Posts tonen met het label Clingendael. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Clingendael. Alle posts tonen

woensdag 17 juli 2013

'Steun Defensie toch zoals Denemarken dat altijd doet'

Kees Homan*

Is de Nederlandse krijgsmacht populair? De recente Veteranendag, met een overvol Malieveld, doet vermoeden van wel. Maar het vertrouwen van de Nederlandse bevolking in de krijgsmacht mag dan groot zijn, er is weinig geld voor Defensie en weinig steun voor militaire missies.

Kees Homan. Foto: Clingendael
Volgens de Pruisische generaal en militair theoreticus Claus von Clausewitz dient de drie-eenheid politiek, krijgsmacht en bevolking onlosmakelijk met elkaar verbonden te zijn. Maar vooral de pijler bevolking is aan erosie onderhevig.

Op een seminar in Den Haag spraken deskundigen uit Canada, Denemarken, Duitsland en Nederland onlangs over de publieke steun voor de strijdkrachten in hun land. In Canada, Duitsland en Nederland bleek de bevolking terughoudend over gevechtsoperaties. In Denemarken niet, betoogde Peter Viggo Jakobsen. De vooronderstelling dat Nederland en Denemarken eenzelfde strategische cultuur kennen, is dus onjuist.

In Denemarken heerst de overtuiging dat Deense strijdkrachten, door deel te nemen aan internationale operaties, Deens grondgebied verdedigen. De meerderheid beschouwt geweld als legitiem gereedschap van staatsmanschap. Wel zijn er voorwaarden: een VN/NAVO mandaat, uitvoering met belangrijke bondgenoten, brede parlementaire steun, een civiel-militaire strategie tot duurzame vrede en geen schending van het internationaal recht.

Defensie in Denemarken geniet steun van alle potentiële regeringspartijen, alle grote nieuwsmedia, van vrijwel alle buitenland- en veiligheidsexperts en van de soldaten en hun verwanten. En dat terwijl, gemeten naar bevolkingsomvang, in Afghanistan de meeste slachtoffers onder Deense militairen vielen. Jakobsen meent dat de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk gevechtssteun aan Denemarken zullen blijven vragen, sinds weinig andere landen hiertoe bereid zijn.

In Nederland liggen de opvattingen anders, aldus hoogleraar militair maatschappelijke studies Jan van der Meulen. In het laatste onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau staan militaire missies aan de top van bezuinigingen. Van de deelnemers aan het onderzoek wil 59 procent minder geld besteden aan militaire missies; vindt 30 procent dat het gelijk moet blijven en wil slechts 5 procent meer geld aan Defensie besteden. De deelnemers vinden wel dat er (veel) meer geld moet gaan naar banen (87 procent), onderwijs (75 procent) en zorg (70 procent).

Volgens een onderzoek van de Atlantische Commissie is de steun voor het lidmaatschap van de NAVO sinds 2011 gedaald. Verontrustend. En hoewel 51 procent van de Nederlanders de indruk heeft dat de strijdkrachten door de bezuinigingen zijn verzwakt, maakt het volgens 35 procent niets uit.

Inmiddels heeft - na 1 miljard aan bezuinigingen onder het vorige kabinet – minister Hennis (VVD) in haar Hoofdlijnennotitie nieuwe kortingen van 300 miljoen euro aangekondigd. Eerder meldde de Internationale Veiligheidsstrategie van Nederland nog ambitieus dat de Nederlandse krijgsmacht ook in de toekomst aan ‘verschillende soorten interventies’ moet kunnen bijdragen.

De krijgsmacht beschikt niet over een eigen achterban, zoals Economische Zaken en Landbouw. Kamerleden staan niet te dringen om een Defensieportefeuille.

Zichtbaarheid in nationale taken is een nieuwe aanbeveling. Toenmalig minister Hillen durfde vorig jaar in Nieuwspoort zelfs te zeggen dat we maar met meer troepen door de Nederlandse straten moeten paraderen. Maar door de nadruk op nationale taken te leggen, dreigt de kerntaak van de krijgsmacht, het uitoefenen van gecontroleerd geweld, te verwateren. Ook moeten risicovolle missies niet worden voorzien van politiek acceptabele etiketten als ‘wederopbouwmissie’ of ‘civiele missie’.

Kortom, het Eindrapport Verkenningen (2010), dat in een bureaula belandde, is nog steeds actueel. Al slaagt Defensie er onvoldoende in het belang van de krijgsmacht voor het voetlicht te brengen. „De Nederlandse defensie-inspanning lijkt hierdoor in de ogen van velen meer een kwestie van willekeurige keuze dan van noodzaak”. Het is aan de politiek om deze vicieuze cirkel eindelijk eens te doorbreken.

