Arnhem , 29-4-2015
Na de val van de enclave Srebrenica op 11 juli 1995 zijn vele duizenden Moslims, voornamelijk “mannen van weerbare leeftijd”, door de Bosnische Serven vermoord. De nabestaanden van een aantal slachtoffers verwijten drie militairen van Dutchbat strafbare betrokkenheid bij de dood van hun familieleden. Zij stellen dat hun familieleden ten onrechte gedwongen zijn om de compound van Dutchbat in Potočari te verlaten; daardoor zijn de Dutchbatters medeplichtig aan de later gepleegde moord op hun familieleden.
Het openbaar ministerie heeft geweigerd om de drie militairen te vervolgen. Tegen die beslissing zijn de nabestaanden in beklag gegaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Na een wrakingsbeslissing en een tussenbeschikking heeft de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 april 2015 het beklag afgewezen.
Het hof heeft eerst een aantal formele vragen besproken. Het komt tot het oordeel dat aan beklaagden geen beroep op strafrechtelijke immuniteit of vrijwaring van vervolging toekomt. Ook is het hof van oordeel dat aan het openbaar ministerie op zich de bevoegdheid toekomt om de zaak niet te vervolgen, maar dat de marges voor een beleidssepot smal zijn.
Bij zijn inhoudelijke beoordeling van het beklag geeft het hof een uitgebreid overzicht van de relevante historische context. Daarbij geeft het veel aandacht aan de rechtspraak van het Joegoslaviëtribunaal en aan het uitgebreide historisch onderzoek door vele instanties, in het bijzonder het NIOD.
Ten aanzien van de wetenschap bij beklaagden over wat de slachtoffers te wachten stond komt het hof tot vrijwel gelijke bevindingen als het gerechtshof Den Haag in de civiele procedures van de klagers tegen de Staat, maar het verbindt daar andere conclusies aan. Voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van de Staat mogen immers alle elementen bijeen worden genomen, maar voor de vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van beklaagden moet worden vastgesteld wat ieder voor zich aan wetenschap had.
Ten aanzien van het wegsturen van Muhamed Nuhanović komt het hof tot het oordeel dat beklaagde Franken, de plaatsvervangend bataljonscommandant, niet had hoeven te beseffen dat hij na het verlaten van de compound een aanmerkelijke kans liep om te worden vermoord. Veroordeling door de strafrechter acht de beklagkamer daarom hoogst onwaarschijnlijk, zodat het openbaar ministerie van vervolging heeft mogen afzien.
Van strafrechtelijke aansprakelijkheid van beklaagde Karremans, de bataljonscommandant, op grond van command responsibility kan dan evenmin sprake zijn.
Ibro Nuhanović, de vader van Muhamed, had op de compound mogen blijven. Dat is ook uitdrukkelijk tegen hem gezegd. Hij heeft er voor gekozen om toch, met zijn vrouw en zoon, te vertrekken. Een dapper besluit, waarvoor hij alle respect verdient. Maar wel zijn eigen besluit, waarvoor beklaagden niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Rizo Mustafić had ook op de compound mogen blijven. Tegen hem is bij vergissing gezegd dat hij niet mocht blijven. Van enig opzet is naar het oordeel van het hof geen sprake. Er was sprake van een stomme fout, die op zijn hoogst een vervolging wegens dood door schuld zou kunnen rechtvaardigen, maar dat feit is inmiddels verjaard.
Einde bericht
De beschikking van het hof is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2015:2968.
Omdat de namen van partijen (zowel klagers als beklaagden) en andere betrokkenen zonder veel moeite kenbaar zijn uit openbare bronnen, is met toestemming van klagers, beklaagden en het openbaar ministerie afgezien van anonimisering.
Uitspraken: ECLI:NL:GHARL:2015:2968
(Gerechtshof Arnhem, 29 april 2015)
Posts tonen met het label Dutchbat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dutchbat. Alle posts tonen
woensdag 29 april 2015
vrijdag 6 september 2013
Staat aansprakelijk voor dood drie moslimmannen Srebrenica
De Nederlandse Staat is aansprakelijk voor de dood van drie moslimmannen uit Srebrenica. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
De mannen hadden hun toevlucht gezocht tot de compound van Dutchbat. Dutchbat besloot hen niet mee te evacueren met het bataljon en stuurde hen op 13 juli 1995 weg van de compound. Buiten de compound werden zij vermoord door het Bosnisch-Servische leger of aanverwante paramilitaire groepen.
