Met de start van de Joint Sigint Cyber Unit (JSCU) zetten de AIVD en MIVD een belangrijke stap om de nationale veiligheid en onze digitale netwerken beter te beschermen tegen bedreigingen en tegelijkertijd onze militairen op missie beter te ondersteunen. Voor een succesvolle samenwerking zijn goede afspraken nodig. Deze afspraken zijn vastgelegd in een, door de ministers van Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties en Defensie ondertekend, convenant.
De gezamenlijke eenheid is gespecialiseerd in Signals Intelligence (Sigint) en Cyber. Sigint omvat inlichtingen die worden verzameld uit (tele)communicatie. Cyber is een verzamelnaam voor verschillende activiteiten die te maken hebben met computernetwerken en datastromen. Denk hierbij aan het in kaart brengen van het internetlandschap in een (nieuw) missiegebied, het informeren van partners over een gevaarlijk computervirus of het hacken van een website van terroristen die de nationale veiligheid in gevaar brengen.
Het kabinet hecht groot belang aan verdergaande samenwerking tussen de AIVD en MIVD. Een belangrijke reden hiervoor is het bundelen van schaarse kennis en middelen. Doordat de technische ontwikkelingen op het gebied van Sigint en Cyber snel gaan, is bundeling van kennis en middelen binnen de JSCU niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk.
De JSCU is een logisch vervolg en intensivering van de lopende samenwerking op het gebied van Signals Intelligence in de Nationale Sigint Organisatie (NSO). De NSO gaat samen met andere specialistische onderdelen van de AIVD en de MIVD op in het nieuwe samenwerkingsverband. De JSCU is geen zelfstandige dienst, maar onderdeel van de AIVD en de MIVD.
Net zoals de overige taken van de AIVD en de MIVD valt ook de taakuitvoering van de JSCU binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) 2002. Het werk van de diensten wordt gecontroleerd door de Commissie betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD).
(AIVD, 3 juli 2014)
Posts tonen met het label NSO. Alle posts tonen
Posts tonen met het label NSO. Alle posts tonen
donderdag 3 juli 2014
maandag 10 februari 2014
Antwoord op Kamervragen aan minister Plasterk over metadata
30977 AIVD
Nr. Lijst van vragen
Vastgesteld 6 februari 2014
1
Hoe komt het dat een aantal maanden geleden niet bekend was dat er sprake was van gegevens die rechtmatig (binnen de wettelijke doelen) verzameld zijn? Had dit niet bekend moeten zijn?
Op 5 augustus 2013 publiceerde Der Spiegel een staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld. Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen “telefoongesprekken” in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. Het NSA programma Boundless Informant sprak van data “collection against that country” en gaf het getal 1,8 miljoen voor Nederland. In eerste instantie lag het dus in de rede te veronderstellen dat het ging om Nederlandse telefoongesprekken. In de publieke beeldvorming ontstond vervolgens al snel de suggestie dat het om het ‘aftappen’ van 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken zou gaan.
Uw Kamer en de media hebben naar aanleiding van voornoemde berichtgeving vragen gesteld aan de regering. Op dat moment kon het kabinet het getal van 1,8 miljoen nog niet plaatsen.
Hierna is er onderzoek ingesteld door de diensten. Ook is er intensief contact geweest tussen de Nederlandse diensten en de NSA om tot een nadere duiding te komen. Op basis van dit onderzoek is op 20 november 2013 gebleken dat het in de berichtgeving genoemde getal van 1,8 miljoen hoogstwaarschijnlijk betrekking had op verzameling van metadata van telefoongesprekken door de Nationale Sigint Organisatie (NSO). Dit werd bevestigd door verder intern onderzoek van de diensten. Op 22 november 2013 zijn de Minister van Defensie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) hierover door de diensten gelijktijdig geïnformeerd.
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, die zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
Het getal van 1,8 miljoen heeft derhalve geen betrekking op gesprekken die via Nederlandse telefoonnummers zouden zijn gevoerd. Het betreft metadata verzameld in het kader van de wettelijke taakuitoefening.
Zie verder ook het antwoord op vraag 38.
2
Op welke metadata doelde de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) toen de minister in het debat met de Kamer op 6 november 2013 en bij Nieuwsuur van 30 oktober 2013 over metadata sprak?
Op dat moment doelde de minister van BZK op metadata van telefoongesprekken met Nederlandse nummers.
3
Staat de minister van BZK nog steeds achter de uitlating, gedaan op 30 oktober 2013 in het tv-programma Nieuwsuur, dat de National Security Agency (NSA) in één maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept?
Nee. Er zijn 2 redenen waarom de minister van BZK dit als mogelijkheid zag:
1. Het stond voor de Nederlandse diensten vast dat zij niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard. Een alternatieve verklaring was dat deze door een buitenlandse dienst waren vergaard.
2. Opvragen door de AIVD leverde op dat er per dag circa 60.000 gesprekken tussen Nederland en de VS zijn. Over een peilperiode van een maand kwam dat overeen met de 1,8 miljoen uit Der Spiegel.
Terugkijkend hierop vindt de minister van BZK dat hij deze mogelijke verklaring achterwege had moeten laten.
Zie verder ook het antwoord op vraag 7.
4
Waarom heeft de minister van BZK, die tijdens een AO in het najaar van 2013 nog uitlegde dat de NSA niet zelfstandig de betreffende data heeft kunnen verzamelen en daarnaast ook stelde dat: “de verklaring die het NSA heeft gegeven, is dat er kennelijk ook door andere bondgenoten dergelijke informatie met hen is gedeeld. Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan. Het zou kunnen dat andere landen in het bondgenootschap dat wel hebben gedaan", de Kamer in oktober 2013 nog medegedeeld dat de gegevens niet door Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren verzameld en verstrekt?
Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen “telefoongesprekken” in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. De indruk ontstond dat in ons land op grote schaal Nederlandse telefoongesprekken zouden worden vergaard en verstrekt door de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Op vragen in de media en in uw Kamer daarover heeft de minister van BZK medegedeeld dat de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten alleen binnen wettelijke kaders metadata verzamelen en verstrekken, en dus niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard en verstrekt.
Zie verder ook het antwoord op vraag 3.
5
Op basis van welke informatie heeft de minister van BZK tijdens zowel het AO op 6 november 2013 als de Nieuwsuur-uitzending 30 oktober 2013 kunnen verklaren dat 1,8 miljoen Nederlandse telefoontjes zijn geregistreerd door de NSA en dat, na onderzoek, het NIET de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren die de data-verkeersgegevens hebben verzameld. Waar bestond dit interne onderzoek uit? Waarom kreeg de minister op dat moment niet de juiste informatie?
Er was in dat stadium sprake van een mogelijke verklaring. Op basis daarvan heeft de minister van BZK de uitspraak gedaan. In het publieke debat was de stellige indruk ontstaan dat de Nederlandse veiligheidsdiensten 1,8 miljoen telefoongesprekken van Nederlanders zouden hebben vergaard. De minister van BZK heeft dit beeld willen weerleggen.
Zie verder het antwoord op vraag 3.
6
Wat is de precieze inhoud van het gesprek dat de minister van BZK in het najaar van 2013 met de NSA had over mogelijke activiteiten van de NSA in Nederland? Is toen al duidelijk geworden dat deze 1,8 miljoen registraties niet het werk van de NSA maar van de Nederlandse diensten was?
Nee. Op dat moment beperkte, zowel in het bilaterale gesprek als in de reguliere contacten tussen de diensten en de NSA, de NSA zich tot de mededeling dat Nederland ‘geen target’ was. Overigens was dit gesprek op 11 oktober 2013, dus voordat de publicatie in Le Monde over 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken kwam.
7
Doelde de minister van BZK met de uitspraak “Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan” tijdens het AO op 6 november 2013, enkel op door Nederlandse diensten op Nederlandse bodem vergaarde metadata van gesprekken van Nederlanders met andere Nederlanders?
Ja. Om precies te zijn doelde hij op kabelgebonden telefoongesprekken in of vanuit Nederland.
Met het oog op het publieke debat dat naar aanleiding van de onthullingen was ontstaan, heeft de minister van BZK twee zaken willen corrigeren, namelijk:
1. dat er sprake zou zijn van ‘afgeluisterde’ telefoongesprekken en
2. dat de Nederlandse diensten betrokken zouden zijn geweest bij mogelijke door de NSA in Nederland vergaarde telefoongesprekken.
8
Hoe beoordeelt de minister van BZK zijn mediaoptreden bij Nieuwsuur op 30 oktober 2013 en bij Pauw en Witteman op 22 oktober 2013? Hoe interpreteert de minister nu wat hij destijds heeft gezegd? Doelt de minister van Defensie op deze uitspraken wanneer zij het heeft over 'hardnekkige beeldvorming'? Zo nee, waar doelt zij dan wel op?
Zie de antwoorden op de vragen 3,4 en 5.
De uitspraak van de minister van Defensie over hardnekkige beeldvorming heeft betrekking op het beeld in het publieke debat, namelijk dat er sprake zou zijn van illegale metadataverzameling, het massaal ‘afluisteren’ van Nederlandse telefoongesprekken en ook het ongeoorloofd delen van die informatie met partnerdiensten.
9
Waaruit bestonden de 'toen beschikbare gegevens' die het aannemelijk maakten dat het zou gaan om metadata van telefoonverkeer tussen de VS en Nederland? Was op dat moment niet al mogelijk om snel en precies duidelijk te krijgen hoe het zat? Zo ja, waarom is dat dan niet gebeurd?
10
Hoe verhoudt de uitspraak van de minister van BZK dat de NSA in een maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept (gedaan tijdens de Nieuwsuur-uitzending op 30 oktober 2013) tot de opmerking in de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) waarin de ministers van BZK en Defensie schrijven dat de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) deze 1,8 miljoen metadata heeft verzameld en deze gegevens heeft ‘gedeeld met de Verenigde Staten’?
11
Op welke grond baseerde de minister van BZK zich toen hij stelde dat het getal van 1,8 miljoen records metadata gekoppeld moest worden aan dataverzameling door de NSA?
Zie voor de antwoorden op de vragen 9, 10 en 11 de antwoorden op de vragen 1 en 3.
12
Welke aanvullende informatie had de minister van BZK om te kunnen concluderen dat de 1,8 miljoen records metadata niet afkomstig is van Nederlandse diensten terwijl dit op zichzelf niet af te leiden uit de door de minister aangehaalde verklaring van de NSA?
De verklaring van de NSA was de eerste gelegenheid dat de NSA richting Nederland bevestigde dat de door Der Spiegel genoemde metadata inderdaad bestonden. De verklaring zelf laat overigens in het midden of de Nederlandse metadata door Nederland of de NSA waren verkregen. De minister van BZK heeft deze verklaring onmiddellijk publiek gemaakt, zie de brief van 31 oktober 2013, kenmerk 8330f574-or1-1.7.
Zie verder ook het antwoord op de vragen 1 en 3.
13
Wanneer ontving de minister van BZK voor het eerst het signaal dat niet de NSA, maar de Nederlandse Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten verantwoordelijk waren of zouden kunnen zijn voor de vergaring van de 1,8 miljoen records metadata? Wanneer hoorde de minister van BZK voor het eerst dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn en wanneer realiseerde de minister van BZK zich dat zijn verklaring waarin het getal van 1,8 miljoen records metadata werd gekoppeld aan de NSA, niet klopte?
14
Hoe en door wie is de minister van BZK geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO zijn verzameld?
15
Hoe verhoudt de volgende zinsnede uit de brief van de ministers van BZK en Defensie van 4 februari 2014 (2014Z01980): 'Aanvullende informatie en vervolgens nader onderzoek en analyse hebben echter geleid tot de volgende conclusie', zich tot de opmerkingen van de minister van Defensie in media-interviews door o.a. de NOS en Pownews, na afloop van AO defensie d.d. 5 februari j.l., dat zij al die tijd al wist dat die metadata door de NSO is verzameld en is gedeeld met de NSA?
Antwoord op de vragen 13,14 en 15:
Op 22 november zijn beide ministers gelijktijdig geïnformeerd door de diensten.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
16
Hoe is het verschil in de conclusies van de vorige brief en deze brief te verklaren? Hoe kan het dat de conclusies heel anders zijn?
Op 31 oktober 2013 was er nog geen duidelijkheid over de exacte herkomst van de 1,8 miljoen metadata. In voorgaande brieven is vooral inzichtelijk gemaakt wat de Nederlandse inlichtingendiensten op basis van de WIV mogen en wat buitenlandse diensten in Nederland mogen. Tenslotte is vermeld dat nader onderzoek nog gaande was.
Dit onderzoek heeft de noodzakelijke duidelijkheid opgeleverd. De conclusie van de brief van 4 februari 2014 is hierop gebaseerd.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
17
Wanneer werd het onderzoek, waarover de brief van 4 februari 2014 spreekt, officieel afgerond? Is de Kamer meteen geïnformeerd nadat er duidelijkheid kwam over de herkomst van de gegevens?
Op 22 november 2013 is het onderzoek afgerond, zie ook het antwoord op vraag 1.
Daarna hebben de Minister van Defensie en de Minister van BZK de afweging gemaakt tussen de plicht om de Kamer zoveel als mogelijk te informeren en het belang van de Staat om in het openbaar niet in te gaan op de mogelijke modus operandi van onze diensten. Het laatste gaf de doorslag.
In het kader van de voorbereiding van de civiele procedure over het gebruik van gegevens afkomstig van buitenlandse diensten is er eind januari 2014 een nieuw toetsmoment ontstaan.
De vordering van eisers heeft immers verstrekkende consequenties voor onze veiligheidspositie omdat een deel van de eisen, indien door de rechter toegekend, een zeer grote schade zou doen aan het succes van de operaties van de diensten, zoals de eis beperkingen op te leggen aan het verkrijgen en gebruiken van gegevens van buitenlandse diensten. Het zwaarwegende belang bij dit proces inclusief het belang van de nationale veiligheid was en is erbij gediend te beargumenteren dat er geen sprake is geweest van het ‘witwassen van illegale data’, maar van het rechtmatig vergaren van metadata. Gelet op het gewicht van de genoemde belangen en de verdediging hiervan, diende de weergave van het handelen van de diensten door de eiser te worden weerlegd omdat deze anders, als de gedaagde deze weergave onweersproken liet, voor waar zou kunnen worden aangenomen.
Daarom is besloten tot openbaarmaking van een deel van de werkwijze in de brief van 4 februari 2014 aan de Kamer. De ministers van Defensie en BZK hebben deze nieuwe afweging gezamenlijk gemaakt.
18
Waar bestond het 'nader onderzoek en analyse' precies uit? Waarom kon deze analyse niet eerder tot de gewenste helderheid leiden?
Er was in eerste instantie slechts een staafdiagram (Der Spiegel), en later nog een nadere maar minimale duiding (Le Monde), beschikbaar. Dit getal en het staafdiagram waren niet één op één te herleiden tot informatie uit de eigen systemen.
‘Nader onderzoek en analyse’ behelsde een reconstructie aan de hand van eigen onderzoek in combinatie met aanvullende informatie van de NSA. Op grond hiervan konden op 22 november 2013 definitieve conclusies worden getrokken.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
19
Ligt het, met de kennis van nu, niet heel erg voor de hand dat de minister van BZK vanaf het gesprek met de NSA-directeur Keith Alexander over bilaterale contacten (iets wat de minister tijdens het AO op 16 oktober 2013 aangaf) al wist (of in ieder geval met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op gewezen bent) dat de minister van BZK zelf verantwoordelijk was voor het verzamelen en delen van 1,8 miljoen records metadata? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
20
Hoeveel tijd zat er tussen het moment dat de minister van BZK hiervan op de hoogte werd gesteld en het moment dat hij de Kamer inlichtte?
21
Waarom is de Kamer niet terstond geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn?
22
Waarom en wanneer is besloten om deze informatie op 4 februari te delen met de Tweede Kamer?
23 Is het waar dat de minister van BZK pas heeft besloten om het parlement te informeren nadat het risico ontstond dat u op rechterlijke last de ware toedracht zou moeten openbaren?
Zie voor de antwoorden op de vragen 20, 21, 22 en 23 het antwoord op vraag 17.
24
Wist de minister van BZK vooraf aan het versturen van de brief van 4 februari (2014Z01980) dat publicatie in de media aanstaande was? Zo ja, heeft dit een rol gespeeld in de overweging tot het alsnog openbaren van deze informatie aan de Kamer?
Nee, eventuele op handen zijnde publicaties hebben hierbij geen rol gespeeld.
Zie verder ook het antwoord op vraag 17.
25
Wat was de directe aanleiding om de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) naar de Kamer te sturen en waarom was dit zo'n korte brief zonder nadere uitleg over de gang van zaken rond de 1,8 miljoen taps?
Zie het antwoord op vraag 17.
26
Hoe verklaart de minister van BZK het feit dat er meer dan drie maanden verstreken zijn tussen het moment dat de minister onjuiste informatie naar buiten bracht en de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980)?
Zie het antwoord op vraag 1, 17, 22 en 23.
27
Wanneer zijn de toezichthouders en de vaste commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) geïnformeerd over het feit dat de registratie van 1,8 miljoen taps het werk van onze eigen veiligheidsdiensten is geweest?
Er is geen sprake van taps, maar van metadata. Op 4 februari 2014 is de Kamer geïnformeerd. De CTIVD kan hier continu kennis van nemen en is bekend met de werkwijze van de diensten. De CTIVD wordt niet separaat geïnformeerd.
28
Kan de minister van BZK precies aangeven wanneer welke informatie inzake dit schandaal is verstrekt aan de vaste commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten? Is de minister van BZK van mening dat de 'commissie stiekem' actief en volledig is geïnformeerd? Zo ja, waarom?
Over contacten met de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
29
Is de minister van BZK bereid om de geheime bijlages bij de rapporten van de CTIVD, die op dit spionageschandaal betrekking hebben, openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Deze bijlagen hebben betrekking op operaties en zijn daarom niet openbaar gemaakt. Het geheime deel betreft een uitwerking van het openbare rapport en bevat geen andere conclusies of aanbevelingen dan degene die in meer abstracte zin in het openbare rapport zijn vermeld. Vertrouwelijke bijlagen die betrekking hebben operaties kunnen naar hun aard niet publiek gemaakt worden.
30
Heeft de minister van BZK nog meer informatie aan de Kamer verstrekt over het werk van de inlichtingendiensten waarvan nu blijkt dat het vermoeden bestaat dat die informatie niet klopt?
Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.
31
Hoe kijkt de minister van BZK terug op de wijze waarop de hij het parlement heeft geïnformeerd over het vermeende spionageschandaal?
Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.
32
In hoeverre zijn de ministers van BZK en Defensie volledig op de hoogte van de informatieverzameling en doorgifte van de inlichtingendiensten en de NSO? Vindt u deze constructie wenselijk voor de politieke controle op de inlichtingendiensten?
Ja. De ministers van Defensie en BZK zijn, met oog op hun ministeriële verantwoordelijkheid voor de NSO, op de hoogte van de activiteiten van de NSO.