*Generaal-majoor der mariniers b.d. Kees Homan is verbonden aan het Instituut Clingendael

(Clingendael, 17 juli 2013)

(Dit artikel is op 15 juli ook verschenen op de Opiniepagina van NRC Handelsblad)

dinsdag 2 april 2013

Kabinetsreactie rapport Clingendael over piraterij

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 29 maart 2013
Betreft Kabinetsreactie rapport Clingendael
Onze referentie BS2013009067
Afschrift aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Met deze reactie geef ik, mede namens de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Veiligheid en Justitie, gehoor aan het verzoek van de vaste commissie voor Defensie om een appreciatie van het rapport ‘State or Private Protection against Maritime Piracy?’ van Instituut Clingendael. Verder ga ik in op de vraag ‘welke mogelijkheden het kabinet ziet voor aanvullende private security companies, en welke maatregelen het kabinet van zins is te nemen om een geïsoleerde Nederlandse positie te voorkomen’ (2013Z03586/2013D08353).

Het kabinet is van oordeel dat het rapport van Instituut Clingendael een nuttige bijdrage levert aan de discussie over de bescherming van kwetsbare schepen die varen onder de vlag van het Koninkrijk. Wel kunnen bij het rapport enkele kanttekeningen worden geplaatst. Zo wordt voorbijgegaan aan het feit dat er naast de inzet van gewapende beveiligers, al dan niet militair, ook andere vormen van bescherming bestaan.

Daarbij gaat het onder meer om de volledige implementatie van de Best Management Practices die door de scheepvaartindustrie zijn opgesteld. Verder kunnen koopvaardijschepen zich aansluiten bij een konvooi door het risicogebied voor de kust van Somalië. Marineschepen patrouilleren tevens bij de Hoorn van Afrika in het kader van internationale maritieme operaties. Ook Nederland levert regelmatig bijdragen aan de EU-missie Atalanta en de Navo-missie Ocean Shield. Tenslotte onderstrepen wij dat voor alle Koninkrijksgevlagde schepen een VPD kan worden aangevraagd. Alleen als reders metterdaad aanvragen indienen, kan een goede indruk worden gekregen van de behoefte.

Het kabinet volgt intussen de internationale ontwikkelingen om een level playing field te behouden voor de onder Koninkrijksvlag varende koopvaardij, conform de uitspraken rondom het rapport van de Commissie de Wijkerslooth. Daarbij worden regelmatig relevante factoren zoals vraag, aanbod, prijs en flexibiliteit gemonitord en gewogen. Dit heeft reeds geleid tot aanpassingen in de wijze van inzet van VPD’s.

Wanneer met militaire VPD-capaciteit geen toereikend niveau van bescherming kan worden geboden, en de internationale positie van Nederland negatief wordt beïnvloed, zal het kabinet een besluit nemen over het al dan niet mogelijk maken van gewapende particuliere beveiliging in overleg met Curaçao.

DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert

(ministerie van Defensie, 29 maart 2013)

maandag 4 maart 2013

Defensie: hoe nu verder?

dr. Marcel de Haas*

De minister van Defensie moet dit jaar in twee rapportages duidelijkheid verschaffen over de vervanging van het F-16-gevechtsvliegtuig en de krijgsmacht van de toekomst. In dat kader publiceerde Instituut Clingendael recentelijk een rapport over hoe die toekomstige krijgsmacht eruit zou kunnen zien. Dezelfde dag nog kwam er forse kritiek op deze Clingendaelpublicatie van de zijde van de ‘concurrerende’ Haagse denktank HCSS. Dat nodigt mij uit om ook maar een duit in het zakje te doen en een bijdrage te leveren aan het debat rond Defensie en het veiligheidsbeleid.

Verkenningen
Volgens HCSS is de door Clingendael gehanteerde aanpak verkeerd. HCSS stelt dat je eerst een beoordeling van de internationale veiligheidssituatie moet maken alvorens te bepalen wat voor soort leger je nodig hebt. Daar valt wat voor te zeggen. Niet het type krijgsmacht moet het uitgangspunt zijn maar wat er in de wereld gebeurt en wat voor antwoord de Nederlandse regering daarop wenst te geven. Laten we er daarbij maar van uitgaan dat het defensiebudget de komende jaren niet stijgt. Het ligt eerder voor de hand dat Defensie nog verder moet inleveren.

