Inleiding
Integriteit is en blijft een belangrijk onderwerp van aandacht en staat hoog op onze agenda. Zo heeft de voormalig minister van Defensie, de heer Van Middelkoop, u op 27 augustus 2010 geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek door Blauw Research naar omgangsvormen binnen de zes opleidingsinstituten van Defensie (Kamerstuk 32 123-X, nr. 152). Op grond van de constateringen en aanbevelingen uit dat rapport hebben de opleidingsinstituten van Defensie actieplannen opgesteld en maatregelen uitgevoerd om ongewenst gedrag op de opleidingsinstituten van Defensie verder te verbeteren. Daarover bent u op 3 maart 2011 geïnformeerd (Kamerstuk 32 500-X, nr. 86). Conform eerdere aanbevelingen, zoals ook in 2011 door de commissie-De Veer inzake de integriteitszorg bij Defensie (Kamerstuk 32 678, nr. 13 van 27 oktober 2011) gedaan, voeren wij met regelmaat risicoanalyses uit. Het oogmerk hiervan is het zoveel mogelijk waarborgen van integriteit.
In 2013 hebben, in opdracht van de commandant van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA), de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) en het bureau Governance & Integrity, een grondige risicoanalyse integriteit uitgevoerd op het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) en de Koninklijke Militaire Academie (KMA), beide onderdeel van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA). Gezien de grondigheid van deze analyse en het belang dat ik hecht aan de integriteit op de officiersopleidingen, informeer ik u met deze brief over de uitkomsten en bied ik u het rapport aan.
Opzet risicoanalyse
Defensie neemt integriteit serieus en stelt hoge morele normen aan haar personeel. Dit laat onverlet dat, in een organisatie met tienduizenden medewerkers, integriteitsschendingen zullen blijven voorkomen. Defensie streeft naar een organisatie waarin risico´s van schendingen zo klein mogelijk zijn. Als een schending zich voordoet, moet deze worden aangepakt. Als voorzorg is het belangrijk situaties te onderkennen waarin integriteitschendingen kunnen ontstaan. Dit is het doel van de risicoanalyse integriteit. Een analyse richt zich op integriteitsrisico’s in een bepaald proces of organisatiedeel en beschrijft de kans hierop en de mogelijke gevolgen daarvan. Dit levert waardevolle informatie op. Let wel, een risicoanalyse is dus niet te vergelijken met een onderzoek naar een specifiek voorval. Het onderkennen van risico’s maakt het mogelijk maatregelen te treffen om ongewenste voorvallen te voorkomen. Het onderzoek doet derhalve aanbevelingen voor maatregelen om de risico’s te verminderen en zo de weerbaarheid te vergroten.
Sinds het rapport uit 2010 zijn op de NLDA al de nodige maatregelen getroffen om de kans op integriteitschendingen te verkleinen. Zo zijn onder meer de scholing en coaching van kaderleden verbeterd, is de rol van docenten op het gebied van vorming en ongewenst gedrag vastgelegd, is het systeem van signaleren en melden verder verbeterd en is het netwerk van vertrouwenspersonen uitgebreid.
Ten behoeve van de onderhavige risicoanalyse, gericht op het proces van de vorming en opleiding van toekomstige officieren, zijn 170 mensen geïnterviewd, te weten 113 cadetten/adelborsten (hierna: cadetten) en 57 medewerkers. De centrale vraagstelling was: zijn cadetten en medewerkers voldoende beschermd tegen verleidingen, tegen schendingen door anderen en tegen valse of lastig onderzoekbare beschuldigingen?
Conclusies risicoanalyse
Inherente kwetsbaarheid militaire academie
Duidelijk is dat de opleiding en vorming van jonge mensen tot militairen een kwetsbaar proces is met inherente integriteitrisico’s. Zij worden voorbereid op gevaarlijke en moeilijke situaties. Ook moeten zij in dergelijke situaties leiding geven aan anderen en beslissingen nemen over de inzet van geweldsmiddelen. De opleiding op het KIM en de KMA wordt gegeven binnen de hechte gemeenschap van een militair internaat met een strakke hiërarchie. Tegelijkertijd gaat het om jongeren, die net als andere jongeren, zo nu en dan de grenzen opzoeken en overschrijden.
De beheersing van die risico’s moet volgens de analyse op onderstaande drie punten worden verbeterd:
(1) Impliciet curriculum
In de formele beoordelingssystematiek van de NLDA spelen zaken zoals moed, kameraadschap, opofferingsgezindheid en sneuvelbereidheid geen rol. Daaraan wordt impliciet echter wel grote waarde gehecht. De beoordeling op dergelijke impliciete elementen is niet transparant en dat leidt tot het risico van ongelijke behandeling.
(2) Beoordelingssystematiek
De beoordelingssystematiek moet volgens de analyse verbeteren, vooral door het impliciete curriculum hierin te verwerken. Omdat belangrijke competenties nu niet in het systeem zijn opgenomen, is het mogelijk dat een ongeschikte cadet de opleiding kan vervolgen of zelfs kan voltooien, terwijl geschikte cadetten, bijvoorbeeld vanwege onvoldoende studieresultaten, moeten uitstromen. Ook is het onwenselijk dat tekortkomingen in het bestaande beoordelingssysteem worden gecompenseerd door middel van informele onderlinge beoordeling door de cadetten zelf. Zij zijn daar niet voor opgeleid en missen de benodigde ervaring. Het risico van willekeur en machtsmisbruik ligt hierbij op de loer.
(3) Doorbouwen aan een werkend integriteitsysteem
Het integriteitsysteem moet verder worden versterkt. Integriteit wordt nu vooral geassocieerd met sociale integriteit (voorkómen van ongewenst gedrag zoals pesten en intimidatie) en in veel mindere mate met integriteit op het gebied van de omgang met informatie en goederen. De meldingsbereidheid wordt als laag gekwalificeerd en men is beducht voor overreactie of valse meldingen. Ook is er nog steeds sprake van onbekendheid met procedures en regelgeving.
Integriteitsrisico’s
De risicoanalyse identificeert voor de NLDA specifieke risico’s. Er is sprake van risico’s tussen cadetten onderling (uitsluiting, pesten, intimidatie, ongewenst seksueel gedrag, roddelen en valse meldingen), risico’s tussen cadetten en de medewerkers (intimidatie, uitlokking van uitsluiting en willekeur) en risico’s bij de omgang met informatie en goederen (diefstal en verduistering, ongeoorloofde nevenactiviteiten of privé gedragingen, spieken bij examens, nalatigheid in de omgang met schendingen, actief ontkennen van schendingen die zich hebben voorgedaan). Van de meeste van deze risico’s worden zowel de kans als de gevolgen (impact) groot of gemiddeld geschat.
Vier risicoverhogende factoren
Het rapport onderkent vier factoren die de kans op of de impact van een integriteitrisico negatief beïnvloeden.
(1) Veranderingen binnen krijgsmacht en militaire academie
De veranderingen bij Defensie in de achterliggende jaren zijn ook van invloed geweest op de NLDA. De werkdruk is toegenomen en ook de verschuiving in aantallen cadetten van een lange naar een korte opleidingsvariant zijn van invloed op de academie.
(2) Kazerneleven
Het kazerneleven is een belangrijk onderdeel van de militaire opleiding. Jonge militairen leren wat het is om dag en nacht gedurende lange tijd op elkaars lip te zitten, weinig privacy te hebben en om de bijbehorende groepsdynamiek te ervaren. Deze vorm van opleiden beoogt mede in een later stadium integriteitschendingen tegen te gaan. Dit levert tijdens de opleiding echter wel risico’s op.
(3) Tekortkomingen in interne controle
Er zijn tekortkomingen in de interne controle. In bepaalde situaties ontbreekt direct toezicht (terwijl dat wel wenselijk is), veel werkzaamheden worden solistisch uitgevoerd en ook administratieve controles kunnen beter. Verbeteringen op dit vlak zullen de drempel voor schendingen verhogen.
(4) Kwalitatieve en kwantitatieve onderbezetting
Op plaatsen binnen de NLDA waar sprake is van kwantitatieve of kwalitatieve onderbezetting nemen de integriteitsrisico’s toe. Wanneer met te weinig mensen te veel werk moet worden verzet, schieten controles, collegiale toetsing, onderlinge ondersteuning en zorgvuldigheid er vaak bij in. Hetzelfde geldt wanneer werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door mensen die over onvoldoende kennis en ervaring beschikken of die anderszins niet geschikt zijn voor de taak.
Aanbevelingen risicoanalyse
Het is evident dat de geïdentificeerde risico’s en de risicoverhogende factoren niet van de ene op de andere dag kunnen worden verminderd. Dit kost tijd. Het rapport doet de volgende drie voorstellen voor een structurele aanpak:
(1) Expliciteren, evalueren en aanpassen van het impliciete deel van het curriculum;
(2) Verbeteren en aanpassen van het beoordelingssysteem;
(3) Doorbouwen aan een werkend integriteitsysteem.
Het uitvoeren van deze voorstellen vereist een proces van verandering dat geruime tijd in beslag zal nemen. In aanvulling daarop adviseert het rapport vijf dringende aanbevelingen direct op te pakken:
(1) Herdefinieer het begrip kameraadschap zoals dat op de NLDA wordt uitgedragen;
(2) Stop de informele selectie door studenten, deze taak is voorbehouden aan kader en docenten;
(3) Denk na over de gewenste seksuele mores op de academie, ban alle vormen van seksisme uit;
(4) Denk na over de mores ten aanzien van alcohol- en drugsgebruik op de academie, bestrijd overmatig drankgebruik met voorlichting, regels en handhaving;
(5) Verbeter de positie van het huidige en het toekomstige kader. Breng de personele vulling op orde, zowel kwantitatief als kwalitatief.
Beoordeling conclusies en aanbevelingen en vervolg
Het onderzoek maakt duidelijk dat bij de NLDA, ondanks de maatregelen die zijn getroffen na het rapport Blauw, nog aanmerkelijke risico’s van integriteitschendingen bestaan. Extra maatregelen zijn derhalve nodig. De risico’s moeten met passende maatregelen verder worden gereduceerd en beheerst.