33
Is het waar dat de minister van Defensie eerder dan de minister van BZK wist dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn? En zo ja, wat is de verklaring van het gebrek aan communicatie tussen de ministers? Waarom is de Kamer daarover niet geinformeerd?
Nee. Zie ook het antwoord op de vragen 1 en 15.
34
Wat was het doel van het gesprek op woensdagavond 5 februari 2014 op het Torentje?
Doel en inhoud van dit gesprek zijn naar hun aard vertrouwelijk.
35
Ten behoeve van welke activiteiten worden die miljoenen metadata-records verzameld en waarom is dit nooit opgemerkt in de CTIVD-rapportages?
De metadata worden door de NSO verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland, hetgeen valt binnen de kaders van de wettelijke taakuitoefening (artikelen 6 en 7 WIV). De CTIVD is een onafhankelijke commissie die haar rapporten aan de Tweede Kamer stuurt. De inzet van bijzondere bevoegdheden (waaronder de inzet van de bevoegdheid tot ongerichte interceptie van niet-kabelgebonden telecommunicatie als bedoeld in artikel 27 WIV) door de diensten wordt door de CTIVD al sinds jaren onderzocht.
36
Is dit de specifieke Nederlandse informatie waar de onderzoeksjournalist Greenwald op duidde? Zo nee, wat komt er nog meer?
Het is ons niet bekend op welke informatie de heer Greenwald heeft geduid.
37
Moet uit de brief van 4 februari (2014Z01980) worden opgemaakt dat de NSA, in tegenstelling tot eerdere uitspraken van de minister van BZK, in het geheel geen metadata van telefoonverkeer tussen Nederland en de Verenigde Staten aftapt en opslaat? Of moet uit de brief worden opgemaakt dat de NSA dit wel doet en deze data opslaat, maar dat het in de Der Spiegel genoemde getal van 1,8 miljoen niet aan deze activiteit te verbinden is?
De brief van 4 februari 2014 zegt inderdaad dat het in Der Spiegel getoonde staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld niet aan interceptie door de NSA te verbinden is. De brief zegt niets over de activiteiten van de NSA.
38
Zijn de 1,8 miljoen, door de NSO verzamelde en met de NSA gedeelde, records metadata van satelliet- en radioverkeer afkomstig van communicatie uit het buitenland? Is er ook in Nederland verzamelde communicatie tussen Nederlanders onderling met de Nationale Security Agency gedeeld? Zo ja, in welke mate en om welke reden?
In de metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en de ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
39
Is het aantal van 1,8 miljoen taps in december 2012 een maandelijks gemiddelde of is dit een afwijkend getal? Kan nader worden uitgelegd om wat voor taps het gaat, zijn het bijvoorbeeld telefoongesprekken, websitebezoeken, etc.?
Het gaat niet om taps maar om metadata. Een verdere specificatie van dit aantal of andere details kan in de openbaarheid niet worden gegeven.
40
Hoe is voor deze 1,8 miljoen taps gecontroleerd of de activiteiten rechtmatig zijn en kan de vigerende regelgeving in het antwoord worden betrokken?
Het gaat niet om taps maar om metadata. Het ongericht intercepteren van niet kabelgebonden telecommunicatie is een bijzondere bevoegdheid ingevolge artikel 27 van de WIV en kan slechts worden uitgeoefend voor zover dat noodzakelijk is voor de taken van de diensten en met inachtneming van de beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit (artikel 18, 27 en 31 van de WIV). Voor de uitvoering van deze bijzondere bevoegdheid geldt geen toestemmingsvereiste als bedoeld in artikel 19 WIV 2002. De CTIVD houdt toezicht op de rechtmatigheid.
41
Wat wordt precies bedoeld met de zinsnede in de brief van 4 februari dat de gegevens zijn verzameld 'in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland'? Betreffen dit gegevens van dreiging van terrorisme binnen Nederland of ook van gegevens die te maken hebben met terrorisme in, of afkomstig uit het buitenland?
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Het is niet mogelijk om in het openbaar meer specifieke informatie te delen.
42
Vindt het verzamelen van de metadata, gericht op de genoemde doelen in de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) nog steeds plaats? Zo ja, wat is daarvan de reden? Zo nee, waarom is het verzamelen van die gegevens nu niet meer nodig?
In het kader van de aan de AIVD en MIVD opgedragen taken zoals geregeld in de artikelen 6 onderscheidenlijk 7 lid 2 van de WIV, kunnen metadata worden verzameld over dreigingen gericht tegen de nationale veiligheid en Nederlandse militairen die in het buitenland worden ingezet. Uiteraard moet daarbij wel worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.
43
Is het niet bijzonder onprofessioneel om publiekelijk uit te spreken dat bondgenoten toch niet zo met elkaar om horen te gaan en te zeggen dat de regering de NSA hierop zou aanspreken, terwijl de (Nederlandse) NSO die gegevens zelf heeft verzameld en uitgewisseld?
Zie het antwoord op vraag 3.
44
Zijn de door de NSO verzamelde records metadata met name in het buitenland verzameld en is de privacy van Nederlanders dus minder in het geding dan eerder gedacht?
Ja. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
45
Betreffen de 1,8 miljoen records metadata gegevens die de NSO zelfstandig vergaard heeft?
Ja.
46
Betreffen de 1,8 miljoen records metadata ook 1,8 miljoen verschillende momenten/vormen van communicatie? Zo nee, hoeveel communicatiemomenten beslaan deze data?
Ja.
47
Wat voor kenmerken van de communicatie zijn in de bedoelde records metadata vastgelegd?
In deze metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek.
48
Kan de minister van BZK uitsluiten dat de genoemde records metadata ook betrekking hebben op communicatie waarbij zender en ontvanger zich beiden in Nederland bevinden? Zo nee, waarom niet?
Uitgesloten kan worden dat de genoemde 1,8 miljoen metadata Nederlandse telefoonnummers betreft.
49
Bij hoeveel van de 1,8 miljoen metadata-records is sprake van communicatie waarbij in ieder geval één van de betrokkenen zich naar het weten van de minister van BZK in Nederland bevond?
Daarover kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
50
Op welke vormen van communicatie hebben de metadata betrekking? Gaat het uitsluitend om telefoongesprekken, of ook mailberichten en andere communicatie?
Het betreft uitsluitend metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, op basis van satellietcommunicatie.
51
Welk deel van de metadata hebben betrekking op satellietcommunicatie? Op welke andere communicatietechnieken hebben de data betrekking?
Zie het antwoord op vraag 50.
52
Staat de minister van BZK nog steeds achter de uitlating die hij na de ministerraad van 21 juni 2013 deed dat onze geheime diensten geen gebruik maken van PRISM of andersoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten?
De diensten maken geen gebruik van PRISM of van gelijksoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten.
53
Hoe hebben de Nederlandse geheime diensten, waaronder de NSO, dit soort informatie verzameld en waarom was de minister van BZK daar niet van op de hoogte?
De betrokken ministers zijn op de hoogte van de wijze waarop de diensten informatie verzamelen.
54
Hoe kan de minister van BZK de Kamer garanderen dat zijn uitspraak tijdens het AO op 6 november 2013 dat de afgetapte metadata geen betrekking hebben op het telefoon- dan wel sms-verkeer binnen Nederland, wel juist is?
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
55
Hoever strekken de wettelijke bevoegdheden om gegevens te verschaffen aan de Verenigde Staten? Is er voor het aftappen van alle telefoongegevens sprake van verschaffen binnen de wettelijke mogelijkheden?
De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV) kent een gesloten verstrekkingenstelsel. Verstrekking van gegevens aan buitenlandse diensten kan plaatsvinden op grond van artikel 36 dan wel op grond van artikel 59 van de wet. Dit wettelijk kader bepaalt dus ook de verstrekking van gegevens aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Verenigde Staten.
Artikel 36, eerste lid, aanhef en onder d, biedt de AIVD en de MIVD de mogelijkheid om in het kader van een goede taakuitvoering omtrent door of ten behoeve van de dienst verwerkte gegevens mededeling te doen aan daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen, alsmede andere daarvoor in aanmerking komende internationale beveiligings-, verbindingsinlichtingen- en inlichtingenorganen. Bij de verstrekking op grond van deze bepaling staat de (eigen) goede taakuitvoering centraal en zal het veelal gaan om verstrekking van door de dienst bewerkte gegevens (“ mededeling”) omtrent concrete personen of organisaties (vgl. ambtsberichten). Indien de aard van de mededeling daartoe aanleiding geeft, geschiedt de verstrekking door de voor de dienst verantwoordelijke minister. Bij verstrekking van gegevens aan de diensten als hier bedoeld dient ingevolge artikel 37 van de wet altijd de voorwaarde te worden gesteld dat deze gegevens niet aan derden mogen worden verstrekt (de derde partijregel). Door de verantwoordelijke minister of namens deze het hoofd van de dienst kan echter alsnog toestemming worden verleend om de gegevens aan andere personen of instanties te verstrekken; daaraan kunnen voorwaarden worden verbonden.
De verstrekking op grond van artikel 59 van de wet staat in het teken van de aan de hoofden van de diensten opgedragen zorgplicht tot het onderhouden van verbindingen met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen. In dat kader kunnen op grond van artikel 59, tweede lid, aan deze instanties gegevens worden verstrekt ten behoeve van door deze instanties te behartigen belangen, voor zover (a) deze belangen niet onverenigbaar zijn met de belangen die diensten hebben te behartigen, en (b) een goede taakuitvoering door de diensten zich niet tegen verstrekking verzet. Hier staat dus het belang van de buitenlandse dienst centraal. Artikel 59 biedt de grondslag voor allerlei samenwerkinsgverbanden, bilateraal of multilateraal en al dan niet geinstitutionaliseerd, waarbij gegevens kunnen worden uitgewisseld. De verstrekking van bulk data, waaronder metadata, vindt in de praktijk op deze grondslag plaats. Bij de vraag welke gegevens verstrekt mogen worden, zal getoetst dienen te worden aan de hiervoor genoemde criteria. Dat geldt ook voor de verstrekking van metadata. In beginsel komen dus allerlei gegevens voor verstrekking in aanmerking, zij het dat ook hier geldt als uitgangspunt dat gegevens omtrent bronnen en modus operandi (over en weer) geheim worden gehouden. Voorts is ook bij deze verstrekking de derde partijregel onverkort van toepassing.
56
Was de minister van BZK bekend met de herkomst van de gegevens en de precieze status ervan alsmede het doel waar deze gegevens voor werden verzameld?
Zie het antwoord op vraag 1.
57
Op welke wijze vindt er afstemming plaats tussen de NSO en de ministers van Defensie en BZK over de precieze mogelijkheden en beperkingen bij het verzamelen van gegevens en de doelen waarvoor deze verzameld mogen worden? Zijn de ministers verplicht daar steeds persoonlijk toestemming voor te geven?
De NSO valt gezagsmatig onder de verantwoordelijkheid van beide ministers (Defensie en BZK) en beheersmatig onder de minister van Defensie. De NSO wordt aangestuurd door de directeur van de MIVD en het hoofd van de AIVD en zij leggen daarover verantwoording af aan beide ministers.
Zie verder ook het antwoord op vraag 55.
58
Hoe ver reikt, naar het oordeel van de minister van BZK, de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van de activiteiten die de NSO verricht?
Er is sprake van volledige ministeriële verantwoordelijkheid van de beide ministers.
Zie verder ook het antwoord op vraag 57.
59
Wat wordt gedaan om onduidelijkheden over het onbevoegd verzamelen en/of het doorgeven van gegevens in de toekomst te voorkomen? Is de minister van BZK voornemens hier zelf actiever bij betrokken te zijn?
In algemene zin geldt dat eventuele onduidelijkheden worden betrokken bij de lopende evaluatie van de WIV. In het onderhavige geval was geen sprake van onduidelijkheden en is er rechtmatig gehandeld.
60
Onder verantwoordelijkheid van welke dienst zijn de metadata verzameld en overgedragen aan de Verenigde Staten? Welke bewindspersoon heeft op welke wijze daartoe de beslissing genomen?
Dit geschiedt onder verantwoordelijkheid van beide diensten.
Zie voorts het antwoord op vraag 55.
61
Hoe reageerde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken op de, door de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken in oktober 2013 overgebrachte Nederlandse zorgen? Wat was de reactie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken op het Nederlandse pleidooi voor meer transparantie?
Tijdens het gesprek in september 2013 tussen minister Timmermans en zijn Amerikaanse ambtgenoot toonde minister Kerry veel begrip voor de Nederlandse zorgen ten aanzien van NSA. Hij gaf aan dat het recht op privacy een groot goed is, waar hij zich gedurende zijn carrière voor heeft ingezet. Minister Kerry benadrukte dat de VS er geen baat bij heeft om een overmatige hoeveelheid informatie te verzamelen. Hij verwees naar de adviescommissie die de VS-Administratie had ingesteld om de bevoegdheden van de veiligheidsdiensten onder de loep te nemen. Inmiddels heeft die adviescommissie tientallen aanbevelingen gedaan om de NSA transparanter en terughoudender te maken.
62
Welke rol speelt Nederland precies in 'the nine eyes'?
Zoals reeds eerder gemeld, werken de AIVD en MIVD op bilaterale - en multilaterale wijze samen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Nadere mededelingen hierover zijn in het openbaar niet mogelijk.
63
Hebben buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten zoals de Amerikaanse NSA op enig moment inlichtingen verzameld buiten de wettelijke kaders om? Zo ja, welke maatregelen zijn daarop gevolgd?
Noch de minister van Defensie, noch de minister van BZK verkeert in de positie om te beoordelen of buitenlandse inlichtingendiensten hun taak uitvoeren in overeenstemming met de eigen nationale wetgeving. Het spreekt voor zich dat inlichtingenactiviteiten op Nederlands grondgebied moeten plaatsvinden in overeenstemming met de Nederlandse wet.
64
In welk licht moet de volgende uitspraak van de minister van BZK tijdens het AO op 16 oktober 2013 dat: 'Nederland ook veel heeft te bieden, omdat het juist op het gebied van intelligence een goede, waardevolle samenwerkingspartner is. Dat mag best leiden tot een stevige positie met het oog op het maken van afspraken over wat de bondgenoten in de richting van het Nederlandse territorium doen', worden beschouwd? Moet, met de wetenschap van nu dat de minister van BZK naar eigen zeggen op dat moment kennelijk niet wist dat het om door Nederland verzamelde en gedeelde gegevens ging, geconstateerd worden dat die veronderstelde stevige positie überhaupt niet bestaat, laat staan waargemaakt is?
De recente ontwikkelingen geven geen aanleiding deze uitspraak bij te stellen. De Nederlandse diensten zijn een gewaardeerde internationale samenwerkingspartner.
65
Op 6 februari 2014 zijn er geruchten naar boven gekomen over het eventueel adviseren van de minister om ergens niet aan deel te nemen. Graag een reactie hierop van de minster van BZK.
De minister van BZK is als enige verantwoordelijk voor zijn optredens in de media.
(Rijksoverheid, 10 februari 2014)
Nr. Lijst van vragen
Vastgesteld 6 februari 2014
1
Hoe komt het dat een aantal maanden geleden niet bekend was dat er sprake was van gegevens die rechtmatig (binnen de wettelijke doelen) verzameld zijn? Had dit niet bekend moeten zijn?
Op 5 augustus 2013 publiceerde Der Spiegel een staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld. Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen “telefoongesprekken” in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. Het NSA programma Boundless Informant sprak van data “collection against that country” en gaf het getal 1,8 miljoen voor Nederland. In eerste instantie lag het dus in de rede te veronderstellen dat het ging om Nederlandse telefoongesprekken. In de publieke beeldvorming ontstond vervolgens al snel de suggestie dat het om het ‘aftappen’ van 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken zou gaan.
Uw Kamer en de media hebben naar aanleiding van voornoemde berichtgeving vragen gesteld aan de regering. Op dat moment kon het kabinet het getal van 1,8 miljoen nog niet plaatsen.
Hierna is er onderzoek ingesteld door de diensten. Ook is er intensief contact geweest tussen de Nederlandse diensten en de NSA om tot een nadere duiding te komen. Op basis van dit onderzoek is op 20 november 2013 gebleken dat het in de berichtgeving genoemde getal van 1,8 miljoen hoogstwaarschijnlijk betrekking had op verzameling van metadata van telefoongesprekken door de Nationale Sigint Organisatie (NSO). Dit werd bevestigd door verder intern onderzoek van de diensten. Op 22 november 2013 zijn de Minister van Defensie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) hierover door de diensten gelijktijdig geïnformeerd.
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, die zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
Het getal van 1,8 miljoen heeft derhalve geen betrekking op gesprekken die via Nederlandse telefoonnummers zouden zijn gevoerd. Het betreft metadata verzameld in het kader van de wettelijke taakuitoefening.
Zie verder ook het antwoord op vraag 38.
2
Op welke metadata doelde de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) toen de minister in het debat met de Kamer op 6 november 2013 en bij Nieuwsuur van 30 oktober 2013 over metadata sprak?
Op dat moment doelde de minister van BZK op metadata van telefoongesprekken met Nederlandse nummers.
3
Staat de minister van BZK nog steeds achter de uitlating, gedaan op 30 oktober 2013 in het tv-programma Nieuwsuur, dat de National Security Agency (NSA) in één maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept?
Nee. Er zijn 2 redenen waarom de minister van BZK dit als mogelijkheid zag:
1. Het stond voor de Nederlandse diensten vast dat zij niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard. Een alternatieve verklaring was dat deze door een buitenlandse dienst waren vergaard.
2. Opvragen door de AIVD leverde op dat er per dag circa 60.000 gesprekken tussen Nederland en de VS zijn. Over een peilperiode van een maand kwam dat overeen met de 1,8 miljoen uit Der Spiegel.
Terugkijkend hierop vindt de minister van BZK dat hij deze mogelijke verklaring achterwege had moeten laten.
Zie verder ook het antwoord op vraag 7.
4
Waarom heeft de minister van BZK, die tijdens een AO in het najaar van 2013 nog uitlegde dat de NSA niet zelfstandig de betreffende data heeft kunnen verzamelen en daarnaast ook stelde dat: “de verklaring die het NSA heeft gegeven, is dat er kennelijk ook door andere bondgenoten dergelijke informatie met hen is gedeeld. Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan. Het zou kunnen dat andere landen in het bondgenootschap dat wel hebben gedaan", de Kamer in oktober 2013 nog medegedeeld dat de gegevens niet door Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren verzameld en verstrekt?
Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen “telefoongesprekken” in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. De indruk ontstond dat in ons land op grote schaal Nederlandse telefoongesprekken zouden worden vergaard en verstrekt door de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Op vragen in de media en in uw Kamer daarover heeft de minister van BZK medegedeeld dat de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten alleen binnen wettelijke kaders metadata verzamelen en verstrekken, en dus niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard en verstrekt.
Zie verder ook het antwoord op vraag 3.
5
Op basis van welke informatie heeft de minister van BZK tijdens zowel het AO op 6 november 2013 als de Nieuwsuur-uitzending 30 oktober 2013 kunnen verklaren dat 1,8 miljoen Nederlandse telefoontjes zijn geregistreerd door de NSA en dat, na onderzoek, het NIET de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren die de data-verkeersgegevens hebben verzameld. Waar bestond dit interne onderzoek uit? Waarom kreeg de minister op dat moment niet de juiste informatie?