In een tweetal uitspraken bevestigt de Hoge Raad eerdere uitspraken van het hof Den Haag uit 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0132 en ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0133) en 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9015 en ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9014) en verwerpt hij het cassatieberoep dat de Staat tegen deze uitspraken instelde.
Achtergrond
In beide zaken gaat het om gebeurtenissen die plaatsvonden kort na de val van de enclave Srebrenica op 11 juli 1995.
Hasan Nuhanović was in dienst van de Verenigde Naties. Hij was als tolk werkzaam op de compound in Potočári waar Dutchbat gelegerd was. Hij beschikte over een VN-pas en stond op de lijst van lokaal personeel dat met Dutchbat mee mocht evacueren. Zijn vader Ibro, zijn moeder Nasiha en zijn broer Muhamed hadden na de val van de enclave hun toevlucht gezocht op de compound. Zij stonden niet op de lijst van lokaal personeel en kregen op 13 juli 1995 te horen dat zij de compound moesten verlaten. Kort daarna zijn zij door het Bosnisch-Servische leger of aanverwante paramilitaire groepen vermoord. Hasan is de eisende partij in de ene zaak.
Rizo Mustafić was in dienst van het gemeentebestuur van Srebrenica en door dit gemeentebestuur bij Dutchbat gedetacheerd, om als elektricien werkzaam te zijn op de compound. Na de val van de enclave had ook Rizo met zijn vrouw en kinderen zijn toevlucht gezocht op de compound. Het gezin kreeg op 13 juli 1995 te horen dat het de compound moest verlaten. Kort daarna is Rizo door het Bosnisch-Servische leger of aanverwante paramilitaire groepen vermoord. Zijn vrouw en kinderen hebben het overleefd. Zij zijn de eisers in de andere zaak.
Twee centrale vragen
In de procedure bij de Hoge Raad staan twee vragen centraal:
1. Kan het optreden van Dutchbat aan de Staat worden toegerekend?
2. Was het optreden van Dutchbat onrechtmatig.
Toerekening?
De Hoge Raad beantwoordt de vraag of het optreden van Dutchbat aan de Staat kan worden toegerekend, aan de hand van het internationaal recht. Daarbij sluit de Hoge Raad aan bij twee regelingen die zijn opgesteld door de International Law Commission van de Verenigde Naties.
De Hoge Raad oordeelt dat het internationaal recht toelaat dat een gedraging niet alleen wordt toegerekend aan de Verenigde Naties, die de leiding hadden over de vredesmissie, maar ook aan de Staat, omdat de Staat effective control had over het verweten optreden van Dutchbat. Het hof heeft dan ook mogen oordelen dat het optreden van Dutchbat aan de Staat wordt toegerekend.
Onrechtmatig?
Het hof heeft beslist dat het optreden van Dutchbat onrechtmatig was volgens het nationale recht van Bosnië-Herzegovina, dat in dit geval van toepassing is. Dit is in cassatie zonder succes bestreden. De Hoge Raad voegt nog toe dat een terughoudende toetsing van het optreden van Dutchbat zoals door de Staat is bepleit, zou betekenen dat nagenoeg geen ruimte zou bestaan voor de beoordeling door de rechter van het optreden van een troepenmacht in het kader van een vredesmissie. Dat is volgens de Hoge Raad onaanvaardbaar. Wel moet de rechter die achteraf de gedragingen van een troepenmacht beoordeelt, ermee rekening houden dat het hier gaat om onder grote druk in een oorlogssituatie genomen beslissingen.
Dit is een nieuwsbericht naar aanleiding van de uitspraken van de Hoge Raad van 6 september 2013. De volledige uitspraken (12/03324 en 12/03329) zijn gepubliceerd op www.hogeraad.nl, ECLI:NL:HR:2013:BZ9225 en ECLI:NL:HR:2013:BZ9228
(Hoge Raad, 6 september 2013)
De mannen hadden hun toevlucht gezocht tot de compound van Dutchbat. Dutchbat besloot hen niet mee te evacueren met het bataljon en stuurde hen op 13 juli 1995 weg van de compound. Buiten de compound werden zij vermoord door het Bosnisch-Servische leger of aanverwante paramilitaire groepen.
