Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen

donderdag 14 november 2013

Tooth to tail ratio: Nederland scoort goed


(Bron: McKinsey, 2010, gebaseerd op ISS rapport uit 2008)
Percentages gevechtstroepen, gevechtsondersteunende eenheden 
en overige

woensdag 23 oktober 2013

Kamerbrief: Letter of Intent met België over gezamenlijke bewaking luchtruim

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Datum 23 oktober 2013
Betreft Samenwerking België bij luchtruimbewaking

Letter of Intent met België
Zoals uiteengezet in de nota In het belang van Nederland van 17 september jl. (Kamerstuk 33 763, nr. 1) hebben België en Nederland de intentie te komen tot de gezamenlijke bewaking met jachtvliegtuigen van het luchtruim van de Benelux, in het bijzonder ten aanzien van de Quick Reaction Alert (QRA) en Renegade-taken.

De QRA is een Navo-taak die reeds in multinationaal verband wordt uitgevoerd op basis van het Navo-verdrag en die betrekking heeft op het onderkennen en eventueel onderscheppen van vijandige of ongeïdentificeerde militaire luchtvaartuigen. De QRA-taak berust op de grondwettelijke taak van de bescherming van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. De Renegade-taak is een nationale taak onder verantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie en is een vorm van nationale militaire bijstand door Defensie. De Renegade-taak berust op artikel 58 van de Politiewet 2012. Gezamenlijke uitvoering van de Renegade-taak in Benelux-verband vereist een internationale juridische basis in de vorm van een verdrag.

Op 23 oktober jl. hebben mijn Belgische collega en ik een Letter of Intent (LoI) ondertekend die het formele begin van de uitwerking van deze samenwerking markeert. U treft de LoI in bijlage aan. De LoI bouwt voort op de ministeriële verklaring van de Benelux-ministers van Defensie van 18 april 2012. Na deze Benelux-verklaring hebben de luchtmachten van België en Nederland al vastgesteld dat er geen technische of operationele belemmeringen voor samenwerking zijn. Luxemburg beschikt niet over een luchtmacht.

Beide landen zullen nu de opstelling van het verdrag ten behoeve van de samenwerking op het gebied van de Renegade-taak actief ter hand nemen en Luxemburg zal nauwgezet over de vorderingen worden geïnformeerd. De Kamer zal bij het verdrag worden betrokken in overeenstemming met de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen. Ik verwacht dat de samenwerking in 2016 zal zijn geëffectueerd, dat wil zeggen ruim voordat de F-35 in 2019 instroomt. Overigens kunnen Nederland en België bij de luchtruimbewaking samenwerken ongeacht het type jachttoestel van beide landen. De wijze van aansturing is onafhankelijk van het type vliegtuig en Navo-standaarden garanderen een gelijke uitvoering.

Met deze aankondiging reageer ik tevens op uw verzoek van 3 oktober jl. (kenmerk 2013Z18157/2013D39014) om informatie over de stand van zaken van het overleg met België. Tevens verzoekt u in te gaan op de relatie tussen die samenwerking en de aanschaf en het gebruik van de 37 F-35’s.

Inzetbaarheid 37 F-35 toestellen
Defensie kan met 37 F-35 toestellen 24 uur per dag, zeven dagen in de week het nationale luchtruim bewaken en vier toestellen langdurig uitzenden. Het kabinet acht dat ambitieus, maar haalbaar. De samenwerking met België is hierbij een belangrijk gegeven. Zonder die samenwerking zijn weliswaar ook vier toestellen voor uitzending beschikbaar, maar minder vliegers waardoor slechts één missie per dag kan worden uitgevoerd. Het voordeel van samenwerking komt vooral tot uitdrukking in het hogere aantal vliegers dat beschikbaar is om missies uit te voeren. Hieronder leg ik het beoogde voordeel van de samenwerking nader uit.

De inzetmogelijkheden van jachtvliegtuigen worden in hoofdzaak bepaald door het aantal beschikbare vliegers dat combat ready (inzet gereed) is. Dat aantal wordt bepaald door de andere taken die vliegers hebben, waaronder luchtruimbewaking en de noodzakelijke opleiding en training. Ook wordt de beschikbaarheid van vliegers bepaald door de wet- en regelgeving op het gebied van arbeidstijden. Het aantal beschikbare toestellen en de toegewezen vlieguren bepalen in dit geheel het aantal vliegers dat kan worden getraind.

Nederland verwerft 37 F-35 toestellen waarvan er permanent vijf in de Verenigde Staten blijven. Vier daarvan zijn bestemd voor de basisopleiding van vliegers en één voor testdoeleinden. In Nederland zullen dus 32 F-35 toestellen worden gestationeerd die beschikbaar zijn voor vervolgopleiding en training, luchtruim bewaking en inzet. Met deze 32 toestellen zullen jaarlijks 6.720 vlieguren worden gemaakt (gemiddeld 210 per toestel per jaar) waarmee 29 vliegers voldoende kunnen oefenen om een combat ready status te behouden. Uren worden ook gebruikt voor de opleiding van nieuwe vliegers en vervolgopleidingen. Een beperkt aantal uren gaat verloren omdat niet aan de trainingseisen wordt voldaan, bijvoorbeeld vanwege weersomstandigheden of beperkingen in het luchtruim. Met deze 29 combat ready vliegers moet Defensie 24 uur per dag en zeven dagen in de week het luchtruim bewaking én missies in een inzetgebied uitvoeren. Uiteraard moeten de vliegers voldoende oefenen om hun combat ready status niet te verliezen.