Deze aanpak zal tijd en energie vergen van alle betrokkenen, te beginnen met het defensiepersoneel op de NLDA, maar zeker niet alleen daar. De NLDA heeft vanzelfsprekend de steun van de defensietop en de COID voor de uitvoering van maatregelen.
Op korte termijn zal een voltijds projectleider bij de COID worden aangesteld die, onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de commandant van de NLDA, zal worden belast met de uitvoering van de aanbevelingen van het rapport.
Ten slotte
Voortdurende aandacht voor integriteit is van groot belang. Zeker in een omgeving zoals de NLDA, alwaar sprake is van een kwetsbaar proces met inherente integriteitsrisico’s. Investeringen in de verdere reductie van risico’s bij de NLDA zijn daarom nodig. Onze toekomstige officieren hebben daar recht op.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
(Tweede Kamer, 17 februari 2014)
Posts tonen met het label NLDA. Alle posts tonen
Posts tonen met het label NLDA. Alle posts tonen
maandag 17 februari 2014
Verhoogd risico integriteitsschendingen NLDA
Cadetten en adelborsten op de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) lopen teveel risico slachtoffer te worden van onder meer uitsluiting, pesten, intimidatie en ongewenst seksueel gedrag. Dit blijkt uit een rapport dat Claire Zalm, directeur van de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID), vandaag overhandigde aan commandant NLDA, generaal-majoor Theo Vleugels.
Het rapport ‘Integriteit bij de opleiding en vorming van adelborsten en cadetten aan de Nederlandse Defensie Academie; Duiding van risico’s, perspectief op verbetering’ is opgesteld op initiatief van de NLDA. Hiermee wil de academie de risico’s op integriteitsschendingen op de academie in kaart te brengen.
Impliciete curriculum
Uit deze risicoanalyse zijn drie structurele problemen naar voren gekomen op het gebied van integriteit. Ten eerste is dat het impliciete curriculum. Het blijkt dat in het formele beoordelingssysteem van de NLDA zaken als moed, kameraadschap, opofferingsgezindheid en sneuvelbereidheid geen rol spelen. Daaraan wordt echter impliciet wel een grote waarde gehecht. De beoordeling op dergelijke impliciete elementen is niet transparant en vormt daarmee een risico voor ongelijke behandeling.
Ongeschikte cadetten
Tweede punt is dat de beoordelingssystematiek op de NLDA moet verbeteren. Zo is er een kans dat ongeschikte cadetten op de opleiding blijven, terwijl niet is uitgesloten dat geschikte cadetten moeten vertrekken. Dit hangt mede samen met wat hiervoor het impliciete curriculum is genoemd. Dit wordt versterkt doordat de studenten elkaar informeel beoordelen.
Valse meldingen
Als laatste moet het integriteitsysteem op de NLDA verder worden versterkt. Integriteit wordt nu nog vooral geassocieerd met interpersoonlijke integriteit en in veel mindere mate met integriteit op het gebied van de omgang met informatie en goederen. De meldingsbereidheid wordt als laag gekwalificeerd en er is angst voor overreactie of valse meldingen. Ook is er nog onbekendheid met procedures en regelgeving.
Structurele verbeteringen
Het rapport doet aanbevelingen voor structurele verbeteringen op bovenstaande terreinen. De invoering van deze maatregelen zullen 3 tot 5 jaar in beslag nemen. Zo wil generaal Vleugels het beoordelingssysteem van cadetten en adelborsten veranderen, duidelijker maken waaraan een aspirant-officier moet voldoen en het meldingssysteem wat betreft integriteit sterk verbeteren.
Aanbevelingen
Daarnaast worden dringende aanbevelingen gedaan die niet kunnen wachten op de structurele veranderingen. Het gaat dan onder andere om het herdefiniëren van het begrip kameraadschap, het heroverwegen van de seksuele mores binnen de academie en het structureel verbeteren van de positie van en de waardering voor het kader.
Niet leuk
Generaal Vleugels was blij met wat hij een ‘goed gebalanceerd’ rapport noemt: “Ik heb dit onderzoek zelf aangevraagd, omdat bekend was dat er soms ongewenst gedrag plaatsvindt. De vraag was hoe dat komt en wat we er aan kunnen doen. Dat is nu wel duidelijk geworden, maar het is natuurlijk niet leuk om te horen.”
Maanden
Vleugels zei verder direct aan de slag te gaan met het nemen van de noodzakelijke maatregelen. “Uit het rapport komen een aantal dringende aanbevelingen die we gelijk gaan aanpakken. In deze aanpak is het belangrijk om dit samen met alle doelgroepen te doen. In dialoog, met discussies en niet afgedwongen door een generaal van bovenaf. Het gaat namelijk voor een belangrijk deel over wat er tussen onze oren zit en de onderlinge relatie. Op korte termijn betekent dit veel praten over zaken als kameraadschap en afspraken maken. Hier trek ik maanden voor uit.”
(ministerie van Defensie, 17 februari 2014)
Het rapport ‘Integriteit bij de opleiding en vorming van adelborsten en cadetten aan de Nederlandse Defensie Academie; Duiding van risico’s, perspectief op verbetering’ is opgesteld op initiatief van de NLDA. Hiermee wil de academie de risico’s op integriteitsschendingen op de academie in kaart te brengen.
Impliciete curriculum
Uit deze risicoanalyse zijn drie structurele problemen naar voren gekomen op het gebied van integriteit. Ten eerste is dat het impliciete curriculum. Het blijkt dat in het formele beoordelingssysteem van de NLDA zaken als moed, kameraadschap, opofferingsgezindheid en sneuvelbereidheid geen rol spelen. Daaraan wordt echter impliciet wel een grote waarde gehecht. De beoordeling op dergelijke impliciete elementen is niet transparant en vormt daarmee een risico voor ongelijke behandeling.
Ongeschikte cadetten
Tweede punt is dat de beoordelingssystematiek op de NLDA moet verbeteren. Zo is er een kans dat ongeschikte cadetten op de opleiding blijven, terwijl niet is uitgesloten dat geschikte cadetten moeten vertrekken. Dit hangt mede samen met wat hiervoor het impliciete curriculum is genoemd. Dit wordt versterkt doordat de studenten elkaar informeel beoordelen.
Valse meldingen
Als laatste moet het integriteitsysteem op de NLDA verder worden versterkt. Integriteit wordt nu nog vooral geassocieerd met interpersoonlijke integriteit en in veel mindere mate met integriteit op het gebied van de omgang met informatie en goederen. De meldingsbereidheid wordt als laag gekwalificeerd en er is angst voor overreactie of valse meldingen. Ook is er nog onbekendheid met procedures en regelgeving.
Structurele verbeteringen
Het rapport doet aanbevelingen voor structurele verbeteringen op bovenstaande terreinen. De invoering van deze maatregelen zullen 3 tot 5 jaar in beslag nemen. Zo wil generaal Vleugels het beoordelingssysteem van cadetten en adelborsten veranderen, duidelijker maken waaraan een aspirant-officier moet voldoen en het meldingssysteem wat betreft integriteit sterk verbeteren.
Aanbevelingen
Daarnaast worden dringende aanbevelingen gedaan die niet kunnen wachten op de structurele veranderingen. Het gaat dan onder andere om het herdefiniëren van het begrip kameraadschap, het heroverwegen van de seksuele mores binnen de academie en het structureel verbeteren van de positie van en de waardering voor het kader.
Niet leuk
Generaal Vleugels was blij met wat hij een ‘goed gebalanceerd’ rapport noemt: “Ik heb dit onderzoek zelf aangevraagd, omdat bekend was dat er soms ongewenst gedrag plaatsvindt. De vraag was hoe dat komt en wat we er aan kunnen doen. Dat is nu wel duidelijk geworden, maar het is natuurlijk niet leuk om te horen.”
Maanden
Vleugels zei verder direct aan de slag te gaan met het nemen van de noodzakelijke maatregelen. “Uit het rapport komen een aantal dringende aanbevelingen die we gelijk gaan aanpakken. In deze aanpak is het belangrijk om dit samen met alle doelgroepen te doen. In dialoog, met discussies en niet afgedwongen door een generaal van bovenaf. Het gaat namelijk voor een belangrijk deel over wat er tussen onze oren zit en de onderlinge relatie. Op korte termijn betekent dit veel praten over zaken als kameraadschap en afspraken maken. Hier trek ik maanden voor uit.”
(ministerie van Defensie, 17 februari 2014)
woensdag 21 augustus 2013
Wetenschappelijke studie over ervaringen zes ISAF-landen
De militaire ervaring van zes landen in Afghanistan is voor het eerst gebundeld in een wetenschappelijk werk. Drie wetenschappers van de Nederlandse Defensie Academie leverden een bijdrage aan ‘Military Adaptation in Afghanistan’. De Nederlandse eindredacteur, commodore prof. dr. Frans Osinga, overhandigde het boek dinsdag aan minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert.Ook vergeleken
Het boek brengt niet alleen de krijgservaringen van Canada, Denemarken, Duitsland, Groot-Brittannië, Nederland en de Verenigde Staten bijeen, maar vergelijkt ze ook met elkaar. Bovendien zijn analyses toegevoegd van de NAVO en het Afghaanse leger. Uniek is ook het hoofdstuk over de wijze waarop de Taliban zich hebben aangepast aan het optreden van de NAVO. Zo ontstaat een goed beeld van de complexe dynamiek van de wederopbouw- en antiterrorismemissie ISAF.
Documenteren en leren
“Het is van groot belang dat we de ISAF-ervaringen documenteren en er van leren. In de toekomst wordt ongetwijfeld weer een beroep gedaan op de in Afghanistan opgedane expertise. Een wetenschappelijke analyse zoals deze helpt daarbij. De Nederlandse Defensie Academie vervult met dit soort internationale studies uitstekend haar rol als belangrijk militair kennisinstituut”, zei de minister bij de overhandiging.
Rol politiek
13 analisten leverden een bijdrage aan het boek dat in juli verscheen bij Stanford University Press. Hun beschrijving geeft inzicht in de doelstellingen, het mandaat en de manier van optreden van de verschillende landen. Maar ook in de specifieke uitdagingen en de wijze waarop zij al dan niet in staat waren zich aan veranderende omstandigheden aan te passen. Zelfs de rol van de politiek is in de analyse meegenomen.
