donderdag 11 juni 2015

Kamerbrief: Visie op de toekomst van de onderzeedienst

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

11 juni 2015

Inleiding
Hierbij bied ik u de brief aan over de toekomst van de Nederlandse onderzeedienst. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie-Knops (Kamerstuk 33 763, nr. 18 van 6 november 2013) en licht ik het, reeds in de nota In het belang van Nederland vastgestelde, belang van de vervanging van de Walrusklasse nader toe. Het ontwerp van de Walrusklasse markeerde in de jaren zeventig van de vorige eeuw een ingrijpende omwenteling op het vlak van de bouw, de bedrijfsvoering en de inzet van onderzeeboten. Sinds de invoering begin jaren negentig van de vorige eeuw heeft dit concept zijn toegevoegde waarde bewezen. Om de huidige onderzeeboten vanaf 2025 te kunnen vervangen, moet in 2015 worden begonnen met de voorbereiding daarvan (zie ook antwoorden op de vragenlijst inzake de vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2015, brief van 23 oktober 2014). De komende jaren zijn nodig om op zorgvuldige wijze de vervanging van dit complexe wapensysteem gestalte te geven. Vanzelfsprekend kan op de goede ervaringen met de Walrusklasse worden voortgebouwd, maar ook andere vervangingsopties zullen worden overwogen. Optimale benutting van de samenwerkingsmogelijkheden met partnerlanden vormt het uitgangspunt. Ook de nationale kennisinstituten en de defensie- en veiligheidgerelateerde industrie worden in een vroeg stadium bij de vervanging betrokken.

Belang voor Nederland
Voor Nederland, met zijn grote zeehavens en maritieme belangen in Europa, het Caribisch gebied en andere delen van de wereld, is een militaire capaciteit om onder water te kunnen optreden van belang. Vanwege hun specifieke eigenschappen zijn de Nederlandse onderzeeboten een relevante nichecapaciteit voor de Navo en de EU. De internationale machtsverhoudingen verschuiven en een toenemend aantal spelers wil de zee in strategische zin en voor eigen gewin benutten. Alleen de onderzeeboot kan gedurende langere tijd onopgemerkt blijven, ook in een omgeving waar de dreiging groot is en geen militair overwicht bestaat. De onderzeeboot is zeer geschikt voor de bescherming van scheepvaart en handelsroutes, voor de ondersteuning van militaire interventies, en om vijandelijke eenheden bewegingsvrijheid te ontnemen. Met een relatief beperkte militaire inzet kan in uiteenlopende inzetscenario's, op en vanuit zee, een groot effect worden bereikt. Het afdwingen van een wapenembargo door middel van een maritieme blokkade en het (ver)hinderen van maritieme operaties van de tegenstander zijn hier voorbeelden van.

Als gevolg van de afstoting van de maritieme patrouillevliegtuigen en de vermindering van het aantal M-fregatten, beschikt de Nederlandse krijgsmacht uitsluitend nog over onderzeeboten voor de verdediging van vlootverbanden op grotere afstand. De Nederlandse onderzeeboten hebben voorts, eventueel in combinatie met de inzet van special forces, een belangrijke inlichtingenfunctie. In internationaal verband leveren zij bovendien een unieke capaciteit. De huidige Nederlandse onderzeeboten kunnen namelijk verder van een thuishaven en gedurende een langere periode worden ingezet dan de conventionele onderzeeboten van andere Europese landen. Een dergelijke expeditionaire onderzeebootcapaciteit is voor Nederland tevens van belang met het oog op de veiligheid van het Koninkrijk in het Caribisch gebied. Met de beoogde vervanging van zijn onderzeebootcapaciteit zou Nederland een aanzienlijke bijdrage leveren aan de vervulling van de in Navo-kader vastgestelde prioritaire behoeften op het gebied van onderzeebootbestrijding, beeldopbouw en inlichtingenvergaring.

Veiligheidspolitieke context

Verslechterde veiligheidssituatie
De wereld is er de afgelopen jaren niet veiliger op geworden. De beleidsbrief ‘Turbulente Tijden in een Instabiele Omgeving’ (Kamerstuk 33 694, nr. 6 van 14 november 2014) bevat een analyse van de internationale veiligheidssituatie, in aanvulling op de eerder vastgestelde Internationale Veiligheidsstrategie. Veiligheidsrisico’s die al langer werden onderkend, hebben zich inmiddels gemanifesteerd als reële bedreigingen. Er lijkt zich een multipolaire wereldorde af te tekenen, waarin de Europese veiligheid en de internationale rechtsorde in toenemende mate onder druk staan. Conflicten en destabiliserende krachten dringen zich in de (directe) nabijheid van Europa op. De Nederlandse samenleving ondervindt daarvan rechtstreeks de gevolgen, mede omdat de interne en externe veiligheid steeds nauwer verweven zijn. Er moet rekening worden gehouden met een langdurige periode van voortdurende instabiliteit aan de zuid- en oostflanken van Europa. In dit licht vergt ook de collectieve verdediging nadrukkelijk de aandacht. Bovendien kunnen zich nieuwe crises aandienen, zowel in de omgeving van Europa als verder weg. Van de Europese landen wordt in bondgenootschappelijk verband verwacht dat zij meer verantwoordelijkheid nemen voor hun veiligheid en de bescherming van hun belangen. Dit vergt, ook van Nederland, inspanningen ter versterking van de gezamenlijke slagkracht en een verdere verdieping van de samenwerking.

Het maritieme domein
Naar verwachting zal er, in de komende decennia, bij veel bedreigingen, spanningen en conflicten sprake zijn van een maritieme dimensie. De Nederlandse maritieme strategie 2015-2025 (Kamerstuk 31 409, nr. 70 van 16 januari 2015), de maritieme strategie van de Navo en de maritieme veiligheidsstrategie van de EU geven hiervan blijk. De afgelopen jaren is er sprake van een toenemend bewustzijn over het feit dat zeetransportroutes, zeestraten en maritieme knooppunten overal ter wereld kwetsbaar zijn. Steeds meer staten en niet-statelijke actoren beconcurreren elkaar over het gebruik van - en de controle over - dergelijke zeegebieden. Ook nieuwe routes en gebieden die in economische zin belangrijker worden, zoals de Arctische regio, zullen de komende decennia extra aandacht vergen. Het vrije gebruik van de zee is gereguleerd door het internationale zeerecht, maar niet alle staten hanteren dezelfde interpretatie daarvan. Disputen kunnen ertoe leiden dat staten diplomatieke en economische machtsmiddelen kracht bijzetten met maritieme presentie en militaire inzet.

Beperking of ontwrichting van het internationale scheepvaartverkeer, ook op grote afstand van Nederland, kan onze veiligheid en welvaart onmiddellijk treffen. De maritieme militaire machtsopbouw in Rusland en Azië, inclusief de proliferatie van moderne onderzeeboten, fregatten en raketsystemen, baart zorgen. Ook in Latijns-Amerika is sprake van een toenemende inzet van moderne marines waarvan onderzeeboten deel uitmaken. In de steeds diffusere veiligheidsomgeving zijn surveillance, beeldopbouw en goede inlichtingen cruciaal om te kunnen anticiperen op mogelijke dreigingen en conflicten, en zo ook om expeditionaire militaire operaties veilig en doelgericht te kunnen uitvoeren. Bovendien moeten de Navo-lidstaten, ook in het maritieme domein, beschikken over voldoende escalatiedominantie en het vermogen om vitale belangen mondiaal te beschermen.

Het wapensysteem
De onderzeeboot is een van de belangrijke grote wapensystemen waaraan de krijgsmacht zijn slagkracht ontleent. In het militaire optreden is het een van de weinige mogelijkheden om langdurig onopgemerkt te blijven. In tegenstelling tot oppervlakteschepen kunnen onderzeeboten kustgebieden of vijandelijke eenheden zeer dicht naderen zonder te worden opgemerkt. Dat geldt ook voor gebieden waar de tegenstander beschikt over het vermogen om anderen de toegang te ontzeggen (Anti Access, Area Denial). Voor de politieke en militaire besluitvorming kan de onderzeeboot cruciale informatie opleveren die niet op een andere manier kan worden verkregen. Verder kan de onderzeeboot niet alleen de situatie op zee, maar ook op land beïnvloeden. Zelfs in ondiep water waar de manoeuvreerruimte voor de onderzeeboot beperkt is, vergt het immers een relatief grote militaire inspanning om onderzeeboten op te sporen en te volgen. Conventionele onderzeeboten, zoals de huidige Walrusklasse, zijn beter geschikt voor operaties in ondiepe wateren dan de, over het algemeen grotere, nucleaire onderzeeboten. De voordelen van nucleair aangedreven onderzeeboten, waaronder de zeer grote actieradius en het vermogen om langdurig hogere snelheden vol te houden, gelden vooral in diepere wateren. De verschillende typen onderzeeboten zijn in internationaal verband complementair.

