Posts tonen met het label ISAF. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ISAF. Alle posts tonen

donderdag 4 december 2014

Majoor Gijs Tuinman benoemd tot Ridder Militaire Willems-Orde



Majoor Gijs Tuinman is vandaag onderscheiden voor zijn daden in 2009 als commandant Meervoudig Ploegoptreden van Task Force 55 in Uruzgan. Hij werd voor dat optreden door koning Willem-Alexander tot Ridder Militaire Willems-Orde geslagen, de hoogste dapperheidsonderscheiding. Bij de ceremonie op het Binnenhof in Den Haag waren ook koningin Máxima, Prinses Beatrix, premier Mark Rutte en minister Jeanine Hennis-Plasschaert aanwezig.

Rol Tuinman
Tuinman in Uruzgan
Wie Tuinman's rol in Afghanistan in ogenschouw neemt, kan niet anders concluderen dan dat het niet één aspect is wat hem een bijzonder leider en mens maakt. Het is de specifieke combinatie van 3 bijzondere kwaliteiten die hem de Willems-Orde oplevert: moed, beleid en trouw.

Twee voorbeelden van Tuinman's optreden: begin september 2009 weet hij vechtend vanuit een hinderlaag met beleid een reddingsactie aan te sturen. In december bewijst hij tactisch vernieuwend te zijn door 3 Nederlandse Cougar-transporthelikopters in te zetten bij de zoektocht naar Taliban-strijders.

Het is niet de eerste keer dat Tuinman opvalt. Vanwege zijn excellente leiderschap, grondige voorbereiding, doortastende en dappere optreden tijdens Task Force Viper in 2006 ontving hij de Bronzen Leeuw, de op één na hoogste dapperheidsonderscheiding. Tuinman diende in totaal 4 keer in Afghanistan.

Task Force 55
Task Force 55 kenmerkte zich door de vele gevechtscontacten tijdens de vaak risicovolle operaties die meerdere dagen duurden, met intensieve inzet van helikopters. De militairen moesten zich tussen augustus en december 2009 in onherbergzaam gebied vaak letterlijk een weg voorwaarts vechten. De ene keer kwam de tegenstand uit grotten en loopgraven. De andere keer van snipers op bergtoppen. TF55 verplaatste zich bovendien onder voortdurende dreiging van geïmproviseerde explosieven.

Tuinman met sniper rifle in Uruzgan

Uitzonderlijke daden
Hennis roemde voorafgaand aan de ceremonie het 'excellente leiderschap' van toen nog kapitein Tuinman. Ze noemde hem de drijvende kracht achter het meervoudig ploegoptreden van Task Force 55, rotatie 2. "Niet zelden werden de militairen geconfronteerd met een overmacht aan strijders, waardoor ze voortdurend grote risico’s liepen. En dan draait het om blindelings vertrouwen. In elkaar en in de commandant. Dat vertrouwen was er! Het esprit-de-corps vormde een ijzersterk fundament voor de uitzonderlijke prestaties van majoor Tuinman en de special forces van Task Force 55 rotatie 2. Zij gingen voor elkaar door het vuur. Letterlijk en figuurlijk. Vertrouwen is dan ook dé basis. Alleen dan kan een militair excelleren en boven zichzelf uitstijgen."

Een unieke foto: Nederlandse special forces bijeen... Niet eerder gepubliceerd

Ceremonie
Bij de ceremonie vanochtend trad Tuinman uit de rijen van het Korps Commandotroepen, marcheerde naar koning Willem-Alexander en meldde zich. "Ik zweer mij als een getrouw en wakker ridder te zullen gedragen, mijn leven altoos te zullen veil hebben voor Koning en Vaderland en door al mijn vermogen mij steeds trachten waardig te maken de onderscheiding, mij door de koning toegestaan." Met het onderschrijven van deze woorden legde hij de eed af ten overstaan van de Koning, waarna die hem de ridderslag (accolade) toebracht.

Na het Wilhelmus maakte majoor Tuinman zijn opwachting bij de overige twee Ridders Militaire Willems-Orde en ontving ook van hen de traditionele accolade. Daarna namen alle Ridders Militaire Willems-Orde voor het aansluitende defilé hun positie in naast koning Willem-Alexander.

Ook een unieke foto: drie Ridders MWO: de majoors Kenneth Mayhew (97),
Marco Kroon, en Gijs Tuinman. Foto:ANP

Speciaal voor de bijzondere ceremonie was op het Binnenhof een grote tribune geplaatst. Deze bood plaats aan de twee Ridders Militaire Willems-Orde, hoogwaardigheidsbekleders en Tuinman's collega’s van Task Force 55. Zowel afvaardigingen van de Nederlandse als de buitenlandse eenheden die de Militaire Willems-Orde ontvingen, stonden opgesteld.


Persoonlijke informatie over majoor Gijs Tuinman

Majoor Gijs Tuinman wordt op 15 november 1979 geboren in Heerlen. De geboren en getogen Limburger haalt in 1998 zijn vwo-diploma. In datzelfde jaar start zijn militaire loopbaan aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Tuinman volgt de lange officiersopleiding en wordt in augustus 2001 toegelaten tot de Elementaire Commando-opleiding. Na het behalen van de felbegeerde groene baret volgt de Voortgezette Commando-opleiding.


Vanaf augustus 2002 vervult hij diverse leidinggevende startfuncties bij het Korps Commandotroepen. Eerst als ploegcommandant en later als pelotonscommandant bij 104 Commandotroepencompagnie. Van 2003 tot 2004 is hij even terug op de KMA voor een bachelor Militaire Bedrijfskunde. In die periode wordt hij in het kader van de International Security Assistance Force (ISAF) uitgezonden naar Kabul.

Bronzen Leeuw 
In 2005 volgt zijn tweede uitzending naar Afghanistan. Deze keer als Joint Terminal Attack Controller (JTAC) onder de vlag van Operation Enduring Freedom. Als JTAC stuurt hij vanaf een vooruitgeschoven positie gevechtsvliegtuigen, helikopters en bewapende UAV’s aan. Ook leidt hij een Special Operations-team. Nog geen jaar later dient hij voor de derde keer in Afghanistan, ditmaal als pelotonscommandant en JTAC. Voor bijzonder moedig en beleidvolle daden tijdens deze uitzending wordt hij onderscheiden met de Bronzen Leeuw, de op één na hoogste dapperheidsonderscheiding.

Na terugkomst blijft hij enkele jaren bij 104 Commandotroepencompagnie en wordt achtereenvolgens commandant Meervoudig Ploegoptreden en plaatsvervangend compagniescommandant. In die laatste functie is hij verantwoordelijk voor de opleiding en training van 80 tot 100 operators en heeft hij een centrale rol in de advisering en uitvoering van full spectrum Speciale Operaties.

Missies naar Mauritanië en Afghanistan
Tussendoor volgt een missie naar Mauritanië. In het West-Afrikaanse land leidt hij een Military Assistance-missie. Deze tweede hoofdtaak van het Korps Commandotroepen omvat onder meer het opleiden en trainen van buitenlandse veiligheidstroepen. De missie is gericht op de capaciteitsopbouw van het veiligheidsapparaat van Mauritanië. In 2009 vertrekt Tuinman met zijn organieke eenheid wederom naar Afghanistan. Nu als commandant Meervoudig Ploegoptreden met Task Force 55. In deze rol geeft hij leiding aan een gecombineerde taakgroep van 40 tot 300 militairen. Daarnaast houdt hij zich bezig met het opleiden en trainen van Afghaanse veiligheidsdiensten.

Master bestuurskunde
Tijdens de vele internationale missies werkt Tuinman vaak samen met andere departementen waardoor de interesse in bestuurlijke problematiek groeit. Bij terugkomst uit Afghanistan leidt dit dan ook tot een inschrijving voor een master Bestuurskunde aan de Universiteit Leiden. Daarnaast start Tuinman in 2010 met een adviesfunctie bij het Interservice Kenniscentrum Speciale Operaties. Hier draagt hij zijn kennis en ervaring over op collega-commando’s en ontwikkelt beleid op het gebied van Speciale Operaties.

In februari 2012 gaat hij met eervol ontslag vanwege een baan als senior consultant Beleid & Bestuur bij Deloitte Consulting B.V. Eind 2013 keert Tuinman als majoor terug bij Defensie. In zijn huidige functie is hij werkzaam als stafofficier bij de afdeling Bestuursondersteuning van het Commando Landstrijdkrachten in Utrecht.

Tuinman is getrouwd en heeft 3 kinderen.

(ministerie van Defensie, 4 december 2014)

De lijst van acties waarvoor Tuinman is onderscheiden

Toespraak Koning Willem-Alexander

Toespraak minister Hennis-Plasschaert

Video: de volledige uitzending van de ceremonie op 4 december 2014

woensdag 30 oktober 2013

Nederlanders even terug in Tarin Kowt

Een Nederlandse delegatie, onder leiding van ambassadeur Han Peters en Directeur Operaties generaal-majoor Leo Beulen, is in het Zuid-Afghaanse Uruzgan geweest. Eergisteren woonde het gezelschap de Recognition Ceremony op Multi National Base Tarin Kowt bij. Dat gebeurde op uitnodiging van Australië.

