Posts tonen met het label Karremans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Karremans. Alle posts tonen

woensdag 29 april 2015

Hof wijst beklag in de zaak 'Srebrenica' af

Arnhem , 29-4-2015

Na de val van de enclave Srebrenica op 11 juli 1995 zijn vele duizenden Moslims, voornamelijk “mannen van weerbare leeftijd”, door de Bosnische Serven vermoord. De nabestaanden van een aantal slachtoffers verwijten drie militairen van Dutchbat strafbare betrokkenheid bij de dood van hun familieleden. Zij stellen dat hun familieleden ten onrechte gedwongen zijn om de compound van Dutchbat in Potočari te verlaten; daardoor zijn de Dutchbatters medeplichtig aan de later gepleegde moord op hun familieleden.

Het openbaar ministerie heeft geweigerd om de drie militairen te vervolgen. Tegen die beslissing zijn de nabestaanden in beklag gegaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Na een wrakingsbeslissing en een tussenbeschikking heeft de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 april 2015 het beklag afgewezen.

Het hof heeft eerst een aantal formele vragen besproken. Het komt tot het oordeel dat aan beklaagden geen beroep op strafrechtelijke immuniteit of vrijwaring van vervolging toekomt. Ook is het hof van oordeel dat aan het openbaar ministerie op zich de bevoegdheid toekomt om de zaak niet te vervolgen, maar dat de marges voor een beleidssepot smal zijn.

Bij zijn inhoudelijke beoordeling van het beklag geeft het hof een uitgebreid overzicht van de relevante historische context. Daarbij geeft het veel aandacht aan de rechtspraak van het Joegoslaviëtribunaal en aan het uitgebreide historisch onderzoek door vele instanties, in het bijzonder het NIOD.

Ten aanzien van de wetenschap bij beklaagden over wat de slachtoffers te wachten stond komt het hof tot vrijwel gelijke bevindingen als het gerechtshof Den Haag in de civiele procedures van de klagers tegen de Staat, maar het verbindt daar andere conclusies aan. Voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van de Staat mogen immers alle elementen bijeen worden genomen, maar voor de vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van beklaagden moet worden vastgesteld wat ieder voor zich aan wetenschap had.

Ten aanzien van het wegsturen van Muhamed Nuhanović komt het hof tot het oordeel dat beklaagde Franken, de plaatsvervangend bataljonscommandant, niet had hoeven te beseffen dat hij na het verlaten van de compound een aanmerkelijke kans liep om te worden vermoord. Veroordeling door de strafrechter acht de beklagkamer daarom hoogst onwaarschijnlijk, zodat het openbaar ministerie van vervolging heeft mogen afzien.

Van strafrechtelijke aansprakelijkheid van beklaagde Karremans, de bataljonscommandant, op grond van command responsibility kan dan evenmin sprake zijn.

Ibro Nuhanović, de vader van Muhamed, had op de compound mogen blijven. Dat is ook uitdrukkelijk tegen hem gezegd. Hij heeft er voor gekozen om toch, met zijn vrouw en zoon, te vertrekken. Een dapper besluit, waarvoor hij alle respect verdient. Maar wel zijn eigen besluit, waarvoor beklaagden niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Rizo Mustafić had ook op de compound mogen blijven. Tegen hem is bij vergissing gezegd dat hij niet mocht blijven. Van enig opzet is naar het oordeel van het hof geen sprake. Er was sprake van een stomme fout, die op zijn hoogst een vervolging wegens dood door schuld zou kunnen rechtvaardigen, maar dat feit is inmiddels verjaard.

Einde bericht

De beschikking van het hof is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2015:2968.

Omdat de namen van partijen (zowel klagers als beklaagden) en andere betrokkenen zonder veel moeite kenbaar zijn uit openbare bronnen, is met toestemming van klagers, beklaagden en het openbaar ministerie afgezien van anonimisering.
Uitspraken: ECLI:NL:GHARL:2015:2968

(Gerechtshof Arnhem, 29 april 2015)

donderdag 7 maart 2013

No criminal inquiry in Srebrenica case

PRESS RELEASE

The Public Prosecution Service will not initiate a criminal inquiry against Messrs. Karremans (Commander Dutchbat III), Franken (Deputy Commander Dutchbat III) and Oosterveen (Human Resources Officer Dutchbat III). On the basis of intensive and conscientious examinations of the facts, the Public Prosecution Service decided that Karremans, Franken and Oosterveen cannot be held liable under criminal law for having been involved in the crimes committed by the Bosnian-Serbian army (VRS) in July 1995 in Srebrenica.

Report
On 5 July 2010, the Public Prosecution Service received a report concerning the involvement of Karremans, Franken and Oosterveen in offenses committed in Srebrenica in July 1995. The report had been filed following the death of Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic and Muhamed Nuhanovic and not the deaths of the other evacuees who perished after they had left the compound. In the report, Karremans, Franken and Oosterveen are accused of having removed afore-mentioned victims from the compound and of handing them over to the VRS knowing that this would eventually lead to their deaths. The VRS was under the command of Mladic.

Examination of the facts
Following the report, an examination of the facts was initiated. The reason for this examination was to judge – based on (already) available data and on data referred to in the report – whether with regard to Karremans, Franken and Oosterveen there was cause to initiate a criminal inquiry.