Er was in dat stadium sprake van een mogelijke verklaring. Op basis daarvan heeft de minister van BZK de uitspraak gedaan. In het publieke debat was de stellige indruk ontstaan dat de Nederlandse veiligheidsdiensten 1,8 miljoen telefoongesprekken van Nederlanders zouden hebben vergaard. De minister van BZK heeft dit beeld willen weerleggen.
Zie verder het antwoord op vraag 3.
6
Wat is de precieze inhoud van het gesprek dat de minister van BZK in het najaar van 2013 met de NSA had over mogelijke activiteiten van de NSA in Nederland? Is toen al duidelijk geworden dat deze 1,8 miljoen registraties niet het werk van de NSA maar van de Nederlandse diensten was?
Nee. Op dat moment beperkte, zowel in het bilaterale gesprek als in de reguliere contacten tussen de diensten en de NSA, de NSA zich tot de mededeling dat Nederland ‘geen target’ was. Overigens was dit gesprek op 11 oktober 2013, dus voordat de publicatie in Le Monde over 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken kwam.
7
Doelde de minister van BZK met de uitspraak “Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan” tijdens het AO op 6 november 2013, enkel op door Nederlandse diensten op Nederlandse bodem vergaarde metadata van gesprekken van Nederlanders met andere Nederlanders?
Ja. Om precies te zijn doelde hij op kabelgebonden telefoongesprekken in of vanuit Nederland.
Met het oog op het publieke debat dat naar aanleiding van de onthullingen was ontstaan, heeft de minister van BZK twee zaken willen corrigeren, namelijk:
1. dat er sprake zou zijn van ‘afgeluisterde’ telefoongesprekken en
2. dat de Nederlandse diensten betrokken zouden zijn geweest bij mogelijke door de NSA in Nederland vergaarde telefoongesprekken.
8
Hoe beoordeelt de minister van BZK zijn mediaoptreden bij Nieuwsuur op 30 oktober 2013 en bij Pauw en Witteman op 22 oktober 2013? Hoe interpreteert de minister nu wat hij destijds heeft gezegd? Doelt de minister van Defensie op deze uitspraken wanneer zij het heeft over 'hardnekkige beeldvorming'? Zo nee, waar doelt zij dan wel op?
Zie de antwoorden op de vragen 3,4 en 5.
De uitspraak van de minister van Defensie over hardnekkige beeldvorming heeft betrekking op het beeld in het publieke debat, namelijk dat er sprake zou zijn van illegale metadataverzameling, het massaal ‘afluisteren’ van Nederlandse telefoongesprekken en ook het ongeoorloofd delen van die informatie met partnerdiensten.
9
Waaruit bestonden de 'toen beschikbare gegevens' die het aannemelijk maakten dat het zou gaan om metadata van telefoonverkeer tussen de VS en Nederland? Was op dat moment niet al mogelijk om snel en precies duidelijk te krijgen hoe het zat? Zo ja, waarom is dat dan niet gebeurd?
10
Hoe verhoudt de uitspraak van de minister van BZK dat de NSA in een maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept (gedaan tijdens de Nieuwsuur-uitzending op 30 oktober 2013) tot de opmerking in de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) waarin de ministers van BZK en Defensie schrijven dat de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) deze 1,8 miljoen metadata heeft verzameld en deze gegevens heeft ‘gedeeld met de Verenigde Staten’?
11
Op welke grond baseerde de minister van BZK zich toen hij stelde dat het getal van 1,8 miljoen records metadata gekoppeld moest worden aan dataverzameling door de NSA?
Zie voor de antwoorden op de vragen 9, 10 en 11 de antwoorden op de vragen 1 en 3.
12
Welke aanvullende informatie had de minister van BZK om te kunnen concluderen dat de 1,8 miljoen records metadata niet afkomstig is van Nederlandse diensten terwijl dit op zichzelf niet af te leiden uit de door de minister aangehaalde verklaring van de NSA?
De verklaring van de NSA was de eerste gelegenheid dat de NSA richting Nederland bevestigde dat de door Der Spiegel genoemde metadata inderdaad bestonden. De verklaring zelf laat overigens in het midden of de Nederlandse metadata door Nederland of de NSA waren verkregen. De minister van BZK heeft deze verklaring onmiddellijk publiek gemaakt, zie de brief van 31 oktober 2013, kenmerk 8330f574-or1-1.7.
Zie verder ook het antwoord op de vragen 1 en 3.
13
Wanneer ontving de minister van BZK voor het eerst het signaal dat niet de NSA, maar de Nederlandse Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten verantwoordelijk waren of zouden kunnen zijn voor de vergaring van de 1,8 miljoen records metadata? Wanneer hoorde de minister van BZK voor het eerst dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn en wanneer realiseerde de minister van BZK zich dat zijn verklaring waarin het getal van 1,8 miljoen records metadata werd gekoppeld aan de NSA, niet klopte?
14
Hoe en door wie is de minister van BZK geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO zijn verzameld?
15
Hoe verhoudt de volgende zinsnede uit de brief van de ministers van BZK en Defensie van 4 februari 2014 (2014Z01980): 'Aanvullende informatie en vervolgens nader onderzoek en analyse hebben echter geleid tot de volgende conclusie', zich tot de opmerkingen van de minister van Defensie in media-interviews door o.a. de NOS en Pownews, na afloop van AO defensie d.d. 5 februari j.l., dat zij al die tijd al wist dat die metadata door de NSO is verzameld en is gedeeld met de NSA?
Antwoord op de vragen 13,14 en 15:
Op 22 november zijn beide ministers gelijktijdig geïnformeerd door de diensten.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
16
Hoe is het verschil in de conclusies van de vorige brief en deze brief te verklaren? Hoe kan het dat de conclusies heel anders zijn?
Op 31 oktober 2013 was er nog geen duidelijkheid over de exacte herkomst van de 1,8 miljoen metadata. In voorgaande brieven is vooral inzichtelijk gemaakt wat de Nederlandse inlichtingendiensten op basis van de WIV mogen en wat buitenlandse diensten in Nederland mogen. Tenslotte is vermeld dat nader onderzoek nog gaande was.
Dit onderzoek heeft de noodzakelijke duidelijkheid opgeleverd. De conclusie van de brief van 4 februari 2014 is hierop gebaseerd.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
17
Wanneer werd het onderzoek, waarover de brief van 4 februari 2014 spreekt, officieel afgerond? Is de Kamer meteen geïnformeerd nadat er duidelijkheid kwam over de herkomst van de gegevens?
Op 22 november 2013 is het onderzoek afgerond, zie ook het antwoord op vraag 1.
Daarna hebben de Minister van Defensie en de Minister van BZK de afweging gemaakt tussen de plicht om de Kamer zoveel als mogelijk te informeren en het belang van de Staat om in het openbaar niet in te gaan op de mogelijke modus operandi van onze diensten. Het laatste gaf de doorslag.
In het kader van de voorbereiding van de civiele procedure over het gebruik van gegevens afkomstig van buitenlandse diensten is er eind januari 2014 een nieuw toetsmoment ontstaan.
De vordering van eisers heeft immers verstrekkende consequenties voor onze veiligheidspositie omdat een deel van de eisen, indien door de rechter toegekend, een zeer grote schade zou doen aan het succes van de operaties van de diensten, zoals de eis beperkingen op te leggen aan het verkrijgen en gebruiken van gegevens van buitenlandse diensten. Het zwaarwegende belang bij dit proces inclusief het belang van de nationale veiligheid was en is erbij gediend te beargumenteren dat er geen sprake is geweest van het ‘witwassen van illegale data’, maar van het rechtmatig vergaren van metadata. Gelet op het gewicht van de genoemde belangen en de verdediging hiervan, diende de weergave van het handelen van de diensten door de eiser te worden weerlegd omdat deze anders, als de gedaagde deze weergave onweersproken liet, voor waar zou kunnen worden aangenomen.
Daarom is besloten tot openbaarmaking van een deel van de werkwijze in de brief van 4 februari 2014 aan de Kamer. De ministers van Defensie en BZK hebben deze nieuwe afweging gezamenlijk gemaakt.
18
Waar bestond het 'nader onderzoek en analyse' precies uit? Waarom kon deze analyse niet eerder tot de gewenste helderheid leiden?
Er was in eerste instantie slechts een staafdiagram (Der Spiegel), en later nog een nadere maar minimale duiding (Le Monde), beschikbaar. Dit getal en het staafdiagram waren niet één op één te herleiden tot informatie uit de eigen systemen.
‘Nader onderzoek en analyse’ behelsde een reconstructie aan de hand van eigen onderzoek in combinatie met aanvullende informatie van de NSA. Op grond hiervan konden op 22 november 2013 definitieve conclusies worden getrokken.
Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
19
Ligt het, met de kennis van nu, niet heel erg voor de hand dat de minister van BZK vanaf het gesprek met de NSA-directeur Keith Alexander over bilaterale contacten (iets wat de minister tijdens het AO op 16 oktober 2013 aangaf) al wist (of in ieder geval met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op gewezen bent) dat de minister van BZK zelf verantwoordelijk was voor het verzamelen en delen van 1,8 miljoen records metadata? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie verder ook het antwoord op vraag 1.
20
Hoeveel tijd zat er tussen het moment dat de minister van BZK hiervan op de hoogte werd gesteld en het moment dat hij de Kamer inlichtte?
21
Waarom is de Kamer niet terstond geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn?
22
Waarom en wanneer is besloten om deze informatie op 4 februari te delen met de Tweede Kamer?
23 Is het waar dat de minister van BZK pas heeft besloten om het parlement te informeren nadat het risico ontstond dat u op rechterlijke last de ware toedracht zou moeten openbaren?
Zie voor de antwoorden op de vragen 20, 21, 22 en 23 het antwoord op vraag 17.
24
Wist de minister van BZK vooraf aan het versturen van de brief van 4 februari (2014Z01980) dat publicatie in de media aanstaande was? Zo ja, heeft dit een rol gespeeld in de overweging tot het alsnog openbaren van deze informatie aan de Kamer?
Nee, eventuele op handen zijnde publicaties hebben hierbij geen rol gespeeld.
Zie verder ook het antwoord op vraag 17.
25
Wat was de directe aanleiding om de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) naar de Kamer te sturen en waarom was dit zo'n korte brief zonder nadere uitleg over de gang van zaken rond de 1,8 miljoen taps?
Zie het antwoord op vraag 17.
26
Hoe verklaart de minister van BZK het feit dat er meer dan drie maanden verstreken zijn tussen het moment dat de minister onjuiste informatie naar buiten bracht en de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980)?
Zie het antwoord op vraag 1, 17, 22 en 23.
27
Wanneer zijn de toezichthouders en de vaste commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) geïnformeerd over het feit dat de registratie van 1,8 miljoen taps het werk van onze eigen veiligheidsdiensten is geweest?
Er is geen sprake van taps, maar van metadata. Op 4 februari 2014 is de Kamer geïnformeerd. De CTIVD kan hier continu kennis van nemen en is bekend met de werkwijze van de diensten. De CTIVD wordt niet separaat geïnformeerd.
28
Kan de minister van BZK precies aangeven wanneer welke informatie inzake dit schandaal is verstrekt aan de vaste commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten? Is de minister van BZK van mening dat de 'commissie stiekem' actief en volledig is geïnformeerd? Zo ja, waarom?
Over contacten met de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
29
Is de minister van BZK bereid om de geheime bijlages bij de rapporten van de CTIVD, die op dit spionageschandaal betrekking hebben, openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Deze bijlagen hebben betrekking op operaties en zijn daarom niet openbaar gemaakt. Het geheime deel betreft een uitwerking van het openbare rapport en bevat geen andere conclusies of aanbevelingen dan degene die in meer abstracte zin in het openbare rapport zijn vermeld. Vertrouwelijke bijlagen die betrekking hebben operaties kunnen naar hun aard niet publiek gemaakt worden.
30
Heeft de minister van BZK nog meer informatie aan de Kamer verstrekt over het werk van de inlichtingendiensten waarvan nu blijkt dat het vermoeden bestaat dat die informatie niet klopt?
Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.
31
Hoe kijkt de minister van BZK terug op de wijze waarop de hij het parlement heeft geïnformeerd over het vermeende spionageschandaal?
Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.
32
In hoeverre zijn de ministers van BZK en Defensie volledig op de hoogte van de informatieverzameling en doorgifte van de inlichtingendiensten en de NSO? Vindt u deze constructie wenselijk voor de politieke controle op de inlichtingendiensten?
Ja. De ministers van Defensie en BZK zijn, met oog op hun ministeriële verantwoordelijkheid voor de NSO, op de hoogte van de activiteiten van de NSO.
33
Is het waar dat de minister van Defensie eerder dan de minister van BZK wist dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn? En zo ja, wat is de verklaring van het gebrek aan communicatie tussen de ministers? Waarom is de Kamer daarover niet geinformeerd?
Nee. Zie ook het antwoord op de vragen 1 en 15.
34
Wat was het doel van het gesprek op woensdagavond 5 februari 2014 op het Torentje?
Doel en inhoud van dit gesprek zijn naar hun aard vertrouwelijk.
35
Ten behoeve van welke activiteiten worden die miljoenen metadata-records verzameld en waarom is dit nooit opgemerkt in de CTIVD-rapportages?
De metadata worden door de NSO verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland, hetgeen valt binnen de kaders van de wettelijke taakuitoefening (artikelen 6 en 7 WIV). De CTIVD is een onafhankelijke commissie die haar rapporten aan de Tweede Kamer stuurt. De inzet van bijzondere bevoegdheden (waaronder de inzet van de bevoegdheid tot ongerichte interceptie van niet-kabelgebonden telecommunicatie als bedoeld in artikel 27 WIV) door de diensten wordt door de CTIVD al sinds jaren onderzocht.
36
Is dit de specifieke Nederlandse informatie waar de onderzoeksjournalist Greenwald op duidde? Zo nee, wat komt er nog meer?
Het is ons niet bekend op welke informatie de heer Greenwald heeft geduid.
37
Moet uit de brief van 4 februari (2014Z01980) worden opgemaakt dat de NSA, in tegenstelling tot eerdere uitspraken van de minister van BZK, in het geheel geen metadata van telefoonverkeer tussen Nederland en de Verenigde Staten aftapt en opslaat? Of moet uit de brief worden opgemaakt dat de NSA dit wel doet en deze data opslaat, maar dat het in de Der Spiegel genoemde getal van 1,8 miljoen niet aan deze activiteit te verbinden is?
De brief van 4 februari 2014 zegt inderdaad dat het in Der Spiegel getoonde staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld niet aan interceptie door de NSA te verbinden is. De brief zegt niets over de activiteiten van de NSA.
38
Zijn de 1,8 miljoen, door de NSO verzamelde en met de NSA gedeelde, records metadata van satelliet- en radioverkeer afkomstig van communicatie uit het buitenland? Is er ook in Nederland verzamelde communicatie tussen Nederlanders onderling met de Nationale Security Agency gedeeld? Zo ja, in welke mate en om welke reden?
In de metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en de ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
39
Is het aantal van 1,8 miljoen taps in december 2012 een maandelijks gemiddelde of is dit een afwijkend getal? Kan nader worden uitgelegd om wat voor taps het gaat, zijn het bijvoorbeeld telefoongesprekken, websitebezoeken, etc.?
Het gaat niet om taps maar om metadata. Een verdere specificatie van dit aantal of andere details kan in de openbaarheid niet worden gegeven.
40
Hoe is voor deze 1,8 miljoen taps gecontroleerd of de activiteiten rechtmatig zijn en kan de vigerende regelgeving in het antwoord worden betrokken?
Het gaat niet om taps maar om metadata. Het ongericht intercepteren van niet kabelgebonden telecommunicatie is een bijzondere bevoegdheid ingevolge artikel 27 van de WIV en kan slechts worden uitgeoefend voor zover dat noodzakelijk is voor de taken van de diensten en met inachtneming van de beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit (artikel 18, 27 en 31 van de WIV). Voor de uitvoering van deze bijzondere bevoegdheid geldt geen toestemmingsvereiste als bedoeld in artikel 19 WIV 2002. De CTIVD houdt toezicht op de rechtmatigheid.
41
Wat wordt precies bedoeld met de zinsnede in de brief van 4 februari dat de gegevens zijn verzameld 'in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland'? Betreffen dit gegevens van dreiging van terrorisme binnen Nederland of ook van gegevens die te maken hebben met terrorisme in, of afkomstig uit het buitenland?
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Het is niet mogelijk om in het openbaar meer specifieke informatie te delen.
42
Vindt het verzamelen van de metadata, gericht op de genoemde doelen in de brief van 4 februari 2014 (2014Z01980) nog steeds plaats? Zo ja, wat is daarvan de reden? Zo nee, waarom is het verzamelen van die gegevens nu niet meer nodig?
In het kader van de aan de AIVD en MIVD opgedragen taken zoals geregeld in de artikelen 6 onderscheidenlijk 7 lid 2 van de WIV, kunnen metadata worden verzameld over dreigingen gericht tegen de nationale veiligheid en Nederlandse militairen die in het buitenland worden ingezet. Uiteraard moet daarbij wel worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.
43
Is het niet bijzonder onprofessioneel om publiekelijk uit te spreken dat bondgenoten toch niet zo met elkaar om horen te gaan en te zeggen dat de regering de NSA hierop zou aanspreken, terwijl de (Nederlandse) NSO die gegevens zelf heeft verzameld en uitgewisseld?
Zie het antwoord op vraag 3.
44
Zijn de door de NSO verzamelde records metadata met name in het buitenland verzameld en is de privacy van Nederlanders dus minder in het geding dan eerder gedacht?
Ja. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
45
Betreffen de 1,8 miljoen records metadata gegevens die de NSO zelfstandig vergaard heeft?
Ja.
46
Betreffen de 1,8 miljoen records metadata ook 1,8 miljoen verschillende momenten/vormen van communicatie? Zo nee, hoeveel communicatiemomenten beslaan deze data?
Ja.
47
Wat voor kenmerken van de communicatie zijn in de bedoelde records metadata vastgelegd?
In deze metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek.
48
Kan de minister van BZK uitsluiten dat de genoemde records metadata ook betrekking hebben op communicatie waarbij zender en ontvanger zich beiden in Nederland bevinden? Zo nee, waarom niet?
Uitgesloten kan worden dat de genoemde 1,8 miljoen metadata Nederlandse telefoonnummers betreft.
49
Bij hoeveel van de 1,8 miljoen metadata-records is sprake van communicatie waarbij in ieder geval één van de betrokkenen zich naar het weten van de minister van BZK in Nederland bevond?
Daarover kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.
50
Op welke vormen van communicatie hebben de metadata betrekking? Gaat het uitsluitend om telefoongesprekken, of ook mailberichten en andere communicatie?
Het betreft uitsluitend metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, op basis van satellietcommunicatie.
51
Welk deel van de metadata hebben betrekking op satellietcommunicatie? Op welke andere communicatietechnieken hebben de data betrekking?
Zie het antwoord op vraag 50.