De luchtruimbewaking met jachtvliegtuigen en de benodigde training om de geoefendheid op peil te houden leggen gezamenlijk een fors beslag op het aantal vliegers. Wanneer Nederland dit alleen uitvoert, zijn vanwege de bepalingen in de Arbeidstijdenwet en de gemiddelde beschikbaarheid voor de luchtruimbewaking en de vanwege de benodigde training 24 vliegers in Nederland nodig. Van de 29 vliegers zijn er dan nog vijf beschikbaar om een internationale missie uit te voeren. Als met België wordt samengewerkt is het mogelijk de beslaglegging op vliegers te verlagen. Er zijn dan in Nederland permanent twintig vliegers nodig.

Van de 29 beschikbare vliegers zijn er dan negen beschikbaar om een internationale missie uit te voeren. Om meer missies op een dag te kunnen vliegen zijn per uitgezonden toestel twee vliegers nodig. Met negen vliegers kunnen daarom vier toestellen op deze wijze worden ingezet. De verwachting dat samenwerking tot een halvering van het aantal benodigde vliegers zou leiden, is ongegrond. Dit komt doordat het grootste deel van de vliegers in Nederland nodig is voor nationale training. In beide varianten zijn dat veertien of vijftien vliegers.

Als niet wordt samengewerkt met België kunnen de vijf beschikbare vliegers met vier toestellen één missie per dag vliegen. Ter vergelijking: Bij langdurige crisisbeheersingsoperaties kan de verhouding tussen vliegers en vliegtuigen in de praktijk lager liggen. Zo zijn in de afgelopen jaren gemiddeld rond de zes vliegers actief in Afghanistan voor de vier F-16’s die per dag nu gemiddeld één vlucht maken. Als wel wordt samengewerkt kunnen de negen beschikbare vliegers met vier toestellen meerdere missies op een dag vliegen.

Ten slotte
Ik hecht groot belang aan de samenwerking met België op het gebied van de luchtruimbewaking om zodoende de beschikbaarheid van vliegers voor internationale missies zo groot mogelijk te maken. Ik zal u op de hoogte houden van de relevante ontwikkelingen.

DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert

(ministerie van Defensie, 23 oktober 2013)

LETTER OF INTENT

BETWEEN

THE MINISTER OF DEFENCE OF THE KINGDOM OF BELGIUM
AND
THE MINISTER OF DEFENCE OF THE KINGDOM OF THE NETHERLANDS

CONCERNING BILATERAL COOPERATION IN INTEGRATED AIR POLICING

1. INTRODUCTION 
The Minister of Defence of the Kingdom of the Netherlands and the Minister of Defence of the Kingdom of Belgium, hereinafter referred to as the "Participants",

Considering the friendly relations between the two countries, including specifically in the area of cooperation in defence matters,

Considering the desire to further optimise the existing bilateral cooperation in the area of security and defence, also expressed in the 2012 Benelux Declaration on cooperation in the area of defence, and to strengthen the relations between the Ministry of Defence of the Kingdom of the Netherlands and the Ministry of Defence of the Kingdom of Belgium,

Considering that the Grand Duchy of Luxembourg is an important Benelux partner and signatory to the 2012 Benelux Declaration on cooperation in the area of defence,

Hereby express the following intention:

2. OBJECTIVE OF THE LETTER OF INTENT
With regard to their common goal and with regard to the general context as set out in this Letter of Intent (Lol), the Participants express their joint intention to achieve synergy and integration in the area of Air Policing, including Quick Reaction Alert and national Renegade tasks.

3. BACKGROUND
The challenges presented by the interaction between operational demands and available capabilities have led to the so-called Ghent Initiative, aiming at broadening cooperation in the area of defence bypooling and sharing resources. In view of this and in view of the shared desire to improve the efficiency of their defence efforts, the Participants have decided to build on the 2012 Benelux Declaration on cooperation in the area of defence. The Participants' shared goal is to enhance military effectiveness by increasing cooperation between their armed forces, by sharing costs where possible and by increasing output for the benefit of their operational capabilities.

4. SCOPE
, The scope of this Lol is to further optimise existing cooperation and to promote further interoperability and future capability development in order to:

- Achieve synergy and integration in the area of Air Policing, including Quick Reaction Alert and national Renegade tasks,
Initiate and actively continue the necessary preparations to achieve the aforementioned goal, the legal preparations for which are vital to the creation of a solid basis for the execution of the aforementioned combined and integrated Air Policing tasks.

The Participants agree that it is of the utmost importance to keep the Minister for Home Affairs and the Greater Region, the Minister of Defence of the Grand Duchy of Luxembourg actively informed of this matter.

5. FINAL PROVISIONS
This Lol, which does not create any rights or obligations under international law, enters into force on the date of the final signature of this Lol.