De kracht van de huidige Nederlandse onderzeeboot
De Nederlandse onderzeeboten van de Walrusklasse treden op als verkenner, wapendrager en uitvalsbasis voor speciale operaties. De inzet is gericht op de beïnvloeding van het gedrag van staten en de bestrijding van internationaal georganiseerd terrorisme en zware criminaliteit. Voorbeelden vormen het afdwingen van een maritieme blokkade zoals midden jaren negentig van de vorige eeuw in de Adriatische zee, de bestrijding van drugssmokkel in het Caribisch gebied en, recenter, de inzet voor piraterijbestrijding in de wateren rondom de Hoorn van Afrika. Ook in de toekomst moet de Nederlandse onderzeeboot in staat zijn om, zowel geïntegreerd in een maritieme taakgroep als zelfstandig, langdurig operaties uit te voeren ver van een thuisbasis, ook in gebieden waar een hoog dreigingsniveau heerst. In het operatiegebied moeten verschillende taken kunnen worden uitgevoerd in de opeenvolgende fases van het maritieme optreden. De bundeling van vier specifieke vermogens in één platform bepalen de kracht en veelzijdigheid van de Nederlandse onderzeeboot:

    - Geloofwaardige, grote en precieze maritieme slagkracht – het vermogen om onverhoeds grote slagkracht aan te wenden in gebieden waar (nog) geen militair overwicht is. Dit kan zowel defensieve als offensieve slagkracht betreffen tijdens interventies op en vanuit zee. Door de onderzeeboot gelanceerde torpedo’s kunnen met grote precisie schepen en onderzeeboten direct uitschakelen om de tegenstander het gebruik van de zee te ontzeggen of te beperken (Sea Denial en Sea Control) en een eigen vlootverband te beschermen. Nederland levert hiermee een belangrijke capaciteit in het maritieme concept van de NAVO voor Anti Submarine Warfare en Anti Surface Warfare.

     - Verzamelen, analyseren en delen van inlichtingen – het vermogen om, weken aaneengesloten, heimelijk in een gebied activiteiten van (potentiële) tegenstanders te observeren en real time te analyseren. De verzamelde inlichtingen over de gereedheid, capaciteiten en operatiepatronen vergroten de mogelijkheid om de intenties en feitelijke gedragingen van (potentiële) tegenstanders te beoordelen. Hiermee versterkt Nederland tevens zijn internationale inlichtingenpositie die berust op het principe quid pro quo. Voorafgaand aan en tijdens een conflict kunnen de operationele en tactische inlichtingen van de onderzeeboot bepalend zijn voor de doelgerichtheid van maritieme operaties. De inlichtingenfunctie is van groot belang voor de beeldopbouw en de vergroting van situational awareness.

     - Speciale operaties – het vermogen om als uitvalsbasis te dienen voor de heimelijke inzet van special forces nabij en op het grondgebied van een (potentiële) tegenstander om inlichtingen te verzamelen, strategische doelen of infrastructuur uit te schakelen, of voorbereidingen te treffen voor vervolgoperaties. Dergelijke acties kunnen onder meer betrekking hebben op de voorbereiding van een amfibische operatie, een doelgerichte aanval, bevrijding van gijzelaars, of de evacuatie van Nederlandse staatsburgers onder bedreigende omstandigheden.

     - Strategische beïnvloeding – het vermogen om met een relatief beperkte militaire inzet het gedrag van tegenstanders doelgericht te beïnvloeden. Dit vermogen vormt eigenlijk de optelsom van de hiervoor genoemde kenmerken. De dreiging die van de aangekondigde of vermoede aanwezigheid van onderzeeboten uitgaat, kan de tegenstander dwingen tot ingrijpende voorzorgsmaatregelen en aanpassing van zijn strategie en operatiepatroon.

De nieuwe onderzeebootcapaciteit
De uitgangspunten zoals verwoord in de nota In het belang van Nederland zijn leidend voor de vervanging en daarmee voor de vaststelling van de behoefte en de functionele eisen voor de opvolger van de Walrusklasse. De huidige inzetbaarheidsdoelstelling is: het onafgebroken beschikbaar hebben van één onderzeeboot voor langdurige inzet, of twee onderzeeboten voor een kortere periode. De inzetbaarheid van onderzeeboten valt of staat ook in de toekomst met de robuustheid van de ondersteunende organisatie en de personele beschikbaarheid.

Veelzijdigheid en aanpassingsvermogen
De Nederlandse onderzeeboot is door de bundeling van specifieke vermogens voor verschillende taken inzetbaar. De bescherming van de belangen van het Koninkrijk, ook in het Caribisch gebied, is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de inzet in nieuwe maritieme aandachtsgebieden. Met het oog op de veranderlijke aard van de veiligheidsomgeving moeten militaire capaciteiten over ‘groeipotentieel’ beschikken. Het aanpassingsvermogen gedurende de (relatief lange) levensduur van de onderzeeboot wordt onder meer bereikt door reserves en flexibiliteit in te bouwen met het oog op modificaties, modulaire aanpassing van bemensing en functionaliteit, instandhoudingsprogramma’s en de toekomstige toevoeging van externe sensoren zoals Unmanned Underwater Vehicles (UUV’s). De toepassing van nieuwe technologie maakt het waarschijnlijk mogelijk om op nieuwe onderzeeboten kleinere bemanningen in te zetten zonder daarmee afbreuk te doen aan de prestaties. Het is onwaarschijnlijk dat de komende decennia onbemande systemen beschikbaar komen die de beoogde combinatie van taken langdurig autonoom kunnen uitvoeren.

Het diffuse dreigingsbeeld en de proliferatie van wapentechnologie kunnen de komende decennia voorts nopen tot betere zelfverdediging en verbreding van de mogelijkheden tot wapeninzet. De huidige onderzeeboot beschikt alleen over zware torpedo’s tegen doelen op zee en onder water. Deze bieden grote slagkracht, maar zijn minder goed bruikbaar tegen kleine oppervlaktedoelen en hebben geen nut tegen vijandelijke torpedo’s, vliegtuigen en helikopters. Differentiatie van de bewapening van de nieuwe onderzeeboot verhoogt de operationele effectiviteit. Daarbij kunnen overwegingen van proportionaliteit en niet-letale effecten worden betrokken (schepen onklaar maken in plaats van deze te vernietigen). Ook kan het nodig blijken de nieuwe onderzeeboot toe te rusten met voorzieningen voor de lancering van missiles. Of naast de beoogde ‘provisions for’ deze wapens werkelijk deel moeten uitmaken van de vervanging is, afgezien van financiële overwegingen, mede afhankelijk van de ontwikkeling van het dreigingsbeeld en de in internationaal kader vastgestelde behoeften.

Financiële aspecten
De besluitvorming over de vervanging vergt een integrale afweging op basis van een overzicht van alle met de vervanging gepaard gaande kosten, waaronder de instandhouding en de ondersteuning van de onderzeebootcapaciteit gedurende de gehele levensduur (Life Cycle Costing - LCC). Gezien de complexiteit van het wapensysteem en de keuze om de vervanging gestalte te geven in nauwe samenwerking met partners, zowel nationaal als internationaal, zal het inzicht in de kosten stapsgewijs toenemen. De verschillende fasen in het defensiematerieelproces (DMP) voorzien, op weg naar een finaal besluit, in steeds preciezere informatieverstrekking over de hoogte van de investering. Het uiteindelijke besluit over de vervanging wordt volgens de planning verwacht in 2018, binnen de dan geldende budgettaire kaders.

Internationale samenwerking
De beoogde vervanging van de Walrusklasse levert een belangrijke bijdrage aan de gezamenlijke slagkracht in Navo en EU-kader. Nederland kan zich een capabele en betrouwbare bondgenoot tonen door te investeren in prioritaire capaciteitsgebieden en door capaciteiten te vervangen die in andere Europese landen niet of beperkt voorhanden zijn. Met uitzondering van Nederland beschikken de overige Europese landen op dit ogenblik niet over expeditionair inzetbare conventionele onderzeeboten voor verkenning en inlichtingenvergaring (‘NATO priority shortfall area Joint Intelligence Surveillance and Reconnaissance (JISR)’). Ook heeft de Navo onderzeebootbestrijding aangemerkt als een capaciteitsgebied waarop tekorten bestaan (‘NATO priority shortfall area Anti Submarine Warfare (ASW)').

