiten zijn schaarse capaciteiten in NAVO- en EU-verband. Een beperkt aantal lidstaten beschikt hierover. Nichecapaciteiten komen eerder in aanmerking voor taakspecialisatie, zo geef ik toe. Daar is ook helemaal niets mis mee, maar het is wel een bescheiden vorm van taakspecialisatie, zo u wilt. Ook komen de nichecapaciteiten eerder in aanmerking voor internationale inbedding dan de zogenoemde basiscapaciteiten. Het zal duidelijk zijn dat als Nederland een nichecapaciteit afschaft, het bondgenootschap vervolgens ook minder van die bewuste capaciteiten overhoudt en dan moet ook ons land een beroep doen op partners die deze capaciteiten nog wel hebben. Natuurlijk, internationale samenwerking op het gebied van nichecapaciteiten kan leiden tot een groter rendement. Daar ben ik van overtuigd. Internationale samenwerking kan dan ook een alternatief zijn voor het verwerven of vervangen van een capaciteit. Zoals de heer Vuijk zelf al opmerkte, is een goed voorbeeld hiervan het multinationale initiatief om zeer grote transportvliegtuigen, de C-17's, te poolen en de deelnemende landen, waaronder Nederland, trekkingsrechten te laten kopen. Dat zie ik ook echt als de toekomst van Europa.

(...)

Een land, dus ook het nationaal parlement, behoudt altijd zeggenschap, de regering behoudt altijd zeggenschap over de inzet van mensen en middelen. Let wel, als we serieus werk maken van die verdergaande internationale samenwerking, vraagt dat iets van de regering maar ook van het parlement. We zullen eerder in het besluitvormingsproces moeten nadenken. Ik noem als voorbeeld het European Air Transport Command (EATC). Daar zijn we willens en wetens ingestapt. Als er op een gegeven moment een beroep op ons wordt gedaan om een vlucht uit te voeren, bijvoorbeeld door de Fransen in het kader van de operatie Serval, dan is dat voor mij een logisch gevolg van de beslissing die we eerder hebben genomen om deel te nemen aan dat EATC. Natuurlijk houden landen wel altijd zeggenschap over inzet van eigen mensen en middelen en dat lijkt mij ook cruciaal, aangezien het heel vaak gaat over vrijheid en veiligheid en, erger, leven en dood.

(...)

als je vergaand internationaal samenwerkt, je een betrouwbare partner moet zijn. Als je dan "five to midnight" iedere keer je eenheden of je materieel terugtrekt, dan is die internationale samenwerking op voorhand gedoemd te mislukken. Dus het vraagt wel iets van ons, van het nationaal parlement en de regering, om er serieus mee om te gaan. Het vergroten van ons handelingsvermogen is een groot goed. Dat is in het belang van onze veiligheid, vrijheid en welvaart. Het is iets om rekening mee te houden en dat is precies het debat als het gaat om nationale besluitvormingsprocedures en dat is ook precies het debat dat we het afgelopen jaar vrij intensief met elkaar hebben gevoerd en waarover ik vorige week nog sprak in het Europees Parlement, en dat debat zal ik blijven voeren. Als de internationale samenwerking verdergaat en wij dat debat niet voeren en wij elkaar niet recht in de ogen kijken over wat de gevolgen zijn voor onze nationale besluitvormingsprocedures, komen wij straks van een heel koude kermis thuis.

(...)

Rust voor de krijgsmacht lijkt mij wel verdiend na twintig jaar van reorganisaties, taakstellingen en groeiende baanonzekerheid. Dus ja, de krijgsmacht is toe aan rust. Is dat een argument om niet te willen praten over de afschaffing van een krijgsmachtdeel? Nee! Ik denk gewoon dat het niet heel erg nuttig is om te praten over het afschaffen van een krijgsmachtdeel, omdat alle krijgsmachtdelen voorzien in basiscapaciteiten die wij ook voor onze wettelijke taken voorhanden moeten houden en dus nationaal beschikbaar moeten hebben. Dat is wat ik zeg.