This Lol may be amended at any time, in writing, with the mutual consent of the Participants and may be terminated by either Participant at any time.

Any disputes regarding the application, interpretation or implementation of this LO1 will be exclusively resolved by consultation and negotiations.

Drawn up in the English language and signed in duplicate:


THE MINISTER OF DEFENCE OF THE KINGDOM OF BELGIUM
Pieter DE CREM
Date: 23 October 201 3

THE MINISTER OF DEFENCE OF THE KINGDOM OF THE NETHERLANDS
Jeanine HENNIS-PLASSCHAERT
Date: 23 October 2013

woensdag 21 augustus 2013

Wetenschappelijke studie over ervaringen zes ISAF-landen

De militaire ervaring van zes landen in Afghanistan is voor het eerst gebundeld in een wetenschappelijk werk. Drie wetenschappers van de Nederlandse Defensie Academie leverden een bijdrage aan ‘Military Adaptation in Afghanistan’. De Nederlandse eindredacteur, commodore prof. dr. Frans Osinga, overhandigde het boek dinsdag aan minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert.

Ook vergeleken
Het boek brengt niet alleen de krijgservaringen van Canada, Denemarken, Duitsland, Groot-Brittannië, Nederland en de Verenigde Staten bijeen, maar vergelijkt ze ook met elkaar. Bovendien zijn analyses toegevoegd van de NAVO en het Afghaanse leger. Uniek is ook het hoofdstuk over de wijze waarop de Taliban zich hebben aangepast aan het optreden van de NAVO. Zo ontstaat een goed beeld van de complexe dynamiek van de wederopbouw- en antiterrorismemissie ISAF.

Documenteren en leren
“Het is van groot belang dat we de ISAF-ervaringen documenteren en er van leren. In de toekomst wordt ongetwijfeld weer een beroep gedaan op de in Afghanistan opgedane expertise. Een wetenschappelijke analyse zoals deze helpt daarbij. De Nederlandse Defensie Academie vervult met dit soort internationale studies uitstekend haar rol als belangrijk militair kennisinstituut”, zei de minister bij de overhandiging.

Rol politiek
13 analisten leverden een bijdrage aan het boek dat in juli verscheen bij Stanford University Press. Hun beschrijving geeft inzicht in de doelstellingen, het mandaat en de manier van optreden van de verschillende landen. Maar ook in de specifieke uitdagingen en de wijze waarop zij al dan niet in staat waren zich aan veranderende omstandigheden aan te passen. Zelfs de rol van de politiek is in de analyse meegenomen.

Hennis: “De complexiteit van de missie leverde regelmatig militaire en politieke verrassingen op, maar ook tegenslagen. We hebben veel geleerd en de missie heeft tot veel innovaties geleid.” Als voorbeeld noemde de bewindsvrouw de Nederlandse toepassing van de 3D-benadering (Defence, Diplomacy, Development).

Eveneens komen de discussies en veranderingen binnen de NAVO door ISAF aan de orde. Evenals het opzetten van een Afghaanse krijgsmacht, een moeizaam proces door de etnische en politieke verdeeldheid. Het boek beschrijft al die recente ervaringen tegen de achtergrond van een ontnuchterende historische analyse van eerdere interventies in Afghanistan.

Kenmerkende dynamiek
De uitgave biedt door de samenhangende aanpak en de verscheidenheid aan perspectieven inzicht in de dynamiek die deze complexe missie kenmerkt. Een missie waarvan de sporen nog lang in westerse krijgsmachten zichtbaar zullen zijn.

(ministerie van Defensie, 20 augustus 2013)

• Titel: Military Adaptation in Afghanistan
• Uitgever: Stanford University Press, USA
• Redactie: Theo Farrell, Frans Osinga en James A. Russell
• Pagina’s: 368
• ISBN: 9780804785884 (gebonden, € 98,99)
• ISBN: 9780804785891 (paperback, € 26,99)
• ISBN: 9780804786768 (E-book,  € 26,99)

(o.a. verkrijgbaar bij Amazon en Bol)

Bijdragen uit Nederland: Dr. Martijn Kitzen, Dr. Frans Osinga, Dr. Sebastiaan Rietjens (allen verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie NLDA)

Preview met inhoudsopgave, lijst auteurs e.d. is te vinden op Google Books

woensdag 13 maart 2013

Duits-Nederlandse samenwerking weer stap verder

Nederland en Duitsland ondertekenen op 24 april een overeenkomst die uitbreiding van militaire samenwerking mogelijk maakt.

Internationale samenwerking vormt een belangrijk uitgangspunt voor de Toekomstvisie Defensie,  zei minister Jeanine Hennis-Plasschaert vandaag in de Tweede Kamer.

De Vaste Commissie voor Defensie (VCD) sprak vanmiddag uitgebreid over initiatieven en projecten voor defensiesamenwerking waarbij Nederland en andere Europese landen zijn betrokken. “Samenwerking is al lang meer dan gezamenlijk een missie uitvoeren en is niet alleen gedreven door budgettaire krapte. Bezuinigingen zijn een verkeerde drijfveer”, aldus Hennis.

