Posts tonen met het label Task Force Uruzgan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Task Force Uruzgan. Alle posts tonen

donderdag 24 april 2014

Uruzgan: Two Two Bravo

Opgedragen aan Marc Harders en Jeroen Houweling


Korporaal Houweling (links) en Marinier Harders

Gesneuveld in Uruzgan op 17 april 2010


Marc kende ik vanaf het moment dat ik bij de 13e infanteriecompagnie werd geplaatst werd in juni 2007, Korporaal Houweling (Jeroen) werd niet lang daarna ook bij het 13e geplaatst. Met Marc had ik in het begin weinig contact omdat hij in een ander peloton zat en al vrij snel werd geselecteerd om naar Tsjaad te gaan.

Ik werd na het zomerverlof 2007 ingedeeld in de geweergroep van Jeroen en we gingen opwerken voor mijn eerste grote buitenlandse training: Jungle Warfare Course in Suriname. Alles was nieuw voor mij en ik vond het heel spannend allemaal. Klein beetje zenuwachtig was ik ook wel want ik wilde natuurlijk goed presteren voor mijn eerste geweergroepscommandant. Ondanks al mijn inzet moest ik nog veel verbeteren aan mezelf en dat werd heel direct gemeld door de Korporaal. Zo moest ik mijn mond leren opentrekken, agressiever handelen tijdens contact drills, elke ochtend koffie maken voor de Korporaal zodat hij een lekker bakkie had bij zijn zware bats en tal meer van dat soort dingen. Ik denk nog steeds vaak terug aan de tijd in Suriname, het is voor mij de meest bijzondere training geweest uit mijn carrière.

Na Suriname werden alle pelotons door elkaar gehusseld en zat ik niet meer bij Jeroen in de geweergroep. Na een drukke periode begonnen we na het zomerverlof 2009 officieel met opwerken voor Afghanistan. Ik werd geplaatst in de 2e geweergroep van het Vikingpeloton en kreeg samen met Marc een Viking (rupsvoertuig) toegewezen, de 22B. De geweergroepen van het Vikingpeloton werden ingedeeld bij de infanterie pelotons en omdat wij de 2e geweergroep waren werden we toegevoegd aan het 2e infanteriepeloton.

Wij kregen de Bravo geweergroep van het 2e peloton toegewezen als geweergroep in onze Viking waarvan Jeroen de opvolgend geweergroepscommandant was. Omdat we de jongens van de Bravo geweergroep goed kenden en de sfeer goed was verliep de samenwerking tussen de Viking operators (Marc en ik) en de jongens van de Bravo geweergroep erg goed! Het was ontzettend fijn om Marc als buddy te hebben, buiten het feit dat het heel gezellig was, had Marc door zijn eerdere uitzending naar Tsjaad ontzettend veel operationele kennis van de Viking. En omdat ik relatief erg onervaren was met de Viking compenseerde Marc mij behoorlijk. Het is voor een groot deel dan ook aan Marc te danken dat alles altijd zo soepel verliep.

18 maart was het dan zover, de dag dat ik naar Afghanistan vertrok, ik liet me door mijn vader naar Eindhoven brengen. De autorit naar Eindhoven was rustig, we zeiden allebei niet veel, radio stond aan en zo reden we vroeg in de ochtend naar Eindhoven. Eenmaal daar dronken we koffie en namen een plak cake. Na een laatste praatje was het dan zover, we gingen het vliegtuig boarden. Ik gaf mijn vader een hand, keken elkaar aan en vervolgens liep ik richting de gate om in te checken voor mijn vlucht naar Afghanistan. Na twee tussenstops in Dubai en Kandahar kwamen we dan uiteindelijk aan op Kamp Holland, Tarin Kowt. Totaal anders dan ik verwacht had kwam ik aan in een hele rustige omgeving met een ontspannen sfeer. Na een korte rondleiding konden we gaan settelen in de tijdelijke prefab.

Al vrij snel zouden we de poort uit gaan, dus na de handover – takeover kon het preppen beginnen. Na een aantal operaties te hebben gedaan gingen we het 1ste peloton aflossen op COP (Combat Outpost) Tabar. We draaiden termen van 4 weken op de COP en nu was het de beurt aan ons peloton om 4 weken operaties en patrouilles vanaf de COP te gaan doen. Het leven op de COP was primitief, back to basics. Ontlasting verbranden, rantsoenen, slapen op stretchers, minima aan sanitaire voorzieningen, wachtlopen, minimaal 1 patrouille per dag en regelmatig grootschalige operaties gecombineerd met andere eenheden.

17 april 2010, in het kader van een grote operatie zouden wij die dag vertrekken om de overwatch die reeds in stelling stond te bevoorraden en met het ingestegen personeel additionele patrouilles uitvoeren in het gebied aan de voet van de overwatch. De bedoeling was dat we gedurende een aantal dagen de overwatch zouden ondersteunen met de patrouillegang en wachtroutine. Nadat het voertuig en de uitrusting geprepped was konden we de rest van de ochtend nog even rust bij de stukken nemen alvorens te vertrekken.

Uiteindelijk vertrokken we begin van de middag richting de overwatch, de sfeer was goed. Ondanks grappen en slap geouwehoer over de intercom van het voertuig was iedereen scherp. De omgeving was erg rustig, af en toe stopten we om te searchen, dreigende handgebaren van kinderen leken nietszeggend, ik maakte nog een grap: ‘’Heb je ’t al gehoord van Sjakie? Hij heeft de chocoladefabriek overgenomen!’’. Er werd niet heel enthousiast gereageerd natuurlijk op die ontzettend flauwe grap.

Niet lang daarna klapte we op de IED (Improvised Explosive Device), van dat moment weet ik niks meer. Ik ben bovenlangs uit het voertuig geslingerd en kwam niet ver van het voertuig terecht op de grond. Op dat moment was ik niet bij bewustzijn, het eerste moment van bewustzijn kwam pas toen mijn buddy’s uit het voertuig waren gekropen en mij begonnen te verzorgen. Op dat moment zag mijn linker onderbeen er slecht uit, rechterbovenbeen was opgezwollen, buik was opgezwollen, longfunctie was minimaal waardoor ademen lastig was, infuus aanleggen was niet mogelijk door wegtrekkende aderen i.v.m. inwendige bloedingen.

