dinsdag 9 april 2013
Minister Hennis in De Wereld Draait Door
Minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert was dit weekend in Somalië*, waar ze samen met premier Rutte de antipiraterijmissie bezocht. Ze wilden samen aanschouwen hoe de bestrijding van piraterij er precies aan toe gaat.
Jeanine Hennis-Plasschaert is met haar 40 jaar een van de jongste ministers uit Rutte II en heeft hiermee een van de moeilijkste departementen onder zich. Er wordt 1 miljard bezuinigd dit jaar, waardoor er zo’n 6000 banen verdwijnen bij Defensie. Er moet een beslissing worden genomen over de JSF en heeft ze manschappen gestationeerd in Afghanistan, Turkije, Zuid-Soedan en Somalië. Een enorme uitdaging voor Jeanine.
(VARA/DWDD, 8 april 2013)
*Kleine correctie: de minister en haar gezelschap waren in Djibouti waar ze op fregat Hr. Ms. De Ruyter stapten, HdV.
VVD wil meer geld voor defensie
De VVD wil dat het budget voor defensie wordt verhoogd. Fractieleider Halbe Zijlstra zei dat op een partijbijeenkomst in Goes.
De verhoging is volgens hem nodig, omdat de energiebelangen van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten afnemen. Daardoor zijn er steeds minder Amerikaanse troepen in de regio.
Veiligheid
"Onze veiligheid komt daarom meer op onze eigen schouders terecht", zegt Zijlstra. "Als de Amerikanen zich terugtrekken, moeten we Europa-breed, dus ook in Nederland, nadenken of we onze veiligheid op orde hebben."
Omdat Amerika meer energie zelf produceert, onder meer via schaliegas, is het minder afhankelijk van olie uit het buitenland. Daardoor is het land ook steeds minder genoodzaakt om in te grijpen in andere landen, denkt Zijlstra.
Noodzakelijk
Zijlstra zegt dat het voor Nederland noodzakelijk is om de eigen defensie op peil te houden, ook als er gekort moet worden op zorg en onderwijs. "Wat heb je aan goede zorg en onderwijs als de veiligheid in het geding is?", zei hij.
(NOS, 9 april 2013)
De verhoging is volgens hem nodig, omdat de energiebelangen van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten afnemen. Daardoor zijn er steeds minder Amerikaanse troepen in de regio.
Veiligheid
"Onze veiligheid komt daarom meer op onze eigen schouders terecht", zegt Zijlstra. "Als de Amerikanen zich terugtrekken, moeten we Europa-breed, dus ook in Nederland, nadenken of we onze veiligheid op orde hebben."
Omdat Amerika meer energie zelf produceert, onder meer via schaliegas, is het minder afhankelijk van olie uit het buitenland. Daardoor is het land ook steeds minder genoodzaakt om in te grijpen in andere landen, denkt Zijlstra.
Noodzakelijk
Zijlstra zegt dat het voor Nederland noodzakelijk is om de eigen defensie op peil te houden, ook als er gekort moet worden op zorg en onderwijs. "Wat heb je aan goede zorg en onderwijs als de veiligheid in het geding is?", zei hij.
(NOS, 9 april 2013)
Defensie wil drijvende wapendepots inzetten
Het ministerie van Defensie onderzoekt of militairen die koopvaardijschepen beveiligen tegen piraten gebruik kunnen maken van drijvende wapendepots in internationale wateren. Hierdoor zouden de militairen sneller kunnen worden ingezet. Dat zei commandant der strijdkrachten Tom Middendorp maandag tijdens een persbijeenkomst in Den Haag.
Nu beschikt Defensie over een aantal opslagplaatsen op het vasteland, onder meer in Singapore en de Verenigde Arabische Emiraten. De inzet van de militairen vergt elke keer afstemming met de lokale autoriteiten, omdat de wapens moeten worden verplaatst. Dat kost de nodige tijd: tussen de aanvraag en inzet van de teams zit enkele weken.
Daarom wordt onderzocht of gebruik kan worden gemaakt van 'drijvende wapenkamers' buiten de territoriale wateren. Dan gaat het om schepen met een afgesloten en beveiligde ruimte voor de opslag van wapens. Gekeken wordt of dat mogelijk is binnen de Nederlandse regelgeving. Tot die tijd wordt gebruikgemaakt van de lokale opslagpunten. De wapens invliegen vanuit Nederland is namelijk nog veel duurder.
De Tweede Kamer debatteert deze week met minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) over de inzet van de vessel protection detachments (vpd), zoals de militaire beveiligingsteams officieel heten. Instituut Clingendael adviseerde onlangs aan de regering om alsnog private beveiligers in te zetten bij de bescherming van Nederlandse schepen tegen piraterij.
Volgens Clingendael is het huidige beleid 'niet langer houdbaar': de procedures zijn lang, kosten veel geld en de inzet van mariniers is weinig flexibel. Naast Nederland zijn er bijna geen Europese landen die de inzet van gewapende beveiligers verbieden.
Middendorp was kritisch over de inzet van private beveiligers, hoewel hij benadrukte dat het aan het kabinet is om daar een besluit over te nemen. Hij schaarde zich achter het argument van het kabinet om de inzet tot op heden te verbieden. "Ik vind het verstandig dat het geweldsmonopolie in handen van de overheid is."
Ook plaatste hij kanttekeningen bij de kwaliteit van de private beveiligers. Die zouden niet altijd genoeg personeel inzetten. Ook haalde hij een incident aan waarbij de private beveiligers op elkaar hebben geschoten. Koopvaardijschepen zijn beter af met Nederlandse militairen aan boord, was de boodschap. "Bij ons is professionaliteit heel belangrijk."
De afgelopen twaalf maanden is 72 keer een aanvraag gedaan voor een vpd. Daarvan zijn er zes afgewezen en 32 verzoeken werden ingetrokken. De rest is ingewilligd. Defensie heeft capaciteit voor 175 vpd's per jaar. Volgens Middendorp begint de inzet van de teams 'een beetje ingesleten' te raken. Ook de kosten zijn lager geworden. De dagprijs van de militaire steun ligt nu op het niveau van die van private beveiligers.
(Novum/Nieuws.nl, 9 april 2013)
Nu beschikt Defensie over een aantal opslagplaatsen op het vasteland, onder meer in Singapore en de Verenigde Arabische Emiraten. De inzet van de militairen vergt elke keer afstemming met de lokale autoriteiten, omdat de wapens moeten worden verplaatst. Dat kost de nodige tijd: tussen de aanvraag en inzet van de teams zit enkele weken.