Vervolgens is internationaal eindelijk draagvlak aan het ontstaan voor een taakspecialisatie in bescheiden vorm of, zo u wilt, de nichecapaciteiten waarover ik eerder sprak. Er is echt geen draagvlak om nu vérgaand te specialiseren op het niveau van de krijgsmachtdelen. Stel dat Nederland alleen nog maar beschikt over een marine, België alleen nog maar over een luchtmacht en Duitsland alleen nog maar over een landmacht. Dat gaat hem niet worden, zeg ik tegen mevrouw Hachchi. Dat is geen onwil, dat is de realiteit. De stappen die wij nu zetten voor een verdergaande internationale defensiesamenwerking zijn goud waard. Die stappen moeten wij tot meters maken. Wij moeten ervoor zorgen dat Europa inderdaad straks zijn eigen broek kan ophouden. Daarvoor is die verdergaande taakspecialisatie waar mevrouw Hachchi over spreekt, dus het afschaffen van een krijgsmachtdeel, simpelweg niet nodig.

(...)

Daarmee ben ik gekomen bij het kopje personeel, veteranen en gender. De heer Segers vroeg hoe ik denk het herstel van vertrouwen te gaan bereiken. We hebben daar vorige week en al vaker over gesproken. Is de minister bereid om een ontslagstop in te lassen? Ook vroeg hij of ik bereid ben om een onafhankelijk onderzoek naar de ontevredenheid onder het personeel te houden.

Wat de input van bijvoorbeeld de GOV, de AFMP en andere bonden betreft, is dat een proces dat ik heel graag zorgvuldig wil doorlopen mét de bonden. Zij hebben een hoeveelheid van punten van zorg verwoord en allerlei mogelijkheden in kaart gebracht die serieus moeten worden besproken. Ik hecht er echter aan om daar nu niet een paar punten uit te trekken om commentaar op te leveren, maar om dat met de bonden in een zorgvuldig proces, gezamenlijk en in samenhang te doen. Een belangrijk uitgangspunt voor mij en de Kamer daarbij is het behoud van werkgelegenheid en operationele capaciteit. Ik zeg tegen de heer Segers dat de opmerkingen van de bonden en de mogelijkheden die zij in kaart hebben gebracht, natuurlijk ook door mij serieus worden genomen en dat ik dat zeer zorgvuldig zal oppakken.

Aan het begin van het betoog zei ik al dat ik het afgelopen jaar niet onder een steen heb gezeten. Dat geldt ook voor de Commandant der Strijdkrachten, de secretaris-generaal en vele anderen in de organisatie. Natuurlijk merk ook ik dat het vertrouwen van het personeel in de Defensieorganisatie en de leiding, ook de politieke leiding, onder druk staat. Ik merk dat in mijn contacten met de commandanten en in mijn contacten met de werkvloer. Ook de bonden maken van hun hart geen moordkuil. Dat is de Kamer ook niet ontgaan. Daarnaast laat ook eigen onderzoek dit beeld zien. Het verzoek van de heer Segers om een onafhankelijk onderzoek naar de ontevredenheid onder Defensiepersoneel in te stellen, acht ik dan ook niet nodig. Het is immers duidelijk dat er ontevredenheid heerst. Eerlijk gezegd is dat ook niet zo raar, na 22 jaar van reorganisaties, taakstellingen en groeiende baanonzekerheid.

De afname van het vertrouwen is al geruime tijd gaande. Samen met de Commandant der Strijdkrachten, de SG en heel veel anderen, zoals de commandanten van de krijgsmachtdelen, werk ik hard aan een herstel van dat vertrouwen. Ik weet dat de heer Segers het er waarschijnlijk mee eens is dat wij de krachten moeten bundelen. Alleen bereik ik niet iedereen. Daar hebben we wat meer body voor nodig. Dat heb ik ook tegen bijvoorbeeld de AFMP gezegd: laten we de krachten bundelen in plaats van elkaar te blijven bestoken met soundbites. Dat draagt namelijk niet bij aan het herstel van vertrouwen. Kritiek is goed, kritiek vanuit de bonden is prima, want dat houdt ons allemaal scherp en op koers. Alleen, we moeten wel gezamenlijk werken aan de rust en stabiliteit die de organisatie verdient, en daarmee aan het herstel van vertrouwen.

(...)

.. uitwerking van de Veteranenwet in AMvB's. Ik weet zeker dat mevrouw Eijsink daarin ook buitengewoon is geïnteresseerd. Wanneer komt het besluit naar de Kamer? Heeft de Kamer überhaupt nog iets te zeggen over dat besluit? Het concept-Veteranenbesluit is inmiddels met de bonden besproken. Dat is een zorgvuldig proces geweest. Ook is het ambtelijk interdepartementaal besproken. Ook dat was een zorgvuldig proces. Dat heeft tijd gekost. Het besluit zal op korte termijn in het kabinet worden besproken. Daarna zal het direct worden voorgehangen bij de Tweede Kamer. Tijdens het notaoverleg Veteranen heb ik eerder gezegd dat het de bedoeling is dat een en ander in november 2013 — daar zijn wij nu aangekomen — wordt voorgehangen. Ik hoop dat te halen, maar anders zal dat in de eerste weken van december zijn. Ik vrees dat het helaas ook te maken heeft met de wijze waarop je iets aanbiedt in de ministerraad et cetera, maar wij zitten erbovenop.