Het voertuig was door al onze munitie aan boord nog verder aan het exploderen dus werden Jeroen en ik weggesleept van het voertuig naar een plek waar we beter verzorgd konden worden totdat de medische evacuatie zou arriveren. Marc zat toen nog steeds in het voertuig, in tegenstelling tot mij en Jeroen was hij er niet uit geslingerd, uiteindelijk hebben ze hem ’s avonds pas kunnen bergen. Toen de helikopter arriveerde voor de medische evacuatie werden we samen in de helikopter gedragen, onderweg naar Kamp Holland is Jeroen gesneuveld .

Van de medische evacuatie en de aankomst op Kamp Holland weet ik zelf niks meer te herinneren, alles wat ik daarover weet heb ik later van anderen gehoord evenals het meeste van de IED overigens. Ik ben op dat moment uiteraard eerst aan de meest kritieke verwondingen geopereerd en dat waren de inwendige bloedingen aan mijn milt en nieren. Mijn milt hebben ze moeten verwijderen, mijn nierbloedingen hebben ze kunnen stoppen. Alle overige verwondingen hebben ze gestabiliseerd voor vervoer om me zo snel mogelijk op de Intensive Care te krijgen. Vanwege de aswolk die na een vulkaanuitbarsting op IJsland was ontstaan, zou ik in eerste instantie naar de Verenigde Staten gevlogen worden. Om die reden ben ik via Camp Bastion (Helmand), Bagram (Kabul), en Engeland uiteindelijk ondanks de aswolk toch in Nederland terecht gekomen.

Tijdens die reis ben ik twee keer bij bewustzijn gebracht, één keer op Camp Bastion, en één keer op Bagram. Van Camp Bastion herinner ik me een Britse militair die naast mijn bed zat in een soort hangar/loods. En mijn ‘gevecht’ in mijn hoofd, ik wilde mijn wapen hebben, wist totaal niet waar ik was, trok bijna de beademingsbuis uit mijn keel waarna ik werd vastgebonden en weer onder zeil gebracht werd door de verpleegster. Tweede moment dat ik me nog weet te herinneren was op Bagram. Daar kwam ik bij tussen allemaal Amerikanen, voelde me alleen, wist nog steeds totaal niet waar ik was, hoe ik daar was gekomen en waarom. Op een gegeven moment kwam er een grote vierkante kist over me heen, wat later de CT-scan bleek te zijn, toen bekroop me een gevoel van vooral angst. Daar bleek dat een aantal ruggenwervels gebroken en gedislokeerd waren.

Uiteindelijk ben ik 23 april aangekomen op de Intensive Care in het UMC te Utrecht. Daar volgden operaties aan mijn rug en benen en werd ik verder gestabiliseerd. Na een aantal dagen op de Intensive Care werd ik uit de kunstmatige coma gehaald en nog steeds had ik geen idee waar ik was, wat er was gebeurd en wie al die mensen waren die om mijn bed stonden. Omdat ik positief was getest op diverse resistente bacteriën lag ik in isolement met een soort sluis doorgang en moest iedereen die mijn kamer betrad mondkapje, haarnet, schort en handschoenen aan. Om die reden herkende ik dus al die mensen niet die om mijn bed stonden.

De eerste dagen op de IC bestonden vooral uit heel veel hallucinaties, de oorzaak daarvoor waren de morfine en ketamine. Naarmate de dosering ketamine en morfine af werd gebouwd, werd ik steeds helderder en kwam het besef wat er gebeurd was. Mijn familie vertelde me dat Marc en Jeroen gesneuveld waren, op dat moment besefte ik het nog niet helemaal. Ze vertelde dat ze naar de uitvaarten van Marc en Jeroen gingen, toen het besef tot me doordrong stortte mijn wereld in.

Na de week IC heb ik daarna nog 5 weken op de Medium Care afdeling van het Centraal Militair Hospitaal (CMH) gelegen. In die weken volgden er nog twee grote operaties aan mijn rechtervoet waarvan mijn hielbeen verbrijzeld was en aan mijn linker onderbeen waar een stuk huid met spierweefsel op werd getransplanteerd vanaf mijn bovenbeen. 1 juni werd ik ontslagen uit het CMH, en werd ik klinisch opgenomen in het verpleegcentrum van het Militair Revalidatie Centrum (MRC) te Doorn.

Doorn kende ik uiteraard goed van de jaren daarvoor toen ik op de marinierskazerne geplaatst zat maar de aanwezigheid van het MRC was me eigenlijk al die tijd volledig ontgaan. Terwijl het zo goed als letterlijk om de hoek ligt van de kazerne. Nu begon het voor mij pas echt. Terwijl ik aanvankelijk gedacht had snel klaar te zijn, want: ‘’ik heb mijn benen toch nog’’ was mijn gedachte, begon ik al snel in te zien dat de ernst van de verbrijzeling in de voet ernstiger was dan ik dacht. Daar ontmoette ik velen lotgenoten, andere militairen gewond geraakt tijdens hun uitzending naar Afghanistan en dat waren er een stuk meer dan ik gedacht had. Velen met verloren ledematen, verbrijzelde hielbenen en diverse andere verwondingen. En stuk voor stuk duurde ook hun revalidatieprocessen langer dan zij voor ogen hadden.

Na 4 jaar van revalidatie, vele operaties, ernstige ontsteking aan mijn linker onderbeen, mentale ups-and-downs, heb ik inmiddels een nieuwe toekomst voor mezelf uitgestippeld, ik ga de hbo-opleiding verpleegkunde doen zodat ik met mijn ervaringen anderen kan helpen. Operationeel dienen als marinier zit er voor mij na 17 april 2010 helaas niet meer in. Die dag heeft mij getekend, positief of negatief laat ik in het midden maar er is tot op de dag van vandaag geen dag geweest dat ik er niet aan gedacht heb. Ik hoop dat iedereen die dit leest vandaag stilstaat bij Marc Harders en Jeroen Houweling, en beseffen dat de vrijheid waarin wij leven niet gratis is!

Opgedragen aan Marc Harders en Jeroen Houweling, opdat zij nooit vergeten worden!