52
Staat de minister van BZK nog steeds achter de uitlating die hij na de ministerraad van 21 juni 2013 deed dat onze geheime diensten geen gebruik maken van PRISM of andersoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten?
De diensten maken geen gebruik van PRISM of van gelijksoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten.
53
Hoe hebben de Nederlandse geheime diensten, waaronder de NSO, dit soort informatie verzameld en waarom was de minister van BZK daar niet van op de hoogte?
De betrokken ministers zijn op de hoogte van de wijze waarop de diensten informatie verzamelen.
54
Hoe kan de minister van BZK de Kamer garanderen dat zijn uitspraak tijdens het AO op 6 november 2013 dat de afgetapte metadata geen betrekking hebben op het telefoon- dan wel sms-verkeer binnen Nederland, wel juist is?
Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.
55
Hoever strekken de wettelijke bevoegdheden om gegevens te verschaffen aan de Verenigde Staten? Is er voor het aftappen van alle telefoongegevens sprake van verschaffen binnen de wettelijke mogelijkheden?
De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV) kent een gesloten verstrekkingenstelsel. Verstrekking van gegevens aan buitenlandse diensten kan plaatsvinden op grond van artikel 36 dan wel op grond van artikel 59 van de wet. Dit wettelijk kader bepaalt dus ook de verstrekking van gegevens aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Verenigde Staten.
Artikel 36, eerste lid, aanhef en onder d, biedt de AIVD en de MIVD de mogelijkheid om in het kader van een goede taakuitvoering omtrent door of ten behoeve van de dienst verwerkte gegevens mededeling te doen aan daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen, alsmede andere daarvoor in aanmerking komende internationale beveiligings-, verbindingsinlichtingen- en inlichtingenorganen. Bij de verstrekking op grond van deze bepaling staat de (eigen) goede taakuitvoering centraal en zal het veelal gaan om verstrekking van door de dienst bewerkte gegevens (“ mededeling”) omtrent concrete personen of organisaties (vgl. ambtsberichten). Indien de aard van de mededeling daartoe aanleiding geeft, geschiedt de verstrekking door de voor de dienst verantwoordelijke minister. Bij verstrekking van gegevens aan de diensten als hier bedoeld dient ingevolge artikel 37 van de wet altijd de voorwaarde te worden gesteld dat deze gegevens niet aan derden mogen worden verstrekt (de derde partijregel). Door de verantwoordelijke minister of namens deze het hoofd van de dienst kan echter alsnog toestemming worden verleend om de gegevens aan andere personen of instanties te verstrekken; daaraan kunnen voorwaarden worden verbonden.
De verstrekking op grond van artikel 59 van de wet staat in het teken van de aan de hoofden van de diensten opgedragen zorgplicht tot het onderhouden van verbindingen met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen. In dat kader kunnen op grond van artikel 59, tweede lid, aan deze instanties gegevens worden verstrekt ten behoeve van door deze instanties te behartigen belangen, voor zover (a) deze belangen niet onverenigbaar zijn met de belangen die diensten hebben te behartigen, en (b) een goede taakuitvoering door de diensten zich niet tegen verstrekking verzet. Hier staat dus het belang van de buitenlandse dienst centraal. Artikel 59 biedt de grondslag voor allerlei samenwerkinsgverbanden, bilateraal of multilateraal en al dan niet geinstitutionaliseerd, waarbij gegevens kunnen worden uitgewisseld. De verstrekking van bulk data, waaronder metadata, vindt in de praktijk op deze grondslag plaats. Bij de vraag welke gegevens verstrekt mogen worden, zal getoetst dienen te worden aan de hiervoor genoemde criteria. Dat geldt ook voor de verstrekking van metadata. In beginsel komen dus allerlei gegevens voor verstrekking in aanmerking, zij het dat ook hier geldt als uitgangspunt dat gegevens omtrent bronnen en modus operandi (over en weer) geheim worden gehouden. Voorts is ook bij deze verstrekking de derde partijregel onverkort van toepassing.
56
Was de minister van BZK bekend met de herkomst van de gegevens en de precieze status ervan alsmede het doel waar deze gegevens voor werden verzameld?
Zie het antwoord op vraag 1.
57
Op welke wijze vindt er afstemming plaats tussen de NSO en de ministers van Defensie en BZK over de precieze mogelijkheden en beperkingen bij het verzamelen van gegevens en de doelen waarvoor deze verzameld mogen worden? Zijn de ministers verplicht daar steeds persoonlijk toestemming voor te geven?
De NSO valt gezagsmatig onder de verantwoordelijkheid van beide ministers (Defensie en BZK) en beheersmatig onder de minister van Defensie. De NSO wordt aangestuurd door de directeur van de MIVD en het hoofd van de AIVD en zij leggen daarover verantwoording af aan beide ministers.
Zie verder ook het antwoord op vraag 55.
58
Hoe ver reikt, naar het oordeel van de minister van BZK, de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van de activiteiten die de NSO verricht?
Er is sprake van volledige ministeriële verantwoordelijkheid van de beide ministers.
Zie verder ook het antwoord op vraag 57.
59
Wat wordt gedaan om onduidelijkheden over het onbevoegd verzamelen en/of het doorgeven van gegevens in de toekomst te voorkomen? Is de minister van BZK voornemens hier zelf actiever bij betrokken te zijn?
In algemene zin geldt dat eventuele onduidelijkheden worden betrokken bij de lopende evaluatie van de WIV. In het onderhavige geval was geen sprake van onduidelijkheden en is er rechtmatig gehandeld.
60
Onder verantwoordelijkheid van welke dienst zijn de metadata verzameld en overgedragen aan de Verenigde Staten? Welke bewindspersoon heeft op welke wijze daartoe de beslissing genomen?
Dit geschiedt onder verantwoordelijkheid van beide diensten.
Zie voorts het antwoord op vraag 55.
61
Hoe reageerde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken op de, door de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken in oktober 2013 overgebrachte Nederlandse zorgen? Wat was de reactie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken op het Nederlandse pleidooi voor meer transparantie?
Tijdens het gesprek in september 2013 tussen minister Timmermans en zijn Amerikaanse ambtgenoot toonde minister Kerry veel begrip voor de Nederlandse zorgen ten aanzien van NSA. Hij gaf aan dat het recht op privacy een groot goed is, waar hij zich gedurende zijn carrière voor heeft ingezet. Minister Kerry benadrukte dat de VS er geen baat bij heeft om een overmatige hoeveelheid informatie te verzamelen. Hij verwees naar de adviescommissie die de VS-Administratie had ingesteld om de bevoegdheden van de veiligheidsdiensten onder de loep te nemen. Inmiddels heeft die adviescommissie tientallen aanbevelingen gedaan om de NSA transparanter en terughoudender te maken.
62
Welke rol speelt Nederland precies in 'the nine eyes'?
Zoals reeds eerder gemeld, werken de AIVD en MIVD op bilaterale - en multilaterale wijze samen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Nadere mededelingen hierover zijn in het openbaar niet mogelijk.
63
Hebben buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten zoals de Amerikaanse NSA op enig moment inlichtingen verzameld buiten de wettelijke kaders om? Zo ja, welke maatregelen zijn daarop gevolgd?
Noch de minister van Defensie, noch de minister van BZK verkeert in de positie om te beoordelen of buitenlandse inlichtingendiensten hun taak uitvoeren in overeenstemming met de eigen nationale wetgeving. Het spreekt voor zich dat inlichtingenactiviteiten op Nederlands grondgebied moeten plaatsvinden in overeenstemming met de Nederlandse wet.
64
In welk licht moet de volgende uitspraak van de minister van BZK tijdens het AO op 16 oktober 2013 dat: 'Nederland ook veel heeft te bieden, omdat het juist op het gebied van intelligence een goede, waardevolle samenwerkingspartner is. Dat mag best leiden tot een stevige positie met het oog op het maken van afspraken over wat de bondgenoten in de richting van het Nederlandse territorium doen', worden beschouwd? Moet, met de wetenschap van nu dat de minister van BZK naar eigen zeggen op dat moment kennelijk niet wist dat het om door Nederland verzamelde en gedeelde gegevens ging, geconstateerd worden dat die veronderstelde stevige positie überhaupt niet bestaat, laat staan waargemaakt is?
De recente ontwikkelingen geven geen aanleiding deze uitspraak bij te stellen. De Nederlandse diensten zijn een gewaardeerde internationale samenwerkingspartner.
65
Op 6 februari 2014 zijn er geruchten naar boven gekomen over het eventueel adviseren van de minister om ergens niet aan deel te nemen. Graag een reactie hierop van de minster van BZK.
De minister van BZK is als enige verantwoordelijk voor zijn optredens in de media.
(Rijksoverheid, 10 februari 2014)
woensdag 5 februari 2014
Kamerbrief Plasterk en Hennis over metadata
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 4 februari 2014
Betreft Berichtgeving in Der Spiegel
Op 5 augustus jl. heeft het Duitse weekblad Der Spiegel een grafiek gepubliceerd die afkomstig zou zijn uit één van de documenten die door Snowden naar buiten zijn gebracht. De toen beschikbare gegevens maakten het aannemelijk dat het getal van 1,8 miljoen zou wijzen op metadata van telefoonverkeer tussen de Verenigde Staten en Nederland.
Aanvullende informatie en vervolgens nader onderzoek en analyse van de gepubliceerde gegevens hebben echter geleid tot de volgende conclusie. De bedoelde grafiek wijst op circa 1,8 miljoen records metadata die door de Nationale Sigint Organisatie (NSO) zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland. Het betreft dus uitdrukkelijk data verzameld in het kader van de wettelijke taakuitoefening. De gegevens zijn rechtmatig gedeeld met de Verenigde Staten in het licht van internationale samenwerking op de hierboven genoemde onderwerpen.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
dr. R.H.A. Plasterk
De minister van Defensie,
J.A. Hennis-Plasschaert
Datum 4 februari 2014
Betreft Berichtgeving in Der Spiegel
Op 5 augustus jl. heeft het Duitse weekblad Der Spiegel een grafiek gepubliceerd die afkomstig zou zijn uit één van de documenten die door Snowden naar buiten zijn gebracht. De toen beschikbare gegevens maakten het aannemelijk dat het getal van 1,8 miljoen zou wijzen op metadata van telefoonverkeer tussen de Verenigde Staten en Nederland.
Aanvullende informatie en vervolgens nader onderzoek en analyse van de gepubliceerde gegevens hebben echter geleid tot de volgende conclusie. De bedoelde grafiek wijst op circa 1,8 miljoen records metadata die door de Nationale Sigint Organisatie (NSO) zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland. Het betreft dus uitdrukkelijk data verzameld in het kader van de wettelijke taakuitoefening. De gegevens zijn rechtmatig gedeeld met de Verenigde Staten in het licht van internationale samenwerking op de hierboven genoemde onderwerpen.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
dr. R.H.A. Plasterk
De minister van Defensie,
J.A. Hennis-Plasschaert
dinsdag 4 februari 2014
Antwoord op Kamervragen over inlichtingenvergaring in Burum
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Betreft Antwoorden op vragen over de inlichtingenvergaring in Burum naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur
Hierbij ontvangt u, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Eijsink en Recourt (beiden PvdA) over de inlichtingenvergaring in Burum naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur op 13 januari jl. (ingezonden 16 januari 2014, 2014Z00554).
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
1
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Nieuwsuur van 13 januari jl. over de inlichtingenvergaring in Burum?
Ja.
2
Bent u op de hoogte van de plaatsing van de Amerikaanse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling op Nederlands grondgebied? Zo nee, hoe kan de Nederlandse overheid dan toezicht houden op de activiteiten van de Amerikanen in Nederland? Zo ja, op welke wijze gaat u de Kamer hierover informeren?
3
Bent u door of namens de Amerikaanse regering geïnformeerd over de activiteiten op het gebied van inlichtingenvergaring door de Amerikanen in Burum? Zo ja, wanneer bent u hierover geïnformeerd? Zo nee, gaat u alsnog de Amerikaanse regering verzoeken u hierover te informeren?
4
Houdt de Nederlandse overheid toezicht op de Amerikaanse activiteiten met betrekking tot inlichtingenverzameling in Nederland? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
5
Op hoeveel bedrijventerreinen in Nederland is Amerikaanse of overige buitenlandse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling geplaatst? Op welke wijze is het toezicht door de Nederlandse overheid op het gebruik van deze soort apparatuur door anderen geregeld?
8
Welke controle is er op de rechtmatigheid van inlichtingenvergaring door anderen dan de Nederlandse organisaties die onder toezicht staan van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD)?
12
Op welke wijze garandeert u de naleving van de Nederlandse wetgeving door buitenlandse bedrijven die zich bezig houden met inlichtingenvergaring?
Inmarsat levert vanuit Teleport Burum commerciële telecommunicatiediensten aan overheden en organisaties binnen het kader van de Telecommunicatiewet in Nederland. Het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische Zaken houdt toezicht op de handhaving van deze wet.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) hebben geen aanwijzingen dat er in Burum sprake is van inlichtingenactiviteiten door buitenlandse mogendheden. De diensten doen structureel onderzoek naar dergelijke activiteiten van buitenlandse mogendheden in Nederland. Indien wordt geconstateerd dat een buitenlandse mogendheid zonder toestemming en medewerking van de AIVD en MIVD inlichtingenactiviteiten verricht op Nederlands grondgebied, treft de regering altijd maatregelen.
6
Hoe vaak komt het voor dat een Nederlands defensieterrein grenst aan een bedrijventerrein?
7
Hoe gebruikelijk is het dat activiteiten in het vitale en hele delicate veiligheidssegment plaatsvinden op een bedrijventerrein grenzend aan een defensieterrein waar men dezelfde activiteiten verricht?
In veel gevallen grenzen defensieterreinen aan bedrijventerreinen of bieden zij ruimte voor civiel medegebruik. Voorbeelden hiervan zijn de marinehaven in Den Helder, de ontwikkeling van de nieuwe marinierskazerne in Vlissingen op een bedrijventerrein en het civiele medegebruik van de militaire luchthavens.
9
Deelt de Nederlandse overheid de door de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) verzamelde inlichtingen in Burum met derden? Zo ja, met welke partijen?
De Nederlandse diensten werken zowel in als buiten het NAVO-bondgenootschap samen met buitenlandse partnerdiensten. Dit gebeurt binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv2002). Het gaat vooral om het uitwisselen van gegevens om de informatiepositie van de diensten te versterken. Over de partnerdiensten kunnen in het openbaar geen uitspraken worden gedaan.
10
Aan wie betaalt het Amerikaanse leger huur, het zogeheten telehousing, om de apparatuur in Burum te kunnen plaatsen en om satellietservice te ontvangen?
Inmarsat is een commerciële onderneming die op het private satellietgrondstation in Burum diensten aanbiedt voor het ontvangen en verzenden van satellietsignalen. Klanten betalen Inmarsat voor deze diensten. Voor meer informatie over Inmarsat verwijs ik de indieners naar de antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Van Raak c.s.
11
Welk Amerikaans bedrijf is betrokken bij de exclusieve beheersing van
het United States Government Network van Inmarsat?
US Government Network Access (USGNA) is een communicatiesysteem van de Amerikaanse overheid en geen inlichtingenverwervend systeem. Informatie over dit systeem is te vinden in openbare bronnen op het internet.
(ministerie van Defensie, 5 februari 2014)
Betreft Antwoorden op vragen over de inlichtingenvergaring in Burum naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur
Hierbij ontvangt u, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Eijsink en Recourt (beiden PvdA) over de inlichtingenvergaring in Burum naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur op 13 januari jl. (ingezonden 16 januari 2014, 2014Z00554).
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
1
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Nieuwsuur van 13 januari jl. over de inlichtingenvergaring in Burum?
Ja.
2
Bent u op de hoogte van de plaatsing van de Amerikaanse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling op Nederlands grondgebied? Zo nee, hoe kan de Nederlandse overheid dan toezicht houden op de activiteiten van de Amerikanen in Nederland? Zo ja, op welke wijze gaat u de Kamer hierover informeren?
3
Bent u door of namens de Amerikaanse regering geïnformeerd over de activiteiten op het gebied van inlichtingenvergaring door de Amerikanen in Burum? Zo ja, wanneer bent u hierover geïnformeerd? Zo nee, gaat u alsnog de Amerikaanse regering verzoeken u hierover te informeren?
4
Houdt de Nederlandse overheid toezicht op de Amerikaanse activiteiten met betrekking tot inlichtingenverzameling in Nederland? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
5
Op hoeveel bedrijventerreinen in Nederland is Amerikaanse of overige buitenlandse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling geplaatst? Op welke wijze is het toezicht door de Nederlandse overheid op het gebruik van deze soort apparatuur door anderen geregeld?
8
Welke controle is er op de rechtmatigheid van inlichtingenvergaring door anderen dan de Nederlandse organisaties die onder toezicht staan van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD)?
12
Op welke wijze garandeert u de naleving van de Nederlandse wetgeving door buitenlandse bedrijven die zich bezig houden met inlichtingenvergaring?
Inmarsat levert vanuit Teleport Burum commerciële telecommunicatiediensten aan overheden en organisaties binnen het kader van de Telecommunicatiewet in Nederland. Het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische Zaken houdt toezicht op de handhaving van deze wet.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) hebben geen aanwijzingen dat er in Burum sprake is van inlichtingenactiviteiten door buitenlandse mogendheden. De diensten doen structureel onderzoek naar dergelijke activiteiten van buitenlandse mogendheden in Nederland. Indien wordt geconstateerd dat een buitenlandse mogendheid zonder toestemming en medewerking van de AIVD en MIVD inlichtingenactiviteiten verricht op Nederlands grondgebied, treft de regering altijd maatregelen.
6
Hoe vaak komt het voor dat een Nederlands defensieterrein grenst aan een bedrijventerrein?
7
Hoe gebruikelijk is het dat activiteiten in het vitale en hele delicate veiligheidssegment plaatsvinden op een bedrijventerrein grenzend aan een defensieterrein waar men dezelfde activiteiten verricht?
In veel gevallen grenzen defensieterreinen aan bedrijventerreinen of bieden zij ruimte voor civiel medegebruik. Voorbeelden hiervan zijn de marinehaven in Den Helder, de ontwikkeling van de nieuwe marinierskazerne in Vlissingen op een bedrijventerrein en het civiele medegebruik van de militaire luchthavens.
9
Deelt de Nederlandse overheid de door de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) verzamelde inlichtingen in Burum met derden? Zo ja, met welke partijen?
De Nederlandse diensten werken zowel in als buiten het NAVO-bondgenootschap samen met buitenlandse partnerdiensten. Dit gebeurt binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv2002). Het gaat vooral om het uitwisselen van gegevens om de informatiepositie van de diensten te versterken. Over de partnerdiensten kunnen in het openbaar geen uitspraken worden gedaan.
10
Aan wie betaalt het Amerikaanse leger huur, het zogeheten telehousing, om de apparatuur in Burum te kunnen plaatsen en om satellietservice te ontvangen?