Betere toekomst
"Kijk niet alleen terug naar wat wij verloren hebben, maar kijk vooral ook naar wat we bereikt hebben: een betere toekomst voor de Afghaanse bevolking", hield de plaatsvervangend commandant van ISAF, luitenant-generaal John Lorimer, de aanwezigen voor. De Australische militairen verlaten aan het eind van dit jaar Uruzgan en dus ook Kamp Holland.

Nederlandse militairen voor het Australische monument op FOB Ripley

Meer meisjesscholen
De genodigden werden toegesproken door de Australische minister-president Tony Abott, de Afghaanse minister van Binnenlandse Zaken Omar Daudzai, de gouverneur van de provincie Uruzgan Mohammad Akhundzada en ambassadeur Han Peters.

Alle sprekers benadrukten de vooruitgang die in de provincie Uruzgan is geboekt. De veiligheid en de infrastructuur verbeterde sterk en het aantal scholen nam van 40 toe tot meer dan 200 (waarvan meer dan 25 voor meisjes). Minister Daoudzai beloofde de toehoorders dat de geleverde inspanningen en offers niet voor niets zijn geweest.

Uruzgan-veteranen
De Nederlandse delegatie bestond naast Peters en Beulen uit  chef staf van het Duits-Nederlandse legerkorps brigadegeneraal Kees van den Heuvel en 12 Uruzgan-veteranen, momenteel uitgezonden naar Afghanistan.

Van maart 2006 tot augustus 2010 voerde Nederland het commando in Uruzgan. Tijdens deze periode werd Camp Ripley sterk uitgebreid en het Nederlandse deel van de basis kreeg de naam Kamp Holland. Uit eerbetoon aan de Nederlandse inspanningen heeft het Combined Team Uruzgan - bestaande uit Australië, Frankrijk, Nieuw Zeeland, Singapore, Slowakije en de Verenigde Staten - na het vertrek van de Nederlanders de naam Kamp Holland aangehouden.

(ministerie van Defensie, 30 oktober 2013)

dinsdag 29 oktober 2013

Luchtmacht: tienduizendste missie boven Afghanistan

Nederlandse F-16’s vlogen hun 10.000e missie boven Afghanistan. De toestellen ondersteunen de International Security Assistance Force (ISAF) al ruim 10 jaar. De respectieve detachementen vlogen sinds 2002 in totaal 22.667 uur. Daarmee leverden de Nederlandse vliegers een aanzienlijke bijdrage aan de veiligheid en ondersteuning van coalitiepartners. Zij hebben de afgelopen 10 jaar ISAF-operaties geholpen, achtereenvolgens vanaf de vliegvelden Manas (Kirgizië), Kabul, Kandahar en sinds eind 2011 vanaf Mazar-e-Sharif (allen Afghanistan).


Nederlandse F-16 stijgt op vanaf Kandahar Airfield (foto: Defensie)

Armed overwatch
Een groot gedeelte van de missies die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd, betrof het bescherming van de grondtroepen: de zogeheten Armed overwatch. ISAF doet hierbij een beroep op de Nederlandse vliegers die met behulp van de Advanced Targetting POD (ATP) filmbeelden doorgeven aan de militairen in het veld. Deze informatie geeft ze een beeld van gebieden of objecten die vanaf de grond moeilijk te overzien zijn.

Daarnaast vlogen de F-16’s ruim 2.000 missies met het fotoverkenningsysteem RecceLite ter ondersteuning van de politietrainingsmissie. Nederland is de enige coalitiepartner in heel Afghanistan die sinds 2009 over deze zeer geavanceerde combinatie beschikt.

De gevechtsvliegtuigen ondersteunden diverse eenheden, waaronder de Afghaanse Grenspolitie die in een kantoor onder vuur lagen. Daarnaast werd een Amerikaanse eenheid ondersteund in de provincie Kunar, dat grenst aan Pakistan. De eenheid was met een konvooi onderweg en reed in een hinderlaag. Hierop brak een vuurgevecht uit. De aanwezigheid van de Nederlandse gevechtsvliegtuigen werd getoond door hard en laag over te vliegen, waarna de opstandelingen zich terugtrokken.

(ministerie van Defensie, 29 oktober 2013)

vrijdag 4 oktober 2013

Aantal Afghaanse tolken blijvend invalide; ten onrechte uitgezonden?

(...)

Tijdens het algemeen overleg personeel van 16 april jl. heb ik kort de ontwikkelingen gemeld aangaande de tolken van Afghaanse origine (Kamerstuk 33 400, nr. 82). Naar aanleiding van de vragen bij het nota-overleg van 24 jl. geef ik hierbij een uitgebreider overzicht van de laatste stand van zaken.

Bij de ISAF-missie in Afghanistan (2001-2010) is gebruik gemaakt van de diensten van tolken van Afghaanse origine. Na de beëindiging van de missie bleken meerdere van deze tolken gezondheidsklachten te hebben. De tolken waren veelvuldig uitgezonden, terwijl zij daar mogelijk psychisch of lichamelijk niet altijd toe in staat waren. De culturele en persoonlijke achtergrond van de tolken vergde nazorg en behandeling afgestemd op hun specifieke individuele omstandigheden. In de praktijk is gebleken dat de standaard zorgpakketten die zijn aangeboden onvoldoende aansloten bij de behoefte.

Afghaanse tolk op pad met 45 Painfbat. Foto © Hans de Vreij

Zoals mijn ambtsvoorganger heeft gemeld bij het notaoverleg veteranen van 17 juli 2012 (Kamerstuk 30 139, nr. 104), heeft Defensie deze tolken met terugwerkende kracht weer in dienst genomen zodat zij de noodzakelijke zorg konden ontvangen. Op dit moment worden de tolken intensief begeleid met zorg op maat waarbij ook veelvuldig contact is met hun vertegenwoordigers. In dit maatwerk wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de culturele achtergrond en de persoonlijke omstandigheden.

De zorg bestaat enerzijds uit intensieve en op maatwerk gerichte begeleiding bij de omgang met psychische problemen, indien gewenst – of noodzakelijk - bij een externe instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Anderzijds bestaat de zorg uit begeleiding bij lichamelijke klachten. Voorts kunnen de tolken een beroep doen op de beschikbare zorg voor partners en familie van veteranen. Zodra hij daartoe in staat is, helpt Defensie de tolk bij sociale activering en bij het zoeken naar werk.

Inmiddels is bij een aantal tolken blijvende invaliditeit vastgesteld. Voor hen staan alle voorzieningen, zoals de huidige rechtspositie die regelt, ter beschikking. Zodra de tolken de defensie-organisatie verlaten, terwijl het zorgtraject nog loopt, worden zij overgedragen aan het zorgloket van het ABP. Hiermee wordt de continuïteit van de nazorg verzekerd.

(...)

DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert

(Passage uit Kamerbrief 'Aanvulling Veteranennota 2012-2013', 30 september 2013)

woensdag 21 augustus 2013

Wetenschappelijke studie over ervaringen zes ISAF-landen

De militaire ervaring van zes landen in Afghanistan is voor het eerst gebundeld in een wetenschappelijk werk. Drie wetenschappers van de Nederlandse Defensie Academie leverden een bijdrage aan ‘Military Adaptation in Afghanistan’. De Nederlandse eindredacteur, commodore prof. dr. Frans Osinga, overhandigde het boek dinsdag aan minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert.

Ook vergeleken
Het boek brengt niet alleen de krijgservaringen van Canada, Denemarken, Duitsland, Groot-Brittannië, Nederland en de Verenigde Staten bijeen, maar vergelijkt ze ook met elkaar. Bovendien zijn analyses toegevoegd van de NAVO en het Afghaanse leger. Uniek is ook het hoofdstuk over de wijze waarop de Taliban zich hebben aangepast aan het optreden van de NAVO. Zo ontstaat een goed beeld van de complexe dynamiek van de wederopbouw- en antiterrorismemissie ISAF.

Documenteren en leren
“Het is van groot belang dat we de ISAF-ervaringen documenteren en er van leren. In de toekomst wordt ongetwijfeld weer een beroep gedaan op de in Afghanistan opgedane expertise. Een wetenschappelijke analyse zoals deze helpt daarbij. De Nederlandse Defensie Academie vervult met dit soort internationale studies uitstekend haar rol als belangrijk militair kennisinstituut”, zei de minister bij de overhandiging.

Rol politiek
13 analisten leverden een bijdrage aan het boek dat in juli verscheen bij Stanford University Press. Hun beschrijving geeft inzicht in de doelstellingen, het mandaat en de manier van optreden van de verschillende landen. Maar ook in de specifieke uitdagingen en de wijze waarop zij al dan niet in staat waren zich aan veranderende omstandigheden aan te passen. Zelfs de rol van de politiek is in de analyse meegenomen.

Hennis: “De complexiteit van de missie leverde regelmatig militaire en politieke verrassingen op, maar ook tegenslagen. We hebben veel geleerd en de missie heeft tot veel innovaties geleid.” Als voorbeeld noemde de bewindsvrouw de Nederlandse toepassing van de 3D-benadering (Defence, Diplomacy, Development).

Eveneens komen de discussies en veranderingen binnen de NAVO door ISAF aan de orde. Evenals het opzetten van een Afghaanse krijgsmacht, een moeizaam proces door de etnische en politieke verdeeldheid. Het boek beschrijft al die recente ervaringen tegen de achtergrond van een ontnuchterende historische analyse van eerdere interventies in Afghanistan.