Grote stappen
Samen met België en Luxemburg staan er volgens de minister “grote stappen” op het programma. “Denk daarbij aan een gezamenlijke officiersopleiding, een gecombineerd Helikoptercommando en één trainingscentrum voor paratroepen.”  De VCD vindt dat ons land een voortrekkersrol moet blijven spelen bij de totstandkoming van Defensiesamenwerking in Europa.

De volgende stap in de relatie met Duitsland past daar prima in. Wat de plannen met Duitsland inhouden, is nog niet bekend. Hennis zei wel dat de intentieverklaring die zij ondertekent met haar ambtgenoot Thomas de Maizière “verder gaat dan wat er nu al in de steigers staat.”

Souvereiniteit
De minster gaat ook met de Kamer nadenken over een andere vorm van het soevereiniteitsbegrip, dat ook in Europees verband moet gaan leven. Minister Hennis: “Landen met een gedeeld veiligheidsbelang kunnen hun waarden samen beter verdedigen dan ieder afzonderlijk.”

(ministerie van Defensie, 13 maart 2013)

Zie ook: Bezoek Duitse bevelhebber over verdieping samenwerking, 13 juli 2012)

vrijdag 7 december 2012

MinBuZa: Nederland stuurt Patriot-eenheden naar Turkije

Binnenkort worden twee Nederlandse Patrioteenheden naar Turkije gestuurd om bij te dragen aan de bescherming van NAVO-bondgenoot Turkije tegen mogelijke aanvallen vanuit Syrië. De Tweede Kamer is hierover vandaag geïnformeerd. De Nederlandse Patriot-raketverdedigingssystemen worden ingezet voor de bescherming van Turks grondgebied en bevolking.

Infographic: ministerie van Defensie

Een exacte locatie wordt vastgesteld in overleg met Turkije, Verenigde Staten en Duitsland. De inzet is in principe voor de duur van een jaar, puur defensief en biedt geen ondersteuning aan een no-fly zone of offensieve operatie. Voor de inzet worden maximaal 360 militairen uitgezonden. De NAVO stemde eerder deze week in met het bijstandsverzoek van de Turkse regering.

Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten beschikken als enige NAVO-landen over Patriots van de vereiste standaard. De Patriot-eenheden zijn twee keer eerder op de NAVO-zuidflank ingezet en één keer in Israël. Gedurende de Golfoorlog in 1991 beschermden Patriot-systemen de stad Diyarbakir in Turkije en Jeruzalem in Israël tegen mogelijke Iraakse aanvallen met SCUD-raketten. Tijdens de Golfoorlog in 2003 boden de Patriot-vuureenheden eveneens bescherming tegen mogelijke Iraakse aanvallen met SCUD-raketten in de omgeving van de Turkse steden Diyarbakir en Batman.

Op 21 november heeft de Turkse regering een verzoek ingediend bij de NAVO over de inzet van Patriot-systemen voor de bescherming van de bevolking en het grondgebied van Turkije tegen mogelijke aanvallen uit Syrië. De 28 ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO hebben 4 december in Brussel een positieve grondhouding getoond en besloten de Turkse luchtverdedigingscapaciteiten binnen bestaande NAVO-kaders te versterken, afhankelijk van nationale besluitvormingsprocedures.

Supreme Allied Commander Europe, Turkije en de bondgenoten die beschikken over Patriot-systemen, te weten Nederland, Verenigde Staten en Duitsland, hebben de mogelijkheid en wenselijkheid van inzet van Patriot-systemen onderzocht. Het kabinet heeft op basis van de uitkomsten besloten een bijdrage te leveren aan het Turkse verzoek. Nederland deelt de zorgen van de Turkse regering en geeft in het kader van bondgenootschappelijke solidariteit conform het in artikel 51 van het VN-Handvest neergelegde recht op collectieve zelfverdediging gehoor aan het Turkse verzoek. De Nederlandse inzet van Patriot-systemen heeft tot doel het beschermen van de bevolking en grondgebied van NAVO-bondgenoot Turkije en bijdragen aan de-escalatie van de crisis langs de zuidoostelijke grenzen van het bondgenootschap.

Infographic inzet Patriot luchtverdedigingssysteem in Turkije




(ministerie van Buitenlandse Zaken, 7 december 2012)

dinsdag 4 december 2012

NAVO stuurt Patriots naar Turkije

De NAVO stuurt Patriot-rakketten naar bondgenoot Turkije als verdediging en bescherming tegen Syrische aanvallen.

Het bondgenootschap gaf dinsdag gehoor aan het Turkse verzoek om stationering van het luchtverdedigingssysteem in het grensgebied met Syrië.

Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten zijn de enige NAVO-landen die over Patriots beschikken.* Zij bekijken op welke manier zij aan het Turkse verzoek gaan voldoen.

Het zal naar verwachting nog enkele weken duren voordat de eerste Patriots kunnen worden ingezet in het kader van de zogenoemde operatie Actief Hek (Active Fence). De NAVO benadrukt dat de raketten niet zijn bedoeld om een vliegverbod boven Syrië af te dwingen.

De Patriots zijn niet specifiek bedoeld tegen chemische wapens, maar kunnen ook die onderscheppen, benadrukte NAVO-topman Anders Fogh Rasmussen. Hij hoopt dat de stationering vooral werkt als afschrikking.