In een tweetal uitspraken bevestigt de Hoge Raad eerdere uitspraken van het hof Den Haag uit 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0132 en ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0133) en 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9015 en ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9014) en verwerpt hij het cassatieberoep dat de Staat tegen deze uitspraken instelde.
Achtergrond
In beide zaken gaat het om gebeurtenissen die plaatsvonden kort na de val van de enclave Srebrenica op 11 juli 1995.
Hasan Nuhanović was in dienst van de Verenigde Naties. Hij was als tolk werkzaam op de compound in Potočári waar Dutchbat gelegerd was. Hij beschikte over een VN-pas en stond op de lijst van lokaal personeel dat met Dutchbat mee mocht evacueren. Zijn vader Ibro, zijn moeder Nasiha en zijn broer Muhamed hadden na de val van de enclave hun toevlucht gezocht op de compound. Zij stonden niet op de lijst van lokaal personeel en kregen op 13 juli 1995 te horen dat zij de compound moesten verlaten. Kort daarna zijn zij door het Bosnisch-Servische leger of aanverwante paramilitaire groepen vermoord. Hasan is de eisende partij in de ene zaak.
Rizo Mustafić was in dienst van het gemeentebestuur van Srebrenica en door dit gemeentebestuur bij Dutchbat gedetacheerd, om als elektricien werkzaam te zijn op de compound. Na de val van de enclave had ook Rizo met zijn vrouw en kinderen zijn toevlucht gezocht op de compound. Het gezin kreeg op 13 juli 1995 te horen dat het de compound moest verlaten. Kort daarna is Rizo door het Bosnisch-Servische leger of aanverwante paramilitaire groepen vermoord. Zijn vrouw en kinderen hebben het overleefd. Zij zijn de eisers in de andere zaak.
Twee centrale vragen
In de procedure bij de Hoge Raad staan twee vragen centraal:
1. Kan het optreden van Dutchbat aan de Staat worden toegerekend?
2. Was het optreden van Dutchbat onrechtmatig.
Toerekening?
De Hoge Raad beantwoordt de vraag of het optreden van Dutchbat aan de Staat kan worden toegerekend, aan de hand van het internationaal recht. Daarbij sluit de Hoge Raad aan bij twee regelingen die zijn opgesteld door de International Law Commission van de Verenigde Naties.
De Hoge Raad oordeelt dat het internationaal recht toelaat dat een gedraging niet alleen wordt toegerekend aan de Verenigde Naties, die de leiding hadden over de vredesmissie, maar ook aan de Staat, omdat de Staat effective control had over het verweten optreden van Dutchbat. Het hof heeft dan ook mogen oordelen dat het optreden van Dutchbat aan de Staat wordt toegerekend.
Onrechtmatig?
Het hof heeft beslist dat het optreden van Dutchbat onrechtmatig was volgens het nationale recht van Bosnië-Herzegovina, dat in dit geval van toepassing is. Dit is in cassatie zonder succes bestreden. De Hoge Raad voegt nog toe dat een terughoudende toetsing van het optreden van Dutchbat zoals door de Staat is bepleit, zou betekenen dat nagenoeg geen ruimte zou bestaan voor de beoordeling door de rechter van het optreden van een troepenmacht in het kader van een vredesmissie. Dat is volgens de Hoge Raad onaanvaardbaar. Wel moet de rechter die achteraf de gedragingen van een troepenmacht beoordeelt, ermee rekening houden dat het hier gaat om onder grote druk in een oorlogssituatie genomen beslissingen.
Dit is een nieuwsbericht naar aanleiding van de uitspraken van de Hoge Raad van 6 september 2013. De volledige uitspraken (12/03324 en 12/03329) zijn gepubliceerd op www.hogeraad.nl, ECLI:NL:HR:2013:BZ9225 en ECLI:NL:HR:2013:BZ9228
(Hoge Raad, 6 september 2013)
dinsdag 13 augustus 2013
Ex-Dutchbatter krijgt vergoeding wegens psychisch trauma
Het ministerie van Defensie en een voormalig militair van Dutchbat-3 zijn het eens geworden over een schadevergoeding voor laatstgenoemde (Dave Maat). Maat heeft tijdens zijn uitzending in het kader van UNPROFOR psychische schade opgelopen. Over de hoogte van de vergoeding zijn geen mededelingen gedaan. De Centrale Raad van Beroep had afgelopen maart de minister opgedragen 'binnen drie maanden' een besluit te nemen over de vergoeding.