De heer Vuijk vroeg ook naar het Reservistenbureau. Ik heb de Kamer daarover al eerder geïnformeerd. De reservisten zullen meer en meer een integraal onderdeel vormen van de Defensieorganisatie. Ik heb de Kamer geïnformeerd over het belang van de inzet van reservisten. De heer Knops heeft zich daar ook luid en duidelijk over uitgesproken. Het gaat hierbij om draagvlak, binding met de samenleving, flexibiliteit en de vulling van de organisatie ten aanzien van de noodzakelijke tijdelijke expertise. Zo zijn er vele voorbeelden te noemen. Tevens heb ik de Kamer in verschillende brieven geïnformeerd over de wijze waarop Defensie het reservistenbeleid wil ontwikkelen. Voor dat doel is het Reservistenbureau opgericht dat in samenwerking met alle belanghebbenden, zoals reservisten, werkgevers, vakcentrales, andere overheden en politieke partijen, de meest kansrijke gebieden identificeert en vastlegt in beleid. Daarna zal het Reservistenbureau de uitvoering van dat beleid ondersteunen. Zoals bekend, wil Defensie het nieuwe reservistenbeleid samen met die andere partijen daadwerkelijk vormgeven. Wij hebben inmiddels verschillende centrale bijeenkomsten georganiseerd en gehouden om samen met de reservisten, hun achterban en werkgevers te spreken over de ideeën over het reservistenbeleid. Op 2 december a.s. wordt hierover in Hilversum een groot congres georganiseerd. Volgens mij heb ik al eerder laten weten dat ook de leden van harte zijn uitgenodigd voor dit congres op 2 december. Als ik dat niet heb gedaan, zeg ik mea culpa. De mening van de leden in dezen doet ertoe.

De heer Van Dijk vroeg of het gewondeninsigne met terugwerkende kracht aan veteranen kan worden uitgereikt. Een voorstel tot toekenning van een draaginsigne kan worden gedaan door Defensie, de veteraan zelf of door personen uit de omgeving van de veteranen. De heer Van Dijk vroeg gisteren heel terecht of het inmiddels in de procedures is geregeld dat Defensie zorg draagt voor het voorstel tot toekenning van het draaginsigne voor een veteraan lijdend aan PTSS. Het antwoord daarop is: ja, het is in de procedures vastgelegd. Het voorstel tot toekenning van een draaginsigne wordt dan naar de Centrale Adviescommissie Draaginsigne Gewonden gestuurd. Deze commissie beoordeelt de aanvraag en adviseert mij vervolgens weer over de toekenning. Hoewel het goed geregeld is in de procedures, blijkt ook nu weer dat de perceptie van enkele veteranen kennelijk anders is ten aanzien van de uitvoering hiervan. De motie waaraan de heer Van Dijk refereerde, is dus overigens uitgevoerd. Dat die perceptie anders is, vind ik oprecht spijtig. Bij de inrichting van het Veteranenloket, waar de Kamer ook bij betrokken is, zal ik daarom opnieuw bezien hoe dit proces kan worden verbeterd, of daar ruimte voor is en of dit noodzakelijk is.

(...)

Mevrouw Hachchi stelde vragen over de personele kosten van de krijgsmacht. Ze leek te veronderstellen — ik zeg er gelijk bij dat ik het misschien ook niet helemaal goed heb begrepen — dat bij de bezuinigingen niet of in ieder geval onvoldoende naar het CDC, DMO en de Bestuursstaf zou zijn gekeken. Ik wil graag duidelijk maken dat niets minder waar is. Vrijwel de gehele taakstelling op de apparaatsuitgaven, de 48 miljoen uit het regeerakkoord, is namelijk bij het CDC en DMO neergeslagen. Daarnaast zijn er ook nog de gevolgen van de beleidsbrief uit 2011. Dat lijkt alweer heel lang geleden, maar het heeft een enorme impact gehad: 30% reductie. Vastgesteld is dat in de staven van de Bestuursstaf, het CDC en DMO geen ruimte meer was voor aanvullende taakstellingen. Dat geldt evenzeer voor de staven van de operationele commando's. Voor alle duidelijkheid: bij de uitvoerende divisies van het CDC leiden de maatregelen in de infrastructuur en de indirecte gevolgen van maatregelen bij de operationele eenheden — dat zijn de zogenoemde tweedeorde-effecten — tot een extra taakstelling van ongeveer 10 miljoen. Het terugdringen van alleen de personele exploitatie is altijd wat risicovol, omdat het niet zal leiden tot een structureel betaalbare krijgsmacht aangezien hiermee ook het evenwicht wordt verstoord tussen personeel, materieel en ondersteunende diensten.