Erik van den Elzen
17 april 2014

(Met dank aan de vereniging De Gewonde Soldaat, opgericht door een groep van ca. 50 militairen, die zware verwondingen hebben opgelopen in Afghanistan)

woensdag 30 oktober 2013

Nederlanders even terug in Tarin Kowt

Een Nederlandse delegatie, onder leiding van ambassadeur Han Peters en Directeur Operaties generaal-majoor Leo Beulen, is in het Zuid-Afghaanse Uruzgan geweest. Eergisteren woonde het gezelschap de Recognition Ceremony op Multi National Base Tarin Kowt bij. Dat gebeurde op uitnodiging van Australië.

Betere toekomst
"Kijk niet alleen terug naar wat wij verloren hebben, maar kijk vooral ook naar wat we bereikt hebben: een betere toekomst voor de Afghaanse bevolking", hield de plaatsvervangend commandant van ISAF, luitenant-generaal John Lorimer, de aanwezigen voor. De Australische militairen verlaten aan het eind van dit jaar Uruzgan en dus ook Kamp Holland.

Nederlandse militairen voor het Australische monument op FOB Ripley

Meer meisjesscholen
De genodigden werden toegesproken door de Australische minister-president Tony Abott, de Afghaanse minister van Binnenlandse Zaken Omar Daudzai, de gouverneur van de provincie Uruzgan Mohammad Akhundzada en ambassadeur Han Peters.

Alle sprekers benadrukten de vooruitgang die in de provincie Uruzgan is geboekt. De veiligheid en de infrastructuur verbeterde sterk en het aantal scholen nam van 40 toe tot meer dan 200 (waarvan meer dan 25 voor meisjes). Minister Daoudzai beloofde de toehoorders dat de geleverde inspanningen en offers niet voor niets zijn geweest.

Uruzgan-veteranen
De Nederlandse delegatie bestond naast Peters en Beulen uit  chef staf van het Duits-Nederlandse legerkorps brigadegeneraal Kees van den Heuvel en 12 Uruzgan-veteranen, momenteel uitgezonden naar Afghanistan.

Van maart 2006 tot augustus 2010 voerde Nederland het commando in Uruzgan. Tijdens deze periode werd Camp Ripley sterk uitgebreid en het Nederlandse deel van de basis kreeg de naam Kamp Holland. Uit eerbetoon aan de Nederlandse inspanningen heeft het Combined Team Uruzgan - bestaande uit Australië, Frankrijk, Nieuw Zeeland, Singapore, Slowakije en de Verenigde Staten - na het vertrek van de Nederlanders de naam Kamp Holland aangehouden.

(ministerie van Defensie, 30 oktober 2013)

zaterdag 15 juni 2013

'De Nederlandse bomen worden alweer gekapt'

Hoe is het nu in Uruzgan? De ervaren oorlogsverslaggever Joeri Boom die de provincie vele malen bezocht in de 'Nederlandse tijd' werkt tegenwoordig als correspondent van NRC Handelsblad in India. Hij keerde terug naar Uruzgan om de balans op te maken. Hij bezocht de provinciehoofdstad Tarin Kowt en Chora (waar in 2007 fel om gevochten is).

Het resulterende artikel in de NRC van zaterdag 15 juni is boeiend en weinig optimistisch. De Taliban lijken in de startblokken te staan om de macht weer over te nemen; van een aantal Nederlandse opbouwprojecten is weinig meer over en de NGO's van het 'Dutch Consortium for Uruzgan' zijn grotendeels voortijdig vertrokken omdat de subsidiekraan dicht ging (doen ze zelf niet aan fondswerving, vraag ik me dan af...).

Grootste probleem lijkt de concurrentie tussen de verschillende stammen waaraan Nederland destijds veel aandacht heeft besteed. Maar de Amerikanen en Australiërs die het werk overnamen hebben dat kennelijk op een laag pitje gezet.

„Je kunt in Uruzgan nog zulke mooie projecten opzetten, maar als niemand voorkomt dat de stammen elkaar in de haren vliegen, is het gedaan met de veiligheid en komt de machine knarsend tot stilstand”, zegt dokter Gul. „Zouden de Nederlanders dat vergeten zijn aan de Amerikanen te vertellen?”

Het artikel van Joeri Boom is voor abonnees online te lezen. Niet-abonnees kunnen voor 1,50 een dagtoegang kopen: www.nrc.nl.

HdV

zaterdag 30 maart 2013

KRO De Wandeling: Jaaike Brandsma en haar hoop op meer erkenning

'Ook een soldaat zonder benen kan het land dienen'

De Almeerse Jaaike Brandsma richtte onlangs de vereniging De Gewonde Soldaat voor Afghanistan op. Volgens de 25-jarige soldaat vooral om erkenning te krijgen. 'Mensen weten vaak niet wat we daar gedaan hebben en denken dat het onze eigen schuld is dat we gewond zijn geraakt'. In KRO De Wandeling (zaterdag 30 maart, 18.30 uur, Nederland 2) wandelt Sander met haar en doet samen met haar collega's mee aan een `mudrace' om geld in te zamelen voor het Revalidatiefonds.

Jaaike Brandsma tijdens haar herstel

Brandsma raakte zelf op 10 juli 2007 gewond in Afghanistan en verloor daarbij haar linker onderbeen. 'Het gebeurde twintig dagen voordat ik naar huis mocht, bij de bazaar van Deh Rawod. Ik stond te overleggen over een vervolgopdracht en ineens - boem! - een explosie. Een klap. Een flits. Alles zwart. En dan begint de film. Hoe lang ik daar heb gelegen, weet ik niet. Ineens werd ik met andere zwaargewonden in een pick-up van de Afghaanse politie geladen. Ik zakte weg. Het was alsof ik in een diepe slaap werd gezogen, terwijl alles in me riep: ik ben er niet klaar voor. Ik kwam bij toen een jongen me een klap in mijn gezicht gaf. Ik wist: zak ik weer weg, dan word ik nooit meer wakker. Ik riep: `blijven slaan, Ik wil niet dood'.'