In 1998, the Public Prosecution Service conducted an inquiry into, among other matters, the criminal involvement of the Dutch military forces in the evacuation of the population in the Srebrenica enclave in July 1995. At the time, there was no evidence that the Dutch soldiers who formed part of Dutchbat III had been guilty of any offense while carrying out their supervising tasks.

Various sources referred to in the report as well as other available sources have been examined comprehensively for the existence of incriminating and exculpatory evidence with regard to the report.

An analysis was made of the context in which the imputable conduct took place and the legal scope against which this conduct should be assessed. Important sources which served as reference included: the defense report ‘Debriefing Srebrenica’ (October 1995), the ‘Accounts of the Facts Debriefing Srebrenica’ (22 September 1995), the NIOD report ‘Srebrenica, a ‘Safe’ Area’ (2002), the reports of the Secretary-General of the UN (November 1995 and November 1999), the testimonies rendered by the Dutch soldiers before the International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY) and the testimonies rendered in the civil proceedings of those who filed the report against the Dutch State. The inquiry has taken considerable time since the report was made in July 2010. Not only because of the huge quantity of data which was examined. This is also an extremely complex and sensitive case. At various moments, there has been extensive internal consultation of the sub-results of the inquiry and the analysis, and more detailed investigative instructions were formulated and executed. In addition to this, advice was obtained from a number of other departments of the Public Prosecution Service (National Office of the Public Prosecution Service, Office of the Prosecutor General and the Appeal Court Public Prosecution Office Arnhem- Leeuwarden).

Events around the Fall of Srebrenica
After Srebrenica was designated as a ‘safe area’ by the UN Security Council in 1993, an area in which the population was supposed to be safe from weapons and other threats, in the summer of 1993, the Dutch government appeared to be prepared to provide, for the duration of 18 months, an infantry battalion for the UN-Mission in Bosnia-Herzegovina.

The first battalion (Dutchbat I) arrived in March 1994. In July of that year, this battalion was succeeded by Dutchbat II, which in turn was relieved by Dutchbat III in January 1995.

The tasks of Dutchbat were aimed at a traditional peace keeping mission, i.e. an operation in which the battling forces have made peace and the ‘blue helmets’ act as independent third parties. It was Dutchbat’s task to discourage battling forces to attack the safe area just by their presence in this area. The mandate did not provide for protection of the population by defending the safe area.

Neither Dutchbat, nor UNPROFOR and the international community proved to be capable to influence the developments during the months, weeks and days prior to the fall of the Srebrenica enclave, and to prevent the attack on the enclave or to stop it. The different investigations carried out in the course of the years into the events surrounding the fall of Srebrenica attribute this failure to a significant extent to a deficient mandate, faulty (international) political and military supervision, insufficient troops, light armament and the restrictions with respect to the use of violence.

After the VRS did not permit the entrance of fuel transports in the enclave in February 1995, Dutchbat faced serious fuel shortages. Also, applications for supply convoys were systematically hindered and at the end of April, the VRS even closed off the enclave hermetically. Because of this approximately 150 soldiers on leave were unable to return to the area and the delivery of supplies became impossible. Soon after, shortages of the barest necessities arose such as heating, lighting, warm water and bathing facilities. Also, drinking water and food supplies took on worrying proportions which led to various physical complaints of the soldiers which hindered their proper functioning. Since the UNHCR aid convoys were unable to reach the enclave anymore either, a very precarious food situation arose for the population in the enclave as well.

Early June, the first Observation Post (OP) fell into the hands of the VRS. After the enclave was attacked by the VRS on 6 July 1995, the other OPs were captured one after the other by the VRS, during which actions the VRS did not shy away from the use of violence. In many cases the men were forced to leave their weapons behind and a number of Dutch soldiers fell into the hands of the VRS. In the evening of 9 July 1995, the VRS had approached Sebrenica-city up to one kilometer.

Although on 10 July 1995, Dutchbat had placed themselves in different blocking positions, the VRS advanced incessantly. Despite several requests, air support failed to arrive. In the afternoon of 11 July 1995, air support arrived but was immediately stopped after the VRS had threatened to kill the Dutchbat soldiers who had been taken hostage. The VRS continued its advance and, using abundant violence, Srebrenica-city was captured in the late afternoon of 11 July 1995.

The consequence of the attack on the enclave was that the population and the units of the Bosnian Muslim Army (ARBiH) present in the enclave fled the enclave. In the course of the day, a large part of the population had found a safe haven in the Potocari compound.

Since the VRS threatened to use artillery fire if Dutchbat were to allow refugees into the compound, the refugees were entered, out of sight of the VRS, through a hole in the fence at the back side of the compound. Around 5000 refugees were housed in a large factory on the premises. The other refugees, approximately 27.000, remained outside the compound.

In view of the furtherance of the humanitarian situation for the refugees who were staying in and around the compound, in the early evening of 11 July 1995, Karremans received the instruction from Headquarters in Sarajevo to take every possible measure to protect the refugees. Shortly thereafter, he also got the instruction to start negotiations with the VRS concerning the evacuation of the refugees. In this respect, Karremans opted for an evacuation executed by UNPROFOR and, from the very start, he indicated that he wanted to take the local staff along. According to Karremans, Mladic made the requirement that the local staff would have to be in possession of a UN-pass. Upon this, Karremans instructed his staff to draw up a list of names.