(ANP/Nu.nl, 4 december 2012)

*dit is niet correct. Ook NAVO-lidstaten als Spanje en Griekenland beschikken over Patriot-systemen. De hier genoemde drie landen zijn wel de enige die over de nieuwste variant beschikken waarmee ballistische raketten als de SCUD uit de lucht kunnen worden gehaald, HdV)

maandag 3 december 2012

Opleiding Belgisch-Nederlandse kaderleden Defensiebreed

België en Nederland gaan nauwer samenwerken bij de opleiding van kaderleden. Commandant der Strijdkrachten generaal Tom Middendorp en zijn Belgische ambtgenoot generaal Gerard van Caelenberge tekenden afgelopen vrijdag een overeenkomst die de bestaande regeling verruimt tot alle krijgsmachtdelen.

Het oorspronkelijke akkoord had alleen betrekking op maritieme opleidingen. Nu is ook de uitwisseling en deelname aan opleidingen van de land- en luchtmachten vereenvoudigd. Het streven is om deelname aan elkaars opleidingen te vereenvoudigen met afspraken over planning, financiën en rapportering.

Positief
De ondertekening vond plaats tijdens een bijeenkomst van hoge Defensiefunctionarissen, waarbij veel aandacht was voor internationale militaire samenwerking. Van Caelenberge benadrukte zijn positieve ervaringen met de Belgisch-Nederlandse samenwerking.

Ook ging hij op de financiële ontwikkelingen binnen Europa. “Dit heeft geleid tot meerdere regionale initiatieven waarbij kleinere landen verdergaande samenwerking onderzoeken en in de praktijk brengen. Ook de hernieuwde Benelux-samenwerking biedt schaalvoordelen, zoals het delen van lasten om zo belangrijke operationele capaciteiten in stand te houden”, aldus de Belgische generaal.

(ministerie van Defensie, 3 december 2012)

woensdag 21 november 2012

Kabinet: 'Nederlandse luchtverdediging mogelijk naar Turkije'

De Turkse regering heeft vandaag een verzoek ingediend bij de secretaris-generaal van de NAVO. Het gaat om de inzet van Patriotsystemen voor de bescherming van de bevolking en het grondgebied van Turkije.

Nederland is een van de lidstaten die over Patriotsystemen beschikt. Ook Duitsland en de Verenigde Staten hebben dit type luchtverdedigingssysteem.

Turkije stelt in het verzoek dat ontplooiing van puur defensieve aard is en geen ondersteuning biedt aan een no-fly zone of offensieve operatie.

De regering neemt het verzoek in beraad en onderzoekt de wenselijkheid en mogelijkheid van een bijdrage. Bondgenootschappelijke solidariteit speelt een belangrijke rol bij de afweging.'

(ministerie van Defensie, 21 november 2012)

Statement by the NATO Secretary General on Patriot Missile Deployment to Turkey

I have received a letter from the Turkish government requesting the deployment of Patriot missiles. Such a deployment would augment Turkey’s air defence capabilities to defend the population and territory of Turkey. It would contribute to the de-escalation of the crisis along NATO’s south-eastern border. And it would be a concrete demonstration of Alliance solidarity and resolve.

In its letter, the Turkish government stressed that the deployment will be defensive only, and that it will in no way support a no-fly zone or any offensive operation.

NATO will discuss Turkey’s request without delay. If approved, the deployment would be undertaken in accordance with NATO’s standing air defence plan.  It is up to the individual NATO countries that have available Patriots - Germany, the Netherlands and the United States - to decide if they can provide them for deployment in Turkey and for how long.  Next week a joint team will visit Turkey to conduct a site-survey for the possible deployment of Patriots.

The security of the Alliance is indivisible. NATO is fully committed to deterring against any threats and defending Turkey’s territorial integrity.

(NATO, 21 november 2012)

donderdag 23 augustus 2012

Knapen en Niebel spreken met Karzai

Staatssecretaris Ben Knapen van Buitenlandse Zaken en zijn Duitse collega Dirk Niebel hadden donderdag een ontmoeting met de Afghaanse president Karzai. In een constructief en uitvoerig gesprek van ruim een uur spraken zij onder meer over de ontwikkelingen in het land en het versterken van de rechtsstaat.

Nederland en Duitsland steunen de Afghaanse autoriteiten maar verwachten van hen een harde aanpak tegen corruptie en mensenrechtenschendingen. Tijdens de Afghanistan-conferentie begin juli in Tokio heeft Afghanistan zich gecommitteerd aan concrete doelen en indicatoren. Sindsdien heeft de regering van president Karzai ingrijpende maatregelen uitgevaard. Volgens Knapen komt het nu aan op verdere uitvoering.

V.l.n.r.:  Knapen, Niebel, Karzai (foto: ministerie van Buitenlandse Zaken)

Tegelijk met onze investeringen in de rechtsstaat is een stevige inzet van de Afghaanse leiders nodig. Het is goed dat de Afghaanse autoriteiten voortvarend aan de slag zijn gegaan en helder aangeven hoe zij de invulling zien. Zichtbare vooruitgang op het terrein van corruptie en mensenrechten, waaronder de positie van vrouwen, is echter een voorwaarde voor een breed draagvlak in Afghanistan en steun van de internationale gemeenschap,’ aldus Knapen.