De Almeerse werkt nog steeds bij defensie. In Afghanistan was ze chauffeur en ziekenverzorgster, maar inmiddels is ze management-assistent. 'Vanuit defensie wordt genoeg gedaan voor gewonde soldaten. Deze vereniging doen we vanuit onszelf. Dus eigenlijk vanuit de maatschappij en ik hoop dat mensen daardoor beter begrijpen wat we hebben gedaan en hoe het komt dat we gewond zijn. Mensen denken vaak dat het onze eigen schuld is. Men weet vaak te weinig over wat ons werk inhoudt. Door ons te laten zien hoop ik op meer erkenning'.

KRO De Wandeling, zaterdag 30 maart om 18.30 uur op Nederland 2 (herhaling zondag 31 maart om 8.30 uur en dinsdag 2 april om 16.10 uur op Nederland 2)

(Bron: KRO)

dinsdag 25 september 2012

Trailer film 'Gesneuveld'




GESNEUVELD, de nieuwe film van Robert Oey (scenario en regie), gaat op zondag 30 september 2012 in première tijdens de 32e editie van het Nederlands Film Festival in de Stadsschouwburg in Utrecht. GESNEUVELD is vanaf 11 oktober te zien in de filmtheaters. GESNEUVELD komt ook op tv: op 10 december om 20:25 uur, Nederland 2.

Tussen 2006 en 2010 sneuvelden vijfentwintig Nederlandse militairen in Afghanistan. Vijfentwintig keer heeft het Ministerie van Defensie een berichtgever op pad moeten sturen met het nieuws dat een zoon, echtgenoot, vader of beste vriend op gewelddadige wijze om het leven was gekomen. Jongemannen meestal, in de kracht van hun leven, met een diepgevoelde wens om in het leger, ver weg van huis, te gaan vechten.

In GESNEUVELD tonen nabestaanden en militairen hun verdriet, hun frustratie, hun woede en hun kracht. Er worden vragen gesteld, veel vragen, maar antwoorden blijken onbevredigend. De achterblijvers laten uiteindelijk zien dat ze hun geliefden los moeten laten, om zelf met het leven door te kunnen gaan.
(website Filmfestival)

'Gesneuveld' gaat over de nabestaanden van de vijfentwintig Nederlandse militairen die in Afghanistan zijn omgekomen en de manier waarop zij met het verlies proberen om te gaan. De film laat zien dat het de nabestaanden de grootst mogelijke moeite kost om de draad weer op te pakken. Maar de film geeft ook een beeld van het Nederlandse leger dat, nadat de eerste soldaat sneuvelde, door is gegaan met de missie.

De een heeft verdriet om de zoon die er niet meer is, de ander mist haar echtgenoot, haar maatje. Sommige nabestaanden zijn boos, boos op Defensie omdat hun zoon door eigen vuur is omgekomen, omdat er fouten zijn gemaakt. Anderen vragen zich af op wie ze boos moeten worden. 'Het dienen in het Nederlandse leger was zijn leven, zijn droom. Ik was er trots op dat hij ging.' Sommige zitten met vragen. Ze willen het stoffelijke bewijs.

Het Ministerie van Defensie helpt ze daar zoveel mogelijk bij. Commandant der Strijdkrachten Peter van Uhm begrijpt de mensen die zoeken naar de ontbrekende puzzelstukjes. Hij verloor in Afghanistan zijn eigen zoon. Verdriet verbindt, maar het drijft mensen ook uit elkaar. Sommigen zoeken troost in een nieuwe toekomst. Anderen zoeken steun bij elkaar. Commando's herdenken hun maatje aan het strand. Op de slechte momenten zoeken ze, denkend aan hun broer of zoon, troost in de wetenschap dat hij écht op zijn plek zat. Uiteindelijk laat Gesneuveld zien dat men weer moet gaan leven. Dat loslaten, hoe moeilijk het ook is, de enige manier is om met dit immense verdriet on te kunnen gaan. 'Tim zou gezegd hebben: 'Ga niet bij de pakken neerzitten. Maak er wat van!'
(Omroep HUMAN, 25 september 2012)


Overzicht van in Afghanistan gesneuveld, omgekomen of overleden Defensiepersoneel sinds de start van de missie in Uruzgan in 2006. 

• 26 juli 2006: Overste Jan van Twist (47 jaar, Hoofd Sectie Operationeel Recht bij de Stafgroep Juridische Zaken van de Luchtmacht). Sergeant Bart van Boxtel (29 jaar, commandant van het Force Protection Team van het Contingentscommando in Kabul. Samen met andere passagiers en bemanningsleden omgekomen bij een helikoptercrash in de provincie Paktika.

• 31 augustus 2006: de F-16 van kapitein-vlieger Michael Donkervoort stort van grote hoogte neer, terwijl hij onderweg is van Kabul Airfield om luchtsteun te verlenen aan Britse troepen in de provincie Helmand. Om onbekende redenen werkt de schietstoel niet en de jachtvlieger komt om het leven.

• 11 oktober 2006: sergeant Wim Dijkstra pleegt met zijn dienstwapen zelfmoord op Kamp Holland.

• 6 april 2007: Sergeant der eerste klasse Robert Donkers komt om het leven bij een ongeluk met een Patria-pantserwagen. De Patria kantelde als gevolg van een wegverzakking,  het slachtoffer raakte bekneld.

• 20 april 2007: de 21-jarige korporaal Cor Strik van de Tijgercompagnie van de Luchtmobiele Brigade komt om het leven tijdens een patrouille bij de stad Sangin in de provincie Helmand tijdens de ISAF-operatie 'Achilles'. De korporaal stapte op een explosief en was op slag dood. Hij is de eerste gevechtsdode tijdens de Nederlandse inzet in Afghanistan. Bij de berging van zijn stoffelijk overschot komt een Amerikaanse sergeant met Nederlandse familiewortels, Alex van Aalten, ook om het leven.

• 15 juni 2007: de 20-jarige soldaat eerste klas Timo Smeehuijzen komt om het leven bij een zelfmoordaanslag met een autobom in Tarin Kowt. Vijf Afghaanse kinderen en een aantal volwassenen verliezen ook het leven.

• 18 juni 2007: de 44-jarige sergeant-majoor Jos Leunissen om het leven gekomen bij gevechten rondom Chora. Drie van zijn collega's van het 13e Infanteriebataljon van 11 Luchtmobiele Brigade raakten gewond. Er deed zich een ongeluk voor bij het afschieten van een mortiergranaat tijdens de heftige 'Slag om Chora'. .