Hennis: “De complexiteit van de missie leverde regelmatig militaire en politieke verrassingen op, maar ook tegenslagen. We hebben veel geleerd en de missie heeft tot veel innovaties geleid.” Als voorbeeld noemde de bewindsvrouw de Nederlandse toepassing van de 3D-benadering (Defence, Diplomacy, Development).
Eveneens komen de discussies en veranderingen binnen de NAVO door ISAF aan de orde. Evenals het opzetten van een Afghaanse krijgsmacht, een moeizaam proces door de etnische en politieke verdeeldheid. Het boek beschrijft al die recente ervaringen tegen de achtergrond van een ontnuchterende historische analyse van eerdere interventies in Afghanistan.
Kenmerkende dynamiek
De uitgave biedt door de samenhangende aanpak en de verscheidenheid aan perspectieven inzicht in de dynamiek die deze complexe missie kenmerkt. Een missie waarvan de sporen nog lang in westerse krijgsmachten zichtbaar zullen zijn.
(ministerie van Defensie, 20 augustus 2013)
• Titel: Military Adaptation in Afghanistan
• Uitgever: Stanford University Press, USA
• Redactie: Theo Farrell, Frans Osinga en James A. Russell
• Pagina’s: 368
• ISBN: 9780804785884 (gebonden, € 98,99)
• ISBN: 9780804785891 (paperback, € 26,99)
• ISBN: 9780804786768 (E-book, € 26,99)
(o.a. verkrijgbaar bij Amazon en Bol)
Bijdragen uit Nederland: Dr. Martijn Kitzen, Dr. Frans Osinga, Dr. Sebastiaan Rietjens (allen verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie NLDA)
Preview met inhoudsopgave, lijst auteurs e.d. is te vinden op Google Books
woensdag 14 augustus 2013
Defensie richt reservistenbureau op
Defensie zal op hoog niveau een projectbureau Reservisten oprichten. Dat heeft minister Jeanine Hennis-Plasschaert van Defensie vandaag aan de Tweede Kamer geschreven. Het bureau, dat bestaat uit reservisten en beroepsmilitairen, moet een impuls geven aan de uitwerking van het toekomstige reservistenbeleid. Ook kondigt de minister samenwerking met universiteiten aan om nieuwe reserve-officieren op te leiden.
Met het vormgeven van het toekomstige reservistenbeleid hoopt Hennis-Plasschaert dat reservisten nog meer een integraal onderdeel worden van de defensieorganisatie. De minister ziet een reeks voordelen hiervan. Zo kunnen reservisten een ''piekbelasting'' opvangen en zorgen ze ervoor dat er voldoende mensen zijn om langdurige operaties voort te zetten. Bovendien versterken ze de band van het leger met de samenleving. De reservist is de ''ideale ambassadeur'' voor de krijgsmacht.
Hoe het toekomstige reservistenbeleid eruit gaat zien staat nog niet vast. De minister wil daarom een beroep doen op alle belanghebbenden om mee te denken; reservisten, werkgevers, vakcentrales, andere overheden en politieke partijen. In dat kader wordt ook een groot reservistensymposium georganiseerd dat in november plaats zal vinden.
De minister kondigde eind mei al een aantal plannen aan om de inzet van reservisten te intensiveren. Zo wil Defensie de meerwaarde van de reservist beter voor het voetlicht brengen. Het moet iemands kansen op de arbeidsmarkt bijvoorbeeld vergroten. Hiermee wordt het voor werkgevers aantrekkelijk om werknemers, die tevens reservist zijn, in dienst te nemen.
(ministerie van Defensie, 14 augustus 2013)
Kamerbrief:
Datum 14 augustus 2013
Betreft Ontwikkelingen reservistenbeleid
In het algemeen overleg over personeel van 13 juni jl. heb ik met u gesproken over de mogelijkheid de reservisten ook op hoger ambtelijk niveau bij Defensie een gezicht te geven. Inmiddels heb ik hiertoe concrete stappen gezet, waarover ik u met deze brief wil informeren. Ook hebben wij in het overleg gesproken over een vervolgtraject als reservist voor studenten die het vak Vrede en Veiligheid volgen aan de universiteit van Groningen en Leiden. Mede naar aanleiding van de opmerkingen van het lid Eijsink over deze onderwerpen, wil ik u hierover nader informeren met deze brief.
Bureau Reservisten
Met mijn brief van 29 mei jl. (Kamerstuk 33 400X, nr. 81) heb ik u geïnformeerd over mijn voornemen het reservistenbeleid te intensiveren. Om het belang hiervan te onderstrepen, zowel binnen als buiten Defensie, zal op hoog ambtelijk niveau in de staf van de Commandant der Strijdkrachten een projectbureau Reservisten worden opgericht. Het bureau met in totaal ongeveer vijf functies op projectbasis zal bestaan uit reservisten en beroepsmilitairen en komt onder leiding van een reserveofficier. In nauw overleg met de operationele commando’s en bestaande organisatiedelen, zoals het Service Centrum Employer Support, moet het bureau een impuls geven aan de uitwerking van het reservistenbeleid zoals ik dit in mijn brief van 29 mei heb uiteengezet. Belangrijke elementen hierin zijn de intensivering van de dialoog hierover met alle belanghebbenden en de organisatie van een congres dat eind dit jaar is voorzien.
Proef met studenten Vrede en Veiligheid
Defensie start dit najaar een proef om reserveofficieren op te leiden in aansluiting op het keuzevak Vrede en Veiligheid dat al vele jaren, met steun van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA), op de Rijksuniversiteit Groningen wordt aangeboden. Deelnemers aan dit keuzevak blijken geïnteresseerd te zijn in een militaire carrière, zowel in beroepsdienst als in de rol van reservist. Ook de Rijksuniversiteit Leiden is in geïnteresseerd in deze proef. Geschikte kandidaten die het universitaire keuzevak met succes hebben voltooid en die interesse hebben in Defensie, zullen worden uitgenodigd een opleiding tot reserveofficier te volgen.
Voorafgaand of tijdens de opleiding worden de aspirant-reserveofficieren in de gelegenheid gesteld bij operationele eenheden stage te lopen. Hierbij werken ze samen met een militair die zij op den duur tijdelijk of gedeeltelijk kunnen vervangen. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomst van de evaluatie van de proef.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
Met het vormgeven van het toekomstige reservistenbeleid hoopt Hennis-Plasschaert dat reservisten nog meer een integraal onderdeel worden van de defensieorganisatie. De minister ziet een reeks voordelen hiervan. Zo kunnen reservisten een ''piekbelasting'' opvangen en zorgen ze ervoor dat er voldoende mensen zijn om langdurige operaties voort te zetten. Bovendien versterken ze de band van het leger met de samenleving. De reservist is de ''ideale ambassadeur'' voor de krijgsmacht.
Hoe het toekomstige reservistenbeleid eruit gaat zien staat nog niet vast. De minister wil daarom een beroep doen op alle belanghebbenden om mee te denken; reservisten, werkgevers, vakcentrales, andere overheden en politieke partijen. In dat kader wordt ook een groot reservistensymposium georganiseerd dat in november plaats zal vinden.
De minister kondigde eind mei al een aantal plannen aan om de inzet van reservisten te intensiveren. Zo wil Defensie de meerwaarde van de reservist beter voor het voetlicht brengen. Het moet iemands kansen op de arbeidsmarkt bijvoorbeeld vergroten. Hiermee wordt het voor werkgevers aantrekkelijk om werknemers, die tevens reservist zijn, in dienst te nemen.
(ministerie van Defensie, 14 augustus 2013)
Kamerbrief:
Datum 14 augustus 2013
Betreft Ontwikkelingen reservistenbeleid
In het algemeen overleg over personeel van 13 juni jl. heb ik met u gesproken over de mogelijkheid de reservisten ook op hoger ambtelijk niveau bij Defensie een gezicht te geven. Inmiddels heb ik hiertoe concrete stappen gezet, waarover ik u met deze brief wil informeren. Ook hebben wij in het overleg gesproken over een vervolgtraject als reservist voor studenten die het vak Vrede en Veiligheid volgen aan de universiteit van Groningen en Leiden. Mede naar aanleiding van de opmerkingen van het lid Eijsink over deze onderwerpen, wil ik u hierover nader informeren met deze brief.
Bureau Reservisten
Met mijn brief van 29 mei jl. (Kamerstuk 33 400X, nr. 81) heb ik u geïnformeerd over mijn voornemen het reservistenbeleid te intensiveren. Om het belang hiervan te onderstrepen, zowel binnen als buiten Defensie, zal op hoog ambtelijk niveau in de staf van de Commandant der Strijdkrachten een projectbureau Reservisten worden opgericht. Het bureau met in totaal ongeveer vijf functies op projectbasis zal bestaan uit reservisten en beroepsmilitairen en komt onder leiding van een reserveofficier. In nauw overleg met de operationele commando’s en bestaande organisatiedelen, zoals het Service Centrum Employer Support, moet het bureau een impuls geven aan de uitwerking van het reservistenbeleid zoals ik dit in mijn brief van 29 mei heb uiteengezet. Belangrijke elementen hierin zijn de intensivering van de dialoog hierover met alle belanghebbenden en de organisatie van een congres dat eind dit jaar is voorzien.
Proef met studenten Vrede en Veiligheid
Defensie start dit najaar een proef om reserveofficieren op te leiden in aansluiting op het keuzevak Vrede en Veiligheid dat al vele jaren, met steun van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA), op de Rijksuniversiteit Groningen wordt aangeboden. Deelnemers aan dit keuzevak blijken geïnteresseerd te zijn in een militaire carrière, zowel in beroepsdienst als in de rol van reservist. Ook de Rijksuniversiteit Leiden is in geïnteresseerd in deze proef. Geschikte kandidaten die het universitaire keuzevak met succes hebben voltooid en die interesse hebben in Defensie, zullen worden uitgenodigd een opleiding tot reserveofficier te volgen.