Niet onbelangrijk is de "tooth-to-tail"-verhouding, de verhouding tussen het personeel dat operationeel kan worden ingezet en de staf die dat mede mogelijk maakt. Uit een onderzoek van McKinsey uit het voorjaar van 2010 blijkt dat Nederland het toen al verhoudingsgewijs goed deed. Dat was dus nog voor de reductie van 30% aan staf. Na Noorwegen en Koeweit — opvallend — kwam de Nederlandse krijgsmacht als derde uit de bus. Nederland komt uit op 39% gevechtsfuncties, 21% gevechtsondersteuning en 41% overig. Als ik dat afzet tegen de internationale gemiddelden van respectievelijk 26%, 11% en 63%, denk ik dat we het goed doen. Natuurlijk blijven we streven naar een steeds verdere verbetering van die verhouding. Als dat de aansporing is van mevrouw Hachchi, zeg ik volmondig ja. Als zij mij echter vraagt of er nu sprake is van een onevenredige verhouding, dan is mijn antwoord nee.

(...)

Het Budget Internationale Veiligheid, voorzitter. Diverse leden, onder wie de heer Knops, hebben vragen gesteld over het BIV. Gisteren is al aan de orde geweest dat ik samen met collega Ploumen afgelopen maandagmiddag een vruchtbaar notaoverleg heb gevoerd met de Kamer. Niet iedereen was aanwezig, maar we hebben toen samen wel de nodige duidelijkheid kunnen scheppen. Ik zal niet herhalen wat toen allemaal is gezegd, maar ik zal wel proberen om het Budget Internationale Veiligheid ook voor de CDA-fractie in het juiste perspectief te plaatsen. Bij de heer Knops is kennelijk sprake van een klein misverstand, dat ik buitengewoon graag wegneem. Dat misverstand is dat we te maken zouden hebben met 250 miljoen Defensiegeld. Dat is niet zo; voor het grootste gedeelte is het HGIS-geld. Dat dit voorheen op de begroting van Defensie stond en nu op de begroting van BHOS doet daaraan niets af. Dit HGIS-geld kan niet door de desbetreffende minister naar believen binnen de eigen begroting worden besteed. Dat was niet zo en dat is niet zo. Hans Hillen kon dat niet, ik kan dat niet en straks kan Lilianne Ploumen het ook niet. Er staat een hek omheen. Wat binnen de HGIS zit, moet binnen de HGIS blijven. Crisisbeheersingsoperaties worden uit de HGIS betaald en dat blijft zo: tot en met dit jaar uit de HGIS-voorziening op de Defensiebegroting en vanaf 2014 uit het BIV, dat dan ook onderdeel is van de HGIS, op de BHOS-begroting. Als de instelling van het BIV voor Defensie niet leidt tot een bezuiniging, zoals de minister-president heeft aangegeven tijdens de algemene politieke beschouwingen, zoals ik afgelopen maandag heb bevestigd tijdens het notaoverleg en zoals ook mijn collega Ploumen heeft bevestigd, levert het terug overhevelen van het BIV naar de Defensiebegroting ook geen extra geld op voor Defensie. Laat ik het zo zeggen: een eventueel amendement op dit punt moet ik ontraden, omdat het Defensie niets oplevert. Het leidt niet tot een bezuiniging. Dat heeft de minister-president aangegeven. Dat heb ik aangegeven. Dat heeft mevrouw Ploumen aangegeven.

(...)