Nauwe samenwerking met partnerlanden bij het ontwerp, de bouw, de instandhouding en de inzet van onderzeeboten biedt voordelen. Ook vergroot het de mogelijkheden om de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen te versterken. De voordelen bij onderzeebootsamenwerking worden niet zozeer bereikt door operationele inzet vanuit een gezamenlijke pool of een gedeelde capaciteit. De reden hiervoor is dat de meeste landen hun onderzeeboten op grond van nationale veiligheidsoverwegingen zelfstandig willen kunnen inzetten. De voordelen worden eerder gevonden op het terrein van de operationele gereedheid (opleiding en training) en de materiële gereedheid (onderhoud, reservedelen, programma’s voor levensduurverlenging). De onderzeedienst werkt op dergelijke terreinen ook nu al samen met verschillende landen (zie het overzicht in de bijlage bij deze brief).

Voor de vervanging van de Walrusklasse wordt onderzocht hoe de doelmatigheid, met het oog op de total cost of ownership, verder kan worden vergroot. Nederland streeft daarom naar vergaande samenwerking gedurende de gehele levenscyclus van het materieel en stelt geen harde grens aan de reikwijdte van de samenwerking. Zelfs de inzet van multinationale bemanningen bij oefeningen of operaties moet worden overwogen. Nederland draagt deze ambitie uit in de internationale contacten, maar is tegelijk afhankelijk van de bereidheid van partners om stappen te zetten. Om maximaal voordeel uit samenwerking te kunnen behalen, moeten de Nederlandse onderzeeboten waar mogelijk over dezelfde eigenschappen, systemen en gebruiksfilosofieën beschikken als die van de partnerlanden. Bij een complex technisch geïntegreerd systeem zoals een onderzeeboot kan een beperkte afwijking al van invloed zijn op de diepgang van de samenwerking.

De samenwerking met partnerlanden
Nederland volgt de ontwikkelingen betreffende de vervanging van onderzeeboten in een aantal landen op de voet. Waar mogelijk zal Nederland kansen benutten om partners te betrekken bij het eigen vervangingstraject. Hiermee kunnen de voordelen van samenwerking worden vergroot en is de beoogde verdieping niet afhankelijk van de bereidheid van één partner. De ontwikkelingen in Australië, Canada, Duitsland, Noorwegen en Zweden bieden hiervoor op dit moment de meeste aanknopingspunten:
   
     - Australië hanteert een min of meer gelijke termijn voor de vervanging van zes conventionele Collinsklasse onderzeeboten. De behoefte gaat momenteel uit naar een veel grotere, duurdere onderzeeboot. Afhankelijk van het ontwerp kan samenwerking nader worden onderzocht, al is de geografische afstand een beperkende factor. Australië hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren. Het land heeft op 20 februari jl. aangekondigd werven in Duitsland, Frankrijk en Japan voorstellen te laten doen voor een nieuw ontwerp;

    - Canada bereidt besluitvorming voor over levensverlengend onderhoud van de huidige vier conventionele Victoriaklasse onderzeeboten. Canada hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren, maar oriënteert zich vooralsnog niet op een vervangende onderzeebootcapaciteit;
   
- Duitsland beschikt over een nationale onderzeebootbouwindustrie (TKMS). Gezamenlijke of gelijktijdige vervanging met Duitsland is momenteel niet aan de orde omdat het net heeft geïnvesteerd in zes conventionele T212 onderzeeboten. Anderzijds kan betrokkenheid van de Duitse industrie interessant zijn, mede met het oog op de bredere maritieme samenwerking met het land. Duitsland hanteert wel een ander concept van opereren dan Nederland;

     - de Noorse regering heeft eind november 2014 formeel besloten om vanaf midden jaren twintig zes conventionele Ulaklasse onderzeeboten te vervangen. De vervanging van de Nederlandse onderzeeboten is (in de planning) voorzien in dezelfde periode. Noorwegen is een strategische partner en al vele jaren is er sprake van samenwerking op tal van terreinen, ook op onderzeebootgebied. Noorwegen hanteert een met Nederland vergelijkbaar concept van opereren. Om deze redenen lijkt de samenwerking met Noorwegen vooralsnog goede vooruitzichten te bieden op verdere verdieping. Wel oriënteert Noorwegen zich op kleinere onderzeeboten die minder geschikt zijn voor expeditionaire inzet en geïntegreerd optreden met een maritieme taakgroep. De mate waarin de functionele eisen voor de vervangende capaciteit uiteindelijk overeenkomen, bepaalt in belangrijke mate hoe vergaand de samenwerking kan zijn;

     - Zweden beschikt eveneens over een nationale onderzeebootindustrie (Saab-Kockums) en heeft reeds opdracht gegeven voor de bouw van nieuwe onderzeeboten vanaf midden 2020. Samenwerking met Zweden zal sterk worden beïnvloed door de Zweedse industriële belangen. Dit kan de mogelijkheden voor een goede positionering van de Nederlandse industrie beperken, maar het kan - zoals blijkt uit de recent aangekondigde samenwerking tussen Damen en Saab - ook kansen bieden. Zweden hanteert wel een ander concept van opereren dan Nederland.

Industriële participatie
De samenwerking met de nationale industrie en de kennisinstituten zal zoveel mogelijk geschieden in het kader van de Defensie Industrie Strategie (DIS) en het Convenant kennisgroep Nederlandse marinebouw. 1 De vijf prioritaire technologiegebieden uit de DIS komen allemaal in beeld bij de vervanging. Defensie onderkent dat de betrokkenheid van de industrie en kennisinstituten nodig is om voldoende kennis op te bouwen en te waarborgen, en om de technische risico’s beheersbaar te houden. Een volgende generatie onderzeeboten vergt de toepassing van hoogwaardige technologische kennis over signatuurreductie, systeemintegratie, bewapening en zelfbescherming. Defensie zal de beschikbare kennis hierover verder moeten vergroten om als smart buyer en smart specifier realistische en kosteneffectieve eisen te kunnen stellen aan het ontwerp, de bouw en de exploitatie.

De Nederlandse industrie met specifieke maritieme en onderzeebootkennis heeft zich verenigd in het Dutch Underwater Knowledge Center (DUKC), een samenwerkingsplatform onder de NIDV. De kennisinstituten TNO en MARIN beschikken eveneens over specifieke onderzeebootkennis. De kennisinstituten en het DUKC vervullen reeds een belangrijke rol in het instandhoudingsprogramma voor de Walrusklasse. Daarmee is belangrijke kennis opgedaan, behouden en uitgebreid. Het DUKC is betrokken bij de voorbereidende studies voor de vervangende onderzeebootcapaciteit en ondersteunt de contacten tussen Defensie en de nationale maritieme industrie. Het DUKC heeft de
onderzeebootkennis in Nederland geïnventariseerd. Denk daarbij aan het ontwerpen van de drukhuid, platformautomatisering, weerstand en voortstuwing, Combat Management System (CMS), Sensoren, Wapens en Communicatie (SEWACO), functioneel ontwerp en signaturen. Tegelijk stelt het DUKC vast dat specifieke kennis en ervaring voor de bouw van onderzeeboten in Nederland ontbreken. Het DUKC heeft de ambitie om deel te nemen aan de totstandkoming en exploitatie van de nieuwe capaciteit.2 Daarnaast hebben Damen Shipyards en het Zweedse SAAB-Kockums, zoals gezegd, strategische samenwerking op het gebied van onderzeebootbouw aangekondigd. Defensie zal voorstellen van de industrie betrekken bij de voorbereiding van de besluitvorming en zowel de baten als de kosten van industriële participatie in kaart brengen.

Industriële participatie
De samenwerking met de nationale industrie en de kennisinstituten zal zoveel mogelijk geschieden in het kader van de Defensie Industrie Strategie (DIS) en het Convenant kennisgroep Nederlandse marinebouw. 1 De vijf prioritaire technologiegebieden uit de DIS komen allemaal in beeld bij de vervanging. Defensie onderkent dat de betrokkenheid van de industrie en kennisinstituten nodig is om voldoende kennis op te bouwen en te waarborgen, en om de technische risico’s beheersbaar te houden. Een volgende generatie onderzeeboten vergt de toepassing van hoogwaardige technologische kennis over signatuurreductie, systeemintegratie, bewapening en zelfbescherming. Defensie zal de beschikbare kennis hierover verder moeten vergroten om als smart buyer en smart specifier realistische en kosteneffectieve eisen te kunnen stellen aan het ontwerp, de bouw en de exploitatie.