Voorafgaand of tijdens de opleiding worden de aspirant-reserveofficieren in de gelegenheid gesteld bij operationele eenheden stage te lopen. Hierbij werken ze samen met een militair die zij op den duur tijdelijk of gedeeltelijk kunnen vervangen. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomst van de evaluatie van de proef.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
vrijdag 9 november 2012
Scheidend KVMO-voorzitter Rob Hunnego: ‘Defensie is nu meer open’
Door Arie Booy
DEN HELDER – “Ik heb het niet alleen gedaan, maar als ik één wapenfeit wil noemen is het dat Defensie hoger op de politieke agenda gekomen is.” Dat zegt Rob Hunnego daags na het neerleggen van de voorzittershamer bij de Koninklijke Vereniging van Marineofficieren. Overste Hunnego wordt volgende week bevorderd tot kolonel en is inmiddels werkzaam binnen de staf van de Nederlandse Defensie Academie in Breda. “Het is snel gegaan. Vorige week vrijdag kwam ik voor een gesprek over de functie van directeur bedrijfsvoering die direct moet worden vervuld. Aan het eind van de dag wist ik dat ik die functie kreeg en dat ik meteen moest bedanken als voorzitter van de belangenvereniging.”
Ambitie
Hunnego heeft het leiderschap van de KVMO drieëneenhalf jaar met veel ambitie vervuld. De laatste periode was hij ook duovoorzitter van de GOV|MHB waar alle officieren en hoger burgerpersoneel van Defensie vertegenwoordigd zijn. In die tijd heeft hij onverbloemd zijn mening gegeven. “Eerst is het vreemd voor een militair om vrijelijk zijn mening te ventileren in de pers en tegen de politiek Dat mag namelijk niet als je in actieve dienst bent. Maar omdat ik vrijgesteld was om de belangen van de KVMO te behartigen, kreeg ik die ruimte en heb ik die ook genomen. Als ik al via twitter een mening ventileer is dat uitsluitend persoonlijke titel.”
Rob Hunnego greep alle moderne uitingsvormen aan om de boodschap van ’professionals bij Defensie’ over het voetlicht te brengen. Hij sprak zich uit via tweets, email, internetblogs, de website van de KVMO en liet overal zijn gezicht zien. In Den Helder, Den Haag of waar er ook maar belangen te behartigen waren voor de marine of de gezamenlijke krijgsmacht.
“Het was een heel bijzondere periode waarin ik veel geleerd heb. Eén van de hoogtepunten was de grote manifestatie die we in Den Haag tegen de bezuinigingen georganiseerd hebben. Er is toch wel het een en ander veranderd ten opzichte van vroeger. Toen was zo’n demonstratie met geüniformeerde militairen echt taboe. Ook de internetpetitie dit jaar tegen het afbreken van Defensie was een doorbraak. Het feit dat naast admiraal Borsboom alle operationele commandanten daar hun steun aan gegeven hebben, vormt een geweldige opsteker voor een ieder.”
Kabaal
Hunnego meent in zijn missie geslaagd te zijn: “Als we met z’n allen niet zoveel kabaal hadden gemaakt, was er in het nieuwe regeerakkoord weer een half miljard korting op ons ministerie terecht gekomen. Nu is dat een kwart miljard, dat echter via vredesmissies weer aan de krijgsmacht ten goede zal komen. Defensie dient er wel op toe te zien dat dit ook gebeurt.” Met kolonel Hunnego krijgt de marine weer een vertegenwoordiger in de top van de Defensie Academie waar het KIM deel van uitmaakt: “Ook de academie ontkomt niet aan de reorganisatie. We raken onze VOKIM kwijt. In Den Helder moet afscheid genomen worden van trouwe officieren en onderofficieren. Het is treurig als je te horen krijgt dat er geen plaats meer is aan boord.”
(Noord Hollands Dagblad, 9 november 2012)
![]() |
| Rob Hunnego |
Ambitie
Hunnego heeft het leiderschap van de KVMO drieëneenhalf jaar met veel ambitie vervuld. De laatste periode was hij ook duovoorzitter van de GOV|MHB waar alle officieren en hoger burgerpersoneel van Defensie vertegenwoordigd zijn. In die tijd heeft hij onverbloemd zijn mening gegeven. “Eerst is het vreemd voor een militair om vrijelijk zijn mening te ventileren in de pers en tegen de politiek Dat mag namelijk niet als je in actieve dienst bent. Maar omdat ik vrijgesteld was om de belangen van de KVMO te behartigen, kreeg ik die ruimte en heb ik die ook genomen. Als ik al via twitter een mening ventileer is dat uitsluitend persoonlijke titel.”
Rob Hunnego greep alle moderne uitingsvormen aan om de boodschap van ’professionals bij Defensie’ over het voetlicht te brengen. Hij sprak zich uit via tweets, email, internetblogs, de website van de KVMO en liet overal zijn gezicht zien. In Den Helder, Den Haag of waar er ook maar belangen te behartigen waren voor de marine of de gezamenlijke krijgsmacht.
“Het was een heel bijzondere periode waarin ik veel geleerd heb. Eén van de hoogtepunten was de grote manifestatie die we in Den Haag tegen de bezuinigingen georganiseerd hebben. Er is toch wel het een en ander veranderd ten opzichte van vroeger. Toen was zo’n demonstratie met geüniformeerde militairen echt taboe. Ook de internetpetitie dit jaar tegen het afbreken van Defensie was een doorbraak. Het feit dat naast admiraal Borsboom alle operationele commandanten daar hun steun aan gegeven hebben, vormt een geweldige opsteker voor een ieder.”
Kabaal
Hunnego meent in zijn missie geslaagd te zijn: “Als we met z’n allen niet zoveel kabaal hadden gemaakt, was er in het nieuwe regeerakkoord weer een half miljard korting op ons ministerie terecht gekomen. Nu is dat een kwart miljard, dat echter via vredesmissies weer aan de krijgsmacht ten goede zal komen. Defensie dient er wel op toe te zien dat dit ook gebeurt.” Met kolonel Hunnego krijgt de marine weer een vertegenwoordiger in de top van de Defensie Academie waar het KIM deel van uitmaakt: “Ook de academie ontkomt niet aan de reorganisatie. We raken onze VOKIM kwijt. In Den Helder moet afscheid genomen worden van trouwe officieren en onderofficieren. Het is treurig als je te horen krijgt dat er geen plaats meer is aan boord.”
(Noord Hollands Dagblad, 9 november 2012)
Labels:
GOV|MHB,
KVMO,
marine,
NLDA,
Rob Hunnego
woensdag 15 augustus 2012
Scholieren worden officieren op KMA in Breda: Spijkerbroekendag!
door Willem Jan Joachems
Op de KMA (Koninklijke Militaire Academie) in Breda zijn woensdagochtend 180 middelbare scholieren begonnen aan hun officiersopleiding. Ze worden in de toekomst de leidinggevenden van de landmacht, luchtmacht en marechaussee. De opkomst met 180 mannen en vrouwen is lager dan de afgelopen jaren door de bezuinigingen bij de krijgsmacht.
De eerste scholieren meldden zich bij de poort al voor achten. Sommigen werden afgezet en uitgezwaaid door hun ouders. Ze mochten niet mee langs de slagboom want het kasteel van Breda met de omliggende gebouwen is militair terrein.
Krijgsmacht
Uit het hele land komen de eerstejaars cadetten: van Zuid-Limburg tot aan Noord-Holland. Urenlang hebben ze in de trein of auto gezeten. Een enkeling is dinsdagavond al aangekomen. De meesten gaan straks werken bij de landmacht en de luchtmacht. Een kleiner deel gaat naar de marechaussee. De marinemensen, die 'adelborsten' worden genoemd, volgen in Den Helder hun opleiding.
Voorbije jaren waren er soms opkomsten met tussen de 200 en 250 cadetten. Maar dat is verleden tijd. Door bezuinigingen komen er minder vacatures en zijn er ook minder functies. Nieuw dit jaar is dat cadetten al meteen op de eerste dag worden ingedeeld bij hun toekomstige werkgever: luchtmacht, landmacht en marechaussee.
Traditie
De officiersopleiding is zwaar. De cadetten volgen sportlessen, klim- en schietoefeningen. Bivakkeren in de stromende regen in een tentje op de hei wordt door velen ook niet als echt prettig ervaren. Maar het grote voordeel met de meeste andere opleidingen is dat er zekerheid is op een baan. De cadetten moesten van tevoren solliciteren op een functie en zijn aangenomen omdat er over een tijdje een vacature ontstaat. Ze krijgen ook al een salaris.
De Spijkerbroekendag is de dag waarop scholieren hun spijkerbroek lettelijk inruilen voor een (camouflage)uniform. Het is inmiddels al tientallen jaren traditie op de KMA. De academie bestaat sinds 1828 en werd opgericht door de toenmalige Koning Wilem I in het kasteel van zijn verre voorouder, Willem van Oranje.
(Omroep Brabant, 15 augustus 2012)
Op de KMA (Koninklijke Militaire Academie) in Breda zijn woensdagochtend 180 middelbare scholieren begonnen aan hun officiersopleiding. Ze worden in de toekomst de leidinggevenden van de landmacht, luchtmacht en marechaussee. De opkomst met 180 mannen en vrouwen is lager dan de afgelopen jaren door de bezuinigingen bij de krijgsmacht.
De eerste scholieren meldden zich bij de poort al voor achten. Sommigen werden afgezet en uitgezwaaid door hun ouders. Ze mochten niet mee langs de slagboom want het kasteel van Breda met de omliggende gebouwen is militair terrein.
Krijgsmacht
Uit het hele land komen de eerstejaars cadetten: van Zuid-Limburg tot aan Noord-Holland. Urenlang hebben ze in de trein of auto gezeten. Een enkeling is dinsdagavond al aangekomen. De meesten gaan straks werken bij de landmacht en de luchtmacht. Een kleiner deel gaat naar de marechaussee. De marinemensen, die 'adelborsten' worden genoemd, volgen in Den Helder hun opleiding.
Voorbije jaren waren er soms opkomsten met tussen de 200 en 250 cadetten. Maar dat is verleden tijd. Door bezuinigingen komen er minder vacatures en zijn er ook minder functies. Nieuw dit jaar is dat cadetten al meteen op de eerste dag worden ingedeeld bij hun toekomstige werkgever: luchtmacht, landmacht en marechaussee.