Persbericht Centrale Raad van Beroep, maart 2013
Minister van Defensie verantwoordelijk voor schade ‘Dutchbatter’
Utrecht , 25-3-2013
De minister van Defensie is verantwoordelijk voor de schade die een militair van Dutchbat, die aanwezig was bij de val van de moslimenclave Srebrenica, lijdt door PTTS (posttraumatische stressstoornis). De minister is daarvoor verantwoordelijk omdat hij onvoldoende maatregelen nam om blijvende PTTS bij de Dutchbatter te voorkomen. Binnen drie maanden na vandaag moet de minister een besluit nemen over de vergoeding van de schade.
Dat bepaalde de Centrale Raad van Beroep vandaag in het hoger beroep dat de Dutchbat-militair had aangespannen. In zijn tussenuitspraak bepaalt de Centrale Raad van Beroep - evenals de rechtbank ’s-Gravenhage eerder - dat de minister van Defensie in deze zaak niet voldeed aan zijn zorgplicht als werkgever. De Centrale Raad van Beroep vindt dat de minister van Defensie bij beëindiging van de missie in Zagreb en daarna niet genoeg nazorg aanbood. Daardoor kreeg de PTSS bij de militair een blijvend karakter. De Centrale Raad van Beroep zal nadat de minister een besluit heeft genomen over de hoogte van de schadevergoeding, daarover een oordeel geven en einduitspraak doen.
Missie
De Centrale Raad van Beroep is het niet met de rechtbank, maar wel met de minister van Defensie eens dat bij de feitelijke uitvoering van de missie Dutchbat III de zorgplicht voldoende was. De Centrale Raad van Beroep wijst er daarbij op dat de militair voldoende opgeleid en getraind was om een militaire missie uit te voeren. Verder is niet gebleken dat het materieel in het begin van Dutchbat niet voldeed aan de noodzakelijke technische eisen. Ook is de minister niet verantwoordelijk voor de oorlogsomstandigheden ter plaatse.
De Centrale Raad van Beroep is ook van oordeel dat de zorgplicht niet mag worden beoordeeld aan de hand van onder oorlogsomstandigheden genomen operationele beslissingen. De aard van het militaire bedrijf verzet zich daartegen (zie ook LJN AN8521).
Mortiergranaat
Op 11 juli 1995 sloeg vlak bij de Dutchbatter een mortiergranaat in. Dit leidde bij de man tot psychische klachten. De mortierinslag is volgens de minister een dienstongeval. De militair krijgt in verband met de gevolgen van dat dienstongeval een uitkering. Daarbij is aangenomen dat de mortierinslag bij de militair leidde tot een acute stressstoornis. Die stoornis heeft zich door de verdere schokkende gebeurtenissen ontwikkeld tot een PTSS.
Voorgeschiedenis
In 2000 verzocht de militair de minister van Defensie om vergoeding van alle door hem door de uitzending naar Srebrenica geleden schade door die PTSS. De militair vond dat hij daar recht op had omdat de minister als werkgever zijn zorgplicht niet na kwam. De minister vond dat hij niet verantwoordelijk was en wees de gevraagde schadevergoeding af. De rechtbank vernietigde dat besluit (LJN AU6006) en droeg de minister op een nieuwe beslissing te nemen. De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank daarin en beslist in zijn tussenuitspraak dat de minister verantwoordelijk is voor de schade van de “Dutchbatter”. De minister van Defensie moet inderdaad een nieuw besluit nemen, waarbij de Centrale Raad van Beroep ervan uit gaat dat de militair zijn schade binnen een maand onderbouwt.
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het burgerlijke en militaire ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.
Zie ook het persbericht van de Centrale Raad van Beroep en de volledige uitspraak.
Persbericht Centrale Raad van Beroep, maart 2013
Minister van Defensie verantwoordelijk voor schade ‘Dutchbatter’
Utrecht , 25-3-2013
De minister van Defensie is verantwoordelijk voor de schade die een militair van Dutchbat, die aanwezig was bij de val van de moslimenclave Srebrenica, lijdt door PTTS (posttraumatische stressstoornis). De minister is daarvoor verantwoordelijk omdat hij onvoldoende maatregelen nam om blijvende PTTS bij de Dutchbatter te voorkomen. Binnen drie maanden na vandaag moet de minister een besluit nemen over de vergoeding van de schade.