Kenmerkende dynamiek
De uitgave biedt door de samenhangende aanpak en de verscheidenheid aan perspectieven inzicht in de dynamiek die deze complexe missie kenmerkt. Een missie waarvan de sporen nog lang in westerse krijgsmachten zichtbaar zullen zijn.

(ministerie van Defensie, 20 augustus 2013)

• Titel: Military Adaptation in Afghanistan
• Uitgever: Stanford University Press, USA
• Redactie: Theo Farrell, Frans Osinga en James A. Russell
• Pagina’s: 368
• ISBN: 9780804785884 (gebonden, € 98,99)
• ISBN: 9780804785891 (paperback, € 26,99)
• ISBN: 9780804786768 (E-book,  € 26,99)

(o.a. verkrijgbaar bij Amazon en Bol)

Bijdragen uit Nederland: Dr. Martijn Kitzen, Dr. Frans Osinga, Dr. Sebastiaan Rietjens (allen verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie NLDA)

Preview met inhoudsopgave, lijst auteurs e.d. is te vinden op Google Books

zaterdag 15 juni 2013

'De Nederlandse bomen worden alweer gekapt'

Hoe is het nu in Uruzgan? De ervaren oorlogsverslaggever Joeri Boom die de provincie vele malen bezocht in de 'Nederlandse tijd' werkt tegenwoordig als correspondent van NRC Handelsblad in India. Hij keerde terug naar Uruzgan om de balans op te maken. Hij bezocht de provinciehoofdstad Tarin Kowt en Chora (waar in 2007 fel om gevochten is).

Het resulterende artikel in de NRC van zaterdag 15 juni is boeiend en weinig optimistisch. De Taliban lijken in de startblokken te staan om de macht weer over te nemen; van een aantal Nederlandse opbouwprojecten is weinig meer over en de NGO's van het 'Dutch Consortium for Uruzgan' zijn grotendeels voortijdig vertrokken omdat de subsidiekraan dicht ging (doen ze zelf niet aan fondswerving, vraag ik me dan af...).

Grootste probleem lijkt de concurrentie tussen de verschillende stammen waaraan Nederland destijds veel aandacht heeft besteed. Maar de Amerikanen en Australiërs die het werk overnamen hebben dat kennelijk op een laag pitje gezet.

„Je kunt in Uruzgan nog zulke mooie projecten opzetten, maar als niemand voorkomt dat de stammen elkaar in de haren vliegen, is het gedaan met de veiligheid en komt de machine knarsend tot stilstand”, zegt dokter Gul. „Zouden de Nederlanders dat vergeten zijn aan de Amerikanen te vertellen?”

Het artikel van Joeri Boom is voor abonnees online te lezen. Niet-abonnees kunnen voor 1,50 een dagtoegang kopen: www.nrc.nl.

HdV

maandag 11 maart 2013

Uruzgan: ontmanteling Kamp Holland begonnen

Door verslaggever Peter ter Velde

In de hoofdstad van Uruzgan, Tarin Kowt, is de ontmanteling van Kamp Holland begonnen. Aan het eind van dit jaar moet het hele kamp zijn verdwenen. De Australische en Amerikaanse militairen die de basis nu nog bemannen, zijn rond die tijd helemaal weg uit Uruzgan. Het Afghaanse leger en de politie moeten de veiligheidstaken dan volledig hebben overgenomen.

Kamp Holland

Van 2006 tot medio 2010 gaf Nederland leiding aan de internationale troepen in Uruzgan. Kamp Holland was de belangrijkste basis. De kleinere basis in Deh Rawod, Camp Hadrian, is rond de zomer volledig opgeheven. Australische troepen zijn bezig al hun materiaal daar weg te halen.

Trainingen 
De Australiërs, die sinds eind vorig jaar het commando voeren over de internationale troepen in Uruzgan, patrouilleren al enige tijd niet meer in de provincie. Kleinere buitenposten, zoals die in de plaats Chora, zijn overgedragen aan de Afghanen.

Het werk van de Australiërs concentreert zich nu op de laatste trainingen van Afghaanse militairen en politieagenten en het terughalen van al het materieel. Honderden militairen zijn inmiddels teruggekeerd naar Australië en ook de Amerikaanse troepenmacht in de provincie is fors gereduceerd.

Ontspanningsruimte 
Na het vertrek van de Nederlanders werd Kamp Holland omgedoopt tot Multinational Base Tarin Kot. Volgens bronnen in de provincie wordt de basis "in rap tempo leeggehaald". Veel van de chalets waar jarenlang Nederlandse militairen sliepen, zijn afgebroken. Het hele gebied waar het kamp nu nog staat wordt geëgaliseerd.

Vlaggen op Kamp Holland, 2009. Foto: Hans de Vreij

Het laatste kleine Nederlandse bolwerk op het kamp was de ontspanningsruimte Echo's. Die werd door Nederlandse burgers geleid en is vorige week afgebroken. De Nederlandse medewerkers zijn onderweg naar huis.

Nieuwe barakken voor Afghaanse militairen worden gebouwd op hun eigen basis, die altijd al naast Kamp Holland lag. Zo'n 2500 Afghaanse militairen zijn nu in de provincie gelegerd.

(NOS, 11 maart 2013)

vrijdag 8 maart 2013

Nederland beëindigt missie Kunduz

Nederland stopt op 1 juli 2013 met de politietrainingsmissie in Kunduz, zo maakte het kabinet vandaag bekend. Het werk gaat tot die datum onverminderd voort, maar het accent verschuift verder naar de overdracht van taken aan de Afghaanse autoriteiten. Personeel en materieel hebben uiterlijk 1 november de Duitse basis in Kunduz verlaten.

De Nederlandse geïntegreerde politietrainingsmissie heeft sinds de zomer van 2011 een stevige basis gelegd voor de hele justitieketen in Kunduz. De Afghanen zijn eerder dan gepland klaar om zelf de verantwoordelijkheid voor politietrainingen te dragen in Kunduz. Zo geven Afghaanse trainers al zelf les en begeleidt Duits en Nederlands personeel de Afghaanse staf, zodat die de leiding kan overnemen. Vanaf 1 juli is Afghanistan zelf verantwoordelijk voor de politieopleidingen en wordt het trainingscentrum overgedragen door de Duitsers aan de Afghanen.

Het regeringsbesluit is deels ook het gevolg van de Duitse troepenreductie in Afghanistan. De oosterburen trekken hun militairen in de tweede helft van dit jaar terug uit Kunduz. Nederlands personeel in het gebied is voor veiligheid en legering afhankelijk van Duitse eenheden. Dit geldt ook voor de Nederlanders die voor EUPOL in Kunduz het hogere politiekader opleiden. EUPOL sluit hun trainingslocatie in Kunduz naar verwachting eveneens op 1 juli.

Nederland blijft actief
Nederland vertrekt niet helemaal uit Afghanistan. De ontwikkeling van de rechtsstaat in Kunduz is een zaak van lange termijn. Daarom gaat het zogenoemde rule of law-programma volgens planning tot in 2014 door. Lokale, niet-gouvernementele organisaties die niet afhankelijk zijn van Duitse of Nederlandse aanwezigheid voeren de projecten uit en zij blijven met de Nederlandse ambassade in Kabul de projecten monitoren.

Nederland blijft in Kunduz ook militair betrokken met de inzet van de 4 F-16’s vanaf  Mazar-e-Sharif. De jachtvliegtuigen voeren de taken uit onder het huidige mandaat en ondersteunen daarnaast de terugverplaatsing van de Nederlandse eenheden.

Nederland blijft EUPOL ondersteunen in Kabul met politiefunctionarissen en deskundigen die werken aan de versterking van de politie- en justitiesector op nationaal niveau.

Positief
Nederland is sinds de zomer van 2011 actief in Kunduz. Het kabinet is voorzichtig positief over de resultaten, staat in een tussentijdse evaluatie die vandaag ook aan het parlement is gezonden. De waardering voor de Nederlandse inspanningen is groot bij zowel de Afghanen als de internationale partners. Door de gehele justitiële keten heen zijn er nu beter opgeleide agenten, advocaten, rechters en aanklagers.

Het is volgens het kabinet nu te vroeg om vast te stellen wat het effect op langere termijn zal zijn van de politietrainingsmissie.

(ministerie van Defensie, 8 maart 2013)

Bijlagen:

Kamerbrief Geïntegreerde politietrainingsmissie Afghanistan

Kamerbrief Tussentijdse evaluatie politietrainingsmissie in Afghanistan

Bijlage Tussentijdse evaluatie politietrainingsmissie in Afghanistan

Nederlanders deze zomer weg uit Kunduz

Het kabinet stopt eerder met de politiemissie in Afghanistan. De ruim 350 militairen en politiemensen keren al deze zomer terug uit de Afghaanse provincie Kunduz. Bronnen rond het kabinet bevestigen dat de ministerraad daarover vandaag een besluit neemt. RTL-redacteur Jos Heymans over de precieze aantallen: "300 mlitairen Kunduz keren per 1 juli terug. 70 man blijven in Kabul net als 120 man bij F-16''s. Tot einde missie eind dit jaar. (@JosHeymans)

Nederland traint sinds de zomer van 2011 de politiemensen in het noorden van Afghanistan. De Nederlandse militairen worden beschermd door Duitse eenheden in de omgeving en door vier eigen gevechtsvliegtuigen die in de buurt van Kunduz zijn gestationeerd.