 De heer Knops had graag gezien dat het JSS ook de Chinook-taak zou uitvoeren. Ik snap die gedachte, dat is aantrekkelijk, maar het herstel van de Chinook-taak zou voor het JSS wel de volgende effecten hebben. Er kan dan niet langer uitsluitend met een kernbemanning met het JSS worden gevaren. Er is immers extra bemanning nodig om de helikopters te kunnen inzetten. Het bereikte evenwicht tussen de gevraagde helikopteruren en het aanbod van helikopteruren, waarover wij eerder vandaag spaken, wordt dan verstoord. Dan moet ik dus aanvullende maatregelen nemen. De Chinooks moeten ook zeebestendig worden gemaakt en dat kost geld. Bovendien zullen de instandhoudingskosten toenemen. De realiteit is dat hiervoor binnen de Defensiebegroting geen dekking bestaat. Ik heb aangegeven dat wij het JSS in de vaart nemen, maar dat wij internationaal gaan samenwerken. Ik rapporteer daarover en kom bij de Kamer terug. Intern heb ik gezegd: failure is not an option. Dat herhaal ik hier. Het gaat ons lukken.

(...)

Defensie werkt niet aan volledig geautomatiseerde wapensystemen en heeft er ook geen plannen voor. Voor de Nederlandse regering is het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, leidend bij de ontwikkeling van nieuwe wapensystemen. Let wel, de technologische ontwikkeling van autonome systemen strekt natuurlijk verder dan alleen maar de wapensystemen. Wij hebben het ook over vliegtuigen, mijnenvegers et cetera. Hoe dan ook, het zal duidelijk zijn dat Defensie de technologische ontwikkelingen meer in het algemeen nauwgezet volgt. Voor de duidelijkheid en misschien wel ter geruststelling: de inzet van wapensystemen loopt altijd via strikte procedures, waarbij toetsing aan de regels, waaronder proportionaliteit, vanzelfsprekend is. Bij de inzet van een wapensysteem houden wij vast aan deze procedure en garanderen wij dat er altijd een zogenaamde man in the loop, een man in control zit. Het is nooit volledig autonoom.

Internationaal komt de discussie over volledig geautomatiseerde wapensystemen behoorlijk op gang. Nederland zal actief deelnemen aan die discussie. Een belangrijk forum is de bijeenkomst van statenpartijen bij het verdrag inzake conventionele wapens. Als ik het goed heb, vindt er zelfs deze week een bijeenkomst plaats waarbij dit onderwerp ook weer op de agenda staat.

Hoe dan ook, ik benadruk dat wij het internationale debat nauwgezet volgen. Het is ook goed dat wij er af en toe met elkaar over spreken. Duidelijk is, in ieder geval voor mij, dat heldere definities vooralsnog ontbreken. Ook is er nog steeds geen overzicht beschikbaar van dodelijke autonome wapensystemen die daadwerkelijk in ontwikkeling zijn. Mede daarom vind ik het echt nog te vroeg om uitspraken te doen over het verbieden van dergelijke wapensystemen of over een moratorium op de ontwikkeling ervan. Wel is duidelijk dat de regering het van harte met de heer Van Ojik eens is dat dergelijke wapens serieuze vragen oproepen op ethisch gebied. Ook is het echt de vraag of ze überhaupt ooit kunnen worden ingezet met inachtneming van het humanitair oorlogsrecht. Er is een ontwikkeling, wij volgen die en wij nemen actief deel aan de discussie. Op dit moment is er echter onvoldoende beeld van om nu allerlei boude uitspraken te doen.

(...)

Ik kom bij het kopje overig. De heer Vuijk vroeg of de krijgsmachtdelen nog meer kunnen samenwerken. Waar ziet de minister nog meer kansen? Ik denk dat hij doelde op de verpaarsing. Nadere samenwerking is de aangewezen manier om de gezamenlijke militaire slagkracht op peil te houden. Dit geldt voor de samenwerking tussen de krijgsmachtdelen, de samenwerking met internationale partners en de samenwerking in eigen land met kennisinstituten, veiligheidspartners en bedrijven. Aangezien de heer Vuijk het had over die verpaarsing, wil ik graag benadrukken dat er al heel veel samenwerking tussen de krijgsmachtdelen plaatsvindt. Mevrouw Eijsink wees daar gisteren tijdens het debat ook op. De materieelaanschaf is paars, tenzij. Veel oefeningen zijn gezamenlijk en er komen steeds meer joint organisatiedelen.