Daarom wordt onderzocht of gebruik kan worden gemaakt van 'drijvende wapenkamers' buiten de territoriale wateren. Dan gaat het om schepen met een afgesloten en beveiligde ruimte voor de opslag van wapens. Gekeken wordt of dat mogelijk is binnen de Nederlandse regelgeving. Tot die tijd wordt gebruikgemaakt van de lokale opslagpunten. De wapens invliegen vanuit Nederland is namelijk nog veel duurder.
De Tweede Kamer debatteert deze week met minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) over de inzet van de vessel protection detachments (vpd), zoals de militaire beveiligingsteams officieel heten. Instituut Clingendael adviseerde onlangs aan de regering om alsnog private beveiligers in te zetten bij de bescherming van Nederlandse schepen tegen piraterij.
Volgens Clingendael is het huidige beleid 'niet langer houdbaar': de procedures zijn lang, kosten veel geld en de inzet van mariniers is weinig flexibel. Naast Nederland zijn er bijna geen Europese landen die de inzet van gewapende beveiligers verbieden.
Middendorp was kritisch over de inzet van private beveiligers, hoewel hij benadrukte dat het aan het kabinet is om daar een besluit over te nemen. Hij schaarde zich achter het argument van het kabinet om de inzet tot op heden te verbieden. "Ik vind het verstandig dat het geweldsmonopolie in handen van de overheid is."
Ook plaatste hij kanttekeningen bij de kwaliteit van de private beveiligers. Die zouden niet altijd genoeg personeel inzetten. Ook haalde hij een incident aan waarbij de private beveiligers op elkaar hebben geschoten. Koopvaardijschepen zijn beter af met Nederlandse militairen aan boord, was de boodschap. "Bij ons is professionaliteit heel belangrijk."
De afgelopen twaalf maanden is 72 keer een aanvraag gedaan voor een vpd. Daarvan zijn er zes afgewezen en 32 verzoeken werden ingetrokken. De rest is ingewilligd. Defensie heeft capaciteit voor 175 vpd's per jaar. Volgens Middendorp begint de inzet van de teams 'een beetje ingesleten' te raken. Ook de kosten zijn lager geworden. De dagprijs van de militaire steun ligt nu op het niveau van die van private beveiligers.
(Novum/Nieuws.nl, 9 april 2013)
zaterdag 6 april 2013
Dienstplicht keert terug in Suriname voor mannen en vrouwen
Nog dit jaar zullen Surinaamse jongens en meisjes eraan moeten geloven. De regering-Bouterse is bijna klaar om de dienstplicht weer in te voeren. Belangrijkste doel daarvan is jongeren discipline bij te brengen en te vormen.
De ideeën voor deze 'maatschappelijke' dienstplicht zijn gebaseerd op voorbeelden uit onder meer Nederland, zoals het idee van oud-premier Ruud Lubbers om heropvoedingskampen in te stellen.
Volgens luitenant-kolonel Justus Hew A Kee, adviseur van de minister van Defensie, is het hard nodig dat Surinaamse jongeren leren dienstbaar en gedisciplineerd te zijn. 'Het idee van de kampen van Lubbers was ook bedoeld om jongeren die dreigden te ontsporen, op het rechte pad te brengen en hun aansluiting op de arbeidsmarkt te geven. En dat is nu ook de bedoeling van de regering-Bouterse.'
De dienstplicht zal 18 maanden duren en geldt voor Surinaamse mannen en vrouwen tussen 18 en 33 jaar. Jongeren die een studie volgen of kostwinner zijn, kunnen vrijstelling aanvragen. Dat geldt dus ook voor de Surinaamse studenten in Nederland.
Derryl Boetoe, voorzitter van het Surinaamse jeugdparlement, ziet voor- en nadelen in de plannen. 'Als dropouts en hangjongeren weer op het rechte pad komen, zal de criminaliteit verminderen. Aan de andere kant leer je hen omgaan met een wapen, dat kan ook tot nieuwe problemen leiden.' Verder vindt hij het belangrijk dat jongeren die studeren en aan het werk willen gaan, daarin niet worden belemmerd. 'Op dat punt is nog niet alles duidelijk. We blijven het daarom kritisch volgen.'
Suriname kende ook tussen 1971 en 1992 een dienstplicht. Die werd ingesteld omdat Suriname, tot 1975 kolonie van Nederland, het oneerlijk vond dat Surinaamse jongens niet in het Nederlandse leger konden dienen. De afschaffing in 1992 was enkele jaren na het binnenlandse conflict met als hoofdpersonen toenmalig legerleider Desi Bouterse en zijn huidige coalitiegenoot Ronnie Brunswijk. 'De politiek van toen vond dat de dienstplichtigen misbruikt waren door de toenmalige machthebbers', aldus Hew A Kee.
Volgens hem passen de plannen van Bouterse goed in de internationale trend van 'vermaatschappelijking' van de strijdkrachten. 'Ik heb een brede studie gedaan en zie dat in veel landen het leger wordt gebruikt om jongeren te disciplineren en ze via onderwijs klaar te stomen voor de maatschappij.'
(ANP/Parool, 6 maart 2013)
De ideeën voor deze 'maatschappelijke' dienstplicht zijn gebaseerd op voorbeelden uit onder meer Nederland, zoals het idee van oud-premier Ruud Lubbers om heropvoedingskampen in te stellen.
Volgens luitenant-kolonel Justus Hew A Kee, adviseur van de minister van Defensie, is het hard nodig dat Surinaamse jongeren leren dienstbaar en gedisciplineerd te zijn. 'Het idee van de kampen van Lubbers was ook bedoeld om jongeren die dreigden te ontsporen, op het rechte pad te brengen en hun aansluiting op de arbeidsmarkt te geven. En dat is nu ook de bedoeling van de regering-Bouterse.'
De dienstplicht zal 18 maanden duren en geldt voor Surinaamse mannen en vrouwen tussen 18 en 33 jaar. Jongeren die een studie volgen of kostwinner zijn, kunnen vrijstelling aanvragen. Dat geldt dus ook voor de Surinaamse studenten in Nederland.
Derryl Boetoe, voorzitter van het Surinaamse jeugdparlement, ziet voor- en nadelen in de plannen. 'Als dropouts en hangjongeren weer op het rechte pad komen, zal de criminaliteit verminderen. Aan de andere kant leer je hen omgaan met een wapen, dat kan ook tot nieuwe problemen leiden.' Verder vindt hij het belangrijk dat jongeren die studeren en aan het werk willen gaan, daarin niet worden belemmerd. 'Op dat punt is nog niet alles duidelijk. We blijven het daarom kritisch volgen.'