Knapen zal in Kabul ook een gesprek hebben met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die strijden tegen mensenrechtenschendingen, corruptie en de onderdrukking van vrouwen. Knapen heeft bewondering voor het werk dat zij onder moeilijke omstandigheden en soms met gevaar voor eigen leven doen.

(ministerie van Buitenlandse Zaken, 23 augustus 2012)

Knapen bezoekt Kabul met Duitse collega

(ontdek de verschillen in de aankondigingen van dit gezamenlijke Duits-Nederlandse bezoek....)

Staatssecretaris Ben Knapen van Buitenlandse Zaken is donderdagochtend met zijn Duitse collega Dirk Niebel in Kabul aangekomen voor een gezamenlijk werkbezoek. Het bezoek staat in het teken van de Duits- Nederlandse samenwerking voor het versterken van de rechtsstaat in Afghanistan.

Knapen en Niebel willen bekijken hoe de samenwerking in de praktijk verloopt en hoe ze die verder kunnen optimaliseren. ‘Het helpt om samen een vuist te maken. Dat geldt hier in Kabul als we van de autoriteiten eisen dat ze corruptie en mensenrechtenschendingen hard aanpakken. Maar ook in het veld waar we bijvoorbeeld rechters, aanklagers en advocaten trainen’, aldus Knapen.

(ministerie van Buitenlandse Zaken, 23 augustus 2012)


Dirk Niebel fordert Refor­men in Afgha­nistan – Ent­wick­lungs­mi­nis­ter trifft zu Be­such in Kabul ein

Kabul – Bundes­ent­wick­lungs­mi­nister Dirk Niebel ist heute gemein­sam mit dem nieder­län­dischen Minister für euro­päische An­ge­legen­heiten und in­ter­na­ti­o­nale Zu­sam­men­ar­beit, Ben Knapen, zu einem Besuch in Kabul ein­getroffen. Auf dem Pro­gramm stehen hochrangige politische Gespräche mit Staats­präsident Hamid Karzai und Berg­bau­minister Sharani.

Dirk Niebel: "In Tokio hat sich die afgha­nische Re­gie­rung zu kon­kreten Reform­schritten be­kannt: Sie will die Kor­rup­tion ein­dämmen, die Men­schen- und besonders die Frauen­rechte effek­tiv schützen und die Regierungs­führung ver­bessern. Auf diesem Weg wird Deutsch­land Afgha­nistan weiter unter­stützen, und zwar auch nach dem Abzug der letzten Kampf­truppen. Die ent­wick­lungs­po­litische Zu­sam­men­ar­beit wird weit in die Trans­for­mations­de­kade ab 2014 hinein­reichen müssen. Mit unserem gemein­samen Besuch unter­streichen Ben Knapen und ich auch die Bedeutung einer ver­stärkten Ko­ordinie­rung der ent­wick­lungs­po­litischen Akti­vitäten aller in Afgha­nistan enga­gierten Geber. Kein Neben­einander, nur mit­einander ab­gestimmte Bemühungen können zum Erfolg führen."

Die Themen gute Regie­rungs­führung und Rechts­staat­lich­keit werden daher den Schwer­punkt der Gespräche mit der afgha­nischen Regie­rung aus­machen. Dirk Niebel: "Die klare Konditio­nierung unserer Zahlun­gen im letzten und in diesem Jahr hat sich bewährt, um echte Reform­anreize zu setzen. Ich werde von der afgha­nischen Regierung weiter­hin glaub­würdige Reform­an­strengun­gen als Voraus­setzung für unsere Zu­sam­men­ar­beit einfordern."

Neben politischen Ge­sprächen stehen Besich­tigungen kon­kreter Ent­wicklungs­vorhaben auf dem Pro­gramm. Einer der Schwer­punkte ist die Wirt­schafts­ent­wick­lung. Die Deutsche Investitions- und Ent­wick­lungs­gesell­schaft (DEG) konnte im Rah­men der Kredit-Ga­ran­tie-Fazi­lität (KGF) inzwi­schen garan­tierte Kre­dite in Höhe von über 80 Millio­nen US-Dollar an kleinere und mittlere Unter­neh­men in Afgha­nistan aus­geben. Die betei­ligten über 2.400 Unter­nehmen haben rund 4.700 Arbeits­plätze neu geschaffen und beschäftigen ins­gesamt über 26.000 Arbeit­nehmer – bei einer Kredit­ausfall­quote von unter einem Pro­zent im Jahr.

Dirk Niebel: "Über die vom BMZ gemein­sam mit der amerika­nischen USAID finan­zierte Kredit-Ga­ran­tie-Fazi­lität gelingt es, ganz direkt zu mehr Jobs in Afgha­nistan beizu­tragen. Mehr Jobs bedeuten mehr Perspek­tiven für die Menschen im Land und damit auch mehr Frieden, mehr Stabilität und mehr Sicher­heit in Afgha­nistan."