Traditie
De officiersopleiding is zwaar. De cadetten volgen sportlessen, klim- en schietoefeningen. Bivakkeren in de stromende regen in een tentje op de hei wordt door velen ook niet als echt prettig ervaren. Maar het grote voordeel met de meeste andere opleidingen is dat er zekerheid is op een baan. De cadetten moesten van tevoren solliciteren op een functie en zijn aangenomen omdat er over een tijdje een vacature ontstaat. Ze krijgen ook al een salaris.
De Spijkerbroekendag is de dag waarop scholieren hun spijkerbroek lettelijk inruilen voor een (camouflage)uniform. Het is inmiddels al tientallen jaren traditie op de KMA. De academie bestaat sinds 1828 en werd opgericht door de toenmalige Koning Wilem I in het kasteel van zijn verre voorouder, Willem van Oranje.
(Omroep Brabant, 15 augustus 2012)
woensdag 27 juni 2012
De zwaardmacht in het digitale domein
(Toespraak minister Hillen bij opening van het Cyber Symposium van Defensie op 27 juni 2012)
Op 1 november 1911 wierp de Italiaanse piloot Giulio Gavotti vier bommen op Turkse stellingen in Libië. Hij voerde daarmee de eerste luchtaanval in de geschiedenis uit. Een nieuw domein voor oorlogvoering was geboren.
Niet dat iedereen dit onmiddellijk door had. In hetzelfde jaar verkondigde Ferdinand Foch, de latere Franse maarschalk in de Eerste Wereldoorlog, nog dat “vliegen leuk is als sport maar als oorlogswapen waardeloos.”
Drie decennia later, in de Tweede Oorlog, bleek echter de dodelijke effectiviteit van het luchtwapen en kreeg Foch ongelijk. Of zoals Erwin Rommel, de Duitse generaal, aan het einde van die oorlog verzuchtte: “Iemand die, zelfs met de modernste wapens, tegen een vijand moet vechten die over volledige controle van het luchtruim beschikt, vecht als een wilde tegen moderne Europese eenheden, met dezelfde beperkingen en dezelfde kans op succes.”
En nu is er dus weer een nieuw domein ontstaan voor militair optreden. Een domein dat door de mens is gecreëerd. Naast het land, de lucht, de zee en de ruimte, is cyber het inmiddels vijfde domein voor militair optreden.
Dit digitale domein en de toepassing van digitale middelen als wapen of als inlichtingeninstrument zijn sterk in ontwikkeling. Waar gaat deze ontwikkeling heen? En wat betekent zij voor de Nederlandse krijgsmacht?
Het is terecht dat de Nederlandse Defensieacademie aan deze vragen een hele dag wijdt. Ik voorspel u: er zullen nog vele dagen als deze volgen. Want honderd jaar na 1911 staan we naar mijn overtuiging aan het begin van opnieuw een belangrijke verandering in het militaire optreden. Een ontwikkeling die the face of battle, zoals de Brit John Keegan het uitdrukte, de komende decennia zal veranderen.
Laat ik met het positieve beginnen.
Het internet is een enorme verrijking voor de samenleving gebleken en een motor voor economische groei. Digitale middelen maken mogelijk wat vroeger nog onbereikbaar leek.
Defensie wil optimaal van deze mogelijkheden gebruik maken. De digitale technologie stelt de krijgsmacht in staat haar taken doeltreffender en doelmatiger uit te voeren. Zo functioneren vrijwel alle wapensystemen dankzij het gebruik van ICT-componenten. Ook de commandovoering en de logistieke ondersteuning leunen zwaar op digitale systemen. De krijgsmacht is bijna net zo afhankelijk van ICT als Bol.com. Zonder digitale middelen kan zowel onze samenleving als onze krijgsmacht nauwelijks meer functioneren. Zij zijn van levensbelang geworden.
Ook de opkomst van het digitale domein is overigens niet door iedereen op waarde geschat. Zo voorspelde Thomas Watson, bestuursvoorzitter van IBM, in 1943 dat er een wereldmarkt voor misschien vijf computers zou zijn.
Wat ook opvalt – en nu kom ik bij de keerzijde van het digitale fenomeen– is een gebrek aan bewustzijn over de risico's die zijn verbonden aan de explosieve groei van computernetwerken. Bij de ontwikkeling van hardware en software en het inrichten van netwerken werd – en wordt – nauwelijks aandacht besteed aan beveiliging. En dit terwijl het eerste computervirus al in 1971 het licht zag.
De aandacht voor bescherming van netwerken hield, kortom, geen gelijke tred met de groei van het digitale domein.
Pas de laatste jaren is sprake van een inhaalslag. Cyber security staat nu volop in de aandacht. En terecht, want de digitale dreiging is reëel. Deze dreiging kan een ICT-afhankelijke samenleving als deonze op tal van manieren ontregelen. Niet alleen in technische zin: denk aan het uitvallen van het bancaire systeem.
Maar ook in psychologische zin: denk aan de angst, de paniek en wellicht de toegeeflijkheid jegens de agressor die kan optreden als onze digitale systemen op grote schaal worden gesaboteerd.
De gevolgen van een aanval zullen zich niet tot het digitale domein beperken maar ook verregaande gevolgen hebben voor de samenleving als geheel.
Tegen deze dreiging moet onze samenleving zich wapenen. Dat geldt ook voor de krijgsmacht. De Stuxnet en Flame aanvallen hebben duidelijk gemaakt dat ook in het digitale domein conflicten kunnen worden uitgevochten en dat de impact hiervan groot kan zijn.
Veel is nog onduidelijk over de aard van digitale conflicten. Hoe zullen staten en niet-statelijke actoren van het digitale domein gebruik maken om hun politiek doelen te verwezenlijken? Hoe zullen de cyber wapens van de toekomst er uit zien? Het is nog speculeren.
We kunnen het ons echter niet veroorloven lijdzaam af te wachten en maar te zien wat anderen bedenken. Vrijwel alles wat iemand zich kan verbeelden, zo leert de geschiedenis, zal vroeg of laat ook worden gemaakt. Denk maar aan de fantasievolle verhalen van Jules Verne.
Zo zullen ook digitale wapens waarschijnlijk sneller dan we verwachten hun opwachting maken als vast bestanddeel van militaire arsenalen. Defensie moet over verbeeldingskracht beschikken, zowel om de mogelijkheden die het digitale domein biedt met beide handen aan te grijpen als om zich te wapenen tegen wat komen gaat.
Maar wat betekent het om de zwaardmacht in cyber space te zijn? Hoe moet de krijgsmacht haar bijzondere taken en verantwoordelijkheden in het digitale domein vervullen?
De digitale uitdaging is, zoveel staat vast, ook in militair opzicht grensverleggend. In de fysieke wereld zijn grenzen over het algemeen duidelijk gedefinieerd, zijn de dreigingen en de tegenstanders over het algemeen goed in kaart te brengen.
In het digitale domein is dit allemaal een stuk minder duidelijk. In dit domein is niet sprake van een afgebakend militair operatiegebied. Evenmin is sprake van fysiek geweld. En toch is het voorstelbaar dat door het verstoren van digitale systemen hele samenlevingen ontregeld raken of militaire doelen worden uitgeschakeld.
Het is van groot belang Defensie klaar te stomen voor deze nieuwe werkelijkheid, waarin de virtuele en de reële wereld in elkaar overvloeien.
Vandaag zal ik de Tweede Kamer daarom de defensiestrategie voor het militaire opereren in het digitale domein doen toekomen. De Defensie Cyber Strategie geeft de komende jaren richting, samenhang en focus aan de ontwikkeling van het militaire vermogen in het digitale domein.
In de strategie worden zes speerpunten genoemd. Aan de hand van deze speerpunten zal Defensie haar doelstellingen in het digitale domein verwezenlijken. Ik loop met u deze speerpunten kort even langs.
Integrale aanpak
Het eerste speerpunt betreft de totstandkoming van een integrale aanpak. Wegens het wijdvertakte en veelvormige karakter van het digitale domein, is centrale coördinatie nodig van alle activiteiten die aan het militaire optreden in het digitale domein zijn verbonden.
Ons uitgangspunt is dat de cybercapaciteiten van Defensie volledig geïntegreerd moeten worden in ons militair optreden. De kracht van digitale capaciteiten ligt in de mogelijkheden die deze bieden dit optreden langs alle lijnen en in alle domeinen te ondersteunen en te versterken.
Defensie zal geen afzonderlijk krijgsmachtdeel oprichten voor het optreden in het digitale domein. De operationele cybercapaciteiten zullen in 2014 wel worden ondergebracht in het Defensie Cyber Commando bij de landstrijdkrachten.
Defensief
Ons tweede speerpunt is de versterking van de digitale weerbaarheid van Defensie, de defensieve kant dus. De digitale zelfverdediging behelst de bescherming van netwerken, het monitoren en analyseren van dataverkeer, het onderkennen van digitale aanvallen en de reactie hierop.
Het Joint Informatievoorzieningscommando-in-oprichting (JIVC) en DefCERT hebben hierin een zeer belangrijke rol.
Maar hier rust ook een verantwoordelijkheid op de schouders van iedere defensiemedewerker. De belangrijkste kwetsbaarheid die kan leiden tot het verlies of het compromitteren van informatie komt namelijk voort uit onopzettelijk handelen door medewerkers, zoals ondeskundig of onzorgvuldig gebruik van ICT-middelen. Elke defensiemedewerker moet zich bewust worden van de risico’s die aan het gebruik van digitale middelen verbonden zijn.
Offensief
Het derde speerpunt springt wellicht het meest in het oog: de ontwikkeling van het militaire vermogen om cyber operations uit te voeren.
Als zwaardmacht moet de krijgsmacht naar mijn overtuiging ook in het digitale domein offensief kunnen optreden. Het uitschakelen van een tegenstander blijft de bijzondere taak van de krijgsmacht. Ook in het digitale domein. Kennis van offensieve methoden en technieken is bovendien noodzakelijk voor het versterken van de digitale weerbaarheid.