Suriname kende ook tussen 1971 en 1992 een dienstplicht. Die werd ingesteld omdat Suriname, tot 1975 kolonie van Nederland, het oneerlijk vond dat Surinaamse jongens niet in het Nederlandse leger konden dienen. De afschaffing in 1992 was enkele jaren na het binnenlandse conflict met als hoofdpersonen toenmalig legerleider Desi Bouterse en zijn huidige coalitiegenoot Ronnie Brunswijk. 'De politiek van toen vond dat de dienstplichtigen misbruikt waren door de toenmalige machthebbers', aldus Hew A Kee.
Volgens hem passen de plannen van Bouterse goed in de internationale trend van 'vermaatschappelijking' van de strijdkrachten. 'Ik heb een brede studie gedaan en zie dat in veel landen het leger wordt gebruikt om jongeren te disciplineren en ze via onderwijs klaar te stomen voor de maatschappij.'
(ANP/Parool, 6 maart 2013)
vrijdag 5 april 2013
Zijn de Nederlandse militairen watjes?
In de afgelopen tijd is er in de media een discussie losgebarsten over de fysieke gesteldheid van militairen. Men vraagt zich hardop af of de militairen qua lichamelijke conditie nog wel op hun taak berekend zouden zijn. Kwalijke beeldspraken worden daarbij niet geschuwd. Een overzicht.
Op 13 februari 2013 pakte het Algemeen Dagblad stevig uit met een artikel op de voorpagina getooid met de kop ‘Militairen zijn niet fit'. In chocoladeletters.
De oppervlakkige lezer zou onmiddellijk denken dat de Nederlandse krijgsmacht op het punt stond om definitief door zijn hoeven te zakken wegens algehele lichamelijke ongesteldheid.
‘Watjes' en ‘natte kranten'...
Wellicht zou de aldus gecreëerde vrijval van middelen een groot deel van de Nederlandse politiek goed uitkomen, maar dat terzijde.
Nog dezelfde dag gaf sensatieomroep PowNed op haar site dìe landgenoten de ruimte wier voornaamste roeping het is de sociale media om te vormen tot bruine riolen, waarin eenieder onder het mom van vrijheid van meningsuiting zich desgewenst ongeremd kan laten leeglopen in de weerzinwekkende woorddiarree die zo kenmerkend is voor de huidige staat van het onderricht in de Nederlandse taal.
Scheldend op alles wat vies en voos is, daartoe aangemoedigd door de voorzetjes van PowNed dat de Nederlandse soldaten watjes zouden zijn en het Nederlandse leger voor een groot deel zou bestaan uit natte kranten die zich ziek melden voor een coopertest. De toon was dus al gezet.
Het door het AD geschilderde beeld was dan ook tamelijk droevig makend. Duizenden militairen zijn volgens de krant niet fit genoeg om op missie te kunnen. Ze zakken voor een eenvoudige sporttest of leggen die om allerlei redenen niet af.
Aldus werd het beeld geschetst van een krijgsmacht voor een aanzienlijk deel bestaande uit niet uitzendbare militairen. Immers, 3300 militairen zouden in 2012 zijn gezakt voor het eenvoudige sportexamen. Nog eens 15.500 van de in totaal 43.000 militairen waren niet eens komen opdagen wegens ziek, zwak of misselijk.
Ook de generaals kregen een veeg uit de pan: van de 82 generaals zouden er slechts 30 de vereiste basisconditie hebben. Ook de commandant der strijdkrachten, de generaal Middendorp, zou de test niet hebben afgelegd, maar voor hem gold het excuus van een langdurige blessure.
Overigens werd in de krant door de CDS beklemtoond, dat niet getwijfeld hoefde te worden aan het fitheidsniveau van de Nederlandse krijgsmacht. Het zou hoofdzakelijk gaan om het tijdelijk buiten staat zijn de defensie conditieproef af te leggen.
Introductie van de coopertest
Zoals bekend staat de lichamelijke gesteldheid van de Nederlandse militair sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw op de agenda. Niet toevallig vlak na de omvorming van de Nederlandse krijgsmacht tot een volledig beroepsleger met expeditionaire inslag.
Grondlegger was de toenmalige bevelhebber der landstrijdkrachten, de generaal Hans Couzy. Als BLS voerde deze een fitheidstest voor individuele militairen in, bestaande uit een coopertest opdrukken en sit-ups. Die test werd bekend onder de naam ‘Couzy-test' en was niet uniek in zijn soort. Buitenlandse krijgsmachten kenden de conditietest al veel langer.
In de loop van de daarop volgende jaren is de fysieke fitheid een randvoorwaarde geworden met dien verstande dat tot heden de rechtspositionele gevolgen van de defensie conditieproef nog beperkt zijn. Er is immers altijd de mogelijkheid om de test opnieuw af te leggen.
Bij sommigen zullen nog de beelden op het netvlies staan van Hans Couzy himself die de test destijds ‘met drie vingers in de neus' aflegde. ‘Elke gezonde militair kan het' sprak de generaal in een gymzaaltje waar hij demonstreerde hoe het moest. Het was de tijd van vóór Sebrenica, de tijd van de net gevallen Muur, het verzilverde vredesdividend en de weidse vergezichten als het om de inzetbaarheid van Nederlandse militairen ging. Tot in Rwanda toe volgens sommigen. De wereld was ons speeltuintje...
2009: uniforme aanpak van de Defensieconditieproef
Na het introduceren van de ‘Couzytest' was de situatie voor de tijdelijk fysiek tekortschietende militair niet altijd even helder. Dat gold ook voor de randvoorwaarden om de fysieke gesteldheid op peil te houden. Wij komen daar hieronder op terug. De ‘Couzytest' was er aanvankelijk immers uitsluitend voor militairen bij de Koninklijke Landmacht. Verder had elk krijgsmachtdeel zijn eigen beleid met betrekking tot het op peil houden van de fysieke gesteldheid - al dan niet neergelegd in regelgeving.
Sinds 2009 is er sprake van een uniforme aanpak voor de gehele krijgsmacht. Deelname aan de toen ingevoerde Defensieconditieproef (DCP) is sindsdien verplicht maar dat betekent niet dat er al volledige duidelijkheid is met betrekking tot de rechtspositionele inbedding van de DCP. In die zin heeft de DCP nog steeds een ‘pilot-karakter' . Dat klemt behoorlijk omdat er immers inmiddels al zeer veel sportinstructeurs zijn wegbezuinigd....