• 12 juli 2007: Eerste luitenant Tom Krist (24) overlijdt in het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht. Hij raakte dinsdag 10 juli zwaargewond tijdens een zelfmoordaanslag in Deh Rawod.

• 26 augustus 2007: Sergeant Martijn Rosier (30) komt om bij de explosie van een geïmproviseerd explosief ten noorden van Deh Rawood.

• 20 september 2007: Soldaat eerste klasse Tim Hoogland (20) komt om bij een langdurig vuurgevecht bij Deh Rawod. Hij is de eerste Nederlandse militair die tijdens de missie in Uruzgan sneuvelt door vijandelijk vuur. Tim Hoogland maakte deel uit van de Bravo Compagnie van het 13e Infanteriebataljon Luchtmobile Brigade uit Assen.

• 3 november 2007: Korporaal Ronald Groen (21) sneuvelt bij de operatie Spin Gahr. Hij zat in een pantserwagen die bij de patrouillepost Poentjak op een bermbom reed. Groen hoorde bij de 43e gemechaniseerde brigade, gelegerd op de Johannes Post Kazerne te Havelte.

• 12 januari 2008: Soldaat Wesley Schol (20) en korporaal Aldert Poortema (22) worden gedood door eigen vuur ten noorden van Deh Rawod. Ze behoorden tot het 44ste pantserinfanterie-bataljon in Havelte.

• 18 april 2008: Soldaat Mark Schouwink (22) en eerste luitenant Dennis van Uhm (23) sneuvelen tijdens een verplaatsing ten noorden van Tarin Kowt. Uhm is de zoon van generaal Peter van Uhm, die een dag eerder Dick Berlijn was opgevolgd als Commandant der Strijdkrachten. De militairen kwamen om toen ze met hun jeep op een bermbom reden. Twee andere inzittenden raakten zwaar gewond.

• 7 september 2008: De 21-jarige soldaat eerste klasse Jos ten Brinke komt om het leven in een pantservoertuig, dat op 19 kilometer van Kamp Holland door een bermbom wordt getroffen. Vijf andere militairen raken gewond.

• 19 december 2008: De 24-jarige sergeant Mark Weijdt komt om tijdens een vuurgevecht. Vermoedelijk stapte hij op een bermbom.

• 6 april 2009: Bij een beschieting van Kamp Holland sneuvelt soldaat der eerste klasse Azdin Chadli uit Uden. Hij was 20 jaar en nog maar een week verbonden aan een gevechtseenheid in Afghanistan. Het is de eerste keer dat bij een beschieting op Kamp Holland militairen zijn getroffen. Er vallen vijf gewonden.

• 6 september 2009: Bij een vuurgevecht in Uruzgan wordt de Nederlandse korporaal Kevin van de Rijdt gedood. De 26-jarige militair van het Korps Commandotroepen maakte deel uit van Task Force 55.

• 7 september 2009: Bij een aanslag met een geïmproviseerd explosief (IED) komt de 44-jarige sergeant-majoor Mark Leijsen om het leven. Bij de explosie raakten ook drie Nederlandse militairen en een Afghaanse tolk gewond.

• 17 april 2010: twee mariniers sneuvelen wanneer hun Viking-pantservoertuig ten noorden van Tarin Kowt op een bermbom rijdt. De slachtoffers zijn de 29-jarige korporaal Jeroen Houweling en de 23-jarige marinier der eerste klasse Marc Harders.

• 22 mei 2010: korporaal der eerste klasse Luc Janzen (25) komt om bij de explosie van een bermbom in het district Deh Rawod. Bij deze ontploffing komen ook een Franse kapitein van een OMLT-team en een Afghaanse tolk om het leven. Vier militairen raken gewond, waarvan twee zwaar.

• 17 november 2010:  Reserve Luitenant-kolonel-Arts Fons Dur  (56) overlijdt door natuurlijke oorzaken op Kamp Holland.

Totaal aantal doden sinds het begin van de missie op 1 augustus 2006: 25

Waarvan in Uruzgan: 21

Doodsoorzaak: 
bermbommen (IED's):  11
Ongelukken: 5
Vuurgevechten: 2
Eigen vuur: 2
Zelfmoordaanslagen: 2
Raketaanvallen: 1
Zelfmoord: 1
Natuurlijke dood: 1

vrijdag 20 juli 2012

Gevechtsinsigne voor militair-verpleegkundige


UTRECHT - Sergeant-majoor Marco Doorn kreeg onlangs het gevechtsinsigne uitgereikt. Opmerkelijk voor een verpleegkundige. In Afghanistan kwam hij met zijn konvooi onder vuur te liggen. Het konvooi van Marco werd tijdens de uitzending van Battlegroup 6 gedurende de operatie Zorru diverse malen beschoten. Samen met zijn korporaal was hij verantwoordelijk voor de medische ondersteuning van de leden van het konvooi.

Diverse malen werd vijandelijk vuur afgegeven vanuit dichtbij gelegen quala’s, soms op een afstand van slechts dertig meter. Daarbij is geschoten met klein kaliber wapens, antitankraketten en mortieren. Zijn voertuig is getroffen door klein kaliber vuur; mortieren zijn zeer dichtbij ingeslagen. Marco heeft zelf verschillende keren het vuur moeten beantwoorden met het boordwapen.

Daarnaast heeft hij buiten en in het voertuig medische zorg verleend aan een zwaargewonde chauffeur. Het insigne werd uitgereikt tijdens de commando-overdracht van het Centraal medisch Hospitaal (CMH), uit handen van scheidend commandant CMH kolonel-arts Johan de Graaf.

(Defensiekrant, 19 juli 2012)

Uruzgan: 18 months after the Dutch/Australian Leadership Handover

Executive Summary

This report provides a comprehensive assessment of the political, social, economic, and security situation in Uruzgan at the end of 2011. It identifies key changes and achievements that occurred over the 18-month period since Australia assumed leadership for the Provincial Reconstruction Team (PRT) in Uruzgan in August 2010 while the multi-national military effort in the province—the Combined Team Uruzgan (CTU)—is under US command. The report, The Dutch Engagement in Uruzgan: 2006 to 2010, a TLO Socio-Political Assessment, was used as the baseline to measure change that occurred between 1 August 2010 and the end of December 2011.