Bij een cyber attack denkt men vaak nog aan de eenzame hacker die op zijn zolderkamer het netwerk van het Pentagon plat weet te leggen. Het digitale domein als asymmetrische arena waar David Goliath precies tussen de ogen weet te raken. Dit spreekt tot de verbeelding maar heeft waarschijnlijk weinig met de toekomstige realiteit te maken. Stuxnet en Flame zijn technologisch zeer complex en zijn daardoor zeer kostbaar. Niet iets dat een enthousiaste amateur in een avond in elkaar zet.
De ontwikkeling van offensieve operationele capaciteiten bevindt zich nog in de kinderschoenen. Er is nog veel onduidelijk over de aard van deze capaciteiten, de mogelijkheden die ze een commandant kunnen bieden en de effecten die ermee kunnen worden bereikt.
Bij het ontwikkelen van de offensieve operationele capaciteiten van de krijgsmacht zal gebruik worden gemaakt van kennis en capaciteit van de MIVD. De Commandant der Strijdkrachten kan de offensieve middelen op grond van een mandaat van de regering in een militaire operatie inzetten. De wettelijk vereiste scheiding tussen de taken en de verantwoordelijkheden van de Commandant der Strijdkrachten en de MIVD blijft daarbij onaangetast. Het al genoemde Defensie Cyber Commando draagt zorg voor de gereedstelling van offensieve cybercapaciteiten.
Inlichtingen
Ik noemde de MIVD al. De versterking van de inlichtingenpositie in het digitale domein, is ons vierde speerpunt.
Informatie is van levensbelang voor de krijgsmacht. Door de opkomst van het digitale domein en de toenemende onderlinge verbondenheid van systemen, zijn de mogelijkheden tot het vergaren van informatie enorm toegenomen. Het bezitten van een hoogwaardige inlichtingenpositie in het digitale domein is nodig voor zowel de bescherming van de eigen infrastructuur als het uitvoeren van operaties.
Een complexe uitdaging vormt de attributie van aanvallen. Als niet kan worden vastgesteld waar een aanval vandaan komt, is het nauwelijks mogelijk daarop te reageren. Voor de inlichtingendiensten is hier een belangrijke taak weggelegd.
Zij moeten inzicht hebben in zowel de technische dreiging als in de intenties van aanvallers. Ook zullen zij over het vermogen moeten beschikken om pogingen tot digitale spionage te verstoren en te stoppen.
Adaptief en innovatief
Om op de genoemde terreinen in het digitale domein – defensief, offensief en inlichtingen – succesvol te zijn, is meer nodig: de versterking van de kennispositie en van het innovatieve vermogen van Defensie in het digitale domein. Dit vormt dan ook het vijfde speerpunt in onze aanpak.
De instelling van een cyberleerstoel bij de NLDA in 2014, die onder meer de volkenrechtelijke aspecten zal onderzoeken, maakt hiervan uiteraard deel uit. Maar ook de werving en het behoud van gekwalificeerd personeel zijn nadrukkelijk met dit speerpunt verbonden.
De snelheid waarmee ontwikkelingen in het digitale domein zich voltrekken, stelt zeer hoge eisen aan het aanpassingsvermogen en de innovatieve kracht van Defensie. Zij moet in het digitale domein in staat zijn snel nieuwe technologie in te voeren en korte innovatiecycli te doorlopen.
Defensie zal dan ook investeren in digitale technologie en onderzoek. Het Defensie Cyber Expertise Centrum wordt de plek waar de kennis wordt samengebracht. Voor onderzoek en ontwikkeling, maar ook voor opleiding, training en oefening zal Defensie beschikken over een ‘cyber laboratorium’ en een testomgeving.
Een bijzondere uitdaging voor Defensie vormt het aantrekken en behouden van gekwalificeerd personeel dat ook kan functioneren in een militaire omgeving. Om de noodzakelijke kennis, kunde en vaardigheden in huis te halen en te behouden wordt specifiek aandacht besteed aan personeelsbeleid en opleidingen. Specifieke loopbaanpatronen voor ‘digitale soldaten’ zijn daarbij zeker denkbaar.
Onze krijgsmacht stelt zich nadrukkelijk open voor mensen die digitale kennis in huis hebben, maar waar de overheid nog te weinig gebruik van maakt: de ‘white hat hacker’-community, oftewel de bonafide hackers. Zij wijzen ons vaak op lekken. Daar moeten we niet boos om worden, maar gebruik van maken, want zo maken we elkaar sterker. Waarom zou een ‘white hat hacker’ zich niet willen inzetten om te helpen bij de verdediging van zijn eigen land? Zeker als hij daarvoor niet eens door de modder hoeft te kruipen, maar achter zijn computer kan blijven zitten.
Samenwerking
De intensivering van de samenwerking in nationaal en internationaal verband is, tot slot, ons zesde speerpunt.
In het digitale domein treden publieke en private, civiele en militaire en nationale en internationale actoren tegelijkertijd op. Een gezamenlijke aanpak is noodzakelijk.
Voor Defensie is het van belang om in het kader van de National Cyber Security Strategie nauw samen te werken met publieke en private partijen. Als beheerder van hoogwaardige digitale netwerken en systemen is Defensie zowel nationaal als internationaal een belangrijke partner.
In internationaal verband zal Defensie samenwerking zoeken met landen die een vergelijkbare aanpak voorstaan en die wat ontwikkeling betreft op vergelijkbaar niveau opereren. Doel van de samenwerking is in eerste instantie gericht op het uitwisselen van kennis. Daarna kan worden bezien of er mogelijkheden zijn tot het gezamenlijk ontwikkelen van capaciteiten.
Op de recente top in Chicago heeft ook de NAVO aangekondigd de weerbaarheid van de eigen netwerken en systemen en die van bondgenoten te versterken. Het is niet aannemelijk dat in NAVO-verband gemeenschappelijke cybercapaciteiten worden ontwikkeld. Het bondgenootschap moet echter wel een visie ontwikkelen over de inzet van cybercapaciteiten bij gezamenlijke operaties.
Tot slot
Het belang van het digitale domein en de snelheid waarmee dit zich ontwikkelt, stelt ons voor grote uitdagingen. De Nederlandse krijgsmacht trekt hier de noodzakelijke conclusies uit en wil in het digitale domein de vooraanstaande rol spelen die bij ons land past.
Defensie moet een volwaardige cybercapaciteit ontwikkelen. Hier geldt misschien nog meer dan elders dat stilstand achteruitgang is. Het tempo waarin het digitale domein zich ontwikkelt zal dan tot gevolg hebben dat we zeer snel tegen een achterstand aanlopen.
Dat is de uitdaging waar we nu voor staan. De Defensie Cyber Strategie die ik de Tweede Kamer zojuist heb toegestuurd, fungeert daarbij als leidraad bij het verwezenlijken van onze doelstellingen.
Ik ben vandaag begonnen met de eerste luchtaanval van de Italiaanse piloot Giulio Gavotti in 1911. Nog voordat het vliegtuig was uitgevonden voorspelde de Britse science fiction schrijver H.G. Wells al dat “wanneer luchtoverwicht is verkregen door een van de strijdende legers, de oorlog een conflict wordt tussen een ziende krijgsmacht en één die blind is.” Het zou mij niet verbazen wanneer deze voorspelling wordt vertaald naar het digitale domein, deze binnen afzienbare termijn ook uitkomt.
En dan is het nu het moment om het allemaal officieel te maken door de strategie aan de Kamer aan te bieden. Uiteraard doe ik dat digitaal.
(minister van Defensie, 27 juni 2012)
Brochure Defensie Cyber Strategie
NATO Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence, Tallinn, Estonia
Op 1 november 1911 wierp de Italiaanse piloot Giulio Gavotti vier bommen op Turkse stellingen in Libië. Hij voerde daarmee de eerste luchtaanval in de geschiedenis uit. Een nieuw domein voor oorlogvoering was geboren.
Niet dat iedereen dit onmiddellijk door had. In hetzelfde jaar verkondigde Ferdinand Foch, de latere Franse maarschalk in de Eerste Wereldoorlog, nog dat “vliegen leuk is als sport maar als oorlogswapen waardeloos.”
Drie decennia later, in de Tweede Oorlog, bleek echter de dodelijke effectiviteit van het luchtwapen en kreeg Foch ongelijk. Of zoals Erwin Rommel, de Duitse generaal, aan het einde van die oorlog verzuchtte: “Iemand die, zelfs met de modernste wapens, tegen een vijand moet vechten die over volledige controle van het luchtruim beschikt, vecht als een wilde tegen moderne Europese eenheden, met dezelfde beperkingen en dezelfde kans op succes.”
En nu is er dus weer een nieuw domein ontstaan voor militair optreden. Een domein dat door de mens is gecreëerd. Naast het land, de lucht, de zee en de ruimte, is cyber het inmiddels vijfde domein voor militair optreden.
Dit digitale domein en de toepassing van digitale middelen als wapen of als inlichtingeninstrument zijn sterk in ontwikkeling. Waar gaat deze ontwikkeling heen? En wat betekent zij voor de Nederlandse krijgsmacht?
Het is terecht dat de Nederlandse Defensieacademie aan deze vragen een hele dag wijdt. Ik voorspel u: er zullen nog vele dagen als deze volgen. Want honderd jaar na 1911 staan we naar mijn overtuiging aan het begin van opnieuw een belangrijke verandering in het militaire optreden. Een ontwikkeling die the face of battle, zoals de Brit John Keegan het uitdrukte, de komende decennia zal veranderen.
Laat ik met het positieve beginnen.
Het internet is een enorme verrijking voor de samenleving gebleken en een motor voor economische groei. Digitale middelen maken mogelijk wat vroeger nog onbereikbaar leek.
![]() |
| illustratie: www.acus.org |
Defensie wil optimaal van deze mogelijkheden gebruik maken. De digitale technologie stelt de krijgsmacht in staat haar taken doeltreffender en doelmatiger uit te voeren. Zo functioneren vrijwel alle wapensystemen dankzij het gebruik van ICT-componenten. Ook de commandovoering en de logistieke ondersteuning leunen zwaar op digitale systemen. De krijgsmacht is bijna net zo afhankelijk van ICT als Bol.com. Zonder digitale middelen kan zowel onze samenleving als onze krijgsmacht nauwelijks meer functioneren. Zij zijn van levensbelang geworden.