In the early morning of 12 July 1995, Mladic unexpectedly stated that the VRS was to arrange for the transport. In addition to this, Mladic wanted to see all the men between the ages of 17 and 60 in order to determine whether there were any war criminals amongst them. Around 1.00 PM that day, the first busses and trucks arrived at the compound in Potocari and the first busses carrying refugees left. In addition, the VRS started to separate the men from their families. The men were taken to a house called ‘the White House’ where they were interrogated by the VRS. Quite soon, the battalion commander received reports which unmistakably indicated that (serious) physical violence was used by the VRS in that house.

The initial plan to have a Dutch soldier ride on each bus soon appeared not to be workable. The plan to send a military vehicle along with each convoy was frustrated by the VRS. The VRS took possession of weapons and vehicles that belonged to the Dutch soldiers. Dutchbat was powerless to do anything about that. Later that day it became clear to Karremans and Franken that the buses with the men did not arrive at the agreed destination. (Kladanj).

Around noon all refugees who had been staying outside the compound had left. Next the refugees who were still at the compound in Potocari were evacuated. Early in the evening these refugees had also left.

Criminal liability for being involved in taking the lives of the victims named in the report On the basis of the examination of the facts the Public Prosecution Service has formed the following picture of the events which took place on 13 July 1995 concerning Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic and Muhamed Nuhanovic and the role played by Karremans, Franken and Oosterveen in relation to these events.

Muhamed Nuhanovic
Muhamed Nuhanovic was the brother of Hasan Nuhanovic (who filed the report) and who was acting as interpreter for the monitoring mission of the United Nations (UNMO). Hasan Nuhanovic feared for the fate of his brother and was searching for a possibility to prevent that Muhamed Nuhanovic was forced to leave the compound. During the negotiations with Mladic, Karremans had made it a condition that the local personnel that was employed by the United Nations would leave the enclave together with Dutchbat. Karremans instructed his staff to draw up a list of names (the so-called “list of 29”) in order to set out clearly which persons were concerned. The VRS had demanded Dutchbat to submit a list of names. A Dutch UNMO officer was prepared to pretend that Muhamed Nuhanovic had been employed shortly before as a cleaner and therefore needed to be considered as a member of the staff who would enjoy the protection agreed upon by Mladic. In the morning of 13 July 1995, the Dutch UNMO officer handed the list to Franken. However, Franken did not want any names on the list of persons who did not possess the required documents that could prove their employment with the United Nations or another international organization.

Muhamed Nuhanovic did not possess such evidence. Franken instructed his staff to inquire whether it would be possible to produce a copy of a UN identity card at the compound. It appeared that this was not the case. Franken was seriously taking into account that the VRS would conduct an inspection and feared for reprisals in case of discovery of the forged document and consequently for the life of the local personnel who did possess a UN identity card.

In the eyes of the Public Prosecution Service, the given circumstances of that moment and the powerless position of Dutchbat justify the weighing up of interests made by Franken and the decision taken by him on the basis of these circumstances. For that reason Franken cannot be held liable under criminal law. The Public Prosecution Service has established that Karremans’ involvement in the events concerning Muhamed Nuhanovic has not been relevant and that Oosterveen’s involvement was nil. Therefore both cannot be held liable under criminal law either.

Ibro Nuhanovic
Ibro Nuhanovic was staying at the compound together with his wife and two sons, Hasan Nuhanovic (who filed the report) and Muhamed Nuhanovic. Together with two other refugees, Ibro Nuhanovic formed part of the refugee committee which assisted Karremans during the negotiations with Mladic concerning the evacuation of the refugees. On that occasion Mladic had given the impression that Ibro Nuhanovic had been granted safe-conduct and would therefore be allowed to stay at the compound. Franken pointed this out to Ibro Nuhanovic when early in the evening of 13 July 1995 he saw that Ibro Nuhanovic was heading towards the entrance gate of the compound together with his family and the last group of refugees. Ibro Nuhanovic did not want to let his wife and son leave without him and decided to leave the compound together with them. Oosterveen cannot be linked in any way to Ibro Nuhanovic’s departure from the compound. The Public Prosecution Service believes that Karremans, Franken and Oostveen have not committed any relevant unlawful actions in this respect. Ibro Nuhanovic’s decision to leave the compound can be traced back to the decision taken by Franken to not allow Muhamed Nuhanovic to evacuate together with Dutchbat. Now that this decision taken by Franken is not deemed to be culpable behavior, Karremans nor Franken can be held liable for Ibro Nuhanovic’s decision to leave the compound and his subsequent death within the scope of criminal law.

Rizo Mustafic
Rizo Mustafic together with his family had also taken refuge within the compound. He had been employed by the local government of Srebrenica (Opstina) and worked at the compound as an electrician. Considering the fact that he had been working for Dutchbat since the beginning of 1994, he had acquired a special position compared to other Opstina personnel.

Although Rizo Mustafic was employed by the Opstina and therefore not employed by the United Nations, there is some evidence that his name had been on the list of names and that Rizo Mustafic was aware of this. In the morning of 13 July 1995, Rizo Mustafic walked up to Oosterveen and they had a short conversation during which Rizo Mustafic made it clear that he would stay in the compound. Based on instructions which he had received earlier from the battalion commander, Oosterveen observed that only local staff which had been employed by the United Nations was entitled to stay in the compound. That same evening, after Rizo Mustafic had already left the compound and Oosterveen had informed Franken about their conversation of that morning, Franken told Oosterveen that Rizo Mustafic would have been allowed to stay in the compound. Franken considered Rizo Mustafic to be a local staff member who enjoyed special protection and he reproached Oosterveen for having made an enormous and stupid mistake.