Concreet is de ondersteuning van alle krijgsmachtonderdelen geconcentreerd bij het CDC en de DMO. Het onderhoud van materieel is geconcentreerd bij respectievelijk het marinebedrijf Logistiek Centrum Woensdrecht en Materieellogistiek Commando Land. Deze bedrijven onderhouden het materieel van alle Defensieonderdelen. Er staan geen schotten, zo u wilt. Daarnaast zijn er joint organisatiedelen die niet aan meer Defensieonderdelen operationele producten leveren. Deze zijn in zogeheten Single Service Management administratief bij een van de Defensieonderdelen ondergebracht. Het Defensie Cyber Commando, waar wij net over spraken, is daar een goed voorbeeld van. Ook in de nota staan enkele andere initiatieven. Daarin hebben wij gezegd dat de joint aansturing van bijvoorbeeld alle Nederlandse special operations eenheden, het Korps Commandotroepen, het Korps Mariniers, maar ook de geïntegreerde inzet, opleiding en training, de komende jaren de norm wordt. Hetzelfde geldt voor de ondersteunende processen zoals materieelverwerving en doctrineontwikkeling.

De krijgsmacht is bezig met een intensivering van de samenwerking en de integratie van de capaciteiten, middelen en eenheden. De krijgsmacht wordt steeds meer modulair opgebouwd om de bruikbaarheid van eenheden te vergroten en specifiek op een missie afgestemde verbanden te kunnen samenstellen. Die onderlinge afhankelijkheid en structuren, het proces van vraag en aanbod, maken dat de operationele commando's, die echt niet meer de krijgsmachtdelen zijn in de oude zin van het woord, en CDC en DMO steeds intensiever samenwerken onder de integrale aansturing van de Commandant der Strijdkrachten.

Tot slot op dit punt, natuurlijk zijn er nog altijd verbeteringen mogelijk. Wij blijven dan ook kijken en laten ons graag inspireren door de Kamerleden. Maar juist op dit aspect hebben wij een onomkeerbaar proces in gang gezet met een stijgende lijn, gelet op alle resultaten die wij al hebben bereikt. Defensie dupliceert geen capaciteiten.

(...)

De heer Vuijk sprak over de emotie en de identiteit, de esprit de corps. Dat is natuurlijk heel herkenbaar. We laten die donkerblauwe, die groene en die lichtblauwe identiteit dan ook in stand. Dat is van belang voor het domein waarin het desbetreffende commando opereert. Elders in de wereld is ook weleens geprobeerd om al die militairen tot één entiteit om te vormen, inclusief uitmonstering, maar vanwege het ontbreken van de herkenbaarheid en de identiteit is dat heel slecht bevallen en is men teruggekeerd op zijn schreden. Die emotie herken ik dus wel. Ik denk dat het uiteindelijk altijd een uitdaging blijft om het juiste evenwicht te bereiken tussen identiteit en esprit de corps aan de ene kant en de gezamenlijkheid aan de andere kant. Hoe dan ook, de "verpaarsing" zoals dat bij ons intern bekend staat — ik moet eerlijk bekennen dat ik dit niet zo'n vies woord vind — is een onomkeerbaar proces. Ik ben graag bereid om te laten zien wat er de afgelopen jaren allemaal is ondernomen.

Ik kom in de buurt van het einde. Eindelijk kom ik aan bij mevrouw Günal-Gezer. Zij had een aantal opmerkingen en voorstellen over de CODEMO-regeling. Dat staat voor Commissie Defensie Materieel Ontwikkeling. Deze regeling is bedoeld om bedrijven in staat te stellen om prototypes te ontwikkelen voor materieel waar Defensie behoefte aan heeft. Volgens mij was er gisteren een heel klein beetje sprake van een mogelijk misverstand. De CODEMO-regeling is namelijk niet per se bedoeld voor het mkb. Wel bekijken wij natuurlijk heel indringend of bedrijven die met een voorstel komen, de ontwikkeling zelf kunnen betalen. Natuurlijk kom je dan bij grote bedrijven sneller tot de conclusie dat zij het zelf kunnen betalen dan bijvoorbeeld bij een gemiddeld mkb-bedrijf. Ik wil mij echter niet wagen aan het op voorhand uitsluiten van bedrijven, terwijl zij allemaal met een heel goed voorstel kunnen komen in het belang van onze krijgsmacht en misschien hulp nodig hebben bij de ontwikkeling van een prototype.

Mevrouw Günal-Gezer had het over de vertragende werking van de huidige opzet. Ik herken dat. Er was sprake van vertragingen. De uitwerking heeft echt de nodige voeten in de aarde gehad. Het heeft helemaal geen zin om dat te ontkennen. Inmiddels zijn wij daar echter uit en zijn de vertragingen achter de rug. Het is dan ook niet nodig om nu ineens aanvullende maatregelen te nemen.