Ook de opkomst van het digitale domein is overigens niet door iedereen op waarde geschat. Zo voorspelde Thomas Watson, bestuursvoorzitter van IBM, in 1943 dat er een wereldmarkt voor misschien vijf computers zou zijn.
Wat ook opvalt – en nu kom ik bij de keerzijde van het digitale fenomeen– is een gebrek aan bewustzijn over de risico's die zijn verbonden aan de explosieve groei van computernetwerken. Bij de ontwikkeling van hardware en software en het inrichten van netwerken werd – en wordt – nauwelijks aandacht besteed aan beveiliging. En dit terwijl het eerste computervirus al in 1971 het licht zag.
De aandacht voor bescherming van netwerken hield, kortom, geen gelijke tred met de groei van het digitale domein.
Pas de laatste jaren is sprake van een inhaalslag. Cyber security staat nu volop in de aandacht. En terecht, want de digitale dreiging is reëel. Deze dreiging kan een ICT-afhankelijke samenleving als deonze op tal van manieren ontregelen. Niet alleen in technische zin: denk aan het uitvallen van het bancaire systeem.
Maar ook in psychologische zin: denk aan de angst, de paniek en wellicht de toegeeflijkheid jegens de agressor die kan optreden als onze digitale systemen op grote schaal worden gesaboteerd.
De gevolgen van een aanval zullen zich niet tot het digitale domein beperken maar ook verregaande gevolgen hebben voor de samenleving als geheel.
Tegen deze dreiging moet onze samenleving zich wapenen. Dat geldt ook voor de krijgsmacht. De Stuxnet en Flame aanvallen hebben duidelijk gemaakt dat ook in het digitale domein conflicten kunnen worden uitgevochten en dat de impact hiervan groot kan zijn.
Veel is nog onduidelijk over de aard van digitale conflicten. Hoe zullen staten en niet-statelijke actoren van het digitale domein gebruik maken om hun politiek doelen te verwezenlijken? Hoe zullen de cyber wapens van de toekomst er uit zien? Het is nog speculeren.
We kunnen het ons echter niet veroorloven lijdzaam af te wachten en maar te zien wat anderen bedenken. Vrijwel alles wat iemand zich kan verbeelden, zo leert de geschiedenis, zal vroeg of laat ook worden gemaakt. Denk maar aan de fantasievolle verhalen van Jules Verne.
Zo zullen ook digitale wapens waarschijnlijk sneller dan we verwachten hun opwachting maken als vast bestanddeel van militaire arsenalen. Defensie moet over verbeeldingskracht beschikken, zowel om de mogelijkheden die het digitale domein biedt met beide handen aan te grijpen als om zich te wapenen tegen wat komen gaat.
Maar wat betekent het om de zwaardmacht in cyber space te zijn? Hoe moet de krijgsmacht haar bijzondere taken en verantwoordelijkheden in het digitale domein vervullen?
De digitale uitdaging is, zoveel staat vast, ook in militair opzicht grensverleggend. In de fysieke wereld zijn grenzen over het algemeen duidelijk gedefinieerd, zijn de dreigingen en de tegenstanders over het algemeen goed in kaart te brengen.
In het digitale domein is dit allemaal een stuk minder duidelijk. In dit domein is niet sprake van een afgebakend militair operatiegebied. Evenmin is sprake van fysiek geweld. En toch is het voorstelbaar dat door het verstoren van digitale systemen hele samenlevingen ontregeld raken of militaire doelen worden uitgeschakeld.
Het is van groot belang Defensie klaar te stomen voor deze nieuwe werkelijkheid, waarin de virtuele en de reële wereld in elkaar overvloeien.
Vandaag zal ik de Tweede Kamer daarom de defensiestrategie voor het militaire opereren in het digitale domein doen toekomen. De Defensie Cyber Strategie geeft de komende jaren richting, samenhang en focus aan de ontwikkeling van het militaire vermogen in het digitale domein.
In de strategie worden zes speerpunten genoemd. Aan de hand van deze speerpunten zal Defensie haar doelstellingen in het digitale domein verwezenlijken. Ik loop met u deze speerpunten kort even langs.
Integrale aanpak
Het eerste speerpunt betreft de totstandkoming van een integrale aanpak. Wegens het wijdvertakte en veelvormige karakter van het digitale domein, is centrale coördinatie nodig van alle activiteiten die aan het militaire optreden in het digitale domein zijn verbonden.
Ons uitgangspunt is dat de cybercapaciteiten van Defensie volledig geïntegreerd moeten worden in ons militair optreden. De kracht van digitale capaciteiten ligt in de mogelijkheden die deze bieden dit optreden langs alle lijnen en in alle domeinen te ondersteunen en te versterken.
Defensie zal geen afzonderlijk krijgsmachtdeel oprichten voor het optreden in het digitale domein. De operationele cybercapaciteiten zullen in 2014 wel worden ondergebracht in het Defensie Cyber Commando bij de landstrijdkrachten.
Defensief
Ons tweede speerpunt is de versterking van de digitale weerbaarheid van Defensie, de defensieve kant dus. De digitale zelfverdediging behelst de bescherming van netwerken, het monitoren en analyseren van dataverkeer, het onderkennen van digitale aanvallen en de reactie hierop.
Het Joint Informatievoorzieningscommando-in-oprichting (JIVC) en DefCERT hebben hierin een zeer belangrijke rol.
Maar hier rust ook een verantwoordelijkheid op de schouders van iedere defensiemedewerker. De belangrijkste kwetsbaarheid die kan leiden tot het verlies of het compromitteren van informatie komt namelijk voort uit onopzettelijk handelen door medewerkers, zoals ondeskundig of onzorgvuldig gebruik van ICT-middelen. Elke defensiemedewerker moet zich bewust worden van de risico’s die aan het gebruik van digitale middelen verbonden zijn.
Offensief
Het derde speerpunt springt wellicht het meest in het oog: de ontwikkeling van het militaire vermogen om cyber operations uit te voeren.
Als zwaardmacht moet de krijgsmacht naar mijn overtuiging ook in het digitale domein offensief kunnen optreden. Het uitschakelen van een tegenstander blijft de bijzondere taak van de krijgsmacht. Ook in het digitale domein. Kennis van offensieve methoden en technieken is bovendien noodzakelijk voor het versterken van de digitale weerbaarheid.
Bij een cyber attack denkt men vaak nog aan de eenzame hacker die op zijn zolderkamer het netwerk van het Pentagon plat weet te leggen. Het digitale domein als asymmetrische arena waar David Goliath precies tussen de ogen weet te raken. Dit spreekt tot de verbeelding maar heeft waarschijnlijk weinig met de toekomstige realiteit te maken. Stuxnet en Flame zijn technologisch zeer complex en zijn daardoor zeer kostbaar. Niet iets dat een enthousiaste amateur in een avond in elkaar zet.
De ontwikkeling van offensieve operationele capaciteiten bevindt zich nog in de kinderschoenen. Er is nog veel onduidelijk over de aard van deze capaciteiten, de mogelijkheden die ze een commandant kunnen bieden en de effecten die ermee kunnen worden bereikt.
Bij het ontwikkelen van de offensieve operationele capaciteiten van de krijgsmacht zal gebruik worden gemaakt van kennis en capaciteit van de MIVD. De Commandant der Strijdkrachten kan de offensieve middelen op grond van een mandaat van de regering in een militaire operatie inzetten. De wettelijk vereiste scheiding tussen de taken en de verantwoordelijkheden van de Commandant der Strijdkrachten en de MIVD blijft daarbij onaangetast. Het al genoemde Defensie Cyber Commando draagt zorg voor de gereedstelling van offensieve cybercapaciteiten.
Inlichtingen
Ik noemde de MIVD al. De versterking van de inlichtingenpositie in het digitale domein, is ons vierde speerpunt.
Informatie is van levensbelang voor de krijgsmacht. Door de opkomst van het digitale domein en de toenemende onderlinge verbondenheid van systemen, zijn de mogelijkheden tot het vergaren van informatie enorm toegenomen. Het bezitten van een hoogwaardige inlichtingenpositie in het digitale domein is nodig voor zowel de bescherming van de eigen infrastructuur als het uitvoeren van operaties.
Een complexe uitdaging vormt de attributie van aanvallen. Als niet kan worden vastgesteld waar een aanval vandaan komt, is het nauwelijks mogelijk daarop te reageren. Voor de inlichtingendiensten is hier een belangrijke taak weggelegd.
Zij moeten inzicht hebben in zowel de technische dreiging als in de intenties van aanvallers. Ook zullen zij over het vermogen moeten beschikken om pogingen tot digitale spionage te verstoren en te stoppen.
Adaptief en innovatief
Om op de genoemde terreinen in het digitale domein – defensief, offensief en inlichtingen – succesvol te zijn, is meer nodig: de versterking van de kennispositie en van het innovatieve vermogen van Defensie in het digitale domein. Dit vormt dan ook het vijfde speerpunt in onze aanpak.
De instelling van een cyberleerstoel bij de NLDA in 2014, die onder meer de volkenrechtelijke aspecten zal onderzoeken, maakt hiervan uiteraard deel uit. Maar ook de werving en het behoud van gekwalificeerd personeel zijn nadrukkelijk met dit speerpunt verbonden.
De snelheid waarmee ontwikkelingen in het digitale domein zich voltrekken, stelt zeer hoge eisen aan het aanpassingsvermogen en de innovatieve kracht van Defensie. Zij moet in het digitale domein in staat zijn snel nieuwe technologie in te voeren en korte innovatiecycli te doorlopen.
Defensie zal dan ook investeren in digitale technologie en onderzoek. Het Defensie Cyber Expertise Centrum wordt de plek waar de kennis wordt samengebracht. Voor onderzoek en ontwikkeling, maar ook voor opleiding, training en oefening zal Defensie beschikken over een ‘cyber laboratorium’ en een testomgeving.
Een bijzondere uitdaging voor Defensie vormt het aantrekken en behouden van gekwalificeerd personeel dat ook kan functioneren in een militaire omgeving. Om de noodzakelijke kennis, kunde en vaardigheden in huis te halen en te behouden wordt specifiek aandacht besteed aan personeelsbeleid en opleidingen. Specifieke loopbaanpatronen voor ‘digitale soldaten’ zijn daarbij zeker denkbaar.