De Nederlandse industrie met specifieke maritieme en onderzeebootkennis heeft zich verenigd in het Dutch Underwater Knowledge Center (DUKC), een samenwerkingsplatform onder de NIDV. De kennisinstituten TNO en MARIN beschikken eveneens over specifieke onderzeebootkennis. De kennisinstituten en het DUKC vervullen reeds een belangrijke rol in het instandhoudingsprogramma voor de Walrusklasse. Daarmee is belangrijke kennis opgedaan, behouden en uitgebreid. Het DUKC is betrokken bij de voorbereidende studies voor de vervangende onderzeebootcapaciteit en ondersteunt de contacten tussen Defensie en de nationale maritieme industrie. Het DUKC heeft de onderzeebootkennis in Nederland geïnventariseerd. Denk daarbij aan het ontwerpen van de drukhuid, platformautomatisering, weerstand en voortstuwing, Combat Management System (CMS), Sensoren, Wapens en Communicatie (SEWACO), functioneel ontwerp en signaturen. Tegelijk stelt het DUKC vast dat specifieke kennis en ervaring voor de bouw van onderzeeboten in Nederland ontbreken. Het DUKC heeft de ambitie om deel te nemen aan de totstandkoming en exploitatie van de nieuwe capaciteit.2 Daarnaast hebben Damen Shipyards en het Zweedse SAAB-Kockums, zoals gezegd, strategische samenwerking op het gebied van onderzeebootbouw aangekondigd. Defensie zal voorstellen van de industrie betrekken bij de voorbereiding van de besluitvorming en zowel de baten als de kosten van industriële participatie in kaart brengen.

_______________________________________________________________________________
1 Op 17 september 2012 hebben de minister van Defensie en het Nederlands Marinebouw Cluster een convenant gesloten, om gezamenlijk de benodigde kennis voor de ontwikkeling en bouw van militaire oppervlakteschepen te waarborgen, deze kennis onderling beschikbaar te stellen en de inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van nieuwe generaties schepen op elkaar af te stemmen en te synchroniseren.
2 DUKC rapport ‘The Capabilities and Participation Objectives of Industries in the Netherlands – The Industrial Submarine Knowledge Base’ (2014).
_______________________________________________________________________________

Ten slotte
Deze brief onderstreept het belang dat Defensie hecht aan de vervanging van de Walrusklasse onderzeeboten. In de nota In het belang van Nederland is reeds kenbaar gemaakt dat Defensie de vervanging alleen kan realiseren als de nieuwe onderzeeboten samen met een of meer partnerlanden worden ontwikkeld, gebouwd en geëxploiteerd. Gedurende het DMP, dat het kader vormt voor de besluitvorming, zal daarom nadrukkelijk aandacht worden geschonken aan de internationale samenwerkingsmogelijkheden. Harmonisatie en standaardisatie leiden tot meer mogelijkheden tot samenwerking en kostenreductie. Daarentegen kan de wens om te blijven beschikken over een expeditionair inzetbare onderzeeboot grenzen stellen aan verdere verdieping van de onderzeebootsamenwerking met één of meer partnerlanden. De eerste stap in het DMP betreft de wijze waarop de behoefte moet worden vervuld. Tot de vervolgstappen behoren voorts kosten-batenanalyses en alternatievenvergelijkingen. Hierbij worden vanzelfsprekend operationele, financiële en industriële aspecten betrokken. Het uiteindelijke besluit wordt in 2018 verwacht.

DE MINISTER VAN DEFENSIE

J.A. Hennis-Plasschaert

(Bron)

dinsdag 2 juni 2015

Nederlandse militairen nemen deel aan oefening NAVO flitsmacht in Polen

Nederlandse landmachtmilitairen nemen van 9 juni tot 19 juni in Polen deel aan een oefening van de Very High Readiness Taskforce (VJTF) van de NAVO. Het is de eerste keer dat de snel inzetbare eenheden ontplooien binnen het VJTF concept. Het doel van de oefening met de naam Noble Jump is om dit concept verder te testen en te verfijnen.

Het gros van de militairen dat deelneemt aan de oefening is afkomstig van 11 Luchtmobiele Brigade uit Schaarsbergen. Zij zullen zich vanaf 9 juni binnen 48 uur gereed maken voor vertrek naar Polen. Daar vindt de integratie met de eenheden van de andere deelnemende landen plaats op het militaire oefenterrein Zagan. De verschillende eenheden zullen de oefening afsluiten met een tactische- en schietdemonstratie die alle verschillende capaciteiten van de VJTF in beeld brengt. De oefening wordt geleid door het Duits-Nederlandse Legerkorps.

De Koninklijke Luchtmacht zorgt tijdens de oefening voor  luchttransportcapaciteit door het inzetten van de C-130 Hercules en KDC-10 transportvliegtuigen. Het materieel van de eenheden wordt op vliegbasis Eindhoven luchtvracht gereed gemaakt.

De VJTF is opgericht als onderdeel van een pakket van maatregelen om snel, flexibel en slagvaardig te kunnen reageren op dreigingen aan de randen van het NAVO-verdragsgebied. Dit zogenaamde, Readiness Action Plan is opgesteld tijdens de NAVO top in Wales eind 2014. Eenheden die stand-by staan voor de VJTF moeten binnen enkele dagen gereed zijn voor verplaatsing naar het inzetgebied, de voorhoede binnen 48 uur.  Nederland levert, samen met Duitsland, Noorwegen en Tsjechië, in 2015 interim capaciteit voor de VJTF. In nauwe samenwerking met SACEUR, de hoogste autoriteit van de NAVO in Europa, zijn deze landen betrokken bij de verdere ontwikkeling van het VJTF-concept.

De oefening Noble Jump is onderdeel van een reeks oefeningen onder de naam Allied Shield. Deze reeks bestaat naast  Noble Jump  uit de oefeningen BALTOPS in Polen, SABER STRIKE in de Baltische staten en  Trident Joust in Roemenië. In totaal nemen ongeveer 14.000 militairen uit 19 verschillende NAVO en 3 partnerlanden deel aan deze serie van oefeningen die plaatsvindt in juni 2015. De oefeningen richten zich op het verbeteren van de interoperabiliteit, paraatheid en het reactievermogen van de NAVO en haar partnerlanden.

(ministerie van Defensie, 2 juni 2015)


donderdag 28 mei 2015

Knelpunten materiële gereedheid

[De belangrijkste tekortkomingen zoals gesignaleerd door minister Hennis-Plasschaert in een Kamerbrief]

1. Luchtverdedigings- en commandofregatten

Algemene opmerking CZSK
Uit doelmatigheidsoverwegingen en vanwege budgettaire beperkingen zijn reservedelen minimaal aangeschaft. Tegenvallende betrouwbaarheid en lange levertijden leiden tot een lagere beschikbaarheid van systemen.

Het onderhoud aan systemen en reservedelen wordt uitgevoerd door de Directie Materiële Instandhouding (voorheen Marinebedrijf). Vooral de personele capaciteit om het onderhoud uit te voeren is echter beperkt, waardoor het langer duurt voordat deze onderdelen weer beschikbaar zijn. Er is daardoor een toename van verplaatsen van onderdelen van het ene schip naar het andere (herverdelingen). Dit heeft negatieve gevolgen voor de onderhoudscapaciteit en de gereedheid van eenheden in het voortzettingsvermogen.

Specifiek voor LCF
De LC-fregatten hebben nu vooral problemen met de beschikbaarheid van hun gasturbines. Door een verhoogde storingsgraad, intensiever dan geraamd gebruik en de beperkte onderhoudscapaciteit bij de fabrikant, is de beschikbaarheid lager dan gewenst. Het aantal draaiuren van de gasturbines per schip is teruggebracht om zo de storingsgraad te verminderen. Dit geldt ook voor de Multi-purpose fregatten.

Andere onderdelen die worden herverdeeld tussen de schepen zijn onder meer delen van de vuurleidingsradar (APAR).

2.  Multipurpose fregatten 

Zie algemene opmerking bij punt 01.

Verschillende systemen raken verouderd of worden niet meer ondersteund door de leverancier (obsolete) en moeten worden vervangen. Het betreft onder meer onderdelen van het combat management system, kruisvaartdiesels en de koppeling van de voortstuwing. Deze vervangingen zijn niet voorzien in het instandhoudingsprogramma M fregatten op grond van een schatting van het benodigde onderhoud aan de verschillende (deel)systemen in relatie tot het beschikbare budget. De instandhoudingsinspanningen hiervoor komen daarom ten laste van de exploitatiebudgetten.

3. Patrouilleschepen

Zie algemene opmerking bij punt 01.