Karremans did not see Rizo Mustafic during those days and only noticed his departure after 13 July 1995. Karremans considered Rizo Mustafic to be a permanent staff member and had not realized that Rizo Mustafic had not actually been employed by the United Nations. The events around Rizo Mustafic are due to a dramatic misunderstanding. Karremans, Franken and Oosterveen cannot be held liable for this misunderstanding under criminal law.

Conclusion
Based on the examination of the facts the Public Prosecution Service concludes that no criminal charges may be filed against Karremans, Franken and Oosterveen for having been involved in the killing of Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic and Muhamed Nuhanovic by the VRS. According to the opinion of the Public Prosecution Service there is no evidence which obliges them to conduct further (criminal) inquiries.

Meanwhile, the Court of Appeal in The Hague has ruled that the State of the Netherlands is liable for the death of Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic and Muhamed Nuhanovic under civil law, which judgment was contested in cassation, so therefore this judgment is not final yet.

Nevertheless, the nature of the examination which resulted in that judgment is essentially different from the examination in connection with the question whether any relevant charges may be filed against Karremans, Franken and Oosterveen individually under criminal law.

District Public Prosecutor’s Office / Netherlands East
7 March 2013)

Geen strafrechtelijk onderzoek Srebrenica (II)

Het Openbaar Ministerie stelt geen strafrechtelijk onderzoek in tegen de heren Karremans (commandant Dutchbat III), Franken (plaatsvervangend commandant Dutchbat III) en Oosterveen (personeelsfunctionaris Dutchbat III). Op basis van intensief en nauwgezet feitenonderzoek, komt het Openbaar Ministerie tot het oordeel dat Karremans, Franken en Oosterveen niet strafrechtelijk verwijtbaar betrokken zijn geweest bij de door het Bosnisch-Servische leger (VRS) gepleegde misdaden in juli 1995 in Srebrenica. 

Aangifte 
Op 5 juli 2010 ontving het Openbaar Ministerie een aangifte over betrokkenheid van Karremans, Franken en Oosterveen bij strafbare feiten begaan in Srebrenica in juli 1995. De aangifte heeft betrekking op de dood van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic en niet op de andere evacués die om het leven zijn gekomen nadat ze de compound hadden verlaten. In de aangifte wordt Karremans, Franken en Oosterveen verweten dat ze voornoemde slachtoffers hebben verwijderd van de compound en overgedragen hebben aan de VRS in de wetenschap dat dit zou hebben geleid tot hun dood. De VRS stond onder leiding van Mladic.

Feitenonderzoek 
Naar aanleiding van de aangifte is een feitenonderzoek gestart. Dit onderzoek was erop gericht om – op basis van (reeds) beschikbare informatie en op basis van informatie genoemd in de aangifte – te beoordelen of er ten aanzien van Karremans, Franken en Oosterveen aanleiding is om strafrechtelijk onderzoek te doen. Het Openbaar Ministerie heeft in 1998 een onderzoek ingesteld naar onder meer de strafrechtelijke betrokkenheid van Nederlandse militairen bij de evacuatie van de bevolking van de enclave Srebrenica in juli 1995. Er zijn toen geen aanwijzingen gevonden dat Nederlandse militairen, deel uitmakend van Dutchbat III, zich bij hun regelende taken schuldig hebben gemaakt aan enig strafbaar feit.

Diverse bronnen waar in de aangifte naar wordt verwezen alsook andere beschikbare bronnen zijn integraal onderzocht op aanwezigheid van belastend en ontlastend materiaal in relatie tot de aangifte. Er is een analyse gemaakt van de context waarbinnen de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden en het juridische kader waartegen deze gedragingen moeten worden afgezet. Belangrijke bronnen waaruit is geput zijn onder meer: het defensierapport ‘Debriefing Srebrenica’(oktober 1995), het ‘Feitenrelaas debriefing Srebrenica’ (22 september 1995), het NIOD rapport ‘Srebrenica, een ‘veilig’ gebied’ (2002), de rapporten van de Secretaris-Generaal van de VN (november 1995 en november 1999), de getuigenverklaringen die onder meer door Nederlandse militairen voor het Joegoslaviëtribunaal zijn afgelegd en de getuigenverhoren in de civiele procedure van aangevers tegen de Nederlandse Staat.

Het onderzoek heeft, na de aangifte in juli 2010, geruime tijd in beslag genomen. Dit niet alleen vanwege de enorme hoeveelheid aan informatie die is onderzocht. Het betreft ook een uiterst complexe, gevoelige zaak. Op verschillende momenten is breed intern overleg geweest over de deelresultaten van het onderzoek en de analyses en zijn nadere onderzoeksopdrachten geformuleerd en uitgevoerd. Daarnaast is er ook advies ingewonnen bij een aantal andere OM-onderdelen (Landelijk Parket, Parket-Generaal en het Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden).