Dat bepaalde de Centrale Raad van Beroep vandaag in het hoger beroep dat de Dutchbat-militair had aangespannen. In zijn tussenuitspraak bepaalt de Centrale Raad van Beroep - evenals de rechtbank ’s-Gravenhage eerder - dat de minister van Defensie in deze zaak niet voldeed aan zijn zorgplicht als werkgever. De Centrale Raad van Beroep vindt dat de minister van Defensie bij beëindiging van de missie in Zagreb en daarna niet genoeg nazorg aanbood. Daardoor kreeg de PTSS bij de militair een blijvend karakter. De Centrale Raad van Beroep zal nadat de minister een besluit heeft genomen over de hoogte van de schadevergoeding, daarover een oordeel geven en einduitspraak doen.
Missie
De Centrale Raad van Beroep is het niet met de rechtbank, maar wel met de minister van Defensie eens dat bij de feitelijke uitvoering van de missie Dutchbat III de zorgplicht voldoende was. De Centrale Raad van Beroep wijst er daarbij op dat de militair voldoende opgeleid en getraind was om een militaire missie uit te voeren. Verder is niet gebleken dat het materieel in het begin van Dutchbat niet voldeed aan de noodzakelijke technische eisen. Ook is de minister niet verantwoordelijk voor de oorlogsomstandigheden ter plaatse.
De Centrale Raad van Beroep is ook van oordeel dat de zorgplicht niet mag worden beoordeeld aan de hand van onder oorlogsomstandigheden genomen operationele beslissingen. De aard van het militaire bedrijf verzet zich daartegen (zie ook LJN AN8521).
Mortiergranaat
Op 11 juli 1995 sloeg vlak bij de Dutchbatter een mortiergranaat in. Dit leidde bij de man tot psychische klachten. De mortierinslag is volgens de minister een dienstongeval. De militair krijgt in verband met de gevolgen van dat dienstongeval een uitkering. Daarbij is aangenomen dat de mortierinslag bij de militair leidde tot een acute stressstoornis. Die stoornis heeft zich door de verdere schokkende gebeurtenissen ontwikkeld tot een PTSS.
Voorgeschiedenis
In 2000 verzocht de militair de minister van Defensie om vergoeding van alle door hem door de uitzending naar Srebrenica geleden schade door die PTSS. De militair vond dat hij daar recht op had omdat de minister als werkgever zijn zorgplicht niet na kwam. De minister vond dat hij niet verantwoordelijk was en wees de gevraagde schadevergoeding af. De rechtbank vernietigde dat besluit (LJN AU6006) en droeg de minister op een nieuwe beslissing te nemen. De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank daarin en beslist in zijn tussenuitspraak dat de minister verantwoordelijk is voor de schade van de “Dutchbatter”. De minister van Defensie moet inderdaad een nieuw besluit nemen, waarbij de Centrale Raad van Beroep ervan uit gaat dat de militair zijn schade binnen een maand onderbouwt.
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het burgerlijke en militaire ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.
Zie ook het persbericht van de Centrale Raad van Beroep en de volledige uitspraak.
woensdag 14 november 2012
Karremans eist snel besluit OM
Voormalig Dutchbat-commandant Thom Karremans wil dat het Openbaar Ministerie voor het einde van de maand de knoop doorhakt over het strafrechtelijk onderzoek tegen hem. Volgens zijn advocaat Geert Jan Knoops is Karremans het wachten beu.
Nabestaanden van slachtoffers van Srebrenica deden in juli 2010 aangifte tegen Karremans en twee andere leidinggevenden van Dutchbat-3 wegens oorlogsmisdaden en genocide. Dutchbat-3 was de Nederlandse VN-eenheid die de moslimenclave Srebrenica moest beschermen. Na de inname door de Bosnisch-Servische troepen werden duizenden moslimmannen vermoord.
Opportuun
Volgens de nabestaanden, een voormalige tolk van Dutchbat die zijn vader en broer verloor, en de familie van een elektricien van het bataljon, zijn de leidinggevenden van Dutchbat-3 verantwoordelijk voor de dood van hun familieleden. Die werden door de Nederlandse militairen van de compound gezet terwijl duidelijk was dat ze groot gevaar liepen. Daardoor hebben de Nederlandse militairen meegeholpen aan de genocide, vinden de nabestaanden.