De DCP omvat bijvoorbeeld voor iedere militair in zijn twintigers 20 push-ups en 30 sit-ups met als pièce de résistance het afleggen van minimaal 2400 meter in 12 minuten (de originele coopertest). Afhankelijk van de gestegen leeftijd kan er met minder push-ups, sit-ups en meters worden volstaan, maar met name deze coopertest vormt kennelijk niet zelden een onneembare hindernis.
Een hele hijs, dat langdurig hardlopen dus en dat doet de vraag rijzen of de militair wel voldoende in staat wordt gesteld zijn of haar conditie op een dusdanig peil te brengen dat het afleggen van de coopertest ‘een fluitje van een cent' zou zijn - laat staan dat een en ander van bovenaf naar behoren zou worden gestimuleerd. Daar kan een levensgroot vraagteken bij worden gezet want zoals bij Defensie gebruikelijk staan er tussen droom en daad weer wetten in de weg en (vooral) praktische bezwaren.
Zoals bekend wordt binnen de krijgsmacht al jaren met botte bezuinigingsbijl gezwaaid en dat zet de faciliteiten voor de individuele militair om in de baas zijn tijd aan zijn fysieke gesteldheid te werken danig onder de druk. De uittocht van sportinstructeurs werd door ons hierboven al gememoreerd.
Bij tekortschietende fysieke gesteldheid denken wij voor de goede orde niet aan commando's, mariniers of andere elitesoldaten. Bij hen zit het wel goed wat de conditie betreft. Het gaat om al die andere militairen, al dan niet gezeten op specialistische functies, voor wie Defensie ook al niet in staat is het eigen beleid na te leven wat betreft ‘rust' tussen twee uitzendperiodes. Zij zijn afhankelijk van hun commandant waar het gaat om het inroosteren van verplichte sporttijd. Daar komt doorgaans weinig van terecht. Laat staan dat deze commandant ter zake het goede voorbeeld zou geven in het kader van het stimuleringsbeleid...
Bezuinigingen bedreigen ook de fitheid...
Uiteraard wringt daar de schoen. Defensie bijt weer eens in zijn eigen staart. Zoals gezegd zijn inmiddels zeer veel sportinstructeurs wegbezuinigd en het huidige gebrek aan spankracht van de organisatie laat het eenvoudig niet meer toe deze uren structureel vrij te maken. De toko moet immers ook blijven draaien en dat is al moeilijk genoeg.
Het houtje-touwtje karakter van de Nederlandse krijgsmacht anno 2013 werd door ons al vaker onder de loep genomen: het krampachtig vasthouden aan het oorspronkelijke ambitieniveau terwijl dat gezien de beschikbare middelen en menskracht geen haalbare kaart meer is.
Wie kan met droge ogen veronderstellen, dat er in een dergelijke context nog ruimte is voor structureel sporten? Te meer nu bij elke militair het stressniveau gezien de angst voor het behoud van de werkgelegenheid zich ook heeft ingevreten. En dat zit op de werkvloer inmiddels heel diep hebben wij kunnen vaststellen. Ook niet echt bevorderlijk voor de ultieme fitheid.
Aldus beschouwd is het teruglopen van de fysieke gesteldheid van de gemiddelde militair eigenlijk niet eens zo verwonderlijk. Althans niet dusdanig dat de serieuze en minder serieuze media daar een dergelijke aandacht aan zouden moeten besteden als recentelijk is gebeurd. Laat staan, dat die aandacht gepaard zou moeten gaan met het als geest uit de fles laten van ‘reaguurders' en andere populistische randfiguren in de sociale media.
De Nederlandse militair verdient (veel) beter dan belachelijk te worden gemaakt door lieden, die de vrijheid van meningsuiting kennelijk uitsluitend zien als vrijbrief om het weer eens lekker op een schelden te zetten en in een deuk te liggen over die slapjanussen van militairen die nergens tegen kunnen...
Hoe verder?
De remedie? Die ligt uiteraard in het alsnog daadwerkelijk handen en voeten geven aan de randvoorwaarden voor een goede conditie voor de Nederlandse militair. Dat betekent het alsnog volledig rechtspositioneel inbedden van de DCP zodat iedereen weet waar hij of zij aan toe is. Dat betekent ook het creëren van een goede infrastructuur dus er dient alsnog gezorgd te worden voor voldoende gediplomeerde sportinstructeurs.
Dat zal nog niet meevallen. Daar hoort tevens bij het vastleggen van onder werktijd verplicht begeleid sporten dus, waarbij de commandant zelf het goede voorbeeld geeft. Indien ook daarmee structureel de hand blijft worden gelicht moet men er zich niet over verbazen indien de Nederlandse krijgsmacht binnenkort ook fysiek de laatste adem uitblaast..
(ACOM, 11 maart 2013)
[Zie ook: Militaire inzetbaarheid http://www.defensie.nl/militairesport/militaire_inzetbaarheid]
Op 13 februari 2013 pakte het Algemeen Dagblad stevig uit met een artikel op de voorpagina getooid met de kop ‘Militairen zijn niet fit'. In chocoladeletters.
De oppervlakkige lezer zou onmiddellijk denken dat de Nederlandse krijgsmacht op het punt stond om definitief door zijn hoeven te zakken wegens algehele lichamelijke ongesteldheid.
‘Watjes' en ‘natte kranten'...
Wellicht zou de aldus gecreëerde vrijval van middelen een groot deel van de Nederlandse politiek goed uitkomen, maar dat terzijde.
Nog dezelfde dag gaf sensatieomroep PowNed op haar site dìe landgenoten de ruimte wier voornaamste roeping het is de sociale media om te vormen tot bruine riolen, waarin eenieder onder het mom van vrijheid van meningsuiting zich desgewenst ongeremd kan laten leeglopen in de weerzinwekkende woorddiarree die zo kenmerkend is voor de huidige staat van het onderricht in de Nederlandse taal.
Scheldend op alles wat vies en voos is, daartoe aangemoedigd door de voorzetjes van PowNed dat de Nederlandse soldaten watjes zouden zijn en het Nederlandse leger voor een groot deel zou bestaan uit natte kranten die zich ziek melden voor een coopertest. De toon was dus al gezet.
Het door het AD geschilderde beeld was dan ook tamelijk droevig makend. Duizenden militairen zijn volgens de krant niet fit genoeg om op missie te kunnen. Ze zakken voor een eenvoudige sporttest of leggen die om allerlei redenen niet af.