Aanvankelijk zou de missie tot volgend jaar duren. Maar de Duitsers vertrekken al deze zomer, waardoor de bescherming van de Nederlandse troepen komt te vervallen. Het kabinet wil daarom tegelijk met de Duitsers weggaan. Daar komt bij dat de training van de Afghaanse politie zo goed als afgerond is. De Afghanen zijn al in staat hun eigen mensen op te leiden.

Wel naar Somalië
Het kabinet zal vandaag ook besluiten om deel te nemen aan een EU-trainingsmissie voor Somalische troepen. Het gaat om een tiental Nederlanders die in de Somalische hoofdstad Mogadishu trainingen gaan geven.

De missie in Kunduz was politiek omstreden. Het eerste kabinet-Rutte moest de steun van de oppositiepartijen D66 en GroenLinks vragen om de militairen te kunnen uitzenden. Vooral de achterban van GroenLinks had grote moeite met de gegeven steun aan het kabinet.

(RTL Nieuws, 8 maart 2013)

woensdag 27 februari 2013

Nieuwe commandant ISAF bezoekt politietrainingsmissie

De Nederlandse militairen in Kunduz hebben bezoek gehad van de nieuwe commandant van de ISAF-missie in Afghanistan, de Amerikaanse generaal Joseph Dunford.

Generaal Joseph Dunford
Dunford kreeg een toelichting op de politietrainingsmissie, maar hij bleek al goed op de hoogte van het Nederlandse aanpak. “Het geïntegreerde karakter en de wijze van optreden werken uitstekend in Afghanistan”, zei hij.

8 vrouwelijke Afghaanse agenten rondden in Kunduz-stad als eerste groep de vervolgtraining af. Nederlandse trainers verzorgden deze voortgezette cursus. Commandant Police Training Group kolonel Roland de Jong en civiel vertegenwoordiger Geoffrey van Leeuwen reikten de certificaten uit. “Dit is een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling en professionalisering van de Afghan Uniformed Police”, aldus De Jong.

Nieuwe lichting
Ook ontvingen 63 agenten van de Afghaanse politie een diploma voor het volgen van de aanvullende politietraining. Ze kwamen uit alle 4 de districten van Kunduz waar Nederland agenten traint. Een nieuwe lichting agenten begint binnenkort met de praktijktraining bij de Police Training Group.

De Nederlandse politietrainers verzorgden trainings- en begeleidingsactiviteiten op het regionaal trainingscentrum in Kunduz-stad en in verschillende districten. Ook kregen zij bezoek van Kamerleden van de vaste Commissie Defensie. De politici namen ook een kijkje bij Nederlandse eenheden in Kabul en Mazar-e-Sharif.

Radio
Civiel vertegenwoordiger Van Leeuwen nam deel aan een programma van het radiostation Radio Kaihan. In de uitzending gaf hij uitleg over de Nederlandse missie. Luisteraars konden ook bellen met vragen voor hem.

(Weekoverzicht Defensie, 27 februari 2013)

vrijdag 22 februari 2013

Minister Hennis wil 'slagvaardige NAVO'

Het belang van samenwerken voor de slagvaardigheid van de NAVO was gisteren en vandaag het voornaamste onderwerp van gesprek tijdens een bijeenkomst van de ministers van Defensie in Brussel. Namens Nederland woonde minister Jeanine Hennis-Plasschaert de vergadering van het bondgenootschap bij.

De ministers spraken over het niveau van de NAVO, het budget, kleinschalige samenwerkingsverbanden, investeringen en de ontwikkeling in Afghanistan.

De samenwerking wordt in 2015 al grootschalig op de proef gesteld met een uitgebreide NAVO-oefening, zo besloten de ministers.

Niveau handhaven
De NAVO wist in eerdere operaties al een hoog niveau te halen. Het kan bijvoorbeeld bogen op de ISAF-missie in Afghanistan, waar zo’n 50 landen intensief samenwerken en op elkaar zijn ingespeeld.

Om dit niveau te handhaven, ontwikkelden de NAVO-bondgenoten het zogeheten Connected Forces Initiative. Dit initiatief berust op 3 pijlers:

•    meer gezamenlijke oefeningen;
•    gezamenlijke opleidingen; en
•    een beter gebruik van elkaars technologie.

Nederlands belang
Omdat Nederland vrijwel uitsluitend in internationaal verband optreedt, onderstreepte Hennis hoe belangrijk het behoud van deze interoperabiliteit is, net als samenwerking met partnerlanden.

Financiën
Ook het NAVO-budget kwam aan de orde. Zo gaf Hennis aan dat zowel de NAVO als de individuele bondgenoten beschikbare fondsen slimmer en meer gezamenlijk moeten inzetten. Hennis: “Wanneer nagenoeg alle bondgenoten bezuinigen op de krijgsmacht, is multinationale samenwerking een bittere noodzaak. Het is bovendien niet vrijblijvend en daar moeten we naar gaan handelen."

Bottom-up
Bij samenwerking is Nederland voorstander van de bottom-up benadering. Daarbij nemen landen zelf het initiatief om met gelijkgestemde landen te werken aan capaciteitontwikkeling. Nederland deed daarmee al veel ervaring op in Benelux-verband en in projecten zoals Benesam, het European Air Transport Command, het Duits-Nederlands legerkorps en de European Gendarmerie Force.

De NAVO kan volgens Hennis een belangrijke coördinerende en faciliterende rol spelen bij dit soort multinationale samenwerking. Daarvoor is goede coördinatie met de EU een vereiste.

Militair advies
Militaire NAVO-commandanten informeerden de ministers in Brussel over de benodigde investeringen in capaciteiten. Investeren op een aantal gebieden vinden zij essentieel om het bondgenootschap klaar te maken voor de 3 kerntaken: gemeenschappelijke verdediging, crisisbeheersing en coöperatieve veiligheid in 2020. Het gaat dan bijvoorbeeld om bescherming tegen raketaanvallen, de geïntegreerde benadering bij crisisbeheersingsoperaties en de partnerschappen.

Overleg Afghanistan
Ministers van landen die troepen leveren aan ISAF spraken vandaag afzonderlijk over de NAVO-inzet in Afghanistan en de financiering na afloop van de huidige missie.

De nieuwe ISAF-commandant generaal Joseph Dunford sprak hen bij over de ontwikkelingen. Het grootste deel van Afghanistan bevindt zich in de transitiefase, de overgangsfase waarin Afghanen geleidelijk zelf verantwoordelijk worden voor de veiligheid. De missie krijgt steeds meer nadruk op begeleiding en training van Afghaanse politie en leger.

De geïntegreerde aanpak van Nederland op dat gebied noemde Dunford nog als best practice, toen hij vorige week Kunduz bezocht.

Overwegingen
De NAVO overweegt na vertrek uit Afghanistan in 2014 een groter Afghaans leger te onderhouden dan aanvankelijk gepland. Dat zou kunnen betekenen dat het bondgenootschap wil doorgaan met de financiering van 352.000 Afghaanse militairen tot 2018. Het besluit hierover vindt later plaats.

Jaarlijks 30 miljoen
Nu al betalen de NAVO en andere landen de salarissen en het materieel van zo'n 352.000 Afghaanse militairen. Dat kost per jaar bijna 6.5 miljard dollar. Nederland draagt in de periode 2015 - 2017 jaarlijks een bedrag van 30 miljoen bij, waarvan 5 miljoen voor het Afghaanse leger en 25 miljoen voor de Afghaanse politie.

Missie Turkije
Minister Hennis en haar Duitse collega Thomas de Mazière reisden aansluitend aan de NAVO-bijeenkomst door naar Turkije voor een tweedaags bezoek aan de Duitse en Nederlandse Patriot-eenheden.

(Rijksoverheid, 22 februari 2013)

woensdag 9 januari 2013

Toespraak Generaal de Kruif voor het US Army War College

Op 7 januari werd Luitenant-generaal Mart de Kruif (Commandant Landstrijdkrachten) opgenomen in de International Fellows Hall of Fame van het U.S. Army War College. Generaal De Kruif is de 42ste buitenlandse (en vijfde Nederlandse) militair die deze eer te beurt valt. In zijn presentatie ging De Kruif vooral in op zijn ervaringen in Afghanistan, waar hij in 2008/9 het bevel voerde over het Regional Command (South) van ISAF.  Het USAWC heeft de volledige presentatie op YouTube gezet, hoewel een deel onder de zogeheten Chatham House Rule viel, d.w.z. niet toe te schrijven is aan de spreker.





Lieutenant General Mart de Kruif
Commander of the Royal Netherlands Army
42nd member of the US Army War College International Fellows Hall of Fame

Address to Army War College Class of 2013: “Multinational Operations”

January 7, 2013

Your Excellencies, Generals, Ladies, Gentlemen,

Having just been inducted in the Hall of Fame, the opportunity to speak before you now is yet another great honor for me.  And the year I spent in the Class of 2003 (…) together with my family it was really one of the best years of our lives.

But back then, I could not have imagined that that I’d be back here in 2009 and again today. Life is full surprises and some of them are actually quite pleasant.