Gebeurtenissen rondom de val van Srebrenica 
Nadat Srebrenica in 1993 door de VN-Veiligheidsraad werd aangewezen als safe area, een gebied waar de bevolking veilig moest zijn voor wapens en andere dreigingen, heeft de Nederlandse regering zich in de zomer van 1993 bereid verklaard om gedurende anderhalf jaar een infanteriebataljon te leveren voor de VN-missie in Bosnië-Herzegovina. Het eerste bataljon (Dutchbat I) arriveerde in maart 1994. Dit bataljon werd in juli van dat jaar opgevolgd door Dutchbat II, dat op zijn beurt in januari 1995 werd afgelost door Dutchbat III.
De taken van Dutchbat waren gericht op een traditionele vredeshandhavende operatie, dat wil zeggen een operatie waarbij de strijdende partijen vrede hebben gesloten en de ‘blauwe baretten’ als onpartijdige derde optreden. Dutchbat had tot taak om door hun aanwezigheid ter plaatse strijdende partijen af te schrikken om de safe area aan te vallen. Het mandaat voorzag niet in bescherming van de bevolking door verdediging van de safe area.
Noch Dutchbat, noch UNPROFOR en de internationale gemeenschap zijn in staat gebleken om de ontwikkelingen in de maanden, weken en dagen voorafgaand aan de val van de enclave Srebrenica te beïnvloeden en de aanval op de enclave te voorkomen of te stoppen. De verschillende onderzoeken die in de loop der jaren zijn gedaan naar de gebeurtenissen rondom de val van Srebrenica schrijven dit falen in belangrijke mate toe aan het gebrekkige mandaat, een gebrekkige (internationaal) politieke en militaire sturing, onvoldoende troepensterkte, de lichte bewapening en de restricties met betrekking tot het gebruik van geweld.

Nadat de VRS vanaf februari 1995 geen brandstoftransporten meer toeliet tot de enclave kampte Dutchbat met een ernstig brandstoftekort. Ook de aanvragen voor bevoorradingskonvooien werden stelselmatig gehinderd en eind april sloot de VRS de enclave zelfs hermetisch af, waardoor circa 150 verlofgangers van Dutchbat niet konden terugkeren in het gebied en de bevoorrading onmogelijk werd. Hierdoor ontbrak het al snel aan een aantal eerste levensbehoeften zoals verwarming, verlichting, warm water en bewassing. Ook de drinkwater- en voedselvoorraad nam zorgwekkende vormen aan, hetgeen leidde tot diverse lichamelijk klachten bij de militairen waardoor het functioneren werd belemmerd. Doordat de UNHCR hulpkonvooien de enclave ook niet meer bereikten ontstond er ook voor de bevolking in de enclave een zeer precaire voedselsituatie.

Begin juni viel de eerste Observation Post (OP) in handen van de VRS. Nadat op 6 juli 1995 de enclave door de VRS werd aangevallen werden de overige OP’s door de VRS overlopen, waarbij het gebruik van geweld door de VRS niet werd geschuwd. De bemanning werd veelal gedwongen haar wapens achter te laten en een aantal Nederlandse militairen viel in handen van de VRS. In de avond van 9 juli 1995 was de VRS Srebrenica-stad tot op een kilometer genaderd. Hoewel er door Dutchbat op 10 juli 1995 verschillende blocking positions werden ingenomen, rukte de VRS steeds verder op. Ondanks meerdere verzoeken om luchtsteun, bleef deze uit. In de middag van 11 juli 1995 werd wel luchtsteun ingezet, maar weer stopgezet nadat de VRS had gedreigd de gegijzelde militairen van Dutchbat te zullen doden. De VRS zette zijn opmars voort en met gebruikmaking van veel geweld werd Srebrenica-stad aan het eind van de middag op 11 juli 1995 ingenomen.

De aanval op de enclave had tot gevolg dat de bevolking en de in de enclave aanwezige eenheden van het Bosnische moslimleger (ARBiH) op de vlucht sloegen. Een groot deel van de bevolking zocht in de loop van 11 juli 1995 een veilig heenkomen op de compound in Potocari. Aangezien de VRS dreigde met artillerievuur als Dutchbat vluchtelingen toe zou laten op de compound, werden de vluchtelingen uit het zicht van de VRS binnengelaten via een gat in het hek aan de achterkant van de compound. Circa 5000 vluchtelingen werden ondergebracht in een grote fabriekshal op het terrein. De overige vluchtelingen, circa 27.000, verbleven buiten de compound.

Met het oog op het bevorderen van de humanitaire situatie voor de vluchtelingen die zich inmiddels op en om de compound bevonden, ontving Karremans in de vroege avond van 11 juli 1995 de opdracht van het hoofdkwartier in Sarajevo om alle mogelijke maatregelen te treffen ter bescherming van de vluchtelingen. Kort daarna kreeg hij ook de instructie om met de VRS in onderhandeling te gaan over de evacuatie van de vluchtelingen. Karremans zette hierbij in op een evacuatie door UNPROFOR, waarbij hij van meet af aan aangaf dat hij het lokale personeel wilde meenemen. Volgens Karremans werd door Mladic de eis gesteld dat het lokale personeel in bezit moest zijn van een VN-pas. Hierop gaf Karremans zijn staf de instructie om een namenlijst op te stellen.