Aldus werd het beeld geschetst van een krijgsmacht voor een aanzienlijk deel bestaande uit niet uitzendbare militairen. Immers, 3300 militairen zouden in 2012 zijn gezakt voor het eenvoudige sportexamen. Nog eens 15.500 van de in totaal 43.000 militairen waren niet eens komen opdagen wegens ziek, zwak of misselijk.
Ook de generaals kregen een veeg uit de pan: van de 82 generaals zouden er slechts 30 de vereiste basisconditie hebben. Ook de commandant der strijdkrachten, de generaal Middendorp, zou de test niet hebben afgelegd, maar voor hem gold het excuus van een langdurige blessure.
Overigens werd in de krant door de CDS beklemtoond, dat niet getwijfeld hoefde te worden aan het fitheidsniveau van de Nederlandse krijgsmacht. Het zou hoofdzakelijk gaan om het tijdelijk buiten staat zijn de defensie conditieproef af te leggen.
Introductie van de coopertest
Zoals bekend staat de lichamelijke gesteldheid van de Nederlandse militair sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw op de agenda. Niet toevallig vlak na de omvorming van de Nederlandse krijgsmacht tot een volledig beroepsleger met expeditionaire inslag.
Grondlegger was de toenmalige bevelhebber der landstrijdkrachten, de generaal Hans Couzy. Als BLS voerde deze een fitheidstest voor individuele militairen in, bestaande uit een coopertest opdrukken en sit-ups. Die test werd bekend onder de naam ‘Couzy-test' en was niet uniek in zijn soort. Buitenlandse krijgsmachten kenden de conditietest al veel langer.
In de loop van de daarop volgende jaren is de fysieke fitheid een randvoorwaarde geworden met dien verstande dat tot heden de rechtspositionele gevolgen van de defensie conditieproef nog beperkt zijn. Er is immers altijd de mogelijkheid om de test opnieuw af te leggen.
Bij sommigen zullen nog de beelden op het netvlies staan van Hans Couzy himself die de test destijds ‘met drie vingers in de neus' aflegde. ‘Elke gezonde militair kan het' sprak de generaal in een gymzaaltje waar hij demonstreerde hoe het moest. Het was de tijd van vóór Sebrenica, de tijd van de net gevallen Muur, het verzilverde vredesdividend en de weidse vergezichten als het om de inzetbaarheid van Nederlandse militairen ging. Tot in Rwanda toe volgens sommigen. De wereld was ons speeltuintje...
2009: uniforme aanpak van de Defensieconditieproef
Na het introduceren van de ‘Couzytest' was de situatie voor de tijdelijk fysiek tekortschietende militair niet altijd even helder. Dat gold ook voor de randvoorwaarden om de fysieke gesteldheid op peil te houden. Wij komen daar hieronder op terug. De ‘Couzytest' was er aanvankelijk immers uitsluitend voor militairen bij de Koninklijke Landmacht. Verder had elk krijgsmachtdeel zijn eigen beleid met betrekking tot het op peil houden van de fysieke gesteldheid - al dan niet neergelegd in regelgeving.
Sinds 2009 is er sprake van een uniforme aanpak voor de gehele krijgsmacht. Deelname aan de toen ingevoerde Defensieconditieproef (DCP) is sindsdien verplicht maar dat betekent niet dat er al volledige duidelijkheid is met betrekking tot de rechtspositionele inbedding van de DCP. In die zin heeft de DCP nog steeds een ‘pilot-karakter' . Dat klemt behoorlijk omdat er immers inmiddels al zeer veel sportinstructeurs zijn wegbezuinigd....
De DCP omvat bijvoorbeeld voor iedere militair in zijn twintigers 20 push-ups en 30 sit-ups met als pièce de résistance het afleggen van minimaal 2400 meter in 12 minuten (de originele coopertest). Afhankelijk van de gestegen leeftijd kan er met minder push-ups, sit-ups en meters worden volstaan, maar met name deze coopertest vormt kennelijk niet zelden een onneembare hindernis.
Een hele hijs, dat langdurig hardlopen dus en dat doet de vraag rijzen of de militair wel voldoende in staat wordt gesteld zijn of haar conditie op een dusdanig peil te brengen dat het afleggen van de coopertest ‘een fluitje van een cent' zou zijn - laat staan dat een en ander van bovenaf naar behoren zou worden gestimuleerd. Daar kan een levensgroot vraagteken bij worden gezet want zoals bij Defensie gebruikelijk staan er tussen droom en daad weer wetten in de weg en (vooral) praktische bezwaren.
Zoals bekend wordt binnen de krijgsmacht al jaren met botte bezuinigingsbijl gezwaaid en dat zet de faciliteiten voor de individuele militair om in de baas zijn tijd aan zijn fysieke gesteldheid te werken danig onder de druk. De uittocht van sportinstructeurs werd door ons hierboven al gememoreerd.
Bij tekortschietende fysieke gesteldheid denken wij voor de goede orde niet aan commando's, mariniers of andere elitesoldaten. Bij hen zit het wel goed wat de conditie betreft. Het gaat om al die andere militairen, al dan niet gezeten op specialistische functies, voor wie Defensie ook al niet in staat is het eigen beleid na te leven wat betreft ‘rust' tussen twee uitzendperiodes. Zij zijn afhankelijk van hun commandant waar het gaat om het inroosteren van verplichte sporttijd. Daar komt doorgaans weinig van terecht. Laat staan dat deze commandant ter zake het goede voorbeeld zou geven in het kader van het stimuleringsbeleid...
Bezuinigingen bedreigen ook de fitheid...
Uiteraard wringt daar de schoen. Defensie bijt weer eens in zijn eigen staart. Zoals gezegd zijn inmiddels zeer veel sportinstructeurs wegbezuinigd en het huidige gebrek aan spankracht van de organisatie laat het eenvoudig niet meer toe deze uren structureel vrij te maken. De toko moet immers ook blijven draaien en dat is al moeilijk genoeg.
Het houtje-touwtje karakter van de Nederlandse krijgsmacht anno 2013 werd door ons al vaker onder de loep genomen: het krampachtig vasthouden aan het oorspronkelijke ambitieniveau terwijl dat gezien de beschikbare middelen en menskracht geen haalbare kaart meer is.
Wie kan met droge ogen veronderstellen, dat er in een dergelijke context nog ruimte is voor structureel sporten? Te meer nu bij elke militair het stressniveau gezien de angst voor het behoud van de werkgelegenheid zich ook heeft ingevreten. En dat zit op de werkvloer inmiddels heel diep hebben wij kunnen vaststellen. Ook niet echt bevorderlijk voor de ultieme fitheid.