Zoals gezegd moet de minister een rapport over de toekomstige krijgsmacht laten verschijnen. Waarom haalt ze niet de lange termijn visie ”Defensieverkenningen 2010” van stal? Dit rapport wordt jaarlijks door Clingendael in opdracht van Defensie geactualiseerd. Genoemd rapport –een degelijk wetenschappelijk rapport– heeft destijds veel geld en menskracht gekost, maar is door de (politieke) waan van de dag vrijwel onmiddellijk in de spreekwoordelijke bureaulade verdwenen. Jammer van al dat werk! Laat de minister dat rapport maar eens benutten, dan is er in ieder geval een kleine besparingspost bereikt en komt dit werk alsnog tot zijn recht. Of zijn de eventuele (financiële) implicaties hiervan te riskant voor Rutte II?

Denktank Clingendael presenteert in zijn recente rapport vier soorten van krijgsmachten waaruit de Nederlandse regering zou kunnen kiezen. Een krijgsmacht voor korte inzet met veel geweld; een krijgsmacht met een sterke marine, wereldwijd inzetbaar voor onze handelsbelangen; een krijgsmacht die operaties zoals in voormalig Joegoslavië, Irak en Afghanistan kan uitvoeren; ten slotte een krijgsmacht die inzetbaar is voor langdurige opbouwoperaties in het buitenland en voor rampenbestrijding.

Alleen voor het eerste type krijgsmacht is de JSF vereist. Het type leger dat operaties zoals die in Afghanistan kan uitvoeren 
–krijgsmacht 3– lijkt het meeste op de variant die het kabinet-Rutte I –Rutte II zwijgt daar vooralsnog over– hanteerde als ideaal: de veelzijdig inzetbare krijgsmacht (”Zwitsers zakmesmodel”). De vermelde Defensieverkenningen noemden deze krijgsmacht als de meest wenselijke.

Veelzijdige krijgsmacht
Het Clingendaelrapport onderkent dat krijgsmacht type 3 beperkingen geeft bij operaties met veel 
geweld, en dat ook de inzet voor de bescherming van economische en handelsbelangen hierbij begrenzingen kent. Als we kijken naar de Nederlandse primaire belangen: economisch (handelsroutes beschermen) en humanitair (internationale verantwoordelijkheid nemen om veiligheid te bevorderen en schendingen te bestrijden), dan is krijgsmacht type 3 van dit Clingendaelrapport, opgehoogd tot het type ”veelzijdig inzetbare krijgsmacht” het ideaalbeeld dat we zouden moeten nastreven.

De materieelkeuze van Clingendael voor type 3 geeft aan om de onderzeebootdienst op te heffen. Die boten zijn echter van groot belang voor inlichtingendoeleinden en zijn technologisch geavanceerd, wat van belang kan zijn voor de (instandhouding van) onze scheepswerven. Ook is niet duidelijk waarom men volstaat met een vliegtuig van dezelfde generatie als de F-16 in plaats van de hypermoderne JSF.

Wapentuig
Na het echec van Srebrenica concludeerde Nederland dat je niet kunt rekenen op bondgenoten. Om niet afhankelijk van anderen te zijn, zul je daarom zelf alle spullen mee moeten nemen op missie: pantservoertuigen, artillerie, gevechtshelikopters en jachtvliegtuigen. Door de voortdurende bezuinigingen mist het leger echter nu al belangrijke wapen­systemen: maritieme patrouillevliegtuigen en tanks.

Even nieuw wapentuig inkopen wanneer het dreigingsplaatje dat weer vereist, gaat niet zo makkelijk. Daarnaast moet je personeel werven en opleiden en dient er infrastructuur (kazerne, vliegveld) aangelegd te worden. Hernieuwde invoering en operationele inzet kan wel vijf tot tien jaar in beslag nemen. Dat moeten we goed bedenken voordat we weer een wapensysteem –zoals de onderzeeërs– opdoeken, of als we een minder modern toestel kopen dan de JSF, want dat moet wel weer dertig jaar meegaan.

Kortom, het is hoog tijd dat de regering eerst vaststelt wat de ambities van het veiligheidsbeleid zijn: wereldwijd inzetbaar, of Europees, of alleen achter de dijken? En hoe ontwikkelen de internationale dreigingen zich over enkele decennia, moeten we daarvoor de JSF hebben of kunnen we volstaan met een minder geavanceerd jachtvliegtuig?

Voor de laatste kabinetten was het (gebrek aan) geld voor Defensie richtinggevend. Het is hoog tijd dat we terugkeren naar wat we van een kabinet met een degelijk veiligheidsbeleid mogen verwachten: eerst ambities bepalen en dan de bijbehorende (militaire) middelen vaststellen.

*De auteur is luitenant-kolonel der Limburgse Jagers b.d. en publicist internationale veiligheid.