De patrouilleschepen beschikken nog niet over de volledige functionaliteit omdat enkele onderdelen van het radarsysteem en de aansturing van de vuurwapens nog niet werkend zijn opgeleverd door het project. Dit wordt in overleg met de leveranciers opgelost. Bij storingen aan deze systemen moet vooralsnog worden teruggevallen op de leverancier, waardoor vertragingen ontstaan.

4. Landing Platform Docks

Zie algemene opmerking bij punt 01.

5. Joint Support Ship

 Het schip is in 2014 aan Defensie overgedragen en eind 2014 al ingezet voor het transport van goederen voor de bestrijding van Ebola. Het schip was in 2014 echter nog niet in dienst gesteld en werd nog afgebouwd en getest. Op 24 april 2015 is het schip in dienst gesteld en de overdracht aan CZSK is gepland in september van dit jaar, waarna het schip gereed is voor het eerste opwerktraject.

6. Onderzeeboten

Zie algemene opmerking bij punt 01.

Verschillende systemen raken verouderd of worden niet meer ondersteund door de leverancier (obsolete). Het kost meer inspanningen om deze systemen voldoende beschikbaar te houden. Het betreft onder meer de apparatuur voor het onderscheppen en analyseren van radarsignalen en navigatieapparatuur.

7. Mijnenbestrijdingsvaartuigen

Deze vaartuigen hebben te maken met verouderde systemen zoals koudwatermakers, mijnopsporingssysteem en de onderwaterrobot met sonar. Het onderhoud wordt uitgevoerd door België. De instandhoudingscapaciteit in Zeebrugge is beperkt. Mede door veroudering van systemen wordt het lastiger om te voldoen aan de normen voor onderwatergeluid, waardoor de risico’s bij de bestrijding van akoestische mijnen toenemen.

8. CV9035NL Infanterie gevechtsvoertuigen

Er zijn onvoldoende voertuigen inzetbaar waardoor beperkingen ontstaan voor de geoefendheid en het voortzettingsvermogen. Uit doelmatigheidsoverwegingen en vanwege budgettaire krapte zijn reservedelen minimaal aangeschaft. Er is een tekort aan repareerbare reservedelen door de tegenvallende kwaliteit van componenten en langere doorlooptijden voor reparatie van componenten dan voorzien en door nog ontbrekende afroepcontracten met de industrie. De onderhandelingen over afroepcontracten zijn gaande.

9. Pantserwielvoertuigen

Fennek
Er zijn onvoldoende voertuigen inzetbaar waardoor beperkingen ontstaan voor de geoefendheid en het voortzettingsvermogen. Er staan een groot aantal artikelen op nalevering. De levertijden zijn lang, waardoor het aantal naleveringen langzaam afneemt. Het betreft artikelen van zeer uiteenlopende aard (van losse onderdelen tot en met versnellingsbakken). Er zijn weinig reservedelen in de keten aanwezig ten opzichte van de storingsgraad. Zo kent het waarnemingssysteem voor de verkenningsversies een tegenvallende betrouwbaarheid (obsolete). De problemen zijn versterkt door de omvangrijke aanpassingen van de bedrijfsvoering, onder meer vanwege de invoering van ERP.

Boxer
De invoering van de Boxer-voertuigen in verschillende configuraties is nog steeds gaande. Het deel dat reeds is ingevoerd laat geen bijzonderheden zien.

Bushmaster
De beschikbare Bushmasters worden intensief gebruikt in Mali. Dit gaat ten koste van de voertuigen in Nederland. De belangrijkste knelpunten zijn de Remote Controled Weapon stations, onvoldoende voorraad van reservedelen en ontbrekende gereedschapsets voor de monteurs (nog niet geleverd). De eigen mogelijkheden om het onderhoud uit te voeren zijn beperkt. Hierdoor blijft de afhankelijkheid van de industrie groot. De voertuigen zijn aangeschaft voor de operaties in Afghanistan. Later is besloten de systemen in te bedden in de organisatie, voordat de logistieke organisatie daarvoor volledig was opgezet. Daar wordt momenteel aan gewerkt, onder meer via de opleiding van het logistiek en technisch personeel.

10. Grondgebonden luchtverdediging

Patriot
De Patriot is tijdens de inzet in Turkije intensief gebruikt. Dit in combinatie met de ouderdom van dit wapensysteem leidde tot een grote belasting. De missie is beëindigd en het materieel is teruggekeerd in Nederland. Het systeem is nu niet inzetbaar door het uitvoeren van groot onderhoud.

Army Ground Based Air Defence System (AGBADS)
De AMRAAM pelotons (als afzonderlijke eenheden van het AGBADS systeem) zijn technisch en logistiek inzetbaar. De gegevensuitwisseling met het Navo-luchtverdedigingssysteem blijkt echter niet met het huidige radiosysteem te realiseren. Hiervoor wordt een snelle verwerving van een vervangend radiosysteem onderzocht.

Stinger
Een aantal Stinger Launch Systemen (SLS) is niet inzetbaar door problemen met het koelsysteem. Dit wordt opgelost binnen de exploitatie. Verder zijn minder systemen inzetbaar vanwege de beperkte beschikbaarheid van Fennek-onderstellen.

12. Ondersteunende tanks 

Het betreft hier verouderde wapensystemen in kleine aantallen die veel onderhoud behoeven. Met veel inspanning worden deze voor oefeningen inzetbaar gemaakt. Een deel is niet inzetbaar door lange levertijden van reservedelen en niet gerepareerde reservedelen. De genietanks worden momenteel vervangen door de Kodiak. In de investeringsplannen wordt rekening gehouden met de vervanging of instandhouding van brugleggende tanks en bergingstanks.

13. Artillerie

De materiële gereedheid van de PzH2000 was in 2014 onvoldoende. Er was een tekort aan 
onderdelen voor de rupsbanden, remblokken en -schijven. Dit kwam omdat de bevoorradingsketen nog niet optimaal functioneerde omdat de afroepcontracten nog niet in ERP waren verwerkt. Dit is inmiddels gebeurd. Ook voor andere onderdelen wordt gewerkt aan de versterking van de bevoorradingsketen.

16. Jachtvliegtuigen F-16

De capaciteit voor groot onderhoud is beperkt door een tekort aan ervaren technisch personeel. Er zijn lange levertijden van reservedelen en bedrijfsstoffen (bijvoorbeeld lijmen, kitten, diverse oliën). Het intensieve gebruik voor de inzet in Irak in combinatie met een ouder wordend airframe, vergt een bovenmatige onderhoudsinspanning. Daarom wordt het groot onderhoud deels uitbesteed aan een Belgisch bedrijf op basis van een raamcontract. 

17. Tankvliegtuig KDC-10 

Het geplande onderhoud bij de externe onderhoudsbedrijven kostte meer tijd dan voorzien. Daarbij is de KDC-10 een toestel op leeftijd. Dit zorgt voor risico’s ten aanzien van de beschikbaarheid van reservedelen en uitbesteedbaarheid van onderhoud (obsolescence). 

18. Transportvliegtuigen C-130 

De tijdige beschikbaarheid van reservedelen is een knelpunt. Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door vertraging van af te sluiten reparatie- en onderhoudscontracten door capaciteitsgebrek in de verwervingsketen en de overdracht van het takenpakket van DMO naar CLSK. Dit werd versterk door de gewijzigde bedrijfsvoering met ERP. 

19. Gevechtshelikopters AH-64 Apache

Er is een achterstand in het groot onderhoud en onvoldoende voorraad. De stagnatie in het groot onderhoud is grotendeels te wijten aan een tekort aan ervaren technisch personeel. In verband hiermee wordt het groot onderhoud daarom deels uitbesteed. De aanvulling van reservedelen verloopt traag doordat nog niet alle voorraden in ERP zijn opgenomen. Er zijn ook lange levertijden voor bedrijfsstoffen door een achterstand bij het Defensie Brand- en Bedrijfsstoffen Bedrijf (DBBB) na de migratie naar ERP. De levertermijnen konden hierdoor niet altijd worden gehaald. Het DBBB werkt samen met CLSK aan een betere afstemming van afroep- en levertermijnen. Hierdoor worden de achterstanden ingelopen.  

20. Transporthelikopters CH-47 Chinook

Er waren gemiddeld voldoende toestellen beschikbaar. Er is echter een beperkte capaciteit voor het uitvoeren van groot onderhoud door een tekort aan ervaren technisch personeel. De beschikbare voorraad reservedelen is laag. Ook de tijdige levering van bedrijfsstoffen blijft uit. Zie daarvoor de opmerkingen bij punt 19.