In de ochtend van 12 juli 1995 deelde Mladic onverwacht mee dat de VRS voor het vervoer zou zorgdragen. Verder wilde Mladic alle mannen tussen de 17 en 60 jaar zien om na te gaan of er oorlogsmisdadigers tussen zaten. Rond 13:00 uur die dag arriveerden de eerste bussen en vrachtwagens bij de compound in Potocari en vertrokken de eerste bussen met vluchtelingen. Daarnaast begon de VRS met het scheiden van de mannen van hun families. De mannen werden overgebracht naar een huis (“het witte huis”) waarin zij door de VRS werden verhoord. Al snel ontving de bataljonsleiding berichten die er onmiskenbaar op duidden dat daar door de VRS (ernstig) fysiek geweld werd gebruikt.

Het aanvankelijke plan om een Nederlandse militair met iedere bus mee te laten rijden bleek al snel niet
uitvoerbaar. Het plan om per konvooi een militair voertuig mee te sturen werd door de VRS gedwarsboomd. De VRS nam de Nederlandse militairen voertuigen en wapens af. Dutchbat stond hier machteloos tegen over. Later die dag werd het Karremans en Franken duidelijk dat de bussen met mannen niet arriveerden op de afgesproken bestemming (Kladanj).

Rond het middaguur waren de vluchtelingen die buiten de compound verbleven allemaal vertrokken. Vervolgens werden de vluchtelingen die zich nog op de compound in Potocari bevonden geëvacueerd. Vroeg in de avond waren ook deze vluchtelingen vertrokken.

Strafrechtelijk verwijtbare betrokkenheid bij het ombrengen van de in de aangifte genoemde slachtoffers
Op basis van het feitenonderzoek heeft het Openbaar Ministerie zich het volgende beeld gevormd over de gebeurtenissen op 13 juli 1995 rondom Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic en de rol die Karremans, Franken en Oosterveen hierbij hebben gespeeld.

Muhamed Nuhanovic
Muhamed Nuhanovic was de broer van Hasan Nuhanovic (aangever) die als tolk in dienst was van de monitormissie van de Verenigde Naties (UNMO). Hasan Nuhanovic vreesde voor het lot van zijn broer en zocht naar een mogelijkheid om te voorkomen dat Muhamed Nuhanovic de compound moest verlaten. Karremans had tijdens de onderhandelingen met Mladic bedongen dat het lokaal personeel dat in dienst was van de Verenigde Naties samen met Dutchbat de enclave zou verlaten. Karremans liet zijn staf ter zake een namenlijst (de zogenoemde “lijst van 29”) opmaken om inzichtelijk te kunnen maken welke personen dit betrof. De VRS eiste dat Dutchbat een namenlijst zou overleggen. Een Nederlandse UNMO-officier was bereid om te doen alsof Muhamed Nuhanovic kort daarvoor in dienst was genomen als schoonmaker en derhalve als personeelslid moest worden beschouwd die de met Mladic overeengekomen bescherming genoot. In de ochtend van 13 juli 1995 leverde de Nederlandse UNMO-officier de lijst in bij Franken. Franken wilde echter geen namen op de lijst hebben staan van personen die niet beschikten over de vereiste papieren waarmee ze hun dienstverband met de Verenigde Naties of een andere internationale organisatie konden aantonen. Muhamed Nuhanovic was niet in het bezit van een dergelijk bewijs. Franken liet door zijn staf onderzoeken of het mogelijk was om op de compound een VN-identiteitspas na te maken. Dit bleek niet het geval. Franken hield ernstig rekening met een controle door de VRS en vreesde bij ontdekking voor represailles en daarmee voor het leven van het lokaal personeel dat wel over een VN-identiteitspas beschikte. De gegeven omstandigheden van dat moment en de machteloze positie waarin Dutchbat zich bevond, billijken in de ogen van het Openbaar Ministerie de belangenafweging die Franken heeft gemaakt en het besluit dat hij op basis daarvan heeft genomen. Om die reden treft Franken geen strafrechtelijk verwijt. Het Openbaar Ministerie heeft vastgesteld dat de betrokkenheid van Karremans ten aanzien van de gebeurtenissen rondom Muhamed Nuhanovic niet relevant is geweest en die van Oosterveen nihil. Ook hen treft om die reden geen strafrechtelijk verwijt.

Ibro Nuhanovic 
Ibro Nuhanovic bevond zich met zijn vrouw en twee zonen, Hasan Nuhanovic (aangever) en Muhamed Nuhanovic, op de compound. Ibro Nuhanovic maakte samen met twee andere vluchtelingen deel uit van het vluchtelingencomité dat Karremans bijstond bij de onderhandelingen over de evacuatie van de vluchtelingen met Mladic. Daar is door Mladic de indruk gewekt dat Ibro Nuhanovic een vrijgeleide had en dientengevolge op de compound mocht blijven. Franken wees Ibro Nuhanovic hierop toen hij zag dat Ibro Nuhanovic vroeg in de avond van 13 juli 1995 zich met zijn gezin en de laatste groep vluchtelingen naar de toegangspoort van de compound begaf. Ibro Nuhanovic wilde zijn vrouw en zoon niet alleen laten en verliet samen met hen de compound. Oosterveen kan op geen enkele wijze in verband worden gebracht met het verlaten van de compound door Ibro Nuhanovic. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat Karremans, Franken en Oosterveen in deze geen strafrechtelijk relevante gedragingen hebben gepleegd. Het besluit van Ibro Nuhanovic om de compound te verlaten is terug te voeren op de beslissing van Franken om Muhamed Nuhanovic niet toe te staan tesamen met Dutchbat te evacueren. Nu deze beslissing van Franken geen strafrechtelijk verwijt met zich brengt, kan ook het besluit van Ibro Nuhanovic om de compound te verlaten en zijn daaruit voortvloeiende dood in strafrechtelijke zin niet verweten worden aan Karremans of Franken.