Inmarsat is een commerciële onderneming die op het private satellietgrondstation in Burum diensten aanbiedt voor het ontvangen en verzenden van satellietsignalen. Klanten betalen Inmarsat voor deze diensten. Voor meer informatie over Inmarsat verwijs ik de indieners naar de antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Van Raak c.s.
11
Welk Amerikaans bedrijf is betrokken bij de exclusieve beheersing van
het United States Government Network van Inmarsat?
US Government Network Access (USGNA) is een communicatiesysteem van de Amerikaanse overheid en geen inlichtingenverwervend systeem. Informatie over dit systeem is te vinden in openbare bronnen op het internet.
(ministerie van Defensie, 5 februari 2014)
dinsdag 27 augustus 2013
Kamerbrief: stand van zaken Defensie Cyber Strategie
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 26 augustus 2013
Betreft: Stand van zaken Defensie Cyber Strategie
Onze referentie
BS2013024441
Inleiding
De vaste commissie voor Defensie heeft mij op 13 juni 2013 (kenmerk 33321-1/2013D24911) verzocht haar te informeren over de stand van zaken van de Defensie Cyber Strategie, inclusief een geactualiseerde reactie op het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) over digitale oorlogsvoering. Met deze brief voldoe ik aan dit verzoek.
Achtergrond
Mede naar aanleiding van de in de beleidsbrief 2011 aangekondigde cyberintensivering en de Nationale Cyber Security Strategie (Kamerstuk 26643, nr. 174), brachten de AIV en de CAVV in december 2011 een advies uit over digitale oorlogsvoering. Dit advies onderschrijft het belang van de digitale weerbaarheid van Defensie en de ontwikkeling van operationele cybercapaciteiten. Het advies belicht tevens het volkenrechtelijke kader voor geweldgebruik in het digitale domein. Daarnaast adviseren de AIV en de CAVV de signals intelligence en cybercapaciteiten van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) te bundelen in een gezamenlijke eenheid. Tevens doen zij de aanbeveling om te onderzoeken of, gezien de technologische ontwikkelingen, het onderscheid in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) tussen kabelgebonden en niet-kabelgebonden interceptie van telecommunicatie gehandhaafd moet blijven.
Het advies van de AIV en de CAVV en de kabinetsreactie daarop (Kamerstuk 33000 X, nrs. 68 en 79) zijn onverminderd actueel en vormen de uitgangspunten voor de Defensie Cyber Strategie die mijn ambtsvoorganger in juni 2012 heeft aangeboden aan uw Kamer (Kamerstuk 33321, nr. 1). Daarnaast onderzoeken de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie momenteel de mogelijkheden voor een wijziging van de Wiv 2002 in overeenstemming met het advies van de AIV en de CAVV. Ook wordt de Wiv2002 geëvalueerd door de commissie-Dessens. Naar verwachting zal de commissie in september a.s. over haar bevindingen rapporteren. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
Defensie Cyber Strategie
De Defensie Cyber Strategie omvat zes speerpunten aan de hand waarvan Defensie de komende jaren haar doelstellingen in het digitale domein zal verwezenlijken:
· de totstandkoming van een integrale aanpak;
· de versterking van de digitale weerbaarheid van Defensie (‘defensief’);
· de ontwikkeling van militair vermogen om cyber operations uit te voeren (‘offensief’);
· de versterking van de inlichtingenpositie in het digitale domein (‘inlichtingen’);
· de versterking van de kennispositie en het innovatieve vermogen van Defensie in het digitale domein, met inbegrip van de werving en het behoud van gekwalificeerd personeel (‘adaptief en innovatief’);
· de intensivering van de samenwerking in nationaal en internationaal verband (‘samenwerking’).
Voor de periode van 2011 tot 2015 bedraagt de totale intensivering voor de ontwikkeling van cybercapaciteiten bij Defensie € 45 miljoen, inclusief de personele exploitatie. Het zwaartepunt ligt initieel bij de bescherming van netwerken, systemen en informatie en de uitbreiding van de inlichtingencapaciteit in het digitale domein. Defensie zal tevens voldoende capaciteit moeten opbouwen om op de langere termijn operationele cybercapaciteiten te kunnen inzetten in militaire operaties. De geplande cybercapaciteit zal naar verwachting in 2016 gereed zijn. Daarna bedraagt de exploitatie structureel € 21 miljoen per jaar.
Integrale aanpak
Om een integrale aanpak in het digitale domein te verwezenlijken, is intensieve samenwerking tussen de verschillende betrokken defensieonderdelen essentieel. De uitvoering van de Defensie Cyber Strategie is belegd bij verschillende onderdelen van Defensie: de Commandant der Strijdkrachten (CDS), het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) als single service manager voor alle operationele commando’s, de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en het Joint Informatievoorzieningscommando (JIVC) van de Defensie Materieel Organisatie (DMO). Zij maken alle deel uit van de Stuurgroep Cyber, die verantwoordelijk is voor de aansturing van het cyberintensiveringprogramma van Defensie. Namens het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft de directeur Cybersecurity van de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) zitting in de stuurgroep. Ook TNO neemt deel aan de stuurgroep. De in 2012 opgerichte Taskforce Cyber (TFC) is verantwoordelijk voor de coördinatie van de aan de intensivering verbonden activiteiten binnen Defensie. Hiermee is de basis gelegd voor een integrale aanpak, die de komende jaren bij de verdere ontwikkeling van cybercapaciteiten nader vorm zal krijgen.
Defensief
Het Defensie Computer Emergency Response Team (DefCERT) maakt deel uit van het JIVC en waakt over de beveiliging van de netwerken en systemen. DefCERT monitort en analyseert digitale kwetsbaarheden en adviseert en ondersteunt bij cyberincidenten door het aandragen van mogelijke oplossingen. DefCERT werkt binnen Defensie nauw samen met de MIVD en de operationele commando’s en daarbuiten met het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) van de NCTV, de Navo, andere CERT’s en met bedrijven die over specifieke kennis of middelen beschikken.
DefCERT is inmiddels operationeel en ondersteunt de beveiliging van de meest kritieke defensienetwerken. Tijdens de recente door het Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence (CCD COE) georganiseerde internationale oefening Locked Shields heeft DefCERT een internationaal aansprekend resultaat neergezet. De aanschaf van een aantal materiële voorzieningen voor het detecteren van mogelijke bedreigingen en anomalieën, heeft enige vertraging vanwege de reorganisatie. De betrokken defensieonderdelen zetten zich in om dit proces te versnellen. Naar verwachting zal DefCERT eind 2014 op volle sterkte zijn.
Offensief
Defensie zal geen afzonderlijk krijgsmachtdeel oprichten voor het optreden in het digitale domein. Bij de ontwikkeling en de inzet van offensieve operationele cybercapaciteiten door de CDS zal daarom zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van kennis en middelen die bij de MIVD aanwezig zijn. Gezien de schaarste aan gekwalificeerd personeel moeten kennis en middelen zo doelmatig mogelijk worden ingezet en moet worden voorkomen dat binnen Defensie capaciteiten dubbel worden ontwikkeld. De TFC zal in de tweede helft van 2013, in overleg met betrokken departementen, een doctrine opstellen voor het militair optreden in het digitale domein, inzetscenario’s ontwikkelen en de gevolgen van de militaire inzet van offensieve middelen nader beschrijven. De daarvoor in aanmerking komende cybercapaciteiten zoals het Defensie Cyber Expertise Centrum (DCEC) en het militaire vermogen om cyber operations (‘offensief’) uit te voeren worden als joint eenheid ondergebracht bij het op te richten Defensie Cyber Commando (DCC) dat onder single service management van het CLAS wordt opgezet. De TFC zal opgaan in het DCC dat eind 2015 operationeel zal zijn.
Inlichtingen
Een hoogwaardige inlichtingenpositie in het digitale domein is een voorwaarde voor zowel de bescherming van de eigen infrastructuur als voor de goede uitvoering van (militaire) operaties. De MIVD doet onderzoek naar alle actoren die een cyberdreiging vormen voor de Nederlandse krijgsmacht en de defensieindustrie. De MIVD detecteert, analyseert en duidt digitale aanvallen en digitale spionage en beschikt over het vermogen om inlichtingenactiviteiten van anderen te verstoren en een halt toe te roepen. In 2012 is de cybercapaciteit van de MIVD versterkt en in de periode van 2013 tot en met 2015 wordt deze verder uitgebreid.
Een deel van de cyberintensivering bij de MIVD wordt ondergebracht bij een gezamenlijke signals intelligence (SIGINT)-cybereenheid van de MIVD en de AIVD (project Symbolon). Ook de Nationale Sigint Organisatie (NSO) zal opgaan in deze eenheid, die in de loop van 2014 van start gaat. Vooruitlopend hierop is eind 2012 een kwartiermakerorganisatie ingesteld, bestaande uit delen van de MIVD en de AIVD die tot de gezamenlijke eenheid zullen gaan behoren.
Adaptief en innovatief
De snelheid waarmee ontwikkelingen in het digitale domein zich voltrekken, stelt hoge eisen aan het adaptieve en innovatieve vermogen van Defensie. Defensie moet daarom over de kennis beschikken om relevante ontwikkelingen te volgen en snel en doeltreffend hierop in spelen. Begin 2014 wordt het Defensie Cyber Expertise Centrum (DCEC) opgericht dat zal fungeren als centraal punt voor kennisontwikkeling, -verankering en -verspreiding op het gebied van cyber, en onder meer intensief samenwerken met het NCSC en TNO. Naar verwachting zal het DCEC eind 2015 op volle sterkte zijn. Het DCEC zal deel uitmaken van het DCC.
Defensie neemt tevens deel aan de Nationale Cyber Security Research Agenda, aan verschillende Navo en EU-programma’s en aan CCD COE in Tallinn. Ter voorbereiding op de inrichting van een leerstoel in 2014 is in 2012 een Universitair Hoofddocent Cyber Operations aangesteld bij de Nederlandse Defensie Academie. Daarnaast ontwikkelt de Taskforce Cyber een opleidingsplan om de cyberkennis binnen Defensie te vergroten.
Voor de algemene cyber bewustwording is voor alle defensiemedewerkers ondertussen een elektronische leeromgeving beschikbaar en worden simulatietrainingen georganiseerd. Onlangs heeft de departementale leiding daaraan deelgenomen.
Samenwerking
Defensie werkt intensief samen met andere partijen in Nederland om de nationale digitale weerbaarheid te vergroten en levert een bijdrage aan het Nationale Cyber Security Beeld. Defensie levert bijdragen aan de tweede Nationale Cyber Security Strategie die zich richt op een integrale aanpak van digitale weerbaarheid en digitale dreigingen. Tevens heeft Defensie een liaison bij het NCSC en hebben zowel DefCERT als de MIVD samenwerkingsafspraken met het NCSC over wederzijdse ondersteuning en samenwerking.
De (operationele) cybercapaciteiten (zowel defensief als offensief) van de krijgsmacht kunnen net als de overige defensiecapaciteiten op verzoek van en onder gezag van civiele autoriteiten worden ingezet. Wederzijds kunnen ook civiele cybercapaciteiten worden ingezet ter ondersteuning van Defensie in het geval van ernstige cyberincidenten of dreigingen tegen militaire doelen in Nederland. De mogelijkheden hiertoe worden onderzocht door een gezamenlijke werkgroep van de ministeries van Defensie en Veiligheid en Justitie.
In internationaal verband werkt Defensie onder andere samen binnen de Navo. In 2011 is een nieuw Navo Cyber Defence Beleid en bijbehorend Actieplan vastgesteld, waarbij het zwaartepunt ligt bij de bescherming van de eigen netwerken en systemen van Navo. Defensie ondersteunt de verdere ontwikkeling en uitvoering van dit beleid. Nederland is een van de tien sponsoring nations van het CCD COE in Tallinn. Op uitnodiging van het CCD COE heeft een internationale groep van experts de Tallinn Manual on the International Law Applicable to Cyber Warfare geschreven, een weergave van het toepasselijk recht tijdens digitale oorlogvoering. Dit handboek is begin 2013 gepubliceerd. De regering is van mening dat het een waardevolle bijdrage levert aan de discussie over de juridische kaders van digitale oorlogvoering. Ook neemt Defensie deel aan het Multinational Cyber Defence Capability Development 1) programma en de Multinational Capability Development Campaign 2) van de Navo. Daarnaast neemt Defensie deel aan diverse internationale oefeningen, workshops en andere initiatieven die samenwerking en onderling begrip bevorderen. Nederland is ook nauw betrokken bij de ontwikkeling van de cyberstrategie van de EU. Deze strategie behelst onder andere de ambitie een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid te ontwikkelen (GVDB) op het gebied van cyber. Hierbij staan het delen van informatie, gezamenlijke oefeningen, civiel-militaire samenwerking en nauwe samenwerking en afstemming met de NAVO centraal.
Vervolg
Het cyberdomein is voor Defensie van toenemend belang. Op 10 december a.s. heeft de vaste commissie voor Defensie mij uitgenodigd voor een algemeen overleg over de Defensie Cyber Strategie en het advies van de AIV en de CAVV over digitale oorlogsvoering. Dit biedt de gelegenheid nader in te gaan op de stand van zaken van de ontwikkeling van cybercapaciteiten bij Defensie.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
1) Het Multinational Cyber Defence Capability Development dat onder leiding van Canada
door het NATO Communication and Information systems Agency (NCIA) wordt uitgevoerd,
richt zich voornamelijk op kennisdeling en het verhogen van het gemeenschappelijk
omgevingsbeeld op het gebied van cyber.
2) Het Multinational Capability Development Campaign is een programma van Allied
Command Transformation (ACT) en wordt gezamenlijk geleid door Italië en Noorwegen. Dit
programma heeft als doel cyber te integreren in het operationele planningsproces van de
Navo.
Datum 26 augustus 2013
Betreft: Stand van zaken Defensie Cyber Strategie
Onze referentie
BS2013024441
Inleiding
De vaste commissie voor Defensie heeft mij op 13 juni 2013 (kenmerk 33321-1/2013D24911) verzocht haar te informeren over de stand van zaken van de Defensie Cyber Strategie, inclusief een geactualiseerde reactie op het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) over digitale oorlogsvoering. Met deze brief voldoe ik aan dit verzoek.
Achtergrond
Mede naar aanleiding van de in de beleidsbrief 2011 aangekondigde cyberintensivering en de Nationale Cyber Security Strategie (Kamerstuk 26643, nr. 174), brachten de AIV en de CAVV in december 2011 een advies uit over digitale oorlogsvoering. Dit advies onderschrijft het belang van de digitale weerbaarheid van Defensie en de ontwikkeling van operationele cybercapaciteiten. Het advies belicht tevens het volkenrechtelijke kader voor geweldgebruik in het digitale domein. Daarnaast adviseren de AIV en de CAVV de signals intelligence en cybercapaciteiten van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) te bundelen in een gezamenlijke eenheid. Tevens doen zij de aanbeveling om te onderzoeken of, gezien de technologische ontwikkelingen, het onderscheid in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) tussen kabelgebonden en niet-kabelgebonden interceptie van telecommunicatie gehandhaafd moet blijven.
Het advies van de AIV en de CAVV en de kabinetsreactie daarop (Kamerstuk 33000 X, nrs. 68 en 79) zijn onverminderd actueel en vormen de uitgangspunten voor de Defensie Cyber Strategie die mijn ambtsvoorganger in juni 2012 heeft aangeboden aan uw Kamer (Kamerstuk 33321, nr. 1). Daarnaast onderzoeken de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie momenteel de mogelijkheden voor een wijziging van de Wiv 2002 in overeenstemming met het advies van de AIV en de CAVV. Ook wordt de Wiv2002 geëvalueerd door de commissie-Dessens. Naar verwachting zal de commissie in september a.s. over haar bevindingen rapporteren. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
Defensie Cyber Strategie
De Defensie Cyber Strategie omvat zes speerpunten aan de hand waarvan Defensie de komende jaren haar doelstellingen in het digitale domein zal verwezenlijken:
· de totstandkoming van een integrale aanpak;
· de versterking van de digitale weerbaarheid van Defensie (‘defensief’);
· de ontwikkeling van militair vermogen om cyber operations uit te voeren (‘offensief’);
· de versterking van de inlichtingenpositie in het digitale domein (‘inlichtingen’);
· de versterking van de kennispositie en het innovatieve vermogen van Defensie in het digitale domein, met inbegrip van de werving en het behoud van gekwalificeerd personeel (‘adaptief en innovatief’);
· de intensivering van de samenwerking in nationaal en internationaal verband (‘samenwerking’).
Voor de periode van 2011 tot 2015 bedraagt de totale intensivering voor de ontwikkeling van cybercapaciteiten bij Defensie € 45 miljoen, inclusief de personele exploitatie. Het zwaartepunt ligt initieel bij de bescherming van netwerken, systemen en informatie en de uitbreiding van de inlichtingencapaciteit in het digitale domein. Defensie zal tevens voldoende capaciteit moeten opbouwen om op de langere termijn operationele cybercapaciteiten te kunnen inzetten in militaire operaties. De geplande cybercapaciteit zal naar verwachting in 2016 gereed zijn. Daarna bedraagt de exploitatie structureel € 21 miljoen per jaar.
Integrale aanpak
Om een integrale aanpak in het digitale domein te verwezenlijken, is intensieve samenwerking tussen de verschillende betrokken defensieonderdelen essentieel. De uitvoering van de Defensie Cyber Strategie is belegd bij verschillende onderdelen van Defensie: de Commandant der Strijdkrachten (CDS), het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) als single service manager voor alle operationele commando’s, de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en het Joint Informatievoorzieningscommando (JIVC) van de Defensie Materieel Organisatie (DMO). Zij maken alle deel uit van de Stuurgroep Cyber, die verantwoordelijk is voor de aansturing van het cyberintensiveringprogramma van Defensie. Namens het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft de directeur Cybersecurity van de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) zitting in de stuurgroep. Ook TNO neemt deel aan de stuurgroep. De in 2012 opgerichte Taskforce Cyber (TFC) is verantwoordelijk voor de coördinatie van de aan de intensivering verbonden activiteiten binnen Defensie. Hiermee is de basis gelegd voor een integrale aanpak, die de komende jaren bij de verdere ontwikkeling van cybercapaciteiten nader vorm zal krijgen.
Defensief
Het Defensie Computer Emergency Response Team (DefCERT) maakt deel uit van het JIVC en waakt over de beveiliging van de netwerken en systemen. DefCERT monitort en analyseert digitale kwetsbaarheden en adviseert en ondersteunt bij cyberincidenten door het aandragen van mogelijke oplossingen. DefCERT werkt binnen Defensie nauw samen met de MIVD en de operationele commando’s en daarbuiten met het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) van de NCTV, de Navo, andere CERT’s en met bedrijven die over specifieke kennis of middelen beschikken.
DefCERT is inmiddels operationeel en ondersteunt de beveiliging van de meest kritieke defensienetwerken. Tijdens de recente door het Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence (CCD COE) georganiseerde internationale oefening Locked Shields heeft DefCERT een internationaal aansprekend resultaat neergezet. De aanschaf van een aantal materiële voorzieningen voor het detecteren van mogelijke bedreigingen en anomalieën, heeft enige vertraging vanwege de reorganisatie. De betrokken defensieonderdelen zetten zich in om dit proces te versnellen. Naar verwachting zal DefCERT eind 2014 op volle sterkte zijn.