Aldus beschouwd is het teruglopen van de fysieke gesteldheid van de gemiddelde militair eigenlijk niet eens zo verwonderlijk. Althans niet dusdanig dat de serieuze en minder serieuze media daar een dergelijke aandacht aan zouden moeten besteden als recentelijk is gebeurd. Laat staan, dat die aandacht gepaard zou moeten gaan met het als geest uit de fles laten van ‘reaguurders' en andere populistische randfiguren in de sociale media.
De Nederlandse militair verdient (veel) beter dan belachelijk te worden gemaakt door lieden, die de vrijheid van meningsuiting kennelijk uitsluitend zien als vrijbrief om het weer eens lekker op een schelden te zetten en in een deuk te liggen over die slapjanussen van militairen die nergens tegen kunnen...
Hoe verder?
De remedie? Die ligt uiteraard in het alsnog daadwerkelijk handen en voeten geven aan de randvoorwaarden voor een goede conditie voor de Nederlandse militair. Dat betekent het alsnog volledig rechtspositioneel inbedden van de DCP zodat iedereen weet waar hij of zij aan toe is. Dat betekent ook het creëren van een goede infrastructuur dus er dient alsnog gezorgd te worden voor voldoende gediplomeerde sportinstructeurs.
Dat zal nog niet meevallen. Daar hoort tevens bij het vastleggen van onder werktijd verplicht begeleid sporten dus, waarbij de commandant zelf het goede voorbeeld geeft. Indien ook daarmee structureel de hand blijft worden gelicht moet men er zich niet over verbazen indien de Nederlandse krijgsmacht binnenkort ook fysiek de laatste adem uitblaast..
(ACOM, 11 maart 2013)
[Zie ook: Militaire inzetbaarheid http://www.defensie.nl/militairesport/militaire_inzetbaarheid]
OM eist in hoger beroep 4 jaar cel wegens spionage
De advocaat-generaal (OM) in Den Haag heeft vandaag een gevangenisstraf van 4 jaar geëist tegen een voormalig F16-piloot*. Volgens het OM heeft de 39-jarige verdachte staatsgeheime documenten onder zich heeft gehouden, geheime informatie aan niet-gerechtigden ter beschikking gesteld en een transactie voorbereid om tegen betaling staatsgeheime documenten te verkopen aan een buitenlandse mogendheid.
Nadat verdachte in 2010 ontslag had genomen bij de Koninklijke Luchtmacht heeft hij volgens het OM in strijd met de regels een aanzienlijke hoeveelheid gevoelige informatie op digitale gegevensdragers, waaronder staatsgeheime informatie, in zijn bezit gehouden. "Uit het dossier blijkt zonder twijfel dat verdachte wist dat hij staatsgeheime informatie onder zich had, terwijl dat niet was toegestaan en ook strafbaar is," aldus de advocaat-generaal op de zitting. De informatie is ook enige tijd in het bezit geweest van kennissen en een verhuisbedrijf.
In de visie van het OM had verdachte daarnaast de intentie om op 17 maart 2011 tegen betaling van 500.000 euro staatsgeheime documenten te verkopen aan een attaché van de Russische ambassade in Nederland. De documenten zouden staatsgeheime informatie over de F16 bevatten.
De advocaat-generaal vindt een gevangenisstraf van 4 jaar passen bij de ernst van de feiten. "Verdachte heeft de zware verantwoordelijkheid die op hem rustte als F16-vlieger en naderhand bij de verplichting tot inlevering van staatsgeheime documenten, ernstig verwaarloosd en daarmee ook bewust de reële kans aanvaard dat de documenten in verkeerde handen konden komen." Bij de strafeis is daarnaast rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Die omstandigheden, en een gedeeltelijke vrijspraak bij de rechtbank die bij het gerechtshof niet meer aan de orde is, maken dat de strafeis in hoger beroep lager uitvalt dan in eerste aanleg.
De rechtbank in Den Haag veroordeelde de verdachte eerder tot 5 jaar cel, conform de eis van de officier van justitie. De verdachte stelde hoger beroep in.
Uitspraak volgt eind april 2013.
(Openbaar Ministerie, 4 april 2013)
[Zie ook uitspraak in eerste aanleg, Rechtbank 's-Gravenhage, december 2011]
*Chris Vaneker
Nadat verdachte in 2010 ontslag had genomen bij de Koninklijke Luchtmacht heeft hij volgens het OM in strijd met de regels een aanzienlijke hoeveelheid gevoelige informatie op digitale gegevensdragers, waaronder staatsgeheime informatie, in zijn bezit gehouden. "Uit het dossier blijkt zonder twijfel dat verdachte wist dat hij staatsgeheime informatie onder zich had, terwijl dat niet was toegestaan en ook strafbaar is," aldus de advocaat-generaal op de zitting. De informatie is ook enige tijd in het bezit geweest van kennissen en een verhuisbedrijf.
In de visie van het OM had verdachte daarnaast de intentie om op 17 maart 2011 tegen betaling van 500.000 euro staatsgeheime documenten te verkopen aan een attaché van de Russische ambassade in Nederland. De documenten zouden staatsgeheime informatie over de F16 bevatten.
De advocaat-generaal vindt een gevangenisstraf van 4 jaar passen bij de ernst van de feiten. "Verdachte heeft de zware verantwoordelijkheid die op hem rustte als F16-vlieger en naderhand bij de verplichting tot inlevering van staatsgeheime documenten, ernstig verwaarloosd en daarmee ook bewust de reële kans aanvaard dat de documenten in verkeerde handen konden komen." Bij de strafeis is daarnaast rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Die omstandigheden, en een gedeeltelijke vrijspraak bij de rechtbank die bij het gerechtshof niet meer aan de orde is, maken dat de strafeis in hoger beroep lager uitvalt dan in eerste aanleg.
De rechtbank in Den Haag veroordeelde de verdachte eerder tot 5 jaar cel, conform de eis van de officier van justitie. De verdachte stelde hoger beroep in.
Uitspraak volgt eind april 2013.
(Openbaar Ministerie, 4 april 2013)
[Zie ook uitspraak in eerste aanleg, Rechtbank 's-Gravenhage, december 2011]
*Chris Vaneker
donderdag 4 april 2013
Kamerbrief over 'stallen' Nederlandse JSF testtoestellen
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 4 april 2013
Betreft Nederlandse testtoestellen
Onze referentie
BS2013010588
In mijn brief van 8 februari jl. (Kamerstuk 26 488, nr. 309) heb ik toegezegd u voorafgaande aan het algemeen overleg over de vervanging van de F-16, gepland voor 25 april a.s., nader te informeren over de Nederlandse testtoestellen ten behoeve van de operationele testfase. De vaste commissie voor Defensie heeft mij op 15 februari jl. tevens om een update verzocht (kenmerk 26488-309/2013D06535).