Rizo Mustafic 
Rizo Mustafic had eveneens met zijn gezin zijn toevlucht gezocht op de compound. Hij was in dienst van het gemeentebestuur (Opstina) van Srebrenica en als electriciën te werk gesteld op de compound. Aangezien hij al sinds begin 1994 voor Dutchbat werkte, had hij een bijzondere positie verworven in vergelijking met het andere opstina-personeel.

Hoewel Rizo Mustafic in dienst was van de Opstina en dus niet in dienst van de Verenigde Naties, zijn er aanwijzingen dat zijn naam op deze namenlijst heeft gestaan en dat Rizo Mustafic hiervan op de hoogte was. In de ochtend van 13 juli 1995 liep Rizo Mustafic op Oosterveen af waarna een kort gesprek volgde waarin Rizo Mustafic meedeelde dat hij op de compound zou blijven. Op basis van instructies die hij eerder van de bataljonsleiding had gekregen, merkte Oosterveen op dat alleen lokaal personeel dat in dienst was van de Verenigde Naties op de compound mocht blijven. Oosterveen hoorde die avond van Franken, nadat Rizo Mustafic de compound reeds had verlaten en Oosterveen Franken over de ontmoeting die ochtend had geïnformeerd, dat Rizo Mustafic op de compound had mogen blijven. Franken beschouwde Rizo Mustafic als een lokaal personeelslid die bijzondere bescherming genoot en verweet Oosterveen, een immense stommiteit te hebben begaan. Karremans heeft Rizo Mustafic die dagen niet gezien en diens vertrek viel Karremans pas op na 13 juli 1995. Karremans beschouwde Rizo Mustafic als een vaste medewerker en had zich niet gerealiseerd dat Rizo Mustafic niet in dienst was van Verenigde Naties. De gebeurtenissen rondom Rizo Mustafic zijn terug te voeren op een dramatisch misverstand. Ten aanzien van dit misverstand treft Karremans, Franken en Oosterveen niet een strafrechtelijk verwijt.

Conclusie 
Het Openbaar Ministerie concludeert op basis van het feitenonderzoek dat Karremans, Franken en Oosterveen geen strafrechtelijk verwijt treft ten aanzien van het ombrengen van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic door de VRS. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie zijn er geen aanwijzingen die noodzaken tot verder (strafrechtelijk) onderzoek. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft inmiddels geoordeeld dat de Staat der Nederlanden naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de dood van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic, welk oordeel in cassatie is bestreden en daarom nog niet definitief is. De aard van het onderzoek dat tot dat oordeel heeft geleid verschilt evenwel wezenlijk van dat van het onderzoek naar aanleiding van de vraag of Karremans, Franken en Oosterveen individueel enig strafrechtelijk relevant verwijt treft.

(Openbaar Ministerie, 7 maart 2013)

Geen strafrechtelijk onderzoek Srebrenica

Arrondissementsparket Oost-Nederland

Het Openbaar Ministerie stelt geen strafrechtelijk onderzoek in tegen de heren Karremans (commandant Dutchbat III), Franken (plaatsvervangend commandant Dutchbat III) en Oosterveen (personeelsfunctionaris Dutchbat III). Op basis van intensief en nauwgezet feitenonderzoek, komt het Openbaar Ministerie tot het oordeel dat Karremans, Franken en Oosterveen niet strafrechtelijk verwijtbaar betrokken zijn geweest bij de door het Bosnisch-Servische leger (VRS) gepleegde misdaden in juli 1995 in Srebrenica.

Aangifte
Op 5 juli 2010 ontving het Openbaar Ministerie een aangifte over betrokkenheid van Karremans, Franken en Oosterveen bij strafbare feiten begaan in Srebrenica in juli 1995. De aangifte heeft betrekking op de dood van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic nadat ze de compound hadden verlaten. In de aangifte wordt Karremans, Franken en Oosterveen verweten dat ze voornoemde slachtoffers hebben verwijderd van de compound en overgedragen hebben aan de VRS in de wetenschap dat dit zou hebben geleid tot hun dood. De VRS stond onder leiding van Mladic.

Feitenonderzoek
Naar aanleiding van de aangifte is een feitenonderzoek gestart. Dit onderzoek was erop gericht om - op basis van (reeds) beschikbare informatie en op basis van informatie genoemd in de aangifte - te beoordelen of er ten aanzien van Karremans, Franken en Oosterveen aanleiding is om strafrechtelijk onderzoek te doen.

Conclusie
Het Openbaar Ministerie concludeert op basis van het feitenonderzoek dat Karremans, Franken en Oosterveen geen strafrechtelijk verwijt treft ten aanzien van het ombrengen van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic door de VRS. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie zijn er geen aanwijzingen die noodzaken tot verder (strafrechtelijk) onderzoek.