The official reason for my induction in the Hall of Fame is the fact that I am an ex-student and commanding the Royal Dutch Army. I’m perfectly aware, though, that you are not particularly focused on the Netherlands or its armed forces. I will illustrate that. When I came here (…), I had to get a haircut. So I went into town, sat in the chair of the hairdresser, and she started talking to me. She asked: ‘where are you from?’ I said: ‘from Holland’. She said ‘That’s great. That’s in Indiana, isn’t it?’ It even gets worse. I said: ‘No, the Netherlands’. She said: oh, that’s great. I’ve always wanted to go to Scandinavia and visit Paris’.  [Laughter]

But you shouldn't take this at face value because the Netherlands probably has more links with the United States than you may know, and I will tell you a few facts from a historical perspective. First, to disappoint you but the word Yankees has a Dutch origin, just like the word dollar. Up to 1664, Manhattan was a Dutch colony bearing the name New Amsterdam.  Most of the boys were named Jan or Kees. If you put that together, you get Yankees. That’s why you won’t find many fans of the Boston Red Sox in the Netherlands. [Laughter]

We were a very important financier of your War of Independence. And actually, in July 1780, the United States dispatched John Adams to Amsterdam to guarantee the financial support. We are the 5th biggest trade partner of the United States and over 4 million Americans are directly depending on Dutch trade or industry for their jobs. We are the world’s 6th largest exporter and the 16th economy. Six of your Presidents had Dutch roots. It’s your job to find out who they were.  [Laughter]

General de Kruif during a VTC at RC (South),
2009. Photo: Hans de Vreij 
Why am I telling you this? After all, it’s impossible and unnecessary to know everything that is going on in the world, and I certainly don’t expect you to know everything about the Netherlands. But this touches upon the subjects of these weeks: what does it mean to be a strategic leader in a multinational environment? I will give you my vision on this topic, through an account of my international career and my military experience of the last 20 years. But the main base of my presentation is of course my experiences as commander of ISAF Regional Command (South) in Afghanistan in 2008 and 2009. (…)

I was born near Arnhem, the city that became famous through the movie ‘A Bridge Too Far’. When I was a child, we could receive only three television channels. One Dutch, and two German. In secondary school, English, French and German were compulsory subjects.  Holidays with my parents were spent in France, Italy, Spain, Germany, England and Norway.  This kind of background is not uniquely mine, but common to many people in the Netherlands. We are, after all, a very small country. If you don’t use the brakes of your car in time, you find yourself in Belgium or in Germany. [Laughter]

But global trade is also very deeply rooted in our tradition. During the 17th century and later, Dutch ships were sailing all around the world conducting trade. With the same aim, colonies such as New Amsterdam, South Africa and the Netherlands East Indies, today’s Indonesia, were established. In other words, our geography and our lifestyle forced us and still forces us to have a global outlook. When you’re a small country, the world out there is pretty big, I can tell you.

As an Army officer I had the fortune of course to study for two years at the German defense college, and attended German Army commanding General Staff course as shown, and in addition, I was deployed in numerous missions, as you have seen. But of course, the most important one and the most impressive one was commanding the ISAF forces in Regional Command (South). I can tell you this was not an easy job. During my command, we lost 282 lives of soldiers – 104 US soldiers and 102 British soldiers, 33 Canadians, 12 Australian soldiers and so on and so on. It was, and it still is a very tough fight in Southern Afghanistan. And it’s not the nicest thing to do when you see people dying in your hands and you have to write home to the family what happened. But that is what operations are all about and most of you gathered here know what it means.

It is unusual, however, for a Dutch general to command 45,000 forces on the ground. During one of my presentations, one of the students asked me: ‘when was the last time before you that a Dutch general commanded 45,000 coalition troops on the ground?’ My answer was: ‘probably Waterloo’. That was not the good answer if your presentation is at the École de Guerre in Paris, I can tell you. [Laughter]

I will not give you the official point of view, but I will give you [under] Chatham House Rules my opinion on international cooperation. It’s about how I think about this type of cooperation and my points of view are of course for a very important part influenced by my experience in Afghanistan and the years afterwards. I’ll make a couple of points on this type of cooperation.

First, whether you like it or not, international cooperation is a fact. It is reality. International cooperation follows directly from our shrinking defense budgets. Being a small country with a reduced budget, you are soon faced with the reality of having to get rid of capabilities that you actually need. This created dependence on partners.

A good example is the fact that that the Dutch armed forces have had to bid farewell to their tanks during the latest reorganization. Yet I continue to train my leadership and my units in integrating the effects of tanks in a scheme of maneuver. I do this by making use of German tanks in every exercise at battalion level and higher. (…) This is a real example of Pooling and Sharing being put into practice.

But there is also a more positive reason why we should aim for more cooperation, and this is operational reality. We can spend a long time talking about cooperation here, but to our junior leadership, that is just everyday reality. When I was a young Captain, my war position where I had to dig a hole was close to the Innerdeutsche Grenze [the border between West and East Germany, HdV] looking East. And I was defending in a position where the Dutch Army Corps would defend. We would fight shoulder to shoulder with only Dutch units. If you would see British or US tanks, one thing would be sure: you would be in big trouble, because that would mean that the reserve was lost and we never trained this.

Now, if you are a platoon commander, I will give you the example of a young Dutch platoon commander who operates in Uruzgan. When he leaves the base, he is accompanied by Afghan National Army and Afghan National Police. They are mentored by Australians and by French.  The camp is guarded by Slovaks. His top cover comes from Belgian F-16’s, Mirages from France and U.S. fighters from Bagram.

General De Kruif visiting US Special Forces in
Uruzgan Province, 2009. Photo: Hans de Vreij
If he gets in a fight, in a ‘Troops in Contact’, and one of his soldiers is wounded, we call in the Medevac helicopter from the United States which is accompanied by Apaches from the Dutch Air Force. We bring him back to the field dressing station at Tarin Kowt Camp, where a surgical team from Singapore saves his life, probably with blood from the British blood bank from Helmand, from Camp Bastion. Then we call in a Canadian C-130, we fly him back to Kandahar, where nurses from Romania will take him to the operating room, where a surgeon from the United States will stabilize him. We fly him back with a British plane to the United Kingdom and we’ll pick him up there. That is reality for our junior leadership when we talk about international cooperation on a day-by-day basis.

And therefore, it is important that we realize this, because you and I as strategic leaders have the obligation to ensure that our people are prepared for this type of cooperation, and this must be done during their training and education. Therefore, in the Netherlands, much of the curriculum of the Royal Military Academy is taught in English now. Future leaders are intentionally posted abroad (…) and incorporated in foreign staffs and units, and NATO doctrine is applied. And every exercise at battalion level and above, the only language used is English. The orders are written in English. The communication on the net is in English and the after action review is in English.

But also, when we train our brigades, they are not only trained by 1 (German/Netherlands) Corps, but also by the ARRC from England and the Rapid Reaction Corps of the French in Lille. So we force our people to have an international focus during their regular training program.

Secondly, international cooperation is a source of strength. The problems facing military personnel during missions today are highly complex, and they are different from those facing them in the past. There has been a paradigm change here. In the past, you would see civilian effects supporting a military operation and we would call this CIMIC. Today, it is completely reversed. Military effects are now used in support of civilian-led operations. And I have observed that particularly this civilian component is struggling with the roles it has to take on. And the failure, from my point of view, of UNAMA in Afghanistan on the main lines of operation – government and development - serves as an example.

But military personnel is struggling as well to make good the lack of civilian involvement, contributions and capacities. The problems facing our personnel in this process are often unknown, highly complex and very diverse. How do you get power from the Kajaki Dam down to Kandahar? How do you get a banking system? How do you train your judges? This means that commanders will have to mobilize all the cultural and intellectual skills of their personnel in order to resolve these damned complex issues. If those skills are supplied by military and civilian personnel from different countries, and therefore different cultures, they are bound to be better suited for their job than the skills of a purely national military staff. The challenges for the commander is to tap into this intellectual richness and translate it into success.

Third. International cooperation requires a new type of leader. The basic qualities required by military leaders are largely universal and timeless. Vision, professionalism, courage, daring, integrity, role model, attitude readily comes to mind. (…) However, for a leader of an international coalition, some additional elements come into play. First of all, language skills. A good proficiency in English is, of course, necessary. But it’s not just regular English.  There are two issues here at stake. First, like General Patton said: ‘English is very difficult because we have two nations that are divided by the same language’. So, are you talking English English, or American English? Secondly, you need to talk military English. What is the difference between to disrupt, to destroy, to annihilate or to suppress? If you don’t know the difference, you might find yourself in big trouble in an operation.

Chairing a ISAF staff meeting at RC (South), 2009.
Photo: Hans de Vreij
But it’s also useful to know other languages. Not only the ability to communicate with people in their native language, but also to relate to other people better and to have a better sense of their cultural background and the understanding why they do things the way they do it is vital.

That brings me to my second point, which I would call ‘intra-coalition cultural awareness’. It has always struck me that when we deployed to Afghanistan, we all teach our soldiers all the cultural issues of how to deal with the Afghans. Always give them your right hand, never show them your feet, never look a woman in the eye. But what about the cultural awareness of what it means to work with the U.S., with the French, with the Brits? We fail in training our people in what that means. Just look in the United States. I learned that if you talk to Army officers, you have to end your story with ‘Hooah’. [Laughter] But when you work with Marines (…), you have to end it with ‘Semper Fi’. Just knowing that is very important.

So we need to get better. And I think we as leaders should master these elements. And it should be taught in instruction and training. And therefore, I think it is important that we have these institutions like the U.S. Army War College. It’s a fantastic opportunity you have here during this year to work with cultural awareness. I think that is vital for the success of strategic leaders.