Außer­dem ist in Kabul die Begeg­nung mit Kindern eines Kinder­hauses für afgha­nische Binnen­flücht­linge geplant, in dem ein vom BMZ finan­ziertes Projekt der Deut­schen Welt­hunger­hilfe zu­sam­men mit der Peter-Maffay-Stif­tung durch­geführt wird. Dies ist das erste En­gage­ment der Maffay-Stif­tung mit dem BMZ in Afgha­nistan.

Der Weg des zivilen Wieder­auf­baus Afgha­nistans während der so­ge­nannten Trans­forma­tions-De­kade von 2014 bis 2024 wurde Anfang Juli dieses Jahres auf der Afgha­nistan-Kon­fe­renz in Tokio vor­gezeichnet. Die afghanische Re­gierung hatte sich dort zu kon­kreten Reform­schritten in fünf Kern­bereichen verpflichtet: Wahlen, Rechts­staat­lich­keit, öffent­liche Finanzen, Staats­ein­nahmen, Wachs­tum. Diese Bereiche sollen regel­mäßig über­prüft werden. Im Gegen­zug und in Ab­hängig­keit von diesen Reform­fort­schritten hat die in­ter­na­ti­o­nale Gemein­schaft finan­zielle Un­ter­stüt­zung für Wieder­aufbau und Ent­wick­lung des Landes auf etwa gleich­bleiben­dem Niveau auch nach 2014 zugesagt.

Deutsch­land hatte seine zivile Un­ter­stüt­zung für den zivilen Wieder­aufbau und die Ent­wick­lung Afgha­nistans seit dem Jahr 2010 auf bis zu 430 Millionen Euro jährlich nahezu ver­doppelt, dabei aber die Aus­zahlung dieser Mittel in die Projekte von der Erfüllung klarer Kondi­tionen ab­hängig gemacht. Die För­derung guter Regie­rungs­führung ist dabei einer der Schwer­punkt­sek­toren in der Ent­wick­lungs­zu­sam­men­ar­beit neben der Wirt­schafts­ent­wick­lung, dem Ausbau der Energie­infra­struktur, der Ver­bes­se­rung der Trink­wasser­ver­sorgung sowie der För­derung der Grund- und Berufs­bildung.

(Bundesministerium für wirtschaftliche Zusammenarbeit und Entwicklung, 23 augustus 2012)

vrijdag 20 juli 2012

Uruzgan: 18 months after the Dutch/Australian Leadership Handover

Executive Summary

This report provides a comprehensive assessment of the political, social, economic, and security situation in Uruzgan at the end of 2011. It identifies key changes and achievements that occurred over the 18-month period since Australia assumed leadership for the Provincial Reconstruction Team (PRT) in Uruzgan in August 2010 while the multi-national military effort in the province—the Combined Team Uruzgan (CTU)—is under US command. The report, The Dutch Engagement in Uruzgan: 2006 to 2010, a TLO Socio-Political Assessment, was used as the baseline to measure change that occurred between 1 August 2010 and the end of December 2011.

TLO conducted about 180 interviews with local residents for this report, with a similar number of interviews from four quarterly provincial updates also incorporated. TLO’s survey team included several women to ensure that the perspectives of Uruzgani women were incorporated into the report. The resulting primary data was analysed by the TLO Research Team, comprised of both national and international staff, who conducted further desk research and triangulation interviews with 50 key Uruzgan actors and 29 development organizations. The report also includes local perspectives derived from a December 2011 survey conducted at a provincial stability meeting (jirga) with 523 Uruzgani respondents from all districts.

The report is broken down into sections that discuss progress in socio-economic development, gender equality, governance, access to justice, and security. Key recommendations follow the executive summary. It is hoped that the report will be used to encourage informed debate, test assumptions, help identify development gaps, and provide insight into local perceptions of the evolving socio-political situation in Uruzgan.

The Dutch ceded international responsibility for Uruzgan to the Australians in the summer of 2010 at the height of the international military surge. For many within the international community, this was an optimistic moment as the necessary resources to finally turn the tide of the decade-long conflict poured into Afghanistan’s south, the Taliban’s heartland.

The effects of that strategy are now being realized. The presence of the Afghan government has increased and its citizens are slowly able to access key services such as healthcare and education. Yet Uruzgan stands at a crossroads. Improved security and service delivery is set against the announced drawdown of international troops and reductions to development assistance. On-going talks with the Taliban could result in a political settlement involving some type of power sharing agreement. Uruzgan’s largely voiceless citizens have little or no say in any of these decisions and have no option but to keep their collective head down and hope for an outcome that will at least provide them with stability and the rights they have begun to enjoy.

Click here
for the full report (184 pp.)

(The Liaison Office, April 2012)

vrijdag 13 juli 2012

Bezoek Duitse bevelhebber in teken van nauwere samenwerking

Een binationale vuursteuneenheid, het integreren van luchtmobiele eenheden en samenwerking met de Duitse cavalerie. Het zijn voorbeelden van de verregaande samenwerkingskansen die de Duitse en Nederlandse legercommandanten gisteren op de Utrechtse Kromhoutkazerne hebben afgesproken na te streven.