TLO conducted about 180 interviews with local residents for this report, with a similar number of interviews from four quarterly provincial updates also incorporated. TLO’s survey team included several women to ensure that the perspectives of Uruzgani women were incorporated into the report. The resulting primary data was analysed by the TLO Research Team, comprised of both national and international staff, who conducted further desk research and triangulation interviews with 50 key Uruzgan actors and 29 development organizations. The report also includes local perspectives derived from a December 2011 survey conducted at a provincial stability meeting (jirga) with 523 Uruzgani respondents from all districts.

The report is broken down into sections that discuss progress in socio-economic development, gender equality, governance, access to justice, and security. Key recommendations follow the executive summary. It is hoped that the report will be used to encourage informed debate, test assumptions, help identify development gaps, and provide insight into local perceptions of the evolving socio-political situation in Uruzgan.

The Dutch ceded international responsibility for Uruzgan to the Australians in the summer of 2010 at the height of the international military surge. For many within the international community, this was an optimistic moment as the necessary resources to finally turn the tide of the decade-long conflict poured into Afghanistan’s south, the Taliban’s heartland.

The effects of that strategy are now being realized. The presence of the Afghan government has increased and its citizens are slowly able to access key services such as healthcare and education. Yet Uruzgan stands at a crossroads. Improved security and service delivery is set against the announced drawdown of international troops and reductions to development assistance. On-going talks with the Taliban could result in a political settlement involving some type of power sharing agreement. Uruzgan’s largely voiceless citizens have little or no say in any of these decisions and have no option but to keep their collective head down and hope for an outcome that will at least provide them with stability and the rights they have begun to enjoy.

Click here
for the full report (184 pp.)

(The Liaison Office, April 2012)

vrijdag 6 juli 2012

Commando-overdracht KCT

Vandaag heeft de commandant van het Korps Commandotroepen, kolonel Rob Querido, het bevel over de crème de la crème van de Koninklijke Landmacht overgedragen aan kolonel drs. Jan Swillens.

Kolonel Swillens
Swillens ontving in 1990 zijn groene baret; in 2000 werd hij commandant van 105 Commandotroepencompagnie en in 2002 detachementcommandant van de commando's die waren toegevoegd aan de missie ISAF-1 in Kabul en omgeving.

In 2008 en ‘09 werd luitenant-kolonel Swillens als commandant van 12 Infanteriebataljon Luchtmobiel Air Assault Regiment Van Heutsz uitgezonden als bevelhebber van de Battle Group (VIII) van de Task Force Uruzgan (TFU). Vervolgens was kolonel Swillens Hoofd Joint Speciale Operaties van Directie Operatiën (DOPS) van de Defensiestaf in Den Haag.

Kolonel Querido gaat na zijn vertrek bij het KCT het werk bij de Eenheid Bewaking en Beveiliging (EBB) van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV).

Kolonel Querido
Querido kreeg bekendheid door zijn rol bij de Slag om Chora in de Afghaanse provincie Uruzgan in juni 2007. Als commandant van de Battle Group (III) ontzette hij daar het door de Taliban belaagde oord Chora. Onder zeer moeilijke en gevaarlijke omstandigheden leidde hij voor de eerste maal sinds de Korea-oorlog succesvol een tegenaanval met nagenoeg de gehele Battle Group. Zijn optreden oogstte dan ook (inter)nationaal veel lof.

Op 22 januari 2009 werd hij commandant van het Korps Commandotroepen. Tijdens zijn commando overwon hij op persoonlijk vlak de Ziekte van Kahler – een agressieve vorm van bloed- en botkanker.

(website 'Boekje Pienter', 6 juli 2012)

woensdag 20 juni 2012

Aanvulling Veteranennota over de veteranen van de ISAF-missie in Uruzgan

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Aanvulling Veteranennota

Op 4 juni jl. (Kenmerk 30139-98/2012D24165) heeft de vaste commissie voor Defensie mij gevraagd om een aanvullend hoofdstuk in de Veteranennota over de veteranen van de ISAF-missie in Uruzgan. Met de bijlage bij deze brief voldoe ik aan dit verzoek. Het betreft een evaluatie van de nazorg voor militairen die hebben deelgenomen aan de ISAF-missie. De daarin voorgestelde verbeteringen worden op dit ogenblik ter hand genomen.

De missie in Uruzgan is een van de grootste militaire operaties geweest waaraan de Nederlandse krijgsmacht na de Tweede Wereldoorlog heeft deelgenomen. Tijdens de ISAF-missie 2006-2009 zijn jaarlijks ongeveer 6.000 Nederlandse militairen ingezet. In 2010 betrof dit 4.000 militairen. In deze periode zijn 25 dodelijke slachtoffers te betreuren geweest. Zij zijn overleden ten gevolge van gevechtshandelingen, ongevallen en andere oorzaken. Voorts zijn in deze periode 144 militairen tijdens gevechtshandelingen gewond geraakt.

Van de 57 militairen die in behandeling zijn genomen door het Militair Revalidatiecentrum, revalideren er nu nog 5. Defensie is het de militairen en hun thuisfront verplicht goede nazorg te bieden. In mijn brief van 4 juni jl. (Kamerstuk 30 139, nr. 98) heb ik uiteengezet dat het systeem van nazorg en het zorgtraject tijdens de ISAF-missie naar behoren hebben gefunctioneerd. Zorg voor uitgezonden militairen is te verdelen in drie fases: voor, tijdens en na de uitzending. Nu de missie in Uruzgan is voltooid, is het van belang te onderzoeken of het systeem van zorg na de uitzending – de nazorg – voldoet.