Fourth point. International cooperation requires mission command. Technology enables us to monitor combat activities closely and we've seen it. This creates opportunities but may in some cases run counter to the principles of mission command. Without a doubt, most of you have all been confronted with the long screwdriver… But alongside these general principles, international cooperation has two aspects relevant to the application of mission command. The first is technical. On my desk in Kandahar, there were seven telephones. United States, Canada, United Kingdom, Australia, the Netherlands, Afghanistan and NATO. Only one never rang, by the way. That was the Dutch telephone. [Laughter] The thing was: we could not connect these different communication systems and that’s a bloody shame. And as long as we accept this, that these systems are not interconnected, we will not be able to conduct mission command the way we should do it.

The second aspect concerns the mental component of combat power and is directly related with trust. There is no mission command without trust. Cooperation can only be successful if there is a mutual trust in each other’s capabilities and intentions, and I have experienced that firsthand. Up to this day, I am extremely grateful for the freedom granted to me as commander in RC (South) by my commanding officers David McKiernan and Stan McChrystal.

Let me give you this one example. The practical implementation of the deployment of the additional 30,000 U.S. troops in 2009 was planned entirely by me and my staff, and approved by COMISAF. The decision to go to Helmand, instead of concentrating on Kandahar, was my decision and no one else's. General McChrystal supported me in this decision, which, from my point of view, was an example of great leadership. And for the insiders: Bob Woodward’s book ‘Obama’s Wars’ is incomplete with regard to this issue.

Fifth. International cooperation is not possible without guts. Countries in a coalition enter that coalition each with their own sets of Rules of Engagement and caveats. There are two ways of dealing with this. One extreme is to use the rules as an excuse to do nothing. The other end of the spectrum is having the courage to interpret the rules and act according to their spirit rather than on their letter. This is a precondition to working in a coalition. Trying to find out where the real boundaries are. Let me be absolutely clear: I’m not inciting you to break the rules. I only believe it’s necessary for a commander to sometimes push the limits of your mandate.

Sixth.  International cooperation depends on quality and risk sharing. So far I focused on the practical aspects and consequences of cooperation.  But at the political-military level, however, two conditions must be met for international cooperation to be effective. The first is quality. The success of every coalition is dependent on the quality of the contribution of its members. Quality does not refer merely to technology, but rather, and more in particular, to the quality of the people who are supplied by the partners. People with specialist knowledge, with open minds, language skills, who can work in a team and are respectful towards colleagues. Second condition is the unconditional `willingness to share risks. A coalition has no chance of surviving if its members are unwilling to share the risks during operations. You've got to be able and to be willing to fight shoulder to shoulder and to suffer together.

These two aspects are not just matters of technology and tactics, but rather belong to the strategic domain, to your domain. Quality must be assured in defense efforts of the various countries. Furthermore, the mandate and caveats in place must be formulated in a way that the troops are able to operate shoulder to shoulder with their colleagues.

Ladies and gentlemen,  I have taken you in very broad strokes from my experiences as a commander of a coalition complemented with my personal experience of 36 years of service. I hope I've made clear I don’t see working in a coalition as a necessary evil. There is a tremendous source of strength and military power where we have to tap in.  Of course there are limitations to be reckoned with, ranging from minor obstacles stemming from regulations to political sensitivities. And no matter how you feel about it, as strategic leaders coalitions will be your future, so you have to deal with it. I would like to give you the following advice. Do not waste your energy on denying reality. Instead, commit all your strength and efforts to make the coalition you are part of better and more effective. This will not only make you a better commander, but also a better person.

Thank you very much [Applause].

[Transcript: Defensie weblog, The Netherlands]

(bron: Defensie weblog. Overname van de tekst is toegestaan, mits met bronvermelding. Source: Defensie weblog, The Netherlands. You may use and re-publish this text, provided you refer to its source)

zaterdag 10 november 2012

Afghaanse tolken

Jaren geleden kwamen zij, op de vlucht voor het oorlogsgeweld in hun eigen land, naar Nederland. In 2006 ging Nederland naar Uruzgan en dus had Defensie behoefte aan Nederlanders die de diverse talen die in die streek gebezigd worden, machtig waren. En aldus kwam Defensie uit bij mensen van Afghaanse origine en de Nederlandse nationaliteit.

Afghaanse tolk aan het werk (foto Hans de Vreij)
Kennelijk was er sprake van haast, dus een fatsoenlijke opleiding voor die tolken zat er niet in. In het gunstigste geval wat exercitie, rangen en standen en soms schieten. Dat was het wel zo ongeveer, maar zeker niet langer dan 5 weken. Oh ja, en ze werden ook nog bijna allemaal gekeurd, zowel fysiek als psychisch. Gezonde mensen zou je dus zeggen. Ja, maar wel met een geschiedenis!

Afijn, men haalde de mensen binnen op basis van jaarcontracten en vervolgens begon de ellende. Uitzendbescherming, welnee. Deze mensen kon je gewoon in een frequentie van 1 op 1 uitzenden. Gewoon 6 maanden naar Uruzgan, een paar maanden in Nederland en dan opnieuw naar Uruzgan. Of zelfs gewoon buiten die provincie. Ja, dan kan het voorkomen dat je in een periode van amper 5 jaar 7 keer voor 6 maanden of langer op uitzending gaat.

Dat een dergelijke uitzenddruk niet gezond is, tsja dat is het probleem van de man in kwestie. En wil hij niet, dan zeg je gewoon dat zijn contract afloopt en hij dus geen werk meer heeft. Natuurlijk heb je misschien ook nog de pech dat je gewond raakt bij een IED- of een raketaanslag. Tsja, dat is ook het probleem van de man in kwestie.

Als je vorenstaande leest dan denk je, dat is een uitzondering. Helaas, was dat maar waar. En dan trekt Nederland zich terug. Het zou Defensie niet zijn geweest als zij niet zou trachten zo vlug en goedkoop mogelijk van die mensen af te komen.

Gewoon, het hek over na ommekomst van het contract en de WW in. ‘Uitgekeurd', hoezo? Begeleiding van werk naar werk, - soms. Psychische problemen? Ja bijna allemaal! Fysieke problemen? Ja! De ene als gevolg van een IED, de ander als gevolg van een raketaanval, etc.. Ontslagbescherming? Hoezo?

Sommigen van die tolken hebben inmiddels een heel medisch traject achter de rug. Resultaat: dienstongeschikt en 80-100% arbeidsongeschikt voor de rest van hun leven. Toekomst: een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een Militair Invaliditeits Pensioen van amper 30%, dat overigens niet tot uitbetaling komt.

En het PTSS waar de meesten aan lijden? Tsja dat komt door de tijd dat zij in Afghanistan woonden, de oorlog in die tijd, de periode van de Taliban, noem maar op. Met ander woorden, het trauma waar zij nu last van hebben komt niet door de uitzendingen of maar voor klein deel.

Wellicht vraagt u zich af of de Defensieleiding dit weet. Ja, de minister vindt dat de mensen geholpen moeten worden. Diegene die daar beleidsmatig verantwoordelijk voor is, tsja die denkt nog steeds na.

Heb ik een kwalificatie voor deze houding? Ja, abject en Defensie onwaardig!

(column Jan Kleian, voorzitter ACOM)

vrijdag 2 november 2012

F-16’s een decennium actief in Afghanistan (+ video)

Nederlandse F-16’s leveren deze maand 10 jaar een bijdrage aan de stabiliteit en veiligheid in Afghanistan. Sinds een jaar zijn ze actief voor de politietrainingsmissie in Kunduz. In het begin werden de jachtvliegtuigen ingezet voor operatie Enduring Freedom en opereerden ze vanaf de Amerikaanse basis Manas, Kirgizië.


Nederlandse F-16, Kandahar Airfield (foto AVDD)

Enduring Freedom volgde op de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten. Omdat eerst naar Afghanistan moest worden gevlogen, waren de vluchten lang; 8 uur was geen uitzondering. Om die reden voorzagen tankvliegtuigen de toestellen in de lucht van nieuwe brandstof, soms wel 3 keer per vlucht.

Uruzgan
In 2005 kwam het accent te liggen bij de ISAF-missie (International Security Assistance Force). Het Nederlandse luchtcommando, de Air Task Force (ATF), verhuisde naar de hoofdstad Kabul, waar de F-16’s luchtsteun leverden aan de coalitiegrondtroepen. Toen de Task Force Uruzgan in 2006 een feit was, ging het detachement naar Kandahar Airfield in het zuiden van het land. Daar ondersteunden de gevechtvliegtuigen direct de Nederlandse grondtroepen. In deze periode veranderde het karakter van de inzet en moesten de toestellen vaak hun wapens gebruiken. Ook Apache-gevechtshelikopters en, afwisselend Chinook- en Cougar-transporthelikopters, maakten toen deel uit van de ATF.

Politietrainingsmissie
Sinds een jaar zijn de F-16’s actief vanaf de basis Mazar-e-Sharif in het noorden van Afghanistan. Daarvandaan ondersteunen ze de politietrainingsmissie in Kunduz met voornamelijk het uitvoeren van verkenningsmissies. Daarbij gebruiken zij het fotoverkenningsysteem RecceLite, waarmee ze onder meer geïmproviseerde explosieven opsporen. De F-16’s geven ook direct luchtsteun als grondeenheden in de problemen komen.

“Dagelijks voeren wij met onze F-16’s missies uit voor de Nederlanders van de politietrainingsmissie”, zo vertelt commandant luitenant-kolonel Denny Traas van ATF21. “Daarnaast ondersteunen wij coalitietroepen. Sinds onze verhuizing van Kandahar naar Mazar-e-Sharif vlogen ruim 1200 sorties, bij elkaar bijna 2400 uur.”