(Openbaar Ministerie, 7 maart 2013)

woensdag 14 november 2012

Karremans eist snel besluit OM

Voormalig Dutchbat-commandant Thom Karremans wil dat het Openbaar Ministerie voor het einde van de maand de knoop doorhakt over het strafrechtelijk onderzoek tegen hem. Volgens zijn advocaat Geert Jan Knoops is Karremans het wachten beu.

Nabestaanden van slachtoffers van Srebrenica deden in juli 2010 aangifte tegen Karremans en twee andere leidinggevenden van Dutchbat-3 wegens oorlogsmisdaden en genocide. Dutchbat-3 was de Nederlandse VN-eenheid die de moslimenclave Srebrenica moest beschermen. Na de inname door de Bosnisch-Servische troepen werden duizenden moslimmannen vermoord.

Opportuun
Volgens de nabestaanden, een voormalige tolk van Dutchbat die zijn vader en broer verloor, en de familie van een elektricien van het bataljon, zijn de leidinggevenden van Dutchbat-3 verantwoordelijk voor de dood van hun familieleden. Die werden door de Nederlandse militairen van de compound gezet terwijl duidelijk was dat ze groot gevaar liepen. Daardoor hebben de Nederlandse militairen meegeholpen aan de genocide, vinden de nabestaanden.

Het Openbaar Ministerie worstelt met de aangifte. Vervolging leek eerder dit jaar dichterbij te komen door het advies van de landelijke reflectiekamer aan de top van het OM. Volgens de reflectiekamer, die bestaat uit topfiguren van binnen en buiten het OM, is vervolging van Karremans juridisch mogelijk en ook opportuun.

Brieven
Toch stelt het OM de beslissing telkens uit. Knoops heeft de hoofdofficier van justitie in Arnhem nu gevraagd voor 30 november een besluit te nemen. Volgens de advocaat kan het OM niet anders dan de aangifte terzijde te leggen omdat de aangifte al twee jaar en vier maanden oud is en het OM ook de vijftien jaar daarvoor geen actie heeft ondernomen.

Bovendien blijkt Karremans te beschikken over brieven uit 2004 en 2005 van het ministerie van Defensie waarin hem maximale vrijwaring wordt toegezegd voor civielrechtelijke gevolgen van de val van Srebrenica. Hoewel de vrijwaring dus niet geldt voor strafrechtelijke gevolgen, had Karremans op basis van de brieven erop moeten kunnen vertrouwen dat hij ook strafrechtelijk niet zou worden aangepakt, zegt Knoops.

(NOS, 14 november 2012)

woensdag 9 mei 2012

NOS: vervolging Karremans dichterbij


De kans dat voormalig Dutchbat-commandant Thom Karremans strafrechtelijk wordt vervolgd is een stuk groter geworden. De landelijke reflectiekamer heeft de top van het Openbaar Ministerie positief geadviseerd over de vervolging van Karremans, bevestigen bronnen aan de NOS. Het OM in Arnhem bevestigt dat er een advies ligt, maar wil over de inhoud ervan niets zeggen.

Enkele nabestaanden van slachtoffers van Srebrenica deden twee jaar geleden aangifte tegen Karremans, zijn plaatsvervanger Rob Franken en adjudant Berend Oosterveen wegens oorlogsmisdaden en genocide. Zij waren de leidinggevenden van Dutchbat-3, de Nederlandse VN-eenheid die in de moslimenclave Srebrenica was gelegerd. Na de inname door de Bosnisch-Servische generaal Mladic in 1995 werden door diens troepen meer dan 7000 moslimmannen vermoord.

Meegeholpen
De nabestaanden houden de leidinggevenden van Dutchbat-3 medeverantwoordelijk voor de dood van hun familieleden. Want hoewel al duidelijk was dat de moslims gevaar liepen vermoord te worden, werden ze door de Nederlandse militairen toch van de compound gezet. Hierdoor hebben ze meegeholpen aan de genocide, stellen de nabestaanden. De nabestaanden zijn een voormalige tolk van Dutchbat die zijn vader en broer verloor en de familie van een elektricien van het bataljon.

Volgens de advocaat van de nabestaanden, Liesbeth Zegveld, zag het al naar uit dat het OM in Arnhem de drie leidinggevenden van Dutchbat-3 wil vervolgen. De landelijke leiding van het OM, het college van procureurs-generaal, besloot echter begin dit jaar om ook de landelijke reflectiekamer nog eens naar de zaak te laten kijken.

'Goed nieuws'
De reflectiekamer is vorig jaar opgericht om vooraf zeer gevoelige zaken te bespreken en bestaat uit topfiguren van binnen en buiten justitie. De reflectiekamer adviseert nu positief over de vervolging van Karremans. Strafvervolging is juridisch mogelijk, de zaak is bijvoorbeeld niet verjaard, en is ook opportuun, stelt de reflectiekamer.

Advocate Zegveld is door het OM nog niet op de hoogte gebracht van de inhoud van het advies van de reflectiekamer. "Maar een positief advies betekent goed nieuws. Het college van PG's kan het advies in theorie nog naast zich neerleggen, maar dan wordt het wel een politieke beslissing", aldus Zegveld.

In een reactie stelt het OM dat de hoofdofficier in Arnhem het advies gaat bekijken en in afstemming met het college van PG's een besluit zal nemen over de vervolging van Karremans.

(NOS, 9 mei 2012)