DE MINISTER VAN DEFENSIE
drs. J.S.J. Hillen


Evaluatie nazorg systeem voor militairen die hebben deelgenomen aan de ISAF-missie

Inleiding
Twee maanden voor het einde van de deelneming aan een missie begint het afwikkelingsprogramma voor de militair. Tijdens dit programma heeft de militair in het inzetgebied gesprekken met hulpverleners. De volgende stap in het programma is het adaptatieprogramma. In mijn brief van 4 juni jl. (Kamerstuk 30 139, nr. 98) heb ik uiteengezet dat de militair tijdens de adaptatieperiode wordt voorbereid op de terugkeer naar het leven in Nederland. De secundaire fase begint na thuiskomst van de militair en duurt ongeveer zes maanden. Tijdens de secundaire fase ontvangen de militair en zijn thuisfront een vragenlijst en wordt een terugkeergesprek gehouden. In de laatste, tertiaire, fase kunnen afhankelijk van de wensen en behoeften van de betrokken militair reünies worden georganiseerd. Ook de individueel ingerichte zorg (afhankelijk van de aanwezigheid en aard van de problematiek) wordt tot deze fase gerekend. De duur van deze laatste fase is afhankelijk van de ervaren problematiek. De evaluatie van de eerste nazorgfase is betrokken bij de evaluatie van de missie en maakt geen deel uit van deze evaluatie van de nazorg. Deze evaluatie heeft betrekking op de secundaire en tertiaire nazorgfase.

Organisatie gereguleerde nazorg in de secundaire afwikkelfase
Zes weken tot twee maanden na terugkomst wordt met de militair een terugkeergesprek georganiseerd. De commandant van de desbetreffende militair voert dit gesprek. Ook is het mogelijk dat dit gesprek wordt gevoerd door de maatschappelijk werker of een geestelijk verzorger. Doelstelling van dit gesprek is een beeld te krijgen van de (mentale) gezondheid van de militair. De commandant kan zich ook laten adviseren door het sociaal medisch team (SMT).

Tijdens de missie wordt een SMT samengesteld om de commandant te adviseren over onder meer personele inzetbaarheid, repatriëring en bij (ernstige) incidenten. Bij terugkeer in Nederland moet de informatie worden overgedragen van ‘het missie-SMT’ aan het SMT van het onderdeel in Nederland.

Observaties uit de praktijk
De individuele terugkeergesprekken zijn belangrijk omdat in een vroeg stadium over de ervaringen kan worden gesproken. Verder zijn er persoonlijke aandacht en tijd voor de militair en kan tijdig aanvullende hulp worden gevraagd of geboden. De commandant is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze gesprekken. Bij de evaluatie is geconstateerd dat de gesprekken plaatshebben tussen de tiende en twaalfde week na terugkeer. Het Diensten Centrum Bedrijfsmaatschappelijk Werk (DC BMW) organiseert en voert de terugkeergesprekken op verzoek van de (eenheids-)commandant of het Bureau Individuele Uitzendingen (BIU). Indien nodig wordt het DC BMW hierbij ondersteund door geestelijk verzorgers. Het komt voor dat een gesprek niet tijdig plaatsheeft omdat de militair niet verschijnt op de afgesproken datum. In deze gevallen wordt de militair opnieuw uitgenodigd. Het DC BMW registreert of de gesprekken zijn uitgevoerd.

Militairen die voor een werkbezoek in het uitzendgebied zijn geweest en daar langer dan 30 dagen verbleven, worden eveneens uitgenodigd voor een terugkeergesprek. Zij worden, evenals individueel uitgezonden militairen, niet altijd aangemeld voor een terugkeergesprek.

Het vaste protocol en de vragenlijsten van het DC BMW bieden voldoende houvast voor kwalitatief goede gesprekken. Uiteindelijk wordt de kwaliteit van de gesprekken met de militair bepaald door de hulp- of zorgverleners die het gesprek voeren. Vervolggesprekken of verwijzing naar een andere zorgverlener, zoals de onderdeelarts, bedrijfsarts, dienst geestelijke verzorging en de militaire geestelijke gezondheidszorg, is alleen mogelijk met toestemming van de militair. Een zorgindicatie wordt gemeld aan de commandant van de eenheid.

De overdracht van de informatie van het missie-SMT aan het SMT van het desbetreffende onderdeel vraagt nog aandacht. Deze overdracht is om uiteenlopende redenen niet altijd goed georganiseerd. Zo kan het voorkomen dat gerepatrieerde militair op een ander moment terugkomt in Nederland dan de rest van zijn eenheid. Voorts komt de uitzendduur van de leden van het missie-SMT soms niet overeen met die van de eenheid. Ook komt het voor dat de overdracht en adviezen van het missie-SMT worden afgedaan door verschillende instanties in Nederland, waardoor overzicht en inzicht soms ontbreken. En ten slotte blijken registraties niet altijd duidelijk, inzichtelijk of volledig. Het komt daardoor in uitzonderlijke gevallen voor dat de militair die zorg nodig heeft niet op de juiste wijze wordt opgevangen. Hoewel de organisatie ‘op papier’ goed is, is de uitvoering afhankelijk van de overdracht door de commandant in het uitzendgebied aan de administratieve commandant in Nederland en van de mensen die deel uitmaken van een SMT.

Constateringen
De secundaire nazorg wordt uitgevoerd zoals is vastgelegd in de protocollen. Het op een later moment uitvoeren van nazorggesprekken leidt niet tot problemen. In enkele gevallen wordt het gesprek niet gevoerd omdat de militair niet aanwezig was of niet wilde deelnemen aan een gesprek. De registratie van wel en niet gehouden gesprekken wordt beschikbaar gesteld aan de commandant. Het blijkt in de praktijk lastig een militair ertoe te bewegen deel te nemen aan een gesprek. Het uitoefenen van dwang zou daarbij contraproductief zijn.

Het SMT heeft een belangrijke advies- en signaalfunctie voor de commandant. In de praktijk blijkt dat de uitvoering hiervan niet overal gelijk is. Eind 2010 is een richtlijn uitgegeven om een duidelijke en kwalitatief verantwoorde wijze van functioneren van een SMT te waarborgen. De overdracht van het missie-SMT aan het vredes-SMT dient zorgvuldig te geschieden.