Video

(ministerie van Defensie, 2 november 2012)

dinsdag 16 oktober 2012

We are British. We do not say 'no'

LCOL Kleinreesink, RNLAF
(The following excerpt is from the 2012 book 'Officier in Afghanistan' ('An Officer in Afghanistan'), written by Dutch LCOL Esmeralda Kleinreesink (RNLAF). In 2006, she was stationed at ISAF Headquarters in Kabul, as Chief Air Transport - responsible for ITAS (Intra Theatre Airlift System). In plain English: she was to provide for the air transport, so that ISAF troops could get to and from their respective bases. As a journalist, I have visited ISAF HQ and used ITAS to get from one place to another in Afghanistan.

If I were to qualify the book in one word, I'd say 'priceless'. It gives a unique insight in what it's like to work in a multinational military headquarters. And while it's light-footed (and at times outright hilarious), the underlying messages are dead serious. By the way, the incoming COMISAF referred to in the excerpt below was British General Sir David Richards, GCB, CBE, DSO, ADC. I should hasten to add that in her book, LCOL Kleinreesink has not mentioned any of the real-world characters by their full name. Likewise, encounters of the hilarious and other kinds are certainly not limited to British generals. On the contrary.
Hans de Vreij, journalist

(...)
One of the things I ponder that afternoon in Destille Garden  is the new Commander’s Intent. The new British general, COMISAF, intends to spend the first two months of this command visiting all the key leaders in Afghanistan. A very commendable  initiative,  which might result in some logistical challenges. As a fully assimilated Italian, I therefore decide to spend my unexpected ‘afternoon off’ by inviting one of the Italian staff officers from COMISAF’s office to an espresso.
         ‘How many people will the new COMISAF travel with during his key leader engagement? His
aid-de-camp, some force  protection people, maybe a press officer and a staff officer?’ I ask after some small talk.
         ‘Oh, no, he wants to travel with a large party. We are talking dozens of people.’
Apparently my face darkens, as my conversation partner asks: ‘Will that be a problem?’
           ‘Possibly,’ I mutter. ‘Is it true that COMISAF has his own armoured vehicle that he wants to take with him wherever he goes?’
           ‘Hmm,’ he says and looks around, apparently to decide whether he is willing to say more, but as Milan Palace is busy and we are surrounded by fellow Italians and Brits, he leaves it at that.
         ‘What are the chances that he is willing to fly without that thing?’ I ask.
         ‘Unlikely,’ and he gives me an intense look. I gather from this look that the new COMISAF is not only demanding when he travels, but also at the office.
          ‘Why do you want to know?’ he asks.
          ‘Because an armoured vehicle probably means that I need an additional plane.’
He nods understandingly: ‘I see your weekly remark about the shortage of planes in the reports. How many do you have? Six, seven?’
         ‘Try again,‘ I say.
         ‘Five, four…?’ he tries. I slowly shake my head and hold up two fingers. When it dawns on him what this means, he stops moving for a moment, and thinks.
         ‘Then how are you going to fly ITAS, the Intra Theatre Airlift System, when COMISAF is on key leader engagement?’ he asks.
          Slowly I say: ‘That is exactly what I am wondering, too. I’m afraid that I’ll have to explain to COMISAF that if he wants ITAS to keep flying, he will have to travel by ground, or without his car and the entire party.’
          ‘I am glad you don’t ask me to deliver that message,’ he says.

The Dutch C-130 planner I carefully sound out over the telephone puts it quite plainly. No  intense looks and meaningful ums, just an outspoken: ‘We offered our C-130 to NATO for ITAS, not for VIP flights. We have better use for our C-130. If this happens I’ll withdraw the Dutch offer. And I don’t think you’ll find any other country willing to make their C-130’s available for this.’ I decide to consult with my pillow on how to tell COMISAF that ITAS and key leader engagement from the air are not compatible.

The next morning, however, the colonel delivers me from this problem. For the third time in a week I stand at ease in front of a neatly cleaned desk, this time with the firm intention not to be overwhelmed again.
         ‘Did you tell COMISAF that he can’t fly?’
         ‘No, sir,’ I answer, without feeling any impulse to explain myself. If he wants to play boss-subordinate, he can get it.
         ‘Then why do I get to hear that?’
         ‘Maybe because I talked to one of COMISAF’s staff officers about his travel plans and the staff officer concluded from our little chat that it is impossible to both fly ITAS and COMISAF with this entire party,’ I say.
Flushed and emphasizing each and every word, the colonel says: ‘We are British. We do not say “no”.’

This time I am prepared. Last night I read the standard operating procedure which clearly states that the Chief Air Transport is responsible  for the upkeep of ITAS and for planning the air transport capacity which has been made available to NATO. Not my department chief. I am to put the mission first and foremost, not nice COMISAF plans or national interests. Therefore I answer with the same emphasis: ‘I am NATO. It is my call. I do say “no”.’

(...)

You have read a translated  excerpt from 'Officier in Afghanistan’ by Esmeralda Kleinreesink. 
Interested in acquiring the foreign rights? Please contact Dutch publisher Meulenhoff via 
http://www.meulenhoff.nl/nl/p4cc9c93f583e6/foreign-rights.htm


©translation and Dutch original: Esmeralda Kleinreesink, 2012

donderdag 11 oktober 2012

Niemand weet zich goed raad met de dood

Recensie van de film Gesneuveld

Regie: Robert Oey.
In: 6 bioscopen.


Kadetten, Koninklijke Militaire Academie. 

Tussen 2006 en 2010 sneuvelden 25 Nederlandse militairen in Afghanistan. „Niemand kan begrijpen wat de ander voelt”, zegt een van de geïnterviewden in Gesneuveld, Robert Oey’s documentaire over de nabestaanden van deze omgekomen militairen. Zijn film doet een poging wél te begrijpen wat de ander voelt en komt daarin heel ver. Er zijn de bekende gemeenplaatsen als het gaat over de dood, zoals „het leven gaat door”. Ook passeren netjes alle stadia van rouwverwerking de revue, van ontkenning tot acceptatie.

Maar door Oey’s gedetailleerde aanpak ontstijgt zijn film al snel zulke algemeenheden. Een aantal nabestaanden mag uitgebreid zijn of haar verhaal doen over hoe zij omgaan met hun grote verlies. Zo ontstaat een staalkaart van emoties. Op subtiele wijze brengt Oey al hun reacties onder in een slimme structuur, van de militaire ‘berichtgevers’ in burgerkleding die doodsberichten moeten overbrengen aan families naar een herdenkingsbijeenkomst; en van Nederland naar Kunduz en weer terug. De film eindigt met beelden van een feestende massa op het eindejaarsgala van de Koninklijke Militaire Academie. Een passende illustratie dat het leven inderdaad doorgaat.

In de proloog en epiloog van Gesneuveld zien we hetzelfde meisje op het strand spelen. Eerst in Nederland, later in Engeland. Het lijkt een onschuldig en zelfs hoopgevend beeld, maar halverwege de film blijkt dat zij uit schuldgevoel over de dood van haar vader haar vingers in een staafmixer stopte. Als haar moeder hulp zoekt bij Defensie wordt zij doorverwezen naar bureau Jeugdzorg, met als argument dat Defensie ook niet zo goed weet hoe om te gaan met zulke heftige zaken. Dat niemand raad weet met de dood en het onvermogen om over verdriet te praten loopt als een rode draad door Gesneuveld.

Meer nog dan de interviews, die vaak emotioneel verlopen, zijn het details die aangrijpen. Zoals een scène waarin een jongetje op de trompet van zijn overleden vader probeert te spelen. Of het moment waarop een vrouw en haar dochters de foto’s gaan bekijken van hun verminkte man en vader. Op advies van Defensie was de bij een bomaanslag omgekomen man begraven in een gesloten kist, maar dat gaf een van de dochters het gevoel dat hij er nog was. Zien is geloven, hoe gruwelijk de foto’s waarschijnlijk ook zijn – heel kies laat Oey ze niet zien.

Iedereen rouwt op zijn of haar manier. De een klapt dicht, de ander praat er open over. De een vindt troost in het geloof, de ander is kwaad over de protocollaire blunders die werden gemaakt waardoor zijn zoon omkwam door ‘eigen vuur’. Een moeder die haar oogappel verloor wil eigenlijk ook dood, hoewel ze nog een kind en man heeft.

Zo zit Gesneuveld vol indringende verhalen die laten zien hoe de dood levens verwoest, met echtscheidingen en verwijdering tussen kleinkinderen en schoonmoeders tot gevolg. Daarbij klinkt veelvuldig een klaaglijke klarinet en andere stemmige muziek. Muziek die iets te veel zijn stempel drukt op een verder sobere film.

André Waardenburg

(Dit artikel is eerder verschenen in NRC Handelsblad van 10 oktober 2012)

(NRC Handelsblad, 10 oktober 2012)

maandag 1 oktober 2012

Première Gesneuveld indrukwekkend

Ze zijn bijna allemaal geboren in de jaren tachtig, in Friesland, Drenthe, Limburg. Ze sneuvelden jong, in Afghanistan. Nederlandse soldaten op vredesmissie. Hun nabestaanden vertellen erover in de documentaire 'Gesneuveld'. Zondagavond ging deze in première tijdens het Nederlands Film Festival in Utrecht.