Nederland heeft voor de deelneming aan de operationele testfase van de F-35 twee testtoestellen verworven. Het eerste toestel is reeds gereed, het tweede wordt in de zomer van 2013 geleverd. In de brief van 8 februari heb ik uiteengezet dat Defensie zal onderzoeken welke opties er zijn voor het gebruik van de testtoestellen in de komende periode, omdat de operationele testfase volgens de huidige planning in 2015 zal aanvangen.
Ik kan u melden dat het kabinet heeft besloten de toestellen te stallen tot er een besluit is genomen over de vervanging van de F-16 in samenhang met de visie op de toekomst van de krijgsmacht. Gedurende de stalling van de toestellen zal door Amerikaanse piloten beperkt met de toestellen worden gevlogen om ze luchtwaardig te houden. Dit besluit zal met het Joint Program Office (JPO) worden uitgewerkt en contractueel worden vastgelegd. Als de kosten bekend zijn, zal ik u daarover nader informeren. De kosten zullen ten laste worden gebracht van de projectreservering Vervanging F-16.
U verzocht mij ook in te gaan op de personele gevolgen en de ontwikkelingen bij de andere partnerlanden. De Verenigde Staten en het Verenigde Koninkrijk zijn onlangs begonnen met de vliegopleiding voor de operationele testfase. Daaraan neemt geen Nederlands personeel deel.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(ministerie van Defensie, 4 april, 2013)
Datum 4 april 2013
Betreft Nederlandse testtoestellen
Onze referentie
BS2013010588
In mijn brief van 8 februari jl. (Kamerstuk 26 488, nr. 309) heb ik toegezegd u voorafgaande aan het algemeen overleg over de vervanging van de F-16, gepland voor 25 april a.s., nader te informeren over de Nederlandse testtoestellen ten behoeve van de operationele testfase. De vaste commissie voor Defensie heeft mij op 15 februari jl. tevens om een update verzocht (kenmerk 26488-309/2013D06535).
Nederland heeft voor de deelneming aan de operationele testfase van de F-35 twee testtoestellen verworven. Het eerste toestel is reeds gereed, het tweede wordt in de zomer van 2013 geleverd. In de brief van 8 februari heb ik uiteengezet dat Defensie zal onderzoeken welke opties er zijn voor het gebruik van de testtoestellen in de komende periode, omdat de operationele testfase volgens de huidige planning in 2015 zal aanvangen.
Ik kan u melden dat het kabinet heeft besloten de toestellen te stallen tot er een besluit is genomen over de vervanging van de F-16 in samenhang met de visie op de toekomst van de krijgsmacht. Gedurende de stalling van de toestellen zal door Amerikaanse piloten beperkt met de toestellen worden gevlogen om ze luchtwaardig te houden. Dit besluit zal met het Joint Program Office (JPO) worden uitgewerkt en contractueel worden vastgelegd. Als de kosten bekend zijn, zal ik u daarover nader informeren. De kosten zullen ten laste worden gebracht van de projectreservering Vervanging F-16.
U verzocht mij ook in te gaan op de personele gevolgen en de ontwikkelingen bij de andere partnerlanden. De Verenigde Staten en het Verenigde Koninkrijk zijn onlangs begonnen met de vliegopleiding voor de operationele testfase. Daaraan neemt geen Nederlands personeel deel.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(ministerie van Defensie, 4 april, 2013)
Nederlandse F-35 testtoestellen voorlopig aan de grond
De twee F-35-testtoestellen die Nederland heeft gekocht voor de operationele testfase, worden voorlopig gestald. Dat gebeurt tot er een besluit is genomen over de vervanging van de F-16 in samenhang met de visie op de toekomst van de krijgsmacht. Dat heeft het kabinet besloten.
De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn onlangs begonnen met de vliegopleiding voor de operationele testfase. Daaraan neemt geen Nederlands personeel deel. Tijdens de stallingsperiode vliegen Amerikaanse piloten beperkt met de toestellen om ze luchtwaardig te houden.
Planning
Nederland heeft voor de deelneming aan de operationele testfase van de F-35 twee testtoestellen aangeschaft. Het eerste is gereed, het tweede wordt deze zomer geleverd. De operationele testfase begint volgens de huidige planning in 2015.
(ministerie van Defensie, 4 april 2013)
De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn onlangs begonnen met de vliegopleiding voor de operationele testfase. Daaraan neemt geen Nederlands personeel deel. Tijdens de stallingsperiode vliegen Amerikaanse piloten beperkt met de toestellen om ze luchtwaardig te houden.
Planning
Nederland heeft voor de deelneming aan de operationele testfase van de F-35 twee testtoestellen aangeschaft. Het eerste is gereed, het tweede wordt deze zomer geleverd. De operationele testfase begint volgens de huidige planning in 2015.
(ministerie van Defensie, 4 april 2013)
dinsdag 2 april 2013
Kabinetsreactie rapport Clingendael over piraterij
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 29 maart 2013
Betreft Kabinetsreactie rapport Clingendael
Onze referentie BS2013009067
Afschrift aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Met deze reactie geef ik, mede namens de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Veiligheid en Justitie, gehoor aan het verzoek van de vaste commissie voor Defensie om een appreciatie van het rapport ‘State or Private Protection against Maritime Piracy?’ van Instituut Clingendael. Verder ga ik in op de vraag ‘welke mogelijkheden het kabinet ziet voor aanvullende private security companies, en welke maatregelen het kabinet van zins is te nemen om een geïsoleerde Nederlandse positie te voorkomen’ (2013Z03586/2013D08353).
Het kabinet is van oordeel dat het rapport van Instituut Clingendael een nuttige bijdrage levert aan de discussie over de bescherming van kwetsbare schepen die varen onder de vlag van het Koninkrijk. Wel kunnen bij het rapport enkele kanttekeningen worden geplaatst. Zo wordt voorbijgegaan aan het feit dat er naast de inzet van gewapende beveiligers, al dan niet militair, ook andere vormen van bescherming bestaan.