De materiële gereedheid van de defensiebrede systemen: Klein Kaliber Wapens (KKW), Kleding en Persoonlijke Uitrusting (KPU),  Militaire Satelliet Communicatie,  TITAAN commandovoeringsysteem en Mobile Combat Training Centre (MCTC) worden niet gemeten en gerapporteerd. Hier treden echter ook enkele beperkingen op, vooral op het gebied van communicatiemiddelen.

[Voor aanvullende details en de Kamerbrief in de originele opmaak, klik hier]

(Bron: ministerie van Defensie) 

vrijdag 15 mei 2015

Column Commandant Landstrijdkrachten

De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) adviseert de regering over de internationale (veiligheids)situatie. Het is een zeer gerespecteerd en onafhankelijk adviesorgaan. Het meest recente rapport gaat over Defensie. De inhoud is zonneklaar: er moet snel veel meer geld naar Defensie. In de Volkskrant van 30 april vat AIV-vicevoorzitter, professor Alfred van Staden, het treffend samen. Ik gebruik 3 van zijn citaten.

‘De instabiele situatie rond Europa vraagt om een sterkere krijgsmacht.’ In het oosten zien we de macht van Rusland en het gebruik daarvan. Dit gaat gepaard met een omvangrijke herbewapening, met de T-14 tank als boegbeeld. Een wapen waar wij op de grond met de huidige middelen heel weinig tegen kunnen uitrichten. In het zuiden zien we de onrust en instabiliteit om zich heen grijpen. Kortetermijnoplossingen zijn niet effectief gebleken, alleen een langdurige en omvangrijke campagne, waarbij militaire effecten de civiele plannen ondersteunen, kan het probleem bij de bron aanpakken. Tenslotte is Nederland niet uitgesloten als gevechtsveld. We worden al aangevallen in het cyberdomein, fysieke aanslagen op onze veiligheid zijn niet ondenkbaar. Kijk maar om ons heen. Nederland kan niet afzijdig blijven van deze ontwikkelingen. Voor onze eigen veiligheid en geloofwaardigheid zullen we een bruikbare krijgsmacht moeten hebben. Dat vergt reparatie, veel reparatie.

‘Bij een conflict met Rusland kom je tegenover zware pantsereenheden te staan.’ Tot nu toe hebben we bij inzet in relatieve operationele luxe verkeerd. We hadden vaak een groot conventioneel overwicht over de tegenstander, met de luxe van veel ondersteuning vanuit de lucht. Dat is niet altijd het geval, die luxe is helemaal niet vanzelfsprekend. In een grootschalig conflict heeft de luchtmacht haar handen vol aan het beheersen van het luchtruim. Daar moet je de modernste spullen voor hebben, en terecht. Maar ze zullen ons dus wel veel minder kunnen ondersteunen. Wij zijn, veel meer dan de laatste jaren, op onszelf aangewezen. Dat betekent dat onze slagkracht omhoog moet, en snel.

‘De landmacht is bijzonder kwetsbaar geworden.’ Inderdaad. Zowel qua omvang als arsenaal zijn we ‘kwetsbaar’. Onze mannen en vrouwen compenseren ongelofelijk veel, maar de grenzen daarvan zijn zichtbaar en soms zelfs overschreden. Niet alleen is het vet van de botten, we zijn botten kwijt. Dat is gevaarlijk. Niet alleen omdat ik een groen hart heb, maar vooral omdat Nederland ons zeer waarschijnlijk nog hard nodig heeft. Binnen en buiten onze grenzen. Duurzame vrede en vrijheid bereik je alleen door het te brengen naar de plek waar het conflict heerst. Je kunt symptomen op afstand bestrijden, maar uiteindelijk moet je tussen de mensen staan. Want conflicten gaan tussen mensen en worden daar ook opgelost.

De AIV is niet de enige die deze constatering doet. Alle ‘denktanks’ in de wereld volgen min of meer dezelfde lijn. In Duitsland en Frankrijk groeit het Defensiebudget. Wat gaat Nederland doen? Ik weet het niet, maar in de voorstelling ‘Soldaat van Oranje’ wordt een deel van het antwoord gegeven. Luister maar naar de tekst van het lied ‘Als de wereld in brand staat, wie blust dan het vuur?’ Ik kan wel verraden: niet de brandweer…..

Luitenant-generaal Mart de Kruif

Commandant Landstrijdkrachten

(Bron)

donderdag 30 april 2015

'Instabiliteit rond Europa: confrontatie met een nieuwe werkelijkheid'

INSTABILITEIT ROND EUROPA: CONFRONTATIE MET EEN NIEUWE WERKELIJKHEID
Den Haag, 30 april 2015

Het buitenlands- en veiligheidsbeleid van Nederland wordt geconfronteerd met een nieuwe werkelijkheid. Met het ingrijpen van Rusland in Oekraïne, de opmars van ISIS in Syrië en Irak en de desintegratie van Libië is aan de flanken van Europa een ‘gordel van instabiliteit’ ontstaan die een directe bedreiging vormt voor de veiligheid van Europa en dus ook van Nederland. Daarom adviseert de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) de regering het Nederlandse veiligheidsbeleid te herijken.

Het is noodzakelijk de relatie met Rusland op een andere leest te schoeien, binnen de NAVO te pleiten voor versterking van de afschrikkingscapaciteit van het bondgenootschap, de politieke koers te richten op Duitsland, tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap prioriteit te geven aan Europese defensiesamenwerking, het defensiebudget drastisch te verhogen en de Nederlandse krijgsmacht selectief in te zetten. Dit stelt de AIV in een vandaag gepubliceerd advies ‘Instabiliteit rond Europa: confrontatie met een nieuwe werkelijkheid’.

De AIV is van mening dat voor langere tijd rekening gehouden moet worden met instabiliteit aan de oostgrens van Europa als gevolg van de Russische intimidatiepolitiek. De schaduw van de Russische militaire macht reikt over de oostgrenzen van Europa heen en een destabilisatie van de Baltische staten door Rusland is niet uitgesloten. De relatie met Rusland moet worden gebaseerd op een realistisch beeld van het land: Rusland maakt aanspraak op een positie van grote mogendheid in de wereld, streeft naar herstel van de vroegere Sovjetinvloedssfeer en ziet zichzelf niet als deelgenoot van de Europese samenwerking.

De EU-lidstaten moeten voorkomen dat ze door Rusland uit elkaar worden gespeeld. Volgens de AIV zal ook de instabiliteit in de Arabische regio en Noord-Afrika geruime tijd aanhouden. De westerse regeringen kunnen betrekkelijk weinig directe invloed uitoefenen en moeten zich naar de mening van de AIV beperken tot ondersteuning van gematigde Arabische regeringen en groeperingen. Alleen wanneer een humanitaire catastrofe dreigt of westerse veiligheidsbelangen rechtstreeks worden geraakt, komt militair ingrijpen in aanmerking.

De NAVO-lidstaten moeten werken aan de vergroting van het reactie- en voortzettingsvermogen van het bondgenootschap, zodat op een geloofwaardige wijze invulling wordt gegeven aan artikel 5 van het Noord-Atlantisch verdrag. Verder zijn forse investeringen in cybercapaciteit een absolute noodzaak. De Europese landen investeren te weinig in defensie en gedragen zich als free rider. Mede omdat de VS niet langer Europa maar Oost- en Zuidoost- Azië als de belangrijkste regio beschouwt, moet Europa eindelijk serieus werk gaan maken van de Europese defensiesamenwerking.

Nederland, dat vandaag slechts 1,16% van het nationaal inkomen aan defensie besteedt, moet een inhaalslag plegen. Jarenlang was het defensiebudget sluitpost bij formatie-en begrotingsbesprekingen. Een kwart eeuw bezuinigingen hebben een forse aanslag gepleegd op de inzetbaarheid, het voortzettings- en het escalatievermogen van de krijgsmacht. Een ‘Deltaplan-krijgsmacht’ moet zorgen voor én herstel van al het ‘achterstallig onderhoud’ én voor de broodnodige nieuwe investeringen. Daarom pleit de AIV voor een stapsgewijze verhoging van het defensiebudget naar het Europese gemiddelde van 1,6% van het bruto binnenlands product (BBP), zonder overigens de NAVO-norm van 2% BBP los te laten.

De AIV constateert een versnippering in de deelname van Nederland aan vredesoperaties over de laatste jaren. De regering zou er goed aan doen de krijgsmacht in beginsel alleen in te zetten ter vermindering van de instabiliteit aan de flanken van Europa en niet in gebieden verder weg. De instabiliteit rond Europa dwingt Nederland tot een strategische herpositionering. De AIV adviseert de regering in het voortraject van Europese besluitvorming per geval aansluiting te zoeken bij één of meerdere grote lidstaten om tijdig invloed te kunnen uitoefenen. Een sterke politieke gerichtheid van Nederland op Duitsland ligt voor de hand. Nederland zou Duitsland moeten aanmoedigen ook op veiligheidsgebied een meer geprononceerde positie in te nemen.