Niet alleen de betrokken relaties waren aanwezig. Ook premier Mark Rutte, minister Hans Hillen en Commandant der Strijdkrachten generaal Tom Middendorp bekeken de première.

“Het klopt niet meer”, vertelt een moeder van een omgekomen militair in de film. “Alles is anders.” De vader van Tim Hoogland komt, door verdriet overmand, bijna niet uit zijn woorden. Zijn pijn spat van het scherm af: “Ik kan er nog steeds niet over praten, het lukt gewoon niet.” Een kippenvelmoment. In de zaal wordt her en der een traantje weggepinkt. Niet alleen bij de nabestaanden, die een bijdrage leverden aan de documentaire, ook bij het andere publiek.

Verdriet en kracht
Tussen 2006 en 2012 sneuvelden 25 Nederlandse militairen in  Afghanistan*. Vooral jonge mannen, in de kracht van hun leven. Met hun dood sloegen zij een gat in het leven van de achterblijvers. Het zijn hun zonen en broers, echtgenoten, vaders en vrienden die ver van huis het leven lieten. In de documentaire van filmmaker Robert Oey komen de nabestaanden aan het woord. Hun verdriet, woede, frustratie en kracht tonen hoe zij, soms heel moeizaam, verder gaan na het verlies.

Belang nazorg
“Het was verschrikkelijk indrukwekkend te zien wat het betekent om een geliefde te verliezen”, vertelt Middendorp onder de indruk. “Het verschil waarmee mensen met hun verlies omgaan, benadrukt het belang van goede nazorg en begeleiding.” Ook minister van Defensie Hillen is lovend: “Deze documentaire laat de ‘mens(en)’ achter de militair zien. Geen opgepoetste franje, gewoon de waarheid.”

Filmtheater en televisie
Gesneuveld is vanaf 11 oktober te zien in diverse filmtheaters. De omroep Human zendt de documentaire 10 december uit om 20.25 uur uit op Nederland 2.

(ministerie van Defensie, 1 oktober 2012)

*Het woord 'sneuvelen' impliceert dat de dood van een militair het gevolg is van handelen van de vijand. In die zin is het getal van '25 gesneuvelden' onjuist. Van de 25 kwamen er vijf om bij ongelukken, één militair pleegde zelfmoord en een stierf aan een hartfalen. Het correcte aantal gesneuvelde militairen bedraagt derhalve 18. Zie dit overzicht (HdV).

zondag 30 september 2012

Afghanistan: gesneuvelde, omgekomen en overleden militairen

Onderstaand een overzicht van de Nederlandse militairen die in Afghanistan omkwamen sinds het begin van de missie in Uruzgan in 2006.

• 26 juli 2006: Overste Jan van Twist (47 jaar, Hoofd Sectie Operationeel Recht bij de Stafgroep Juridische Zaken van de Luchtmacht). Sergeant Bart van Boxtel (29 jaar, commandant van het Force Protection Team van het Contingentscommando in Kabul. Samen met andere passagiers en bemanningsleden omgekomen bij een helikoptercrash in de provincie Paktika.


Michael Donkervoort

 • 31 augustus 2006: de F-16 van kapitein-vlieger Michael Donkervoort stort neer in de provincie Ghazni, terwijl hij onderweg is van Kabul naar de provincie Helmand om daar luchtsteun te verlenen aan Britse troepen. Na een noodoproep van Donkervoort stortte het toestel bijna loodrecht naar beneden. Op twee oproepen van zijn wingman kwam geen reactie. De oorzaak van het neerstorten kon niet worden vastgesteld. 

• 11 oktober 2006: sergeant Wim Dijkstra pleegt met zijn dienstwapen zelfmoord op Kamp Holland.


Robert Donkers

 • 6 april 2007: Sergeant der eerste klasse Robert Donkers komt om het leven bij een ongeluk met een Patria-pantserwagen. De Patria kantelt als gevolg van een wegverzakking,  het slachtoffer raakt bekneld.


Cor Strik

 • 20 april 2007: de 21-jarige korporaal Cor Strik van de Luchtmobiele Brigade sneuvelt tijdens een patrouille ter ondersteuning van een Amerikaanse eenheid bij de stad Sangin (provincie Helmand). De korporaal stapt op een explosief en is op slag dood. Hij is de eerste gevechtsdode tijdens de Nederlandse inzet in Afghanistan. Bij het bergen van zijn stoffelijk overschot komt een Amerikaanse sergeant met Nederlandse familiewortels, Alex van Aalten, ook om het leven.


Timo Smeehuijzen

• 15 juni 2007: de 20-jarige soldaat eerste klas Timo Smeehuijzen sneuvelt bij een zelfmoordaanslag met een autobom in Tarin Kowt. Ook vijf Afghaanse kinderen en een aantal volwassenen verliezen het leven.


Jos Leunissen

 • 18 juni 2007: de 44-jarige sergeant-majoor Jos Leunissen komt om het leven bij gevechten rondom Chora.  Er doet zich een ongeluk voor bij het afschieten van een mortiergranaat tijdens de heftige 'Slag om Chora'. Drie van zijn collega's raken gewond.


Tom Krist

 • 12 juli 2007: Eerste luitenant Tom Krist (24) overlijdt in het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht. Hij raakt op dinsdag 10 juli zwaargewond bij een zelfmoordaanslag in Deh Rawod.


Martijn Rosier

 • 26 augustus 2007: Sergeant Martijn Rosier (30) sneuvelt wanneer hij ten noorden van Deh Rawod een explosief onschadelijk probeert te maken.


Tim Hoogland


• 20 september 2007: Soldaat eerste klasse Tim Hoogland (20) komt om bij een langdurig vuurgevecht bij Deh Rawod. Hij is de eerste militair die tijdens de missie in Uruzgan sneuvelt door vijandelijk vuur.


Ronald Groen

 • 3 november 2007: Korporaal Ronald Groen (21) sneuvelt. Hij zit in een Fennek pantserwagen die ten noorden van Tarin Kowt op een bermbom rijdt.




Aldert Poortema
Wesley Schol





















 12 januari 2008: Soldaat Wesley Schol (20) en korporaal Aldert Poortema (22) sneuvelen door eigen vuur ten noorden van Deh Rawod.


Mark Schouwink
Dennis van Uhm




















 18 april 2008: Soldaat Mark Schouwink (22) en eerste luitenant Dennis van Uhm (23) sneuvelen tijdens een verplaatsing ten noorden van Tarin Kowt. Van Uhm is de zoon van generaal Peter van Uhm, die een dag eerder Dick Berlijn was opgevolgd als Commandant der Strijdkrachten. De militairen rijden met hun MB-jeep op een bermbom. Twee andere inzittenden raken zwaar gewond.



Jos ten Brinke

 • 7 september 2008: De 21-jarige soldaat eerste klasse Jos ten Brinke komt om het leven in een YPR pantservoertuig dat op 19 kilometer van Kamp Holland op een IED rijdt. Vijf andere militairen raken gewond.


Mark Weijdt

 • 19 december 2008: De 24-jarige sergeant Mark Weijdt komt om tijdens een vuurgevecht. Vermoedelijk stapte hij op een bermbom.


Azdin Chadli

 • 6 april 2009: Bij een beschieting van Kamp Holland sneuvelt soldaat der eerste klasse Azdin Chadli (20).  Het is de eerste keer dat bij een beschieting op Kamp Holland militairen zijn getroffen. Er vallen vijf gewonden. De huidige Commandant der Strijdkrachten, Generaal Middendorp, komt met de schrik vrij.

Kevin van de Rijdt

 • 6 september 2009: Bij een vuurgevecht in Uruzgan sneuvelt korporaal Kevin van de Rijdt. De 26-jarige militair van het Korps Commandotroepen maakte deel uit van Task Force 55.


Mark Leijsen

 • 7 september 2009: Bij een aanslag met een geïmproviseerd explosief (IED) sneuvelt de 44-jarige sergeant-majoor Mark Leijsen. Bij de explosie raken drie Nederlandse militairen en een Afghaanse tolk gewond.



Jeroen Houweling en Marc Harders


• 17 april 2010: twee mariniers sneuvelen wanneer hun Viking-pantservoertuig ten noorden van Tarin Kowt op een bermbom rijdt. De slachtoffers zijn de 29-jarige korporaal Jeroen Houweling en de 23-jarige marinier der eerste klasse Marc Harders.


Luc Janzen

 • 22 mei 2010: korporaal der eerste klasse Luc Janzen (25) sneuvelt bij de explosie van een bermbom in het district Deh Rawod. Bij de ontploffing komen ook een Franse kapitein van een OMLT-team en een Afghaanse tolk om het leven. Vier militairen raken gewond, waarvan twee zwaar.


Fons Dur

 • 17 november 2010:  Reserve Luitenant-kolonel-Arts Fons Dur  (56) overlijdt op Kamp Holland in zijn slaap door hartfalen.


Totaal aantal doden sinds het begin van de missie op 1 augustus 2006: 25

Waarvan in Uruzgan: 21

Doodsoorzaak: 
bermbommen (IED's):  11
Ongelukken: 5
Vijandelijk kleinkaliber vuur: 2
Eigen vuur: 2
Zelfmoordaanslagen: 2
Raketaanvallen: 1
Zelfdoding: 1
Natuurlijke dood: 1

(Defensie weblog, 30 september 2012)