Offensief
Defensie zal geen afzonderlijk krijgsmachtdeel oprichten voor het optreden in het digitale domein. Bij de ontwikkeling en de inzet van offensieve operationele cybercapaciteiten door de CDS zal daarom zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van kennis en middelen die bij de MIVD aanwezig zijn. Gezien de schaarste aan gekwalificeerd personeel moeten kennis en middelen zo doelmatig mogelijk worden ingezet en moet worden voorkomen dat binnen Defensie capaciteiten dubbel worden ontwikkeld. De TFC zal in de tweede helft van 2013, in overleg met betrokken departementen, een doctrine opstellen voor het militair optreden in het digitale domein, inzetscenario’s ontwikkelen en de gevolgen van de militaire inzet van offensieve middelen nader beschrijven. De daarvoor in aanmerking komende cybercapaciteiten zoals het Defensie Cyber Expertise Centrum (DCEC) en het militaire vermogen om cyber operations (‘offensief’) uit te voeren worden als joint eenheid ondergebracht bij het op te richten Defensie Cyber Commando (DCC) dat onder single service management van het CLAS wordt opgezet. De TFC zal opgaan in het DCC dat eind 2015 operationeel zal zijn.
Inlichtingen
Een hoogwaardige inlichtingenpositie in het digitale domein is een voorwaarde voor zowel de bescherming van de eigen infrastructuur als voor de goede uitvoering van (militaire) operaties. De MIVD doet onderzoek naar alle actoren die een cyberdreiging vormen voor de Nederlandse krijgsmacht en de defensieindustrie. De MIVD detecteert, analyseert en duidt digitale aanvallen en digitale spionage en beschikt over het vermogen om inlichtingenactiviteiten van anderen te verstoren en een halt toe te roepen. In 2012 is de cybercapaciteit van de MIVD versterkt en in de periode van 2013 tot en met 2015 wordt deze verder uitgebreid.
Een deel van de cyberintensivering bij de MIVD wordt ondergebracht bij een gezamenlijke signals intelligence (SIGINT)-cybereenheid van de MIVD en de AIVD (project Symbolon). Ook de Nationale Sigint Organisatie (NSO) zal opgaan in deze eenheid, die in de loop van 2014 van start gaat. Vooruitlopend hierop is eind 2012 een kwartiermakerorganisatie ingesteld, bestaande uit delen van de MIVD en de AIVD die tot de gezamenlijke eenheid zullen gaan behoren.
Adaptief en innovatief
De snelheid waarmee ontwikkelingen in het digitale domein zich voltrekken, stelt hoge eisen aan het adaptieve en innovatieve vermogen van Defensie. Defensie moet daarom over de kennis beschikken om relevante ontwikkelingen te volgen en snel en doeltreffend hierop in spelen. Begin 2014 wordt het Defensie Cyber Expertise Centrum (DCEC) opgericht dat zal fungeren als centraal punt voor kennisontwikkeling, -verankering en -verspreiding op het gebied van cyber, en onder meer intensief samenwerken met het NCSC en TNO. Naar verwachting zal het DCEC eind 2015 op volle sterkte zijn. Het DCEC zal deel uitmaken van het DCC.
Defensie neemt tevens deel aan de Nationale Cyber Security Research Agenda, aan verschillende Navo en EU-programma’s en aan CCD COE in Tallinn. Ter voorbereiding op de inrichting van een leerstoel in 2014 is in 2012 een Universitair Hoofddocent Cyber Operations aangesteld bij de Nederlandse Defensie Academie. Daarnaast ontwikkelt de Taskforce Cyber een opleidingsplan om de cyberkennis binnen Defensie te vergroten.
Voor de algemene cyber bewustwording is voor alle defensiemedewerkers ondertussen een elektronische leeromgeving beschikbaar en worden simulatietrainingen georganiseerd. Onlangs heeft de departementale leiding daaraan deelgenomen.
Samenwerking
Defensie werkt intensief samen met andere partijen in Nederland om de nationale digitale weerbaarheid te vergroten en levert een bijdrage aan het Nationale Cyber Security Beeld. Defensie levert bijdragen aan de tweede Nationale Cyber Security Strategie die zich richt op een integrale aanpak van digitale weerbaarheid en digitale dreigingen. Tevens heeft Defensie een liaison bij het NCSC en hebben zowel DefCERT als de MIVD samenwerkingsafspraken met het NCSC over wederzijdse ondersteuning en samenwerking.
De (operationele) cybercapaciteiten (zowel defensief als offensief) van de krijgsmacht kunnen net als de overige defensiecapaciteiten op verzoek van en onder gezag van civiele autoriteiten worden ingezet. Wederzijds kunnen ook civiele cybercapaciteiten worden ingezet ter ondersteuning van Defensie in het geval van ernstige cyberincidenten of dreigingen tegen militaire doelen in Nederland. De mogelijkheden hiertoe worden onderzocht door een gezamenlijke werkgroep van de ministeries van Defensie en Veiligheid en Justitie.
In internationaal verband werkt Defensie onder andere samen binnen de Navo. In 2011 is een nieuw Navo Cyber Defence Beleid en bijbehorend Actieplan vastgesteld, waarbij het zwaartepunt ligt bij de bescherming van de eigen netwerken en systemen van Navo. Defensie ondersteunt de verdere ontwikkeling en uitvoering van dit beleid. Nederland is een van de tien sponsoring nations van het CCD COE in Tallinn. Op uitnodiging van het CCD COE heeft een internationale groep van experts de Tallinn Manual on the International Law Applicable to Cyber Warfare geschreven, een weergave van het toepasselijk recht tijdens digitale oorlogvoering. Dit handboek is begin 2013 gepubliceerd. De regering is van mening dat het een waardevolle bijdrage levert aan de discussie over de juridische kaders van digitale oorlogvoering. Ook neemt Defensie deel aan het Multinational Cyber Defence Capability Development 1) programma en de Multinational Capability Development Campaign 2) van de Navo. Daarnaast neemt Defensie deel aan diverse internationale oefeningen, workshops en andere initiatieven die samenwerking en onderling begrip bevorderen. Nederland is ook nauw betrokken bij de ontwikkeling van de cyberstrategie van de EU. Deze strategie behelst onder andere de ambitie een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid te ontwikkelen (GVDB) op het gebied van cyber. Hierbij staan het delen van informatie, gezamenlijke oefeningen, civiel-militaire samenwerking en nauwe samenwerking en afstemming met de NAVO centraal.
Vervolg
Het cyberdomein is voor Defensie van toenemend belang. Op 10 december a.s. heeft de vaste commissie voor Defensie mij uitgenodigd voor een algemeen overleg over de Defensie Cyber Strategie en het advies van de AIV en de CAVV over digitale oorlogsvoering. Dit biedt de gelegenheid nader in te gaan op de stand van zaken van de ontwikkeling van cybercapaciteiten bij Defensie.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert
1) Het Multinational Cyber Defence Capability Development dat onder leiding van Canada
door het NATO Communication and Information systems Agency (NCIA) wordt uitgevoerd,
richt zich voornamelijk op kennisdeling en het verhogen van het gemeenschappelijk
omgevingsbeeld op het gebied van cyber.
2) Het Multinational Capability Development Campaign is een programma van Allied
Command Transformation (ACT) en wordt gezamenlijk geleid door Italië en Noorwegen. Dit
programma heeft als doel cyber te integreren in het operationele planningsproces van de
Navo.
dinsdag 23 april 2013
De MIVD in het Jaarverslag van de AIVD
[De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) werken op tal van gebieden samen. Op 23 april 2013 verscheen het jaarverslag over 2012 van de AIVD. Onderstaand een aantal passages en opmerkingen over de raakvlakken tussen de twee geheime diensten uit dat jaarverslag. Een van de zaken die dit jaar opvallen is het verdwijnen van de 'National Signals Intelligence Organisation, NSO). De NSO werd in 2003 opgericht als 'technische' organisatie die ten behoeve van de AIVD en MIVD satellietverkeer (vanuit Burum) en radioverkeer (vanuit Eibergen en de Eempolder) afluisterde. Het ligt voor de hand dat de NSO zal worden vervangen door de in dit jaarverslag genoemde gezamenlijke organisatie 'Symbolon']
------------------------------------------------------------------------------------------------
-Vooral op het gebied van de aanpak van cyberdreiging is in 2012 vooruitgang geboekt met zowel de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) als het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). [Inleiding]
-Om de beschreven trends en ontwikkelingen het hoofd te kunnen bieden, is het zaak ook nationaal het samenspel van partners, thema’s en instrumenten op een hoog niveau te houden. De AIVD heeft daartoe in 2012 de samenwerking met de MIVD verder gecontinueerd en geïntensiveerd. De gezamenlijke eenheid die zich richt op cyber en Signals intelligence neemt inmiddels vaste vorm aan. In deze eenheid worden de sterke punten van beide diensten op dit gebied bij elkaar gebracht. Dat vormt ook een stevig fundament onder onze inzet met de diverse partners in het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) teneinde digitale aanvallen in alle vormen het hoofd te kunnen bieden.
[Voorwoord Hoofd AIVD]
Cyberdreiging
-In 2012 heeft de AIVD veel digitale spionageaanvallen geconstateerd, onder meer vanuit China, Rusland en Iran. Het aantal digitale aanvallen zal in de toekomst toenemen en een grotere impact krijgen. Cyber security is essentieel om onze economie en samenleving draaiend te kunnen houden. Om bedreiging daarvan te kunnen keren, is onderlinge samenwerking van overheidsorganisaties noodzakelijk. In 2012 heeft de AIVD de samenwerkingsrelatie met zowel de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) als het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) verder uitgebreid.
Inlichtingen over het buitenland
-Om de complexe en samenhangende ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen en duiden is de inzet van een inlichtingendienst als de AIVD een van de instrumenten die de Nederlandse regering ter beschikking staan bij de vorming van het buitenlandbeleid. De AIVD levert informatie die via reguliere diplomatieke kanalen niet beschikbaar komt. In 2012 was dat bijvoorbeeld informatie over de ontwikkelingen in de Arabische wereld, met name die in Egypte en Syrië, en de veranderingen in het politieke landschap aldaar. Verder informeerde de AIVD – samen met de MIVD – de regering over ontwikkelingen op het gebied van de verspreiding en productie van massavernietigingswapens. Door middel van ambtsberichten werd de Nederlandse overheid ondersteund bij het goed vervullen van de exportcontrolefunctie. De AIVD bracht diverse inlichtingenrapporten uit over ontwikkelingen die de Nederlandse energievoorzieningszekerheid raken. En ook informeerde de AIVD/MIVD de regering over ontwikkelingen die in relatie staan tot de veiligheid van het Caribische deel van het Koninkrijk.
(Inter)nationale samenwerking
-De bestaande samenwerkingsverbanden met de MIVD op het terrein van contraproliferatie en ten aanzien van het Caribisch gebied werden gecontinueerd. Tevens was sprake van nauwe samenwerking en gezamenlijke rapportage op specifieke ontwikkelingen in de Arabische regio. Daarnaast hebben de AIVD en de MIVD essentiële stappen gezet om de gezamenlijke eenheid Symbolon, die zich richt op Sigint en intelligence op het gebied van cyber, te kunnen oprichten.
Het versterken van cyber security is een gedeelde verantwoordelijkheid van veel partijen in de samenleving, omdat het een complexe en omvangrijke taak is. Daarom werken overheid, bedrijfsleven en wetenschap met elkaar samen. Dit heeft geleid tot de Nationale Cyber Security Strategie. De samenwerking is concreet vorm gegeven binnen het Nationaal Cyber Security Centrum. De AIVD en het NCSC versterken elkaar op onderwerpen als kennis, detectie van digitale aanvallen en situational awareness.
De intensivering van de samenwerking met partners in het veiligheidsdomein heeft zich in 2012 onder andere gericht op versterking van de relaties met de Regionale Inlichtingendiensten (RID’s) en Bijzondere Diensten (BD’s). De RID’s en BD’s (zoals de BD KMar, Team Inlichtingen Bijstand van de Douane en ID FIOD) zijn de vooruitgeschoven posten en daarmee de ogen en oren van de AIVD in het land. Daarnaast heeft de AIVD een substantiële bijdrage geleverd aan de samenstelling van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) dat de NCTV drie à vier keer per jaar uitbrengt.
2.1 Activiteiten van de AIVD
De AIVD werkt bovendien nauw samen met de MIVD in de op te richten samenwerkingseenheid die zich richt op Sigint en intelligence op het gebied van cyber. Beide diensten zijn van mening dat alleen door de concentratie van technische kennis en specialistische middelen cyber security in Nederland versterkt kan worden.
Digitale aanvallen onderzoeken
De AIVD onderzoekt meldingen vanuit de overheid, van collega-diensten of van bedrijven over verdachte gebeurtenissen die bijvoorbeeld kunnen wijzen op spionage. Zo hebben wij in 2012 onderzoek gedaan naar spionagemalware die in e-mails van ambtenaren is teruggevonden. De resultaten van deze onderzoeken delen wij, waar mogelijk, met de MIVD en het NCSC en met buitenlandse collega-diensten.
6. Inlichtingen buitenland
De inlichtingen worden ingewonnen door het inzetten van menselijke of technische bronnen. Het gebruik van het technische middel Sigint heeft in 2012 een nieuwe impuls gekregen door verregaande samenwerking met de MIVD. Dit wordt vorm gegeven met de op te richten eenheid die zich richt op Sigint en intelligence op het gebied van cyber. Tot slot vormen de collega-diensten van de AIVD een belangrijke bron van informatie. In 2012 zijn de banden met verscheidene diensten aangehaald. Met die diensten is de informatieuitwisseling verdiept en met een beperkt aantal diensten is op meer vlakken operationeel samengewerkt.
6.1 Resultaten
De bestaande geïntegreerde samenwerkingsverbanden met de MIVD op het terrein van contraproliferatie en het Caribisch gebied werden gecontinueerd. Daarnaast was sprake van nauwe samenwerking en gezamenlijke rapportage over specifieke ontwikkelingen in de Arabische regio.
6.4 Latijns-Amerika en de Cariben
Met de eilanden Sint Eustatius, Saba en Bonaire als bijzondere Nederlandse gemeenten in de Cariben reiken de landsgrenzen van Nederland tot in Latijns-Amerika. Ontwikkelingen en gebeurtenissen in die regio kunnen daarom van invloed zijn op Nederlandse belangen. De AIVD en de MIVD bundelen hun krachten om de Nederlandse overheid te voorzien van inlichtingen ten aanzien van deze regio. Voor de MIVD is de permanente militaire aanwezigheid van de Nederlandse krijgsmacht in de Caribische delen van het Koninkrijk reden om ontwikkelingen daar op hoofdlijnen te volgen, voor zover deze van invloed kunnen zijn op de Nederlandse krijgsmacht.
PROLIFERATIE VAN MASSAVERNIETIGINGSWAPENS
7.1 Samenwerking AIVD en MIVD
De AIVD en de MIVD werken op het onderwerp contraproliferatie nauw samen in de gezamenlijke Unit Contraproliferatie (UCP). De diensten werken binnen deze unit op één locatie en delen elkaars expertise, informatie en contacten. Zo bouwen ze aan een hoogwaardige inlichtingenpositie. De UCP voert zowel een inlichtingentaak als een veiligheidstaak uit. De inlichtingentaak betreft het informeren van de regering over ontwikkelingen rond programma’s van massavernietigingswapens in landen van zorg. De veiligheidstaak bestaat uit activiteiten die verwervingsactiviteiten door of voor landen van zorg in of via Nederland tegen moeten gaan.
7.2 Resultaten
De UCP heeft meerdere inlichtingenrapportages en bijzondere briefings uitgebracht. Deze waren voornamelijk gericht aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Algemene Zaken, Buitenlandse Zaken en Economische Zaken.
Om bewustwording en beveiligingsbevordering te stimuleren werden specifieke bedrijven en instellingen bezocht om hen te wijzen op risico’s die samenhangen met proliferatie. De AIVD en de MIVD hebben in meerdere gevallen informatie verstrekt aan het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (en later in 2012 aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken) in het kader van exportcontrole.
De UCP nam actief deel aan innovatieve internationale samenwerkingsprojecten en analytische uitwisseling met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De UCP was mede hierdoor in 2012 een gewaardeerde samenwerkingspartner voor verschillende buitenlandse collega-diensten.
10.5 Samenwerking
De informatie die de AIVD in zijn onderzoeken verwerkt is deels afkomstig uit de eigen inzet van bijzondere inlichtingenmiddelen maar veelal ook uit samenwerkingsrelaties met partners in het veiligheidsdomein. Deze samenwerking is in 2012 geïntensiveerd, met name met de Regionale Inlichtingendiensten (RID’s) en op het gebied van Sigint en cyber security in het samenwerkingsverband Symbolon met de MIVD. Ten behoeve van de uitvoering van veiligheidsonderzoeken heeft de AIVD nieuwe aansluitingen gerealiseerd op de basisregistraties van de BES-eilanden in het Caribisch gebied.
>Symbolon<
De AIVD en de MIVD zijn in 2012 in een projectteam intensief gaan werken aan de oprichting van een gezamenlijke Sigint/ cyber-eenheid. De beide diensten zijn overtuigd van de noodzaak om Signals intelligence (Sigint) en intelligence op het gebied van cyber samen te voegen en samen door te ontwikkelen. Een integrale aanpak van het gebruik van deze technische inlichtingenmiddelen zal de doelmatigheid ervan verhogen. De ontvlechting van substantiële onderdelen van beide diensten en het creëren van de randvoorwaarden om de nieuwe eenheid integraal onderdeel te laten uitmaken van de (inlichtingen)processen van beide diensten, vergt meer tijd dan voorzien. Dat neemt niet weg dat de AIVD en de MIVD essentiële stappen hebben gezet om de gezamenlijke eenheid te kunnen oprichten. Zo hebben de diensten besloten tot een zeer brede reikwijdte van de samenwerking en inbreng van middelen. Ook zijn besluiten genomen over de huisvesting van de personele kern van de eenheid en over hoe de eenheid bestuurd zal worden.
Aan het eind van 2012 is een kwartiermakerorganisatie ingesteld. Deze is in Zoetermeer gevestigd en is samengesteld uit AIVD- en MIVD-medewerkers. Een kwartiermaker van het Ministerie van Defensie geeft leiding aan de oprichting en de nadere voorbereiding van de nieuwe eenheid. Deze eenheid zal begin 2014 van start gaan. Met het oog hierop is al gezorgd dat per 1 januari 2013 de onderdelen van de beide diensten die deel uit gaan maken van de gezamenlijke eenheid integraal worden aangestuurd door de kwartiermaker. Bovendien is in de kwartiermakerorganisatie ten behoeve van de beide diensten één gezamenlijk loket gestart voor de informatie-uitwisseling en samenwerking met buitenlandse collega-diensten op het gebied van Sigint- en cyberactiviteiten. Dit verbetert direct de efficiëntie en effectiviteit op het internationale speelveld.