Daarbij gaat het onder meer om de volledige implementatie van de Best Management Practices die door de scheepvaartindustrie zijn opgesteld. Verder kunnen koopvaardijschepen zich aansluiten bij een konvooi door het risicogebied voor de kust van Somalië. Marineschepen patrouilleren tevens bij de Hoorn van Afrika in het kader van internationale maritieme operaties. Ook Nederland levert regelmatig bijdragen aan de EU-missie Atalanta en de Navo-missie Ocean Shield. Tenslotte onderstrepen wij dat voor alle Koninkrijksgevlagde schepen een VPD kan worden aangevraagd. Alleen als reders metterdaad aanvragen indienen, kan een goede indruk worden gekregen van de behoefte.
Het kabinet volgt intussen de internationale ontwikkelingen om een level playing field te behouden voor de onder Koninkrijksvlag varende koopvaardij, conform de uitspraken rondom het rapport van de Commissie de Wijkerslooth. Daarbij worden regelmatig relevante factoren zoals vraag, aanbod, prijs en flexibiliteit gemonitord en gewogen. Dit heeft reeds geleid tot aanpassingen in de wijze van inzet van VPD’s.
Wanneer met militaire VPD-capaciteit geen toereikend niveau van bescherming kan worden geboden, en de internationale positie van Nederland negatief wordt beïnvloed, zal het kabinet een besluit nemen over het al dan niet mogelijk maken van gewapende particuliere beveiliging in overleg met Curaçao.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(ministerie van Defensie, 29 maart 2013)
Datum 29 maart 2013
Betreft Kabinetsreactie rapport Clingendael
Onze referentie BS2013009067
Afschrift aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Met deze reactie geef ik, mede namens de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Veiligheid en Justitie, gehoor aan het verzoek van de vaste commissie voor Defensie om een appreciatie van het rapport ‘State or Private Protection against Maritime Piracy?’ van Instituut Clingendael. Verder ga ik in op de vraag ‘welke mogelijkheden het kabinet ziet voor aanvullende private security companies, en welke maatregelen het kabinet van zins is te nemen om een geïsoleerde Nederlandse positie te voorkomen’ (2013Z03586/2013D08353).
Het kabinet is van oordeel dat het rapport van Instituut Clingendael een nuttige bijdrage levert aan de discussie over de bescherming van kwetsbare schepen die varen onder de vlag van het Koninkrijk. Wel kunnen bij het rapport enkele kanttekeningen worden geplaatst. Zo wordt voorbijgegaan aan het feit dat er naast de inzet van gewapende beveiligers, al dan niet militair, ook andere vormen van bescherming bestaan.
Daarbij gaat het onder meer om de volledige implementatie van de Best Management Practices die door de scheepvaartindustrie zijn opgesteld. Verder kunnen koopvaardijschepen zich aansluiten bij een konvooi door het risicogebied voor de kust van Somalië. Marineschepen patrouilleren tevens bij de Hoorn van Afrika in het kader van internationale maritieme operaties. Ook Nederland levert regelmatig bijdragen aan de EU-missie Atalanta en de Navo-missie Ocean Shield. Tenslotte onderstrepen wij dat voor alle Koninkrijksgevlagde schepen een VPD kan worden aangevraagd. Alleen als reders metterdaad aanvragen indienen, kan een goede indruk worden gekregen van de behoefte.
Het kabinet volgt intussen de internationale ontwikkelingen om een level playing field te behouden voor de onder Koninkrijksvlag varende koopvaardij, conform de uitspraken rondom het rapport van de Commissie de Wijkerslooth. Daarbij worden regelmatig relevante factoren zoals vraag, aanbod, prijs en flexibiliteit gemonitord en gewogen. Dit heeft reeds geleid tot aanpassingen in de wijze van inzet van VPD’s.
Wanneer met militaire VPD-capaciteit geen toereikend niveau van bescherming kan worden geboden, en de internationale positie van Nederland negatief wordt beïnvloed, zal het kabinet een besluit nemen over het al dan niet mogelijk maken van gewapende particuliere beveiliging in overleg met Curaçao.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(ministerie van Defensie, 29 maart 2013)
maandag 1 april 2013
Van Uhm gaat memoires schrijven
Generaal buiten dienst Peter van Uhm uit Nijmegen gaat zijn memoires schrijven. Dat zei hij zondagochtend in een speciale uitzending van het TV Gelderland programma In Gelderland Live.Van Uhm gaf vier jaar leiding aan de Nederlandse strijdkrachten. De dag nadat hij in 2008 het commando overnam, sneuvelde zijn 23-jarige zoon in Uruzgan bij een aanslag met een bermbom. Van Uhm besloot aan te blijven als commandant en ging vorig jaar met pensioen.
De Nijmegenaar is na zijn pensioen toegetreden tot de Raad van Toezicht van park De Hoge Veluwe. Ook adviseert hij de NAVO in een bezuinigingsronde in Brussel. Op 4 mei houdt de oud-commandant een toespraak tijdens de Nationale Dodenherdenking.
(Omroep Gelderland, 31 maart 2013)
Hij baarde wereldwijd opzien door met een wapen in zijn handen een toespraak te houden op TEDx Amsterdam. Zijn boodschap was niet mis te verstaan: Peter van Uhm, toen nog Commandant der Strijdkrachten, kiest voor het wapen als gereedschap om de wereld beter en veiliger te maken. Een keuze die vandaag de dag nog steeds staat, ook al is hij inmiddels met pensioen.
De Nijmegenaar is na zijn pensioen toegetreden tot de Raad van Toezicht van park De Hoge Veluwe. Ook adviseert hij de NAVO in een bezuinigingsronde in Brussel. Op 4 mei houdt de oud-commandant een toespraak tijdens de Nationale Dodenherdenking.
(Omroep Gelderland, 31 maart 2013)
Hij baarde wereldwijd opzien door met een wapen in zijn handen een toespraak te houden op TEDx Amsterdam. Zijn boodschap was niet mis te verstaan: Peter van Uhm, toen nog Commandant der Strijdkrachten, kiest voor het wapen als gereedschap om de wereld beter en veiliger te maken. Een keuze die vandaag de dag nog steeds staat, ook al is hij inmiddels met pensioen.
Presentator Annemieke Schakelaar spreekt met Van Uhm over het leven na het uniform. Over de vraag waarom een jongen uit het vrijgevochten Nijmegen van de jaren zeventig voor het leger kiest en over het grote drama in zijn leven: het sneuvelen van zijn zoon Dennis in Afghanistan, de dag na zijn installatie als Commandant der Strijdkrachten.
[de link naar het gesprek met Peter van Uhm is te vinden op deze pagina van Omroep Gelderland]
Abonneren op:
Posts (Atom)