Organisatie gereguleerde nazorg in de tertiaire afwikkelfase
Aan het einde van de secundaire afwikkelingsfase ontvangt de militair twee nazorgvragenlijsten. Het betreft de Vragenlijst Nazorg Militairen (VNM) voor de militair zelf en de Thuisfrontvragenlijst (TFV) voor zijn of haar thuisfront. Beide vragenlijsten worden gebruikt als screeningsinstrument voor medische of psychosociale klachten. De ingevulde vragenlijsten kunnen aanleiding geven tot een individueel gesprek en eventueel een zorgaanbod. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het Diensten Centrum Gedragwetenschappen (DCGW). Indien de militair niet reageert, krijgt hij maximaal twee herinneringen. Het invullen van de vragenlijst is niet verplicht. Het wordt wel geregistreerd wanneer een militair de vragenlijst niet invult. Afhankelijk van de wensen en behoeften van de militairen en het thuisfront, worden voor beide groepen een jaar na de uitzending reünies georganiseerd.

Observaties uit de praktijk
Ongeveer vijftig procent van de militairen vult de VNM in. De respons van het thuisfront op de vragenlijst is lager en bedraagt twintig procent. Onder de militairen die niet reageren op het VNM zijn verschillende non-respons onderzoeken uitgevoerd. De meeste militairen reageren niet omdat zij geen medische of psychosociale klachten hebben. Verder kwam uit het non-respons onderzoek naar voren dat militairen of hun thuisfront ‘geen zin’ of andere prioriteiten hadden en daarom de vragenlijsten niet invulden. Voorts gaven militairen te kennen te vaak te worden gevraagd deel te nemen aan een vragenlijstonderzoek.

Van de deelnemende militairen blijkt ongeveer 65 procent geen klachten te hebben. Van de overige 35 procent heeft ongeveer vijf procent een belindicatie vanwege medische klachten, ongeveer twintig procent een indicatie voor psychosociale klachten en ongeveer twee procent voor zowel medische als psychosociale klachten. Verder meldt acht procent van de militairen met klachten zelf gebeld te willen worden door een arts. Van hen blijkt de helft geen hulpaanbod nodig te hebben en bij twaalf procent is al een zorgtraject te zijn gestart. Uiteindelijk worden voor drie procent zorgtrajecten gestart vanwege medische gronden, negen procent psychosociale gronden en voor twee procent om een combinatie van medische en psychosociale gronden. Deze resultaten zijn voortgekomen uit een onderzoek ‘Effecten van uitzending 2007-2009’ van het DC-GW. Hoewel deze resultaten geen betrekking hebben op de gehele evaluatie periode ISAF 2006-2010, zijn de resultaten representatief.

Afhankelijk van de wensen en de behoeftes worden, ongeveer een jaar na terugkeer, reünies georganiseerd voor de betrokken militairen en hun thuisfront. Het initiatief voor de reünie ligt bij de uitgezonden eenheid en haar thuisfrontcomité. Defensie kent financiële en materiele faciliteiten toe voor reünies. Een enkele keer wordt geen reünie georganiseerd vanwege geringe behoefte of belangstelling. Voor individueel uitgezonden militairen is de deelneming aan reünies minder vanzelfsprekend. De uitgezonden eenheid kan deze militair daarvoor uitnodigen en uit de praktijk blijkt dat dit ook gebeurt. Zo organiseert het Commando luchtstrijdkrachten zogenaamde IDEM-dagen (Individuele Deelnemers Eerdere Missies). Deze dagen blijken in een behoefte te voorzien en zouden ook voor de andere defensieonderdelen geschikt kunnen zijn.

Constateringen
Om de respons op de vragenlijsten te verhogen zijn de afgelopen jaren uiteenlopende initiatieven genomen. De manier van aanbieden van de lijsten is aangepast door onder meer de vragenlijst niet meer schriftelijk maar via het internet aan te bieden. Ook is de communicatie over dit onderzoek verbeterd. Onlangs is een folder met informatie over het belang van het nazorgonderzoek ontwikkeld. Het effect van deze maatregelen is nog niet gemeten. Een andere ontwikkeling is de vragenlijst via internet te voorzien van mogelijkheden voor de directe feedback over de resultaten en mogelijkheden voor aanvullende informatie. Dit kan het aantrekkelijker maken om deel te nemen. Voorts zijn er plannen om de aandacht van de commandant te vergroten en deze nog nadrukkelijker een rol te geven.

Aan het thuisfront wordt veel aandacht besteed en dit blijkt goed te functioneren. Het thuisfront geeft te kennen de zorg en de aandacht te waarderen. De huidige organisatie van zorg voor het thuisfront dient dan ook in stand te worden gehouden. Wel kan de informatievoorziening rondom uitzendingen worden verbeterd. Het gaat daarbij vooral om het actueel houden van de informatie op de thuisfrontsite.

(ministerie van Defensie, 20 juni 2012)

vrijdag 15 juni 2012

Hoge Australische onderscheiding voor Van Uhm

Commandant der Strijdkrachten generaal Peter van Uhm is in Canberra benoemd tot Officier in de Orde van Australië. De hoogste militair van Australië, generaal David Hurley, reikte de onderscheiding uit tijdens het werkbezoek van Van Uhm aan de Australische krijgsmacht in Australische hoofdstad.

Generaal Van Uhm is een van de weinige niet-Australische militairen die de eer te beurt valt om tot Officier in de Orde van Australië te worden benoemd. De laatste keer dat de onderscheiding werd uitgereikt, was aan de Amerikaanse generaal David Petraeus. Hij leidde namens de NAVO de missie in Afghanistan en is momenteel de directeur van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA.

Uruzgan
De generaal kreeg de onderscheiding uitgereikt vanwege zijn uitzonderlijk militair leiderschap tijdens de missie van de Nederlandse krijgsmacht in Uruzgan. Van april 2008 tot juli 2010 viel ook de Australische eenheid onder zijn commando.

De Australiërs roemden het inspirerend militair leiderschap van Van Uhm dat leidde tot een duidelijke verbetering van de veiligheid in de provincie Uruzgan. "Ook generaal Van Uhms enorme persoonlijke betrokkenheid bij de Australische militairen is door ons zeer gewaardeerd", aldus generaal Hurley.

Van Uhm toonde zich vereerd met de hoge onderscheiding en draagt hem op aan de Nederlandse militairen die in Uruzgan hebben gediend. "Ik heb de onderscheiding gekregen, maar het zijn onze militairen die het werk hebben gedaan. Deze onderscheiding is voor hen.''

(ministerie van Defensie, 15 juni 2012)