12.2 Verantwoording en toezicht
Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) In de Wiv 2002 is bepaald dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Defensie de Tweede Kamer vertrouwelijk kunnen informeren over de middelen en geheime bronnen die de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruiken en het actuele kennis-niveau van beide diensten. Dit gebeurt in de CIVD van de Tweede Kamer. De CIVD bestaat uit de fractievoorzitters van de politieke partijen die in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn, met uitzondering van de fractievoorzitters van partijen die tijdens een lopende kabinetsperiode zijn afgesplitst.
In 2012 heeft de minister van BZK aan de CIVD verantwoording afgelegd over de operationele taakuitvoering van de AIVD met reguliere driemaandelijkse rapportages; deze rapportages vormen het verantwoordingsdocument. Het Nationale Inlichtingenbeeld (NIB) is het driemaandelijkse inlichtingenbeeld dat samen met de MIVD wordt opgesteld. Tevens kwamen in de CIVD het jaarverslag 2011 inclusief de geheime bijlage en het Stg. Geheim gerubriceerde jaarplan 2012 aan de orde.
Daarnaast heeft de AIVD de commissie inhoudelijk geïnformeerd over verschillende aspecten van de operationele taakuitvoering en over ontwikkelingen in de aandachtsgebieden van de AIVD. De CIVD heeft van de minister van BZK een aantal brieven ontvangen.
Raad voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (RIV)
De RIV is een onderraad van de Ministerraad. De ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie hebben zitting in deze raad, die wordt voorgezeten door de minister-president. De verantwoordelijke bewindslieden zijn in 2012 voorzien van het inlichtingenbeeld over landen die vanwege de nationale veiligheid aandacht behoeven. Dit stelt de Nederlandse regering in staat op basis van een eigen inlichtingenpositie een standpunt in te nemen ten aanzien van deze landen. Hiertoe zijn presentaties gehouden in de RIV, bijvoorbeeld over het jihadistisch internet en de cyberdreiging voor Nederland. Daarnaast zijn het jaarplan 2012 en jaarverslag 2011 besproken. Tot slot vormde het Nationaal Inlichtingenbeeld, zoals dit ook in de CIVD wordt besproken, een vast onderdeel. Hierin plaatsen de diensten (AIVD en MIVD) belangrijke actuele ontwikkelingen in een inlichtingencontext en geven zij hun verwachtingen voor de toekomst aan.
Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD)
De onafhankelijke CTIVD is belast met het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van de Wiv 2002 en de Wvo door de AIVD en MIVD.
12.3 Juridische zaken
Wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
In 2012 is gewerkt aan de voorbereiding van voorstellen tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 op het vlak van Sigint en cyber. De aanleiding daarvoor vormde in het bijzonder het toezichtsrapport van de CTIVD inzake de inzet van Sigint door de MIVD (CTIVD nr. 28). De voorstellen, die voornamelijk zien op herziening van de bepalingen inzake de interceptie van telecommunicatie, zijn opgenomen in het wetsvoorstel, dat in 2011 in voorbereiding was genomen. In laatstgenoemd wetsvoorstel worden diverse voorstellen uit het in maart 2011 ingetrokken wetsvoorstel (kamerstukken 30 553; het zogeheten post-Madridwetsvoorstel), waar nodig geactualiseerd, opnieuw opgenomen. Het wetsvoorstel bevindt zich in een vergevorderd stadium van ambtelijke afronding. In afwachting van de resultaten van de evaluatie van de Wiv 2002, die naar verwachting in september 2013 beschikbaar zullen komen, zal het wetsvoorstel niet verder in procedure worden gebracht. De resultaten van de evaluatie, voor zover deze aanleiding geven tot wetswijziging, zullen namelijk in dit wetsvoorstel worden meegenomen.
(Defensie weblog, 23 april 2013)
------------------------------------------------------------------------------------------------
-Vooral op het gebied van de aanpak van cyberdreiging is in 2012 vooruitgang geboekt met zowel de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) als het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). [Inleiding]
-Om de beschreven trends en ontwikkelingen het hoofd te kunnen bieden, is het zaak ook nationaal het samenspel van partners, thema’s en instrumenten op een hoog niveau te houden. De AIVD heeft daartoe in 2012 de samenwerking met de MIVD verder gecontinueerd en geïntensiveerd. De gezamenlijke eenheid die zich richt op cyber en Signals intelligence neemt inmiddels vaste vorm aan. In deze eenheid worden de sterke punten van beide diensten op dit gebied bij elkaar gebracht. Dat vormt ook een stevig fundament onder onze inzet met de diverse partners in het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) teneinde digitale aanvallen in alle vormen het hoofd te kunnen bieden.
[Voorwoord Hoofd AIVD]
Cyberdreiging
-In 2012 heeft de AIVD veel digitale spionageaanvallen geconstateerd, onder meer vanuit China, Rusland en Iran. Het aantal digitale aanvallen zal in de toekomst toenemen en een grotere impact krijgen. Cyber security is essentieel om onze economie en samenleving draaiend te kunnen houden. Om bedreiging daarvan te kunnen keren, is onderlinge samenwerking van overheidsorganisaties noodzakelijk. In 2012 heeft de AIVD de samenwerkingsrelatie met zowel de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) als het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) verder uitgebreid.
Inlichtingen over het buitenland
-Om de complexe en samenhangende ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen en duiden is de inzet van een inlichtingendienst als de AIVD een van de instrumenten die de Nederlandse regering ter beschikking staan bij de vorming van het buitenlandbeleid. De AIVD levert informatie die via reguliere diplomatieke kanalen niet beschikbaar komt. In 2012 was dat bijvoorbeeld informatie over de ontwikkelingen in de Arabische wereld, met name die in Egypte en Syrië, en de veranderingen in het politieke landschap aldaar. Verder informeerde de AIVD – samen met de MIVD – de regering over ontwikkelingen op het gebied van de verspreiding en productie van massavernietigingswapens. Door middel van ambtsberichten werd de Nederlandse overheid ondersteund bij het goed vervullen van de exportcontrolefunctie. De AIVD bracht diverse inlichtingenrapporten uit over ontwikkelingen die de Nederlandse energievoorzieningszekerheid raken. En ook informeerde de AIVD/MIVD de regering over ontwikkelingen die in relatie staan tot de veiligheid van het Caribische deel van het Koninkrijk.
(Inter)nationale samenwerking
-De bestaande samenwerkingsverbanden met de MIVD op het terrein van contraproliferatie en ten aanzien van het Caribisch gebied werden gecontinueerd. Tevens was sprake van nauwe samenwerking en gezamenlijke rapportage op specifieke ontwikkelingen in de Arabische regio. Daarnaast hebben de AIVD en de MIVD essentiële stappen gezet om de gezamenlijke eenheid Symbolon, die zich richt op Sigint en intelligence op het gebied van cyber, te kunnen oprichten.
Het versterken van cyber security is een gedeelde verantwoordelijkheid van veel partijen in de samenleving, omdat het een complexe en omvangrijke taak is. Daarom werken overheid, bedrijfsleven en wetenschap met elkaar samen. Dit heeft geleid tot de Nationale Cyber Security Strategie. De samenwerking is concreet vorm gegeven binnen het Nationaal Cyber Security Centrum. De AIVD en het NCSC versterken elkaar op onderwerpen als kennis, detectie van digitale aanvallen en situational awareness.
De intensivering van de samenwerking met partners in het veiligheidsdomein heeft zich in 2012 onder andere gericht op versterking van de relaties met de Regionale Inlichtingendiensten (RID’s) en Bijzondere Diensten (BD’s). De RID’s en BD’s (zoals de BD KMar, Team Inlichtingen Bijstand van de Douane en ID FIOD) zijn de vooruitgeschoven posten en daarmee de ogen en oren van de AIVD in het land. Daarnaast heeft de AIVD een substantiële bijdrage geleverd aan de samenstelling van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) dat de NCTV drie à vier keer per jaar uitbrengt.
2.1 Activiteiten van de AIVD
De AIVD werkt bovendien nauw samen met de MIVD in de op te richten samenwerkingseenheid die zich richt op Sigint en intelligence op het gebied van cyber. Beide diensten zijn van mening dat alleen door de concentratie van technische kennis en specialistische middelen cyber security in Nederland versterkt kan worden.
Digitale aanvallen onderzoeken
De AIVD onderzoekt meldingen vanuit de overheid, van collega-diensten of van bedrijven over verdachte gebeurtenissen die bijvoorbeeld kunnen wijzen op spionage. Zo hebben wij in 2012 onderzoek gedaan naar spionagemalware die in e-mails van ambtenaren is teruggevonden. De resultaten van deze onderzoeken delen wij, waar mogelijk, met de MIVD en het NCSC en met buitenlandse collega-diensten.
6. Inlichtingen buitenland
De inlichtingen worden ingewonnen door het inzetten van menselijke of technische bronnen. Het gebruik van het technische middel Sigint heeft in 2012 een nieuwe impuls gekregen door verregaande samenwerking met de MIVD. Dit wordt vorm gegeven met de op te richten eenheid die zich richt op Sigint en intelligence op het gebied van cyber. Tot slot vormen de collega-diensten van de AIVD een belangrijke bron van informatie. In 2012 zijn de banden met verscheidene diensten aangehaald. Met die diensten is de informatieuitwisseling verdiept en met een beperkt aantal diensten is op meer vlakken operationeel samengewerkt.
6.1 Resultaten
De bestaande geïntegreerde samenwerkingsverbanden met de MIVD op het terrein van contraproliferatie en het Caribisch gebied werden gecontinueerd. Daarnaast was sprake van nauwe samenwerking en gezamenlijke rapportage over specifieke ontwikkelingen in de Arabische regio.
6.4 Latijns-Amerika en de Cariben
Met de eilanden Sint Eustatius, Saba en Bonaire als bijzondere Nederlandse gemeenten in de Cariben reiken de landsgrenzen van Nederland tot in Latijns-Amerika. Ontwikkelingen en gebeurtenissen in die regio kunnen daarom van invloed zijn op Nederlandse belangen. De AIVD en de MIVD bundelen hun krachten om de Nederlandse overheid te voorzien van inlichtingen ten aanzien van deze regio. Voor de MIVD is de permanente militaire aanwezigheid van de Nederlandse krijgsmacht in de Caribische delen van het Koninkrijk reden om ontwikkelingen daar op hoofdlijnen te volgen, voor zover deze van invloed kunnen zijn op de Nederlandse krijgsmacht.
PROLIFERATIE VAN MASSAVERNIETIGINGSWAPENS
7.1 Samenwerking AIVD en MIVD
De AIVD en de MIVD werken op het onderwerp contraproliferatie nauw samen in de gezamenlijke Unit Contraproliferatie (UCP). De diensten werken binnen deze unit op één locatie en delen elkaars expertise, informatie en contacten. Zo bouwen ze aan een hoogwaardige inlichtingenpositie. De UCP voert zowel een inlichtingentaak als een veiligheidstaak uit. De inlichtingentaak betreft het informeren van de regering over ontwikkelingen rond programma’s van massavernietigingswapens in landen van zorg. De veiligheidstaak bestaat uit activiteiten die verwervingsactiviteiten door of voor landen van zorg in of via Nederland tegen moeten gaan.
7.2 Resultaten
De UCP heeft meerdere inlichtingenrapportages en bijzondere briefings uitgebracht. Deze waren voornamelijk gericht aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Algemene Zaken, Buitenlandse Zaken en Economische Zaken.
Om bewustwording en beveiligingsbevordering te stimuleren werden specifieke bedrijven en instellingen bezocht om hen te wijzen op risico’s die samenhangen met proliferatie. De AIVD en de MIVD hebben in meerdere gevallen informatie verstrekt aan het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (en later in 2012 aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken) in het kader van exportcontrole.
De UCP nam actief deel aan innovatieve internationale samenwerkingsprojecten en analytische uitwisseling met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De UCP was mede hierdoor in 2012 een gewaardeerde samenwerkingspartner voor verschillende buitenlandse collega-diensten.
10.5 Samenwerking
De informatie die de AIVD in zijn onderzoeken verwerkt is deels afkomstig uit de eigen inzet van bijzondere inlichtingenmiddelen maar veelal ook uit samenwerkingsrelaties met partners in het veiligheidsdomein. Deze samenwerking is in 2012 geïntensiveerd, met name met de Regionale Inlichtingendiensten (RID’s) en op het gebied van Sigint en cyber security in het samenwerkingsverband Symbolon met de MIVD. Ten behoeve van de uitvoering van veiligheidsonderzoeken heeft de AIVD nieuwe aansluitingen gerealiseerd op de basisregistraties van de BES-eilanden in het Caribisch gebied.
>Symbolon<
De AIVD en de MIVD zijn in 2012 in een projectteam intensief gaan werken aan de oprichting van een gezamenlijke Sigint/ cyber-eenheid. De beide diensten zijn overtuigd van de noodzaak om Signals intelligence (Sigint) en intelligence op het gebied van cyber samen te voegen en samen door te ontwikkelen. Een integrale aanpak van het gebruik van deze technische inlichtingenmiddelen zal de doelmatigheid ervan verhogen. De ontvlechting van substantiële onderdelen van beide diensten en het creëren van de randvoorwaarden om de nieuwe eenheid integraal onderdeel te laten uitmaken van de (inlichtingen)processen van beide diensten, vergt meer tijd dan voorzien. Dat neemt niet weg dat de AIVD en de MIVD essentiële stappen hebben gezet om de gezamenlijke eenheid te kunnen oprichten. Zo hebben de diensten besloten tot een zeer brede reikwijdte van de samenwerking en inbreng van middelen. Ook zijn besluiten genomen over de huisvesting van de personele kern van de eenheid en over hoe de eenheid bestuurd zal worden.
Aan het eind van 2012 is een kwartiermakerorganisatie ingesteld. Deze is in Zoetermeer gevestigd en is samengesteld uit AIVD- en MIVD-medewerkers. Een kwartiermaker van het Ministerie van Defensie geeft leiding aan de oprichting en de nadere voorbereiding van de nieuwe eenheid. Deze eenheid zal begin 2014 van start gaan. Met het oog hierop is al gezorgd dat per 1 januari 2013 de onderdelen van de beide diensten die deel uit gaan maken van de gezamenlijke eenheid integraal worden aangestuurd door de kwartiermaker. Bovendien is in de kwartiermakerorganisatie ten behoeve van de beide diensten één gezamenlijk loket gestart voor de informatie-uitwisseling en samenwerking met buitenlandse collega-diensten op het gebied van Sigint- en cyberactiviteiten. Dit verbetert direct de efficiëntie en effectiviteit op het internationale speelveld.
12.2 Verantwoording en toezicht
Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) In de Wiv 2002 is bepaald dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Defensie de Tweede Kamer vertrouwelijk kunnen informeren over de middelen en geheime bronnen die de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruiken en het actuele kennis-niveau van beide diensten. Dit gebeurt in de CIVD van de Tweede Kamer. De CIVD bestaat uit de fractievoorzitters van de politieke partijen die in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn, met uitzondering van de fractievoorzitters van partijen die tijdens een lopende kabinetsperiode zijn afgesplitst.
In 2012 heeft de minister van BZK aan de CIVD verantwoording afgelegd over de operationele taakuitvoering van de AIVD met reguliere driemaandelijkse rapportages; deze rapportages vormen het verantwoordingsdocument. Het Nationale Inlichtingenbeeld (NIB) is het driemaandelijkse inlichtingenbeeld dat samen met de MIVD wordt opgesteld. Tevens kwamen in de CIVD het jaarverslag 2011 inclusief de geheime bijlage en het Stg. Geheim gerubriceerde jaarplan 2012 aan de orde.
Daarnaast heeft de AIVD de commissie inhoudelijk geïnformeerd over verschillende aspecten van de operationele taakuitvoering en over ontwikkelingen in de aandachtsgebieden van de AIVD. De CIVD heeft van de minister van BZK een aantal brieven ontvangen.
Raad voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (RIV)
De RIV is een onderraad van de Ministerraad. De ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie hebben zitting in deze raad, die wordt voorgezeten door de minister-president. De verantwoordelijke bewindslieden zijn in 2012 voorzien van het inlichtingenbeeld over landen die vanwege de nationale veiligheid aandacht behoeven. Dit stelt de Nederlandse regering in staat op basis van een eigen inlichtingenpositie een standpunt in te nemen ten aanzien van deze landen. Hiertoe zijn presentaties gehouden in de RIV, bijvoorbeeld over het jihadistisch internet en de cyberdreiging voor Nederland. Daarnaast zijn het jaarplan 2012 en jaarverslag 2011 besproken. Tot slot vormde het Nationaal Inlichtingenbeeld, zoals dit ook in de CIVD wordt besproken, een vast onderdeel. Hierin plaatsen de diensten (AIVD en MIVD) belangrijke actuele ontwikkelingen in een inlichtingencontext en geven zij hun verwachtingen voor de toekomst aan.
Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD)
De onafhankelijke CTIVD is belast met het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van de Wiv 2002 en de Wvo door de AIVD en MIVD.
12.3 Juridische zaken
Wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
In 2012 is gewerkt aan de voorbereiding van voorstellen tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 op het vlak van Sigint en cyber. De aanleiding daarvoor vormde in het bijzonder het toezichtsrapport van de CTIVD inzake de inzet van Sigint door de MIVD (CTIVD nr. 28). De voorstellen, die voornamelijk zien op herziening van de bepalingen inzake de interceptie van telecommunicatie, zijn opgenomen in het wetsvoorstel, dat in 2011 in voorbereiding was genomen. In laatstgenoemd wetsvoorstel worden diverse voorstellen uit het in maart 2011 ingetrokken wetsvoorstel (kamerstukken 30 553; het zogeheten post-Madridwetsvoorstel), waar nodig geactualiseerd, opnieuw opgenomen. Het wetsvoorstel bevindt zich in een vergevorderd stadium van ambtelijke afronding. In afwachting van de resultaten van de evaluatie van de Wiv 2002, die naar verwachting in september 2013 beschikbaar zullen komen, zal het wetsvoorstel niet verder in procedure worden gebracht. De resultaten van de evaluatie, voor zover deze aanleiding geven tot wetswijziging, zullen namelijk in dit wetsvoorstel worden meegenomen.
(Defensie weblog, 23 april 2013)
dinsdag 7 februari 2012
Adviesrapport Digitale Oorlogvoering
Conclusies en aanbevelingen van een adviesrapport over digitale veiligheid/digitale oorlogvoering. Opgesteld op verzoek van de ministers van Buitenlandse zaken en Defensie, mede namens de minister van Veiligheid en Justitie. Uitvoering: Adviesraad Internationale Vraagstukken, Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken en de Commissie Digitale Veiligheid. Het volledige rapport is hier te downloaden.
De definitiekwestie
1. De bedreiging van de digitale veiligheid kan voortkomen uit digitale oorlogvoering, digitale spionage, digitaal terrorisme, digitaal activisme en digitale criminaliteit. Definiëring
van deze verschijningsvormen is nodig om te voorkomen dat ze conceptueel met elkaar
worden vermengd. Dit betekent niet dat deze dreigingsvormen geen samenhang kunnen
vertonen. Vaak komen de gebruikte technieken overeen en verschilt alleen het beoogde
doel. Het onderscheiden van de doelstelling is echter van belang voor het bepalen van
de juiste nationale respons op specifieke dreigingen, bijvoorbeeld om het risico van een
overreactie te beperken.