Onze krijgsmacht stelt zich nadrukkelijk open voor mensen die digitale kennis in huis hebben, maar waar de overheid nog te weinig gebruik van maakt: de ‘white hat hacker’-community, oftewel de bonafide hackers. Zij wijzen ons vaak op lekken. Daar moeten we niet boos om worden, maar gebruik van maken, want zo maken we elkaar sterker. Waarom zou een ‘white hat hacker’ zich niet willen inzetten om te helpen bij de verdediging van zijn eigen land? Zeker als hij daarvoor niet eens door de modder hoeft te kruipen, maar achter zijn computer kan blijven zitten.
Samenwerking
De intensivering van de samenwerking in nationaal en internationaal verband is, tot slot, ons zesde speerpunt.
In het digitale domein treden publieke en private, civiele en militaire en nationale en internationale actoren tegelijkertijd op. Een gezamenlijke aanpak is noodzakelijk.
Voor Defensie is het van belang om in het kader van de National Cyber Security Strategie nauw samen te werken met publieke en private partijen. Als beheerder van hoogwaardige digitale netwerken en systemen is Defensie zowel nationaal als internationaal een belangrijke partner.
In internationaal verband zal Defensie samenwerking zoeken met landen die een vergelijkbare aanpak voorstaan en die wat ontwikkeling betreft op vergelijkbaar niveau opereren. Doel van de samenwerking is in eerste instantie gericht op het uitwisselen van kennis. Daarna kan worden bezien of er mogelijkheden zijn tot het gezamenlijk ontwikkelen van capaciteiten.
Op de recente top in Chicago heeft ook de NAVO aangekondigd de weerbaarheid van de eigen netwerken en systemen en die van bondgenoten te versterken. Het is niet aannemelijk dat in NAVO-verband gemeenschappelijke cybercapaciteiten worden ontwikkeld. Het bondgenootschap moet echter wel een visie ontwikkelen over de inzet van cybercapaciteiten bij gezamenlijke operaties.
Tot slot
Het belang van het digitale domein en de snelheid waarmee dit zich ontwikkelt, stelt ons voor grote uitdagingen. De Nederlandse krijgsmacht trekt hier de noodzakelijke conclusies uit en wil in het digitale domein de vooraanstaande rol spelen die bij ons land past.
Defensie moet een volwaardige cybercapaciteit ontwikkelen. Hier geldt misschien nog meer dan elders dat stilstand achteruitgang is. Het tempo waarin het digitale domein zich ontwikkelt zal dan tot gevolg hebben dat we zeer snel tegen een achterstand aanlopen.
Dat is de uitdaging waar we nu voor staan. De Defensie Cyber Strategie die ik de Tweede Kamer zojuist heb toegestuurd, fungeert daarbij als leidraad bij het verwezenlijken van onze doelstellingen.
Ik ben vandaag begonnen met de eerste luchtaanval van de Italiaanse piloot Giulio Gavotti in 1911. Nog voordat het vliegtuig was uitgevonden voorspelde de Britse science fiction schrijver H.G. Wells al dat “wanneer luchtoverwicht is verkregen door een van de strijdende legers, de oorlog een conflict wordt tussen een ziende krijgsmacht en één die blind is.” Het zou mij niet verbazen wanneer deze voorspelling wordt vertaald naar het digitale domein, deze binnen afzienbare termijn ook uitkomt.
En dan is het nu het moment om het allemaal officieel te maken door de strategie aan de Kamer aan te bieden. Uiteraard doe ik dat digitaal.
(minister van Defensie, 27 juni 2012)
Brochure Defensie Cyber Strategie
NATO Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence, Tallinn, Estonia
Labels:
CLAS,
cyber defence,
cyber war,
cyber warfare,
DefCERT,
Defensie,
Defensie Cyber Commando,
Defensie Cyber Strategie,
Hans Hillen,
MIVD,
National Cyber Security Strategie,
NLDA
dinsdag 27 maart 2012
Nieuwe commandant Defensieacademie benoemd
Brigadegeneraal Theo Vleugels wordt met ingang van 2 mei commandant van de Nederlandse Defensie Academie in Breda. Hij volgt luitenant-generaal Richard Tieskens op die onlangs is benoemd tot chef staf bij het Allied Joint Force Command van de NAVO in Brunssum.
![]() |
| Uruzgan 2007: kol. Vleugels (midden) met Australische collega's |
De nieuwe commandant van de Defensieacademie werd in zijn loopbaan uitgezonden naar voormalig Joegoslavië en in 2006 naar Afghanistan. Voor de wijze waarop hij leiding gaf aan de Task Force Uruzgan ontving hij van minister Henk Kamp het Ereteken voor Verdienste in goud.
(ministerie van Defensie, 27 maart 2012)
Theo Vleugels nieuwe gouverneur van Breda
door Willem Jan Joachems
De Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda heeft een nieuwe gouverneur. Het is brigade-generaal Theo Vleugels. Op 2 mei volgt hij luitenant-generaal Richard Tieskens op. Die kreeg onlangs een hoge functie bij de NAVO in Brunssum
Vleugels wordt ook commandant van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA). Daar valt de officiersopleiding KMA in Breda onder, maar ook alle andere onderwijsinstellingen van defensie in Den Haag en Den Helder.
Sinds 2007 is Vleugels commandant van het trainings- en opleidingscommando. Dat is de defensietak die zorgt voor de onder meer de rijopleiding, gevechtstrainingen, sportactiviteiten en de opleiding tot onderofficier. De eenheid heeft drie scholen in Brabant: in Vught, Eindhoven en Oirschot.
Theo Vleugels is geboren in Limburg. Hij draagt het uniform van de koninklijke luchtmacht*. Vleugels ging op missie naar Libanon, voormalig Joegoslavië en in 2006 was hij commandant van de task-force Uruzgan in Afghanistan. Na zijn inzet daar kreeg hij van defensieminister Kamp het Ereteken voor Verdienste in Goud.
(Omroep Brabant, 27 maart 2012)
(Ik kan me vergissen, maar volgens mij heeft generaal Vleugels nooit een luchtmachtuniform gedragen. Hij behoort tot het Bataljon Limburgse Jagers (BLJ), hdv)
donderdag 22 maart 2012
Hillen reikt eerste erkende bachelordiploma's Defensie uit
Ruim 40 officieren die met succes een opleiding binnen de Faculteit Militaire Wetenschappen van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) hebben afgerond, ontvangen maandag 26 maart een erkend bachelor diploma. Minister van Defensie Hans Hillen reikt de eerste diploma's uit op het Koninklijke Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder.
Eind vorig jaar kregen de opleidingen Krijgswetenschappen, Militaire Bedrijfswetenschappen en Militaire Systemen en Technologie de status ‘wetenschappelijke bachelor’. "Dit is niet alleen belangrijke erkenning voor de kwaliteit van de opleidingen bij Defensie, maar het geeft vooral ook afgestudeerde militairen bredere mogelijkheden in hun verdere carrière", aldus minister Hillen.
Defensie is hiermee als toekomstige werkgever voor kandidaten die het Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs hebben afgerond, nog aantrekkelijker. Daarnaast bevordert deze erkenning de doorstroom naar masteropleidingen die de officieren na hun bacheloropleiding kunnen volgen.
De afgelopen jaren zijn alle opleidingen van de Faculteit Militaire Wetenschappen (FMW) beoordeeld door de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO). Zij beoordeelden alle opleidingen (Krijgswetenschappen, Militaire Systemen & Technologie en Militaire Bedrijfswetenschappen) positief. Het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap besloot op basis van het positieve oordeel van de NVAO dat aan de opleidingen een wettelijke graad mag worden verbonden. “Daarmee is het civiele bewijs geleverd voor de hoge kwaliteit van het wetenschappelijk deel van de opleiding die aspirant-officieren volgen”, vertelt de decaan van de faculteit, professor dr. Wouter van Rossum.
De FMW, met vestigingen in Den Helder en Breda, is net als het Koninklijk Instituut voor de Marine en de Koninklijke Militaire Academie, een onderdeel van de Nederlandse Defensie Academie. De FMW verzorgt het wetenschappelijk onderwijs op bachelorniveau aan toekomstig officieren van de krijgsmacht. Daarnaast verricht de FMW militair onderzoek dat in het belang is van Defensie.
(bron: ministerie van Defensie, 22 maart 2012)
Eind vorig jaar kregen de opleidingen Krijgswetenschappen, Militaire Bedrijfswetenschappen en Militaire Systemen en Technologie de status ‘wetenschappelijke bachelor’. "Dit is niet alleen belangrijke erkenning voor de kwaliteit van de opleidingen bij Defensie, maar het geeft vooral ook afgestudeerde militairen bredere mogelijkheden in hun verdere carrière", aldus minister Hillen.
Defensie is hiermee als toekomstige werkgever voor kandidaten die het Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs hebben afgerond, nog aantrekkelijker. Daarnaast bevordert deze erkenning de doorstroom naar masteropleidingen die de officieren na hun bacheloropleiding kunnen volgen.
De afgelopen jaren zijn alle opleidingen van de Faculteit Militaire Wetenschappen (FMW) beoordeeld door de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO). Zij beoordeelden alle opleidingen (Krijgswetenschappen, Militaire Systemen & Technologie en Militaire Bedrijfswetenschappen) positief. Het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap besloot op basis van het positieve oordeel van de NVAO dat aan de opleidingen een wettelijke graad mag worden verbonden. “Daarmee is het civiele bewijs geleverd voor de hoge kwaliteit van het wetenschappelijk deel van de opleiding die aspirant-officieren volgen”, vertelt de decaan van de faculteit, professor dr. Wouter van Rossum.
De FMW, met vestigingen in Den Helder en Breda, is net als het Koninklijk Instituut voor de Marine en de Koninklijke Militaire Academie, een onderdeel van de Nederlandse Defensie Academie. De FMW verzorgt het wetenschappelijk onderwijs op bachelorniveau aan toekomstig officieren van de krijgsmacht. Daarnaast verricht de FMW militair onderzoek dat in het belang is van Defensie.
(bron: ministerie van Defensie, 22 maart 2012)
Abonneren op:
Posts (Atom)



+met+australische+militairen.jpg)