(Adviesraad Internationale Vraagstukken, 30 april 2015)

woensdag 29 april 2015

Hof wijst beklag in de zaak 'Srebrenica' af

Arnhem , 29-4-2015

Na de val van de enclave Srebrenica op 11 juli 1995 zijn vele duizenden Moslims, voornamelijk “mannen van weerbare leeftijd”, door de Bosnische Serven vermoord. De nabestaanden van een aantal slachtoffers verwijten drie militairen van Dutchbat strafbare betrokkenheid bij de dood van hun familieleden. Zij stellen dat hun familieleden ten onrechte gedwongen zijn om de compound van Dutchbat in Potočari te verlaten; daardoor zijn de Dutchbatters medeplichtig aan de later gepleegde moord op hun familieleden.

Het openbaar ministerie heeft geweigerd om de drie militairen te vervolgen. Tegen die beslissing zijn de nabestaanden in beklag gegaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Na een wrakingsbeslissing en een tussenbeschikking heeft de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 april 2015 het beklag afgewezen.

Het hof heeft eerst een aantal formele vragen besproken. Het komt tot het oordeel dat aan beklaagden geen beroep op strafrechtelijke immuniteit of vrijwaring van vervolging toekomt. Ook is het hof van oordeel dat aan het openbaar ministerie op zich de bevoegdheid toekomt om de zaak niet te vervolgen, maar dat de marges voor een beleidssepot smal zijn.

Bij zijn inhoudelijke beoordeling van het beklag geeft het hof een uitgebreid overzicht van de relevante historische context. Daarbij geeft het veel aandacht aan de rechtspraak van het Joegoslaviëtribunaal en aan het uitgebreide historisch onderzoek door vele instanties, in het bijzonder het NIOD.

Ten aanzien van de wetenschap bij beklaagden over wat de slachtoffers te wachten stond komt het hof tot vrijwel gelijke bevindingen als het gerechtshof Den Haag in de civiele procedures van de klagers tegen de Staat, maar het verbindt daar andere conclusies aan. Voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van de Staat mogen immers alle elementen bijeen worden genomen, maar voor de vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van beklaagden moet worden vastgesteld wat ieder voor zich aan wetenschap had.

Ten aanzien van het wegsturen van Muhamed Nuhanović komt het hof tot het oordeel dat beklaagde Franken, de plaatsvervangend bataljonscommandant, niet had hoeven te beseffen dat hij na het verlaten van de compound een aanmerkelijke kans liep om te worden vermoord. Veroordeling door de strafrechter acht de beklagkamer daarom hoogst onwaarschijnlijk, zodat het openbaar ministerie van vervolging heeft mogen afzien.

Van strafrechtelijke aansprakelijkheid van beklaagde Karremans, de bataljonscommandant, op grond van command responsibility kan dan evenmin sprake zijn.

Ibro Nuhanović, de vader van Muhamed, had op de compound mogen blijven. Dat is ook uitdrukkelijk tegen hem gezegd. Hij heeft er voor gekozen om toch, met zijn vrouw en zoon, te vertrekken. Een dapper besluit, waarvoor hij alle respect verdient. Maar wel zijn eigen besluit, waarvoor beklaagden niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Rizo Mustafić had ook op de compound mogen blijven. Tegen hem is bij vergissing gezegd dat hij niet mocht blijven. Van enig opzet is naar het oordeel van het hof geen sprake. Er was sprake van een stomme fout, die op zijn hoogst een vervolging wegens dood door schuld zou kunnen rechtvaardigen, maar dat feit is inmiddels verjaard.

Einde bericht

De beschikking van het hof is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2015:2968.

Omdat de namen van partijen (zowel klagers als beklaagden) en andere betrokkenen zonder veel moeite kenbaar zijn uit openbare bronnen, is met toestemming van klagers, beklaagden en het openbaar ministerie afgezien van anonimisering.
Uitspraken: ECLI:NL:GHARL:2015:2968

(Gerechtshof Arnhem, 29 april 2015)

dinsdag 28 april 2015

Mariniers lossen commando's af in Mali

Vanmiddag vindt op het Nederlandse kamp Castor in Mali de commando-overdracht plaats van de Special Operations Land Task Group (SOLTG). Het Korps Mariniers lost daarmee de vertrekkende lichting van de SOLTG af die voornamelijk bestond uit special forces van het Korps Commandotroepen (KCT). Eén van de kerntaken van de eenheid is het verzamelen van inlichtingen voor de VN-missie MINUSMA.

Afgelopen vrijdag vertrok een grote groep mariniers vanaf Vliegbasis Eindhoven richting Mali. Aantredend commandant majoor der mariniers Roland zegt dat zijn eenheid er klaar voor is: “Na 3 jaar voornamelijk antipiraterijoperaties op zee gedaan te hebben, is het nu weer tijd om diep landinwaarts te gaan. We zijn er klaar voor. Van zee naar land gaan is natuurlijk onze specialisatie als mariniers.”

MINUSMA
De Nederlandse SOF-eenheid bevindt zich in Gao en wordt direct aangestuurd door de Force Commander die zich in het MINUSMA hoofdkwartier in Bamako bevindt. De primaire behoefte van de MINUSMA missie ligt bij SOF-eenheden die lange afstand verkenningen uitvoeren. Dit zijn meerdaagse activiteiten waarbij de SOF-eenheid informatie verzamelt in veraf gelegen gebieden. Hiermee draagt de SOF bij aan de verbetering van de informatiepositie van MINUSMA.

Special Operations Forces (SOF) Nederland
De Nederlandse SOF bestaan uit het Korps Commandotroepen en de Netherlands Maritime Special Operations Force (NLMARSOF) van het Korps Mariniers. SOF bestaan uit speciaal opgeleid personeel dat onder alle (klimatologische) omstandigheden en zeer snel kan worden ingezet. Inzet van SOF kan heimelijk of openlijk  plaatsvinden, met een kleine eenheid of een robuuste capaciteit en vindt vooral plaats in gebieden die niet (volledig) onder controle zijn. De kerntaken van SOF zijn Special Reconnaissance (speciale verkenningen), Military Assistance (bijdrage aan opbouw lokaal veiligheidsapparaat) en Direct Action (offensieve operaties).

(ministerie van Defensie, 28 april 2015)

zondag 12 april 2015

Nederland levert belangrijke bijdrage aan ‘speerpunt’ van de NAVO

De NAVO wil supersnel kunnen ingrijpen wanneer er gevaar dreigt. Daarom besloot het bondgenootschap vorig jaar tot de oprichting van een zogeheten flitsmacht. Militairen van 11 Luchtmobiele Brigade oefenden afgelopen week of zij binnen de vereiste 48 uur inzetbaar zijn. Maar wat houdt die flitsmacht precies in?

De flitsmacht is bedoeld om snel in te grijpen in conflictgebieden. Ook is de zogeheten Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) bedoeld als geruststelling voor bondgenoten en afschrikking voor kwaadwillenden. De voorhoede van zo’n 800 militairen moet binnen 48 uur klaar staan voor vertrek. De gehele flitsmacht is multinationaal en moet uiteindelijk uit zo’n 5000 militairen bestaan: 5 bataljons met ondersteuning van eenheden van de luchtmacht, marine en special forces. Deze moet binnen 5 tot 7 dagen ter plekke zijn.

De toegenomen agressie van Rusland, de onrust in Noord-Afrika en de opkomst van terreurorganisatie ISIS zijn de belangrijkste redenen voor de NAVO om de flitsmacht in het leven te roepen. Dit ‘speerpunt’ is onderdeel van de grotere NATO Response Force (NRF) die binnen 5 tot 30 dagen inzetbaar moet zijn. Maar gezien de toegenomen onveiligheid en instabiliteit is een snellere interventiemacht nodig die desnoods een eerste klap kan uitdelen, zegt generaal-majoor Dennis Luyt, directeur Directie Aansturen Operationele Gereedstelling (DAOG) van Defensie. “Maar het hoeft niet meteen ‘staal op staal’ te zijn. De flitsmacht kan ook naar een gebied worden gestuurd om een signaal af te geven. Bijvoorbeeld door deel te nemen aan oefeningen.”