(Reformatorisch Dagblad,  1 maart 2013)

donderdag 12 juli 2012

Bezuinigen op defensie deert een navelstarend land niet

OPINIE Maak van defensie geen politieke speelbal. Onze veiligheid en welvaart zijn onlosmakelijk verbonden met stabiliteit en vrijheid elders in de wereld.

Kees Homan* 

Het is ruim een jaar geleden dat het defensiepersoneel op de website van het ministerie van defensie kon kennisnemen van de zin die de ministerraad schrapte uit de bezuinigingsbrief van minister Hillen: "Ik hoop dat deze brief bijdraagt tot het besef dat Nederland voor zijn veiligheid onderverzekerd dreigt te raken."

Inmiddels doemen nieuwe bezuinigingen op aan de politieke horizon. Zo deelt de PvdA in de verkiezingsstrijd een nieuwe financiële mokerslag aan Defensie uit. Zonder enige inhoudelijke argumentatie heeft stelt het door Spekman en Samsom opgestelde program de krijgsmacht een bezuiniging van 1 miljard euro in het vooruitzicht. En dat terwijl de bezuinigingsronde van meer dan één miljard euro van het kabinet-Rutte nog niet is afgerond en duizenden militairen nog in onzekerheid verkeren over het behoud van hun baan.
(...)
Lees meer in Trouw
*Generaal-majoor der mariniers b.d.; verbonden aan instituut Clingendael

(Trouw, 12 juli 2012)

donderdag 23 februari 2012

Clingendael-onderzoekers pleiten voor een andere Nederlandse krijgsmacht


In de februari-editie van Atlantisch Perspectief pleiten Kees Homan en Dick Zandee – beiden verbonden als onderzoeker aan het Instituut Clingendael – voor een andere Nederlandse krijgsmacht. Homan en Zandee oordelen dat een veelzijdig inzetbare krijgsmacht, waarop het kabinet-Rutte inzet, onbetaalbaar wordt.

De auteurs pleiten voor een ‘pasklare’ krijgsmacht, waarmee Nederland internationaal belangrijke bijdragen kan blijven leveren maar die ook financierbaar blijft in lastige economische omstandigheden.
 
Deze ‘pasklare’ krijgsmacht kan:

- bij geweldsoperaties met specifieke capaciteiten grote landen ondersteunen, maar hoeft niet noodzakelijkerwijs zelf aan alle onderdelen van gevechtsoperaties deel te nemen;
- internationaal een vooraanstaande positie innemen met niche-capaciteiten;
- deelnemen aan een breed scala van stabilisatieoperaties en ondersteuning leveren aan humanitaire hulpverlening.

In concrete termen stellen de auteurs onder andere voor om:

- het aantal squadrons F-16’s (en hun opvolger) te reduceren van vier naar twee, maar wel meer onbemande vliegtuigen aan te schaffen;
- de Patriot-raketten en de SMART-L-radars op de luchtverdedigingsfregatten als niche-capaciteit (missile defence) uit te bouwen;
- bij nieuwbouw van marineschepen het accent verder te verleggen van capaciteiten voor onderzeebootbestrijding naar ondersteuning van landoperaties, bescherming van de koopvaardij en logistieke ondersteuning.

Homan en Zandee stellen verder dat multinationale samenwerking optimaal benut moet worden om samen met andere landen capaciteiten te behouden en te delen (pooling & sharing). De voorkeur dient uit te gaan naar samenwerking met de buurlanden en Scandinavische partners. België en Nederland kunnen hun transportvliegtuigen op één vliegbasis stationeren. Voor de F-16’s kan één vliegbasis per land volstaan. Hierdoor kunnen drie vliegbases gesloten worden, waardoor vermindering van hoge exploitatiekosten wordt gerealiseerd. Met Duitsland is collocatie van de Patriot-raketten mogelijk. Ook dient Nederland te zoeken naar aansluiting bij onderdelen van de Brits-Franse defensiesamenwerking, zoals de toekomstige generatie onbemande vliegtuigen.

De auteurs concluderen dat de veelzijdige Nederlandse krijgsmacht thans al achterhaald is door gebrek aan financiële middelen. Vasthouden aan zo’n krijgsmacht leidt uiteindelijk tot onmacht. Keuzes zijn onvermijdelijk. Met een ‘pasklare’ krijgsmacht, ingebed in multinationale samenwerking, kan Nederland zijn steentjes blijven bijdragen aan internationale operaties. Tevens behoudt Nederland hiermee zijn internationale invloed.

Klik hier voor het volledige artikel.

(Atlantische Commissie, 23 februari 2012)