Mevrouw Günal-Gezer vroeg ook of ik bereid ben het virtuele fonds zo snel mogelijk om te zetten in een echt fonds. Ik moet haar teleurstellen, want het kabinetsbeleid is erop gericht om geen nieuwe echte fondsen te creëren. Ik verzeker haar dat de minister van Financiën — mevrouw Günal-Gezer kent hem waarschijnlijk heel goed — daar heel streng in is. Het heeft allerlei onvoorspelbare gevolgen voor ons EMU-saldo en geeft allerlei administratieve overhead. Daarover is hij buitengewoon helder. Nu de eerdergenoemde problemen zijn opgelost, is het wat mij betreft dan ook niet nodig om deze weg in te slaan. In alle eerlijkheid denk ik ook dat wij de CODEMO-regeling een kans moeten geven en dat wij die niet gelijk alweer moeten willen aanpassen. Wij zijn er eigenlijk pas net goed mee begonnen. Ik denk dat wij zeker nog een jaar nodig hebben om te kunnen bepalen of de regeling echt werkt zoals zij is bedoeld. Ik vraag mevrouw Günal-Gezer dus iets meer tijd, alvorens deze regeling alweer te evalueren en zo nodig bij te stellen.

(...)

(Tweede termijn)

De heer Vuijk (VVD): 
Voorzitter. De VVD-fractie bedankt de minister voor de uitgebreide beantwoording van onze vragen. Ik maak graag van de gelegenheid gebruik om nog enkele kanttekeningen te plaatsen bij het debat dat in eerste termijn met de collega's en de minister is gevoerd.

De VVD is overtuigd van de waarde van defensie, overtuigd van de waarde van onze militairen en overtuigd van de noodzaak van een veelzijdige krijgsmacht. De wereld is immers niet veilig en de toekomst onzeker, woorden die hier al vaak zijn uitgesproken en die ik toch nog maar eens herhaal. Ik noem de dreiging van raketten met massavernietigingswapens, de dreiging van cyberaanvallen, de dreiging van piraterij en de dreiging die uitgaat van internationaal terrorisme. De VVD is overtuigd van de dreiging tegen onze veiligheid, de dreiging tegen onze vrijheid en de dreiging tegen onze welvaart.

De VVD-fractie ziet dat de minister enerzijds de defensie-uitgaven binnen de budgettaire kaders brengt en anderzijds de juiste investeringen doet om ons land veilig te houden. Zij ziet ook de verschillen met andere fracties in deze Kamer bevestigd, ook vanochtend weer. Van de SP bijvoorbeeld mag de krijgsmacht flink kleiner, GroenLinks wil een leger met knuffelwapens die ongevaarlijk zijn voor mensen en D66 pleit voor marginalisering van de landmacht en ziet de toekomst van ons land als deelstaat van Duitsland. Laat duidelijk zijn dat de VVD de veelzijdig inzetbare krijgsmacht die internationaal nog meer gaat samenwerken, zoals de minister die in een nota bij de begroting beschrijft, steunt.

Wel ziet de VVD kansen om de discussie die in de Kamer over samenwerking moet worden gevoerd, verder te structureren. Dit geldt ook voor de discussie die de Kamer met andere nationale parlementen gaat voeren. De VVD-fractie zal dit in de AO's die raken aan internationale samenwerking, actief en met hetzelfde enthousiasme als dat van de minister verder uitdiepen.

(...)

Mevrouw Eijsink (PvdA):
Voorzitter. Ik dank de minister voor haar antwoorden en de discussie in eerste termijn. Ik dank haar ook voor de discussie van vorige week. Wij hebben veel met elkaar gesproken, er is veel de revue gepasseerd, maar laten wij wel zijn: het is een momentopname in de plannen die voorliggen. Nu bespreken wij de begroting voor 2014 en volgende week zijn de stemmingen. De uitwerking laat niet zozeer op zich wachten, maar vindt plaats. De minister heeft de Kamer ook nog verschillende plannen toegezegd waar de PvdA-fractie goed naar zal kijken. Zij heeft daar vertrouwen in, maar zij zal de zaak goed en kritisch volgen zoals volksvertegenwoordigers horen te doen.

Ik bedank de minister voor haar opmerking over het DienstenCentrum Re-integratie. Daar komt nog meer informatie over; daar horen wij nog het een en ander over. Dat is voor onze fractie wel een belangrijk punt, want het gaat niet alleen over veteranen maar over heel veel meer. Daarom heb ik dit punt niet willen betrekken bij het notaoverleg over veteranen. Het is namelijk breder; het betreft ook de verdere organisatie in plaats van alleen maar de positie van veteranen.