Brigadegeneraal Kees Matthijsen
Duitsland, Noorwegen en Nederland leveren dit jaar in totaal 600 militairen aan de flitsmacht. De Nederlandse bijdrage bestaat uit ongeveer 200 Rode Baretten van 11 Luchtmobiele Brigade. Een logische keuze, zegt brigadegeneraal Kees Matthijssen. “We zijn van nature een snel inzetbare eenheid.” De huidige bezetting is overigens een pilot, benadrukt de generaal. “Dit jaar is bedoeld om procedures te testen en te zien waar we tegenaan lopen.”

De VJTF kan overal in het NAVO-verdragsgebied worden ingezet. De focus ligt op dreigingen aan de ‘flanken van het bondgenootschappelijk grondgebied’, zei minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert eerder.  Maar wellicht kan de flitsmacht ook elders in de wereld worden ingezet, vult generaal Matthijssen aan. “De NAVO kan ook worden ingezet in het kader van de internationale rechtsorde. De missie in Afghanistan is daar een goed voorbeeld van.”

Als de NAVO-bondgenoten besluiten tot ingrijpen, moet de voorhoede binnen 48 uur klaar staan voor vertrek. Precies wat 11 Luchtmobiele Brigade deze week heeft geoefend. Dat is geen kleine opgave. Militairen worden thuis gebeld, moeten naar de kazerne, krijgen een briefing en moeten hun uitrustingen gereed maken. Tegelijkertijd moeten op andere locaties voertuigen, brandstof en munitie worden klaargezet.  “Dat vraagt om een strakke planning”, concludeert de brigadegeneraal. Zorgvuldigheid en goede samenwerking zijn noodzakelijk, vult generaal-majoor Luyt aan. “Daarom moeten we nu alle draaiboeken testen. Als die kloppen, is zo’n snelle inzet goed te doen.”

Noorwegen, Duitsland en Nederland werken in deze beginfase stap voor stap. “We willen eerst kunnen kruipen, dan lopen en dan pas rennen”, zegt Luyt. “Een aantal randvoorwaarden voor de snelle inzetbaarheid wordt dit jaar nader uitgewerkt. Dat geldt zowel voor de NAVO als op nationaal niveau. Niet alles zal dus meteen volgens plan verlopen, maar daar houden we rekening mee.”
De focus ligt nu vooral op landstrijdkrachten, maar dat is niet het hele verhaal, benadrukt de generaal-majoor. Want de flitsmacht moet alle scenario’s het hoofd kunnen bieden. Luyt: “Een dreiging kan immers ook vooral maritiem zijn, of vanuit de lucht komen. Die aspecten zijn nog in ontwikkeling.”

De flitsmacht moet in 2016 operationeel zijn. “Dat is een korte periode, maar haalbaar”, zegt generaal Matthijssen. “De oefening van de afgelopen dagen is goed gegaan. Alleen het papierwerk voor de munitie werkte vertragend, maar dat hebben we opgelost. We stonden binnen 48 uur klaar voor vertrek.”

(Defensiekrant, 10 april 2015)

donderdag 9 april 2015

NATO tests 'Spearhead Force' alert procedures

EINDHOVEN, The Netherlands -  NATO assessed its alert procedures for the Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) for the first time during Exercise NOBLE JUMP from 7-9 April 2015, involving over 1,500 personnel from 11 Allied nations.  Germany, Poland, Norway, Denmark, Hungary, Lithuania, Croatia, Portugal, and Slovenia tested their Headquarters’ response to alert procedures and high-readiness units from The Netherlands and Czech Republic physically deployed equipment and troops to airports and railheads.

This activity represents an important milestone as NATO continues to respond to emerging security challenges.  The exercise has its origins in last year’s Wales Summit, where NATO leaders collectively agreed to establish the VJTF, or what some call the ‘NATO Spearhead’ force.  These developments are part of wider enhancements to the NATO Response Force in order to address instability on NATO’s southern and eastern flanks.


Soldiers of 11 (NLD) Air Manoeuvre Brigade involved in the exercise

"NATO military planners have been working tirelessly to enhance NATO’s Response Force and implement the Very High Readiness Joint Task Force, and today our progress is manifested in the rapid deployments we see happening in locations across the Alliance,” said General Philip Breedlove, Supreme Allied Commander Europe (SACEUR).  "These measures are defensive, but are a clear indication that our Alliance has the capability and will to respond to emerging security challenges on our southern and eastern flanks,” he said.

For the last several months, NATO has been developing the concepts behind the VJTF and established an interim force early in 2015.  Exercise NOBLE JUMP marks the first time that high-readiness units have physically tested their response to rapid ‘orders to move’ under the new VJTF framework.  The training event marks a learning process that will allow NATO military staff to identify both successes and shortfalls as the Alliance continues to refine its high readiness capabilities.

Czech and Dutch High-Readiness Troops Put to the Test
 In the afternoon of 7 April, the 11th Air Mobile Brigade in The Netherlands and the 4th Rapid Reaction Brigade in the Czech Republic were given orders to rapidly prepare to deploy their troops and equipment.

"In the hours that ensued, Dutch and Czech formations recalled their military personnel to base, conducted hasty movement planning, briefed personnel, prepared and verified equipment, weapons, supplies, and vehicles,” said Colonel Mariusz Lewicki, the head military planner for the VJTF at SHAPE.  "The lead troops were able to move in under eight hours, with all elements moving in under 48 hours, so our initial impression is we are very pleased with the results,” he added.

The Commander of the Dutch 11th Air Mobile Brigade, Brigadier-General Kees Matthijssen, also felt that Exercise NOBLE JUMP achieved its aims.

Czech paratroopers participating in EX NOBLE JUMP

 "So far we are satisfied, our men and women responded well to the alerting and we managed to send off the first troops as scheduled. We are sure that we will be able to meet our goals, which were to move all troops and equipment within 48 hours,” said Brigadier-General Matthijssen.  "Of course, we have noted some things to improve during the exercise, but this will definitely lead to further refinement and improvements of our high readiness plans,” he said.

A total of 900 German soldiers were also recalled to their units in Marienberg, Gotha, Idaroberstein and Bad Salzungen during Exercise NOBLE JUMP.  These troops conducted similar planning and alert verifications in their respective garrisons.

The overall aim of Exercise NOBLE JUMP was to improve and refine alert and deployment procedures for the VJTF.  In the coming weeks NATO military staff will conduct an analysis of the results from this exercise and Allied units will refine their tactical procedures.  Lessons will be shared and NATO will continue to refine the overall alert and deployment process, and ensure it is integrated in overall plans for the NATO Response Force.

11 (NLD) Air Manoeuvre Brigade troops on the move

"Moving military units at short notice is a highly complex process that requires careful planning and constant refinement and practice to maintain capability,” said Colonel Lewicki.  "We’ve had a very good start this week, but much work remains and we will continue exercising these concepts throughout 2015 and 2016,” he said.

Increasingly complex exercises, trials, and evaluations will be conducted in order to develop, refine and implement the VJTF concept into the framework of the Readiness Action Plan and the NATO Response Force.  Examples of future training activity include part two of Exercise NOBLE JUMP, 9-20 June 2015, where units assigned to the VJTF will deploy to the Zagan Military Training Area in Western Poland, as well as Exercise TRIDENT JUNCTURE 2015 in Italy, Spain and Portugal from 21 Oct – 6 Nov 2015.

SHAPE Public Affairs Office

woensdag 1 april 2015

Oefening VJTF: NOBLE JUMP

(Eerste oefening van de VJTF, de nieuwe 'flitsmacht' van de NATO Response Force. Onderdelen vinden plaats op luchtmachtbasis Eindhoven en in Chrudim in de Tsjechische Republiek)

NATO VJTF (Spearhead) Deployment Exercise

NATO will commence the process of testing and refinement of the Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) during part one of Exercise NOBLE JUMP, being held from 1-10 April 2015.

The VJTF is being established as a part of an overall enhancement to the NATO Response Force in order to address new security challenges on NATO’s southern and eastern peripheries.

The NOBLE JUMP ‘Alert Exercise’ being conducted in early April is the first time that high-readiness units will practice responding to rapid ‘orders to move’ under the new VJTF framework.  As such, this event represents a learning process that will allow NATO military staff to identify both successes and shortfalls during the early stages of the development process.

Increasingly complex exercises, trials, and evaluations will be conducted throughout 2015 and 2016 in order to develop, refine and implement the VJTF concept into the framework of the NATO Response Force.

Examples of future training activity include part two of Exercise NOBLE JUMP from 9-20 June 2015, where units assigned to the VJTF will deploy to the Zagan Military Training Area in Western Poland, as well as Exercise TRIDENT JUNCTURE 2015 in Italy, Spain and Portugal from 21 Oct – 6 Nov 2015.

(Source: ACO/NATO)