Het Openbaar Ministerie worstelt met de aangifte. Vervolging leek eerder dit jaar dichterbij te komen door het advies van de landelijke reflectiekamer aan de top van het OM. Volgens de reflectiekamer, die bestaat uit topfiguren van binnen en buiten het OM, is vervolging van Karremans juridisch mogelijk en ook opportuun.
Brieven
Toch stelt het OM de beslissing telkens uit. Knoops heeft de hoofdofficier van justitie in Arnhem nu gevraagd voor 30 november een besluit te nemen. Volgens de advocaat kan het OM niet anders dan de aangifte terzijde te leggen omdat de aangifte al twee jaar en vier maanden oud is en het OM ook de vijftien jaar daarvoor geen actie heeft ondernomen.
Bovendien blijkt Karremans te beschikken over brieven uit 2004 en 2005 van het ministerie van Defensie waarin hem maximale vrijwaring wordt toegezegd voor civielrechtelijke gevolgen van de val van Srebrenica. Hoewel de vrijwaring dus niet geldt voor strafrechtelijke gevolgen, had Karremans op basis van de brieven erop moeten kunnen vertrouwen dat hij ook strafrechtelijk niet zou worden aangepakt, zegt Knoops.
(NOS, 14 november 2012)
Nabestaanden van slachtoffers van Srebrenica deden in juli 2010 aangifte tegen Karremans en twee andere leidinggevenden van Dutchbat-3 wegens oorlogsmisdaden en genocide. Dutchbat-3 was de Nederlandse VN-eenheid die de moslimenclave Srebrenica moest beschermen. Na de inname door de Bosnisch-Servische troepen werden duizenden moslimmannen vermoord.
Opportuun
Volgens de nabestaanden, een voormalige tolk van Dutchbat die zijn vader en broer verloor, en de familie van een elektricien van het bataljon, zijn de leidinggevenden van Dutchbat-3 verantwoordelijk voor de dood van hun familieleden. Die werden door de Nederlandse militairen van de compound gezet terwijl duidelijk was dat ze groot gevaar liepen. Daardoor hebben de Nederlandse militairen meegeholpen aan de genocide, vinden de nabestaanden.
Het Openbaar Ministerie worstelt met de aangifte. Vervolging leek eerder dit jaar dichterbij te komen door het advies van de landelijke reflectiekamer aan de top van het OM. Volgens de reflectiekamer, die bestaat uit topfiguren van binnen en buiten het OM, is vervolging van Karremans juridisch mogelijk en ook opportuun.
Brieven
Toch stelt het OM de beslissing telkens uit. Knoops heeft de hoofdofficier van justitie in Arnhem nu gevraagd voor 30 november een besluit te nemen. Volgens de advocaat kan het OM niet anders dan de aangifte terzijde te leggen omdat de aangifte al twee jaar en vier maanden oud is en het OM ook de vijftien jaar daarvoor geen actie heeft ondernomen.
Bovendien blijkt Karremans te beschikken over brieven uit 2004 en 2005 van het ministerie van Defensie waarin hem maximale vrijwaring wordt toegezegd voor civielrechtelijke gevolgen van de val van Srebrenica. Hoewel de vrijwaring dus niet geldt voor strafrechtelijke gevolgen, had Karremans op basis van de brieven erop moeten kunnen vertrouwen dat hij ook strafrechtelijk niet zou worden aangepakt, zegt Knoops.
(NOS, 14 november 2012)
vrijdag 25 mei 2012
30 en 35 jaar cel wegens massamoorden Srebrenica
Twee Bosnisch-Servische oud-commandanten zijn door een rechtbank in Belgrado veroordeeld tot 35 en 30 jaar cel wegens medeplichtigheid aan de genocide in Srebrenica.
Bij die massamoord in juli 1995 doodden Bosnisch-Servische militairen naar schatting 7000 tot 8000 moslimmannen en -jongens. Dusko Jevic (44) en Mendeljev Djuric (52) zijn schuldig bevonden aan het wegvoeren van de moslims uit Srebrenica.