Ik vraag de minister om nog iets explicieter te reageren op mijn vragen over gender. Mogelijk heb ik het verkeerd begrepen, maar laat duidelijk zijn dat de PvdA-fractie hecht aan een goede rol voor een gendervertegenwoordiger in de organisatie. Hij of zij kan op alle momenten meespreken over beleid, heeft controle op beleid, heeft evaluatie van beleid en heeft goed zicht in de organisatie, te allen tijde en op alle momenten. Ik hoor hierop graag een reactie van de minister.

Wat mij betreft, was dit het in tweede termijn. Wij spreken nog met de minister in het algemeen overleg personeel. Veel is nu niet aan de orde geweest, de tijd is beperkt, maar er is een algemeen overleg op 17 december. Over de veteranen, een heel belangrijk onderdeel van het beleid, gezamenlijk door de Kamer gedragen, afgelopen weekend weer, spreken wij op 9 december uitvoerig met de minister.

(...)

Mevrouw Günal-Gezer (PvdA): 
Voorzitter. Ik bedank de minister van harte voor haar zowel schriftelijke als mondelinge reacties op onze vragen en onze inbreng. Ik wil terugkomen op een drietal punten uit mijn inbreng in eerste termijn.

Het eerste punt betreft outsourcingtrajecten. De minister heeft aan het begin van haar betoog aangegeven dat zij het afgelopen jaar ontzettend hard bezig is geweest met allerlei belangrijke zaken, onder andere met een nota over de toekomst van de krijgsmacht. Daar hebben wij veel complimenten en alle waardering voor, maar dat betekent niet dat het ten koste mag gaan van een aantal andere belangrijke zaken zoals de outsourcingprojecten. Mijn fractie heeft absoluut niet de intentie om meer onzekerheid voor het defensiepersoneel te creëren. Wanneer je outsourcingprojecten voortvarend ter hand neemt, kan dat juist onduidelijkheid en onzekerheid voor het personeel voorkomen. Wat is de ambitie van de minister voor volgend jaar, als het gaat om outsourcingprojecten?

Ten aanzien van het ICT-outsourcingproject wil ik alleen maar opmerken dat mijn belangrijkste punt was: kijken wij goed om ons heen wat er gebeurt, leren wij van andere voorbeelden om ons heen of zijn wij bezig om het wiel opnieuw uit te vinden?

De minister heeft in haar schriftelijke reactie aangegeven dat vanwege het wegvallen van een tweetal taken voor het JSS een specifiek ingericht kade niet meer nodig is. Volgens mijn informatie zou alleen al vanwege de grootte en de lengte van het JSS de huidige kade in Den Helder niet geschikt zijn om er aan te meren en te bevoorraden. Wij kunnen het daar wel parkeren, maar kunnen daar eigenlijk verder niets doen. Een belangrijk motief voor het in de vaart nemen van het JSS was dat het veel meer internationaal zou worden ingezet. Als wij de huidige kade aanhouden en verder niks doen omdat wij voortaan maar één taak hebben, leggen wij dan niet aan de voorkant al beperkingen voor de internationale inzet? Wat doen wij als bijvoorbeeld Duitsland straks met een verzoek komt om er zwaar militair materieel mee te vervoeren? Hoe gaan wij daarmee om?

(...)

Minister Hennis-Plasschaert:
(...) ik heb al vaker verteld wat wij allemaal doen met de Duitsers. Overigens heb ik het lijstje inmiddels voor mij. Ik zal even noemen wat daarop staat.

Materieel gebied: onder meer onderzoeken van gezamenlijk onderhoud en landgebonden systemen (Boxer, Fennek en Pantserhouwitser), onderzoeken samenwerking op het gebied van de NH-90, onderzoeken samenwerking bij de aanschaf MALE-UAV, onderzoeken samenwerking ontwikkelen onderzeeboten, onderzoeken samenwerking Mine Countermeasures Capaciteit. Landstrijdkrachten: onder meer doorontwikkelen van legerkorpshoofdkwartier naar een joint headquarters, ontwikkelen van een gezamenlijke vuursteuncapaciteit, samenwerking in opleiding en training, integratie van Luchtmobiele Brigade en de Division Schnelle Kräfte. Luchtstrijdkrachten: verdere integratie binnen EATC, samenwerking in Ground Based Air Defence. Eenheden: samenwerking helikoptertrainingen, samenwerking opleiding en training, kennisdeling op het gebied van ontwikkelen schepen, delen van lessons learned, kennisdeling op het gebied van Maritime Ballastic Defence Capabilities.

                                                       - - -