Tijdens het bezoek van de bevelhebber van het Duitse landmacht, luitenant-generaal Werner Freers, aan zijn collega luitenant-generaal Mart de Kruif werden concrete mogelijkheden besproken. Behalve de samenwerking tussen gevechtseenheden kwamen ook de mogelijkheden voor het gezamenlijk organiseren van trainingen en opleidingen aan de orde.

generaals De Kruif en Freers (foto: Defensie)

Samen beter
“Het vertrouwen, onze vriendschap en diverse overeenkomsten tussen onze legers maken verregaande samenwerking mogelijk en nuttig”, stelt de Duitse generaal Freers. “We kunnen dingen samen doen uit verschillende motieven; van operationeel tot financieel. The sky is the limit, als het om ideeën voor samenwerking gaat. We doen het allemaal om er samen beter van te worden. Dat is wat mij betreft ultieme Smart Defense.”

Waarmaken
De landmachtgeneraals concludeerden na het tweedaagse bezoek, 11 en 12 juli, dat er veel kansen liggen die uitgewerkt kunnen worden. Een handdruk symboliseerde de positieve grondhouding van de partijen om de initiatieven tot een succes te maken. “De tijd van alleen maar praten is nu voorbij”, sprak Commandant Landstrijdkrachten, generaal De Kruif na de ontmoeting. “We zijn er nu klaar voor ‘to make it happen’, om onze mooie plannen ook waar te maken.”

Midden in bezuinigingen
Internationale samenwerking biedt belangrijke kansen als budgetten onder druk staan. Gezamenlijk optreden versterkt de mogelijkheden, omdat het tot schaalvoordeel leidt en keuzes mogelijk maakt. De initiatieven tot samenwerking met Duitsland zijn van belang voor de grote bezuinigingsoperatie waarmee Defensie momenteel bezig is. Alleen al bij de Koninklijke landmacht lopen 117 projecten, die grote onderlinge verwevenheid kennen. Deze complexe operatie, die nog tot en met 2015 duurt, is een uitwerking van de beleidsbrief Defensie uit 2010.

(ministerie van Defensie, 13 juli 2012)

woensdag 18 april 2012

Minister Hillen: Samenwerking in Benelux niet vrijblijvend

Nederland, België en Luxemburg gaan nog meer samenwerken op defensiegebied. Daartoe ondertekenden ministers Hans Hillen, zijn Belgische collega Pieter de Crem en namens Luxemburg Jean-Marie Halsdorf vanavond een overeenkomst.

De afspraken houden in dat de landen vaker samen oefenen en trainen, dat de luchtmachten van elkaars vliegvelden gebruik maken, de marine van België en Nederland nog intensiever met elkaar optrekken en de Belgische paratroepers en de Luchtmobiele Brigade van Nederland meer samenwerken.  Hillen beseft dat de landen daarmee een deel van hun zeggenschap over de krijgsmacht opgeven. “Samenwerken is niet vrijblijvend”, aldus de minister.

Voorbeeld
De ondertekening mag wat minister Hillen betreft een voorbeeld zijn voor andere landen. Door samen te werken zonder de eigen nationaliteit op te geven, kan Europa in zijn ogen veel meer doen.  “Er is geen land meer dat zichzelf kan verdedigen, daarom moeten we dit doen. Het is een goede manier om in deze tijd van bezuinigingen de slagkracht te behouden”, zei hij. “We zijn op weg naar een totaal nieuwe structuur, met een trinationale bevelvoering”,  beaamde zijn Belgische collega De Crem.  ” Dit is een eerste stap naar volledige integratie van het materieel en een gezamenlijke inzetbaarheid”.

F-35
Met deze overeenkomst is het wat minister Hillen betreft nog niet afgelopen. Hij wil ook met Noorwegen en Denemarken nog nauwer samenwerken. Hij denkt daarbij aan het gezamenlijk beveiligen van het luchtruim met F-16’s. De minister bekijkt met deze landen naar de  gezamenlijke aanschaf, onderhoud en training van de beoogde opvolger van de F-16, de F-35 Lightning II.

NAVO
Hillen woonde eerder vandaag in Brussel een vergadering bij van de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie van de NAVO. Deze zogenoemde Jumbo-bijeenkomst gold als voorbereiding op de NAVO-top op 20 en 21 mei in Chicago. Daarbij staan onderwerpen als het (post-)transitieproces in Afghanistan en de ontwikkeling van de defensiecapaciteiten van de NAVO op de agenda. Het bondgenootschap kijkt naar de huidige capaciteiten, waarbij naast de conventionele en nucleaire ook nieuwe gevaren als cyberdreiging in ogenschouw zijn genomen. Op initiatief van Nederland is deze zogenoemde Deterrence and Defence Posture Review openbaar gemaakt.

Tankers
Met  Duitsland en Frankrijk heeft Nederland de handen ineen geslagen om het tekort aan tankvliegtuigen aan te pakken. De  Defensieministers van de 3 landen tekenden een communiqué om in Chicago een plan te presenteren om deze tekortkoming van zowel de EU als de NAVO op te lossen. “Op termijn zullen we kijken of we onze capaciteit niet alleen beter kunnen poolen , maar ook gemeenschappelijk aan vervanging van de bestaande middelen kunnen werken”, aldus Hillen.

(ministerie van Defensie, 18 april 2012)