Volgens de rechter wisten de twee wat er met de moslimmannen zou gebeuren. Bovendien gaven ze hun eenheden de opdracht om aan de moorden mee te doen. De manschappen doodden daarop zo'n duizend bijeengedreven moslims in Kravica, vlak bij Srebrenica.
Srebrenica werd destijds beschermd door het Nederlandse VN-bataljon Dutchbat. De Nederlanders konden de val van de enclave, waar duizenden moslims hun toevlucht hadden gezocht, niet voorkomen. De massamoord die volgde wordt beschouwd als de ergste daad van genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.
(ANP/NOS, 25 mei 2012)
Bij die massamoord in juli 1995 doodden Bosnisch-Servische militairen naar schatting 7000 tot 8000 moslimmannen en -jongens. Dusko Jevic (44) en Mendeljev Djuric (52) zijn schuldig bevonden aan het wegvoeren van de moslims uit Srebrenica.
Volgens de rechter wisten de twee wat er met de moslimmannen zou gebeuren. Bovendien gaven ze hun eenheden de opdracht om aan de moorden mee te doen. De manschappen doodden daarop zo'n duizend bijeengedreven moslims in Kravica, vlak bij Srebrenica.
Srebrenica werd destijds beschermd door het Nederlandse VN-bataljon Dutchbat. De Nederlanders konden de val van de enclave, waar duizenden moslims hun toevlucht hadden gezocht, niet voorkomen. De massamoord die volgde wordt beschouwd als de ergste daad van genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.
(ANP/NOS, 25 mei 2012)
woensdag 9 mei 2012
NOS: vervolging Karremans dichterbij
De kans dat voormalig Dutchbat-commandant Thom Karremans strafrechtelijk wordt vervolgd is een stuk groter geworden. De landelijke reflectiekamer heeft de top van het Openbaar Ministerie positief geadviseerd over de vervolging van Karremans, bevestigen bronnen aan de NOS. Het OM in Arnhem bevestigt dat er een advies ligt, maar wil over de inhoud ervan niets zeggen.
Enkele nabestaanden van slachtoffers van Srebrenica deden twee jaar geleden aangifte tegen Karremans, zijn plaatsvervanger Rob Franken en adjudant Berend Oosterveen wegens oorlogsmisdaden en genocide. Zij waren de leidinggevenden van Dutchbat-3, de Nederlandse VN-eenheid die in de moslimenclave Srebrenica was gelegerd. Na de inname door de Bosnisch-Servische generaal Mladic in 1995 werden door diens troepen meer dan 7000 moslimmannen vermoord.
Meegeholpen
De nabestaanden houden de leidinggevenden van Dutchbat-3 medeverantwoordelijk voor de dood van hun familieleden. Want hoewel al duidelijk was dat de moslims gevaar liepen vermoord te worden, werden ze door de Nederlandse militairen toch van de compound gezet. Hierdoor hebben ze meegeholpen aan de genocide, stellen de nabestaanden. De nabestaanden zijn een voormalige tolk van Dutchbat die zijn vader en broer verloor en de familie van een elektricien van het bataljon.
Volgens de advocaat van de nabestaanden, Liesbeth Zegveld, zag het al naar uit dat het OM in Arnhem de drie leidinggevenden van Dutchbat-3 wil vervolgen. De landelijke leiding van het OM, het college van procureurs-generaal, besloot echter begin dit jaar om ook de landelijke reflectiekamer nog eens naar de zaak te laten kijken.
'Goed nieuws'
De reflectiekamer is vorig jaar opgericht om vooraf zeer gevoelige zaken te bespreken en bestaat uit topfiguren van binnen en buiten justitie. De reflectiekamer adviseert nu positief over de vervolging van Karremans. Strafvervolging is juridisch mogelijk, de zaak is bijvoorbeeld niet verjaard, en is ook opportuun, stelt de reflectiekamer.
Advocate Zegveld is door het OM nog niet op de hoogte gebracht van de inhoud van het advies van de reflectiekamer. "Maar een positief advies betekent goed nieuws. Het college van PG's kan het advies in theorie nog naast zich neerleggen, maar dan wordt het wel een politieke beslissing", aldus Zegveld.
In een reactie stelt het OM dat de hoofdofficier in Arnhem het advies gaat bekijken en in afstemming met het college van PG's een besluit zal nemen over de vervolging van Karremans.
(NOS, 9 mei 2012)
Abonneren op:
Posts (Atom)