2. De AIV/CAVV beveelt daarom aan dat de overheid gebruik maakt van duidelijke en uniforme begripsomschrijvingen. Op internationaal niveau is het eveneens noodzakelijk dat
overheden en organisaties tot eensluidende interpretaties komen, wil men in staat zijn om
internationale afspraken te maken over de aanpak van digitale dreigingen.
De digitale dreiging
3. De regering constateert dat de afhankelijkheid van het functioneren van digitale netwerken nieuwe veiligheidsrisico’s met zich meebrengt. Naast digitale criminaliteit, dat grotendeels buiten het bestek van dit advies valt, lijkt er sprake van een toename van digitale spionageactiviteiten. Er is echter meer systematisch en kwantitatief onderzoek nodig
naar de omvang van de verschillende digitale dreigingsvormen. Aangezien het bij uitstek
grensoverschrijdende problematiek betreft en omdat de aanwezige capaciteiten zo het
best gebundeld kunnen worden, beveelt de AIV/CAVV aan een dergelijk onafhankelijk
onderzoek in EU- en NAVO-verband te initiëren.
Het digitale domein wordt naast land, lucht, zee en ruimte beschouwd als de ‘vijfde
dimensie’ waarin sprake kan zijn van militair optreden. Op grond van welke politieke en
militaire doelstellingen moeten operationele cybercapaciteiten worden ontwikkeld en
kunnen worden ingezet? Wat is de aard en rol van operationele cybercapaciteiten bij
militaire operaties?
4. Het digitale domein zal naar verwachting in elk toekomstig conflict een belangrijke rol
spelen. Een ‘cyberoorlog’, die uitsluitend in het digitale domein wordt uitgevochten, en met
verwoestende gevolgen, is echter niet aannemelijk. Daarom wordt in dit advies de meer
afgebakende term ‘digitale oorlogvoering’ gebruikt, te beschouwen als onderdeel van een
militaire operatie die ook andere (niet digitale) dimensies kan omvatten.
5. Operationele cybercapaciteiten – deel uitmakend van militair vermogen – kunnen een
bijdrage leveren aan het bereiken van een politiek doel. Voor de inzet van deze capaciteiten
is een helder politiek kader essentieel. De bestaande nationale veiligheidsstrategie is
nationaal gericht. De AIV/CAVV beveelt aan dat operationele cybercapaciteiten en ontwikkelingen op dit gebied een plaats krijgen in een geïntegreerde strategie voor het binnenlands en buitenlands veiligheidsbeleid.
6. Naast de ontwikkeling van operationele cybercapaciteiten is het tevens van belang te
investeren in een samenhangende ‘cyberdiplomatie’, waarbij als reactie op concrete
dreigingen met kennis van zaken een breed palet aan maatregelen wordt overwogen,
variërend van politieke druk, de inzet van economische sancties, het aandringen op
strafrechtelijke maatregelen tot – in laatste instantie – het gebruik van gesanctioneerd
geweld.
7. De inzet van cybercapaciteiten dient ten dienste te staan van de hoofdtaken van de
krijgsmacht. Deze inzet kan betrekking hebben op de beveiliging van de eigen defensiesystemen, het vergaren van inlichtingen en digitale aanvallen gericht op het verstoren, beschadigen of vernietigen van computers en netwerken van de tegenstander.
8. Digitale wapens worden weliswaar gekenmerkt door geringe materiële instapkosten,
maar de ontwikkeling van een technisch complexe aanval vereist gespecialiseerde kennis.
Digitale wapens kennen een beperkte houdbaarheidsduur, de inzet ervan brengt
veelal indirecte effecten met zich mee en de aanvaller is moeilijk herleidbaar. Het kan
echter zeker mogelijk zijn om mede door het gebruik van niet-technische attributie de
identiteit van de aanvaller vast te stellen.
9. De AIV/CAVV beveelt aan dat – gezien de technologische ontwikkelingen – wordt bezien
of het huidige onderscheid in de Wet- op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (WIV)
tussen kabelgebonden en niet-kabelgebonden data gehandhaafd moet blijven.
10. Het is om goede redenen op basis van de WIV niet toegestaan dat een inlichtingendienst
een geplaatste exploit gebruikt voor een netwerkaanval met een militair oogmerk,
die het wijzigen of beschadigen van een systeem tot doel heeft. Een dergelijke aanval
dient onder verantwoordelijkheid van de Commandant der Strijdkrachten (CDS) plaats
te vinden, na verkregen politieke toestemming. Het is noodzakelijk binnen de krijgsmacht
ook op digitaal terrein duidelijke procedurele afspraken te maken, die volgen uit deze
functiescheiding.
11. Bij het uitvoeren van militaire operaties kan er voor worden gekozen ook gebruik te maken van digitale aanvallen. In essentie gaat het om de inzet van een middel – digitale
capaciteit – uit de toolbox van militaire middelen die een bijdrage kunnen leveren aan
het bereiken van een politiek doel. De operationele inzet van cybercapaciteiten, die
overeenkomstig de juridische kaders dient plaats te vinden, wordt begrensd door de
technische kenmerken van digitale wapens en de beschikbare kennis binnen de krijgsmacht.
De AIV/CAVV beveelt daarom aan om vooralsnog de schaarse defensiemiddelen
slechts op beperkte schaal in te zetten voor het ontwikkelen van offensieve capaciteiten
en de nadruk te leggen op het verbeteren van de verdediging van de eigen netwerken
en het opbouwen van een adequate inlichtingencapaciteit op digitaal gebied.
12. Mede gezien de schaarse technische kennis en capaciteiten wordt een nog meer ontkokerde aanpak binnen het per januari 2012 operationele Nationaal Cyber Security
Centrum bepleit. Het centrum zou zich op termijn kunnen ontwikkelen tot een soort
nationale CERT die de geaggregeerde monitoring van vitale netwerken voor zijn rekening
neemt, meer gebruikmakend van capaciteit die nu aanwezig is bij GOVCERT.NL,
MIVD, AIVD, KLPD en soms wordt aangevuld door commerciële en wetenschappelijke
organisaties. Verder is ten aanzien van de inlichtingentaak verdergaande samenwerking
tussen de AIVD en de MIVD mogelijk. De AIV/CAVV beveelt aan om de beschikbare kapitaal- en kennisintensieve signals intelligence (SIGINT) en cybercapaciteiten in een gezamenlijke eenheid onder te brengen.
Onder welke omstandigheden kan een cyberdreiging worden beschouwd als het gebruik
van geweld of een dreiging hiermee, in de zin van artikel 2 lid 4 van het VN-Handvest?
Onder welke omstandigheden kan een cyberaanval worden beschouwd als een
gewapende aanval waartegen geweld mag worden gebruikt ter zelfverdediging op basis
van artikel 51 van het VN-Handvest?
13. Artikel 2 lid 4 van het Handvest van de Verenigde Naties verbiedt het gebruik of dreigen
met het gebruik van geweld in internationale betrekkingen. Onder het verbod valt gewapend geweld met een feitelijk of mogelijk fysiek effect op de staat die het doelwit is. Het
verbod heeft echter ook betrekking op andere vormen van geweld die hebben geleid of
hadden kunnen leiden tot dood, letsel of schade aan goederen of infrastructuur.
14. Het gebruik van geweld in het kader van zelfverdediging op basis van artikel 51 van het
VN Handvest is volgens het internationaal recht een uitzonderlijke maatregel, die bij
gewapende digitale aanvallen slechts gerechtvaardigd wordt in situaties die uitstijgen
boven de drempel van digitale criminaliteit of spionage. Voordat een digitale aanval het
recht tot zelfverdediging rechtvaardigt, moet deze gevolgen hebben die vergelijkbaar zijn
met die van een conventionele gewapende aanval. Wanneer een digitale aanval leidt
tot een aanmerkelijk aantal dodelijke slachtoffers of grootschalige vernietiging van of
schade aan vitale infrastructuur, militaire platforms of installaties of civiele goederen,
moet deze gelijk gesteld worden met een ‘gewapende aanval’.
15. Een georganiseerde digitale aanval op essentiële functies van de staat moet, ook wanneer
deze geen fysieke schade of letsel tot gevolg heeft, maar mogelijk of daadwerkelijk
leidt tot ernstige verstoring van het functioneren van de staat of ernstige en langdurige
gevolgen voor de stabiliteit van de staat, worden aangemerkt als een ‘gewapende
aanval’ in de zin van artikel 51 van het VN-Handvest. Hierbij moet dan sprake zijn van
een (aanhoudende poging tot) ontwrichting van de staat en/of de samenleving en niet
slechts een belemmering of vertraging bij het normaal uitvoeren van taken.
16. Het gebruik van geweld naar aanleiding van een digitale aanval moet voldoen aan de
vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit ten aanzien van de uitoefening van
het recht tot zelfverdediging. De maatregelen moeten gericht zijn op het beëindigen van
de aanval en het voorkomen van herhaling ervan in de nabije toekomst en er moeten
geen bruikbare alternatieven zijn.
17. Het principe van proportionaliteit vereist niet dat een respons op een aanval van dezelfde
aard is als de aanval zelf. Een digitale aanval die voldoet aan de voorwaarden van een gewapende aanval kan een respons met conventionele gewapende middelen rechtvaardigen.
18. Het treffen van maatregelen tegen digitale agressie is voorts uitsluitend rechtmatig
indien er een voldoende mate van zekerheid bestaat omtrent de herkomst en bron van
de aanval.
Wanneer is er sprake van toepasselijkheid van het humanitair oorlogsrecht op gedragingen in het digitale domein? Moeten deze samenhangen met kinetisch geweldsgebruik? Hoe zou bij een dergelijke toepassing gestalte moeten worden gegeven aan de oorlogsrechtelijke principes van onderscheid en proportionaliteit, en aan de verplichting tot het nemen van voorzorgsmaatregelen?
19. Het humanitair oorlogsrecht is alleen van toepassing in de context van een gewapend
conflict, in internationaal of niet-internationaal verband. Cyberoperaties waarbij de
drempel van een gewapend conflict niet wordt overschreden, vallen derhalve
buiten het toepassingsveld van het humanitair oorlogsrecht.
20. Digitale aanvallen die meer zijn dan sporadische, geïsoleerde gewapende incidenten
en die resulteren in verlies van mensenlevens, letsel, vernietiging of langdurige schade
aan fysieke objecten tot gevolg (kunnen) hebben, kunnen worden gekwalificeerd als gewapend conflict in de zin van het humanitair oorlogsrecht. Dit is in de eerste plaats het
geval bij digitale aanvallen die in combinatie met een kinetische aanval worden uitgevoerd.
Dit geldt echter ook voor een digitale aanval die – zonder de inzet van kinetische
middelen van oorlogvoering – leidt tot vernietiging of langdurige en ernstige schade aan
computersystemen voor het beheer van kritieke militaire of civiele infrastructuur, of die
het vermogen van de staat om essentiële overheidsfuncties te vervullen ernstig aantast
en daarbij ernstige en langdurige schade toebrengt aan de economische of financiële
stabiliteit van de staat en zijn bevolking.
21. In ieder gewapend conflict, zowel in internationaal als niet-internationaal verband, zijn
de regels inzake het voeren van vijandelijkheden van toepassing op het gebruik van alle
soorten, middelen en methoden van oorlogvoering, inclusief middelen en methoden
van digitale aard. Deze regels betreffen onder meer de beginselen van onderscheid,
proportionaliteit en het nemen van voorzorgsmaatregelen. Verder geldt er een verbod
op het voorwenden van een beschermde of neutrale status met het oogmerk aanvallen
uit te voeren en het misbruiken van een dergelijke status, waaronder de IP-identiteit, als
schild tegen een aanval.
Hoe zou in het cyberdomein gestalte moeten worden gegeven aan de volkenrechtelijke
begrippen soevereiniteit, neutraliteit?
22. Het neutraliteitsrecht is van toepassing bij de inzet van digitale wapens en methoden
van oorlogvoering. Het belet in principe het gebruik door belligrente partijen van computers
of computersystemen die zich op neutraal grondgebied bevinden, voor zover dit
mogelijk is, evenals aanvallen op computernetwerken of informatiesystemen op neutraal
terrein. Het staat een neutrale staat toe een oorlogvoerende partij te verhinderen
gebruik te maken van computers en informatiesystemen die zich op zijn grondgebied
bevinden of onder zijn rechtsmacht vallen. De enkele doorgifte van gegevens via een op
neutraal grondgebied gelegen deel van internet levert echter geen schending of verlies
van de neutraliteit op.
In hoeverre kunnen internationale gedragsnormen over het gebruik van het digitale domein een effectieve bijdrage leveren aan het vergroten van cyber security? Kunnen we lering trekken uit ervaringen met bestaande gedragscodes, bijvoorbeeld op het gebied van nonproliferatie?
23. Gedragsnormen kunnen betrekking hebben op de bescherming van netwerken, strafrechtelijke samenwerking, de toepassing van het internationaal recht en wederzijdse
informatievoorziening. Het is van belang de bestaande afspraken binnen het kader
van de Raad van Europa Conventie inzake Cybercrime een bredere reikwijdte te geven.
Belangrijk is dat de conventie stelt dat landen dienen over te gaan tot vervolging of uitlevering van groepen of individuen die zich schuldig maken aan digitale criminaliteit in
derde landen vanaf het grondgebied van de staat in kwestie. Dit biedt aanknopingspunten
om illegale activiteiten, zoals grootschalige zwarte handel in malware en identiteits40
gegevens, aan te pakken. Hierboven is geconcludeerd dat het bestaande internationaal
recht van toepassing is op het digitale domein waar het gaat om de voorwaarden van
geweldsgebruik, het oorlogsrecht en principes van soevereiniteit en neutraliteit. Het
is daarom niet noodzakelijk hiervoor een speciaal ‘cyberverdrag’ op te stellen. Wel is
de AIV/CAVV van mening dat er een belangrijke versterkende werking vanuit zou gaan
indien staten aan deze principes door middel van een internationale gedragscode of
verklaring nadere uitwerking zouden geven.
24. In algemene zin zou de private sector meer verantwoordelijkheid kunnen nemen voor
de bescherming van de kritieke infrastructuur die het beheert. Dit zou kunnen worden
bevorderd door de (financiële) aansprakelijkheid van bedrijven op dit punt beter te regelen.
Ook dient te worden gewaarborgd dat een minimum aan dienstverlening is gegarandeerd
bij gedeeltelijke uitval van kritieke infrastructuur.
25. Het valt op dat waar de Nederlandse regering – met recht – erg actief is op het terrein
van de vrijheid van meningsuiting op internet, de Nederlandse betrokkenheid tot op
heden minder groot is bij mondiaal overleg gericht op het formuleren van normen met
als doel conflictbeheersing op digitaal gebied. De AIV/CAVV beveelt aan dat Nederland
zich als deelnemer aansluit bij initiatieven die het formuleren van normen op dit terrein
tot doel hebben zoals een wederom door de SGVN in te stellen Group of Governmental
Experts.
26. Er is noch de mogelijkheid noch de noodzaak tot het overeenkomen van een wereldwijd
non-proliferatieregime. Er zijn belangrijke verschillen tussen massavernietigingswapens
en digitale ‘wapens’. Er zijn evenmin voldoende aanknopingspunten voor het instellen
en afdwingen van beperkingen aan de uitvoer van bepaalde digitale technologie en software
ter bescherming van de eigen militaire en civiele digitale infrastructuur.
Hoe kunnen de NAVO en de EU concreet inhoud geven aan de principes van common
defence, deterrence en de solidariteitsclausule ten aanzien van cyberdreigingen? Hoe
kunnen de NAVO en de EU de informatie-uitwisseling ten behoeve van dreigingsanalyses
verbeteren?
27. De NAVO zal naar verwachting slechts bescheiden offensieve digitale capaciteiten kunnen ontwikkelen ter bescherming van de eigen systemen en netwerken, ofwel in het
kader van de actieve verdediging. Van de conventionele en nucleaire middelen waarover
afzonderlijke NAVO-landen beschikken gaat al een afschrikwekkende werking uit. Bij
toekomstige NAVO-operaties kunnen wel offensieve digitale capaciteiten van de afzonderlijke lidstaten worden ingezet.
28. Het is noodzakelijk dat er meer samenhang komt in de activiteiten op het terrein van digitale veiligheid van de verschillende directoraten-generaal van de Europese Commissie – waaronder Binnenlandse Zaken (HOME), Informatiemaatschappij en media (INFSO), Justitie (JUST) en Interne Markt en Diensten (MARKT) – evenals EDEO, door uitvoering te geven aan een gezamenlijke strategie.
29. Artikel 4 en 5 van het NAVO-verdrag kunnen betrekking hebben op aanvallen in het
digitale domein. Artikel 5 is dermate algemeen geformuleerd dat hier alle vormen van
gewapend geweld onder kunnen worden geschaard. Het minder verstrekkende artikel 4
kan van toepassing zijn op digitale aanvallen die raken aan de nationale veiligheid maar
nog niet de drempel van een gewapende aanval overschrijden. Naar verwachting zal er
in praktijk bij digitale aanvallen eerder een beroep op dit artikel 4 worden gedaan.
30. De bijstandsclausule van de EU (artikel 42.7 van het EU-Verdrag) zal waarschijnlijk vooral worden aangewend ten behoeve van politieke steunbetuigingen. De EU kan wel een
leidende rol vervullen bij het bevorderen van de digitale beveiliging in de private sector
van de lidstaten.
31. Informatie-uitwisseling tussen de EU en de NAVO op het terrein van digitale veiligheid
loopt tegen dezelfde bekende institutionele belemmeringen aan als de samenwerking
tussen beide organisaties op andere terreinen. Bijkomend probleem is dat mogelijke
informatievoorziening de eerstkomende periode vooral eenrichtingsverkeer zal blijken,
aangezien zowel de beleidsvorming als de capaciteiten van de EU op het terrein van het
GBVB en cyber beperkt zijn. Informele inlichtingenuitwisseling tussen de staven van de
EU en NAVO, met inachtneming van de privacyregels, moet vooralsnog zoveel als mogelijk
worden benut.
Conclusies en aanbevelingen
De definitiekwestie
1. De bedreiging van de digitale veiligheid kan voortkomen uit digitale oorlogvoering, digitale spionage, digitaal terrorisme, digitaal activisme en digitale criminaliteit. Definiëring
van deze verschijningsvormen is nodig om te voorkomen dat ze conceptueel met elkaar
worden vermengd. Dit betekent niet dat deze dreigingsvormen geen samenhang kunnen
vertonen. Vaak komen de gebruikte technieken overeen en verschilt alleen het beoogde
doel. Het onderscheiden van de doelstelling is echter van belang voor het bepalen van
de juiste nationale respons op specifieke dreigingen, bijvoorbeeld om het risico van een
overreactie te beperken.
2. De AIV/CAVV beveelt daarom aan dat de overheid gebruik maakt van duidelijke en uniforme begripsomschrijvingen. Op internationaal niveau is het eveneens noodzakelijk dat
overheden en organisaties tot eensluidende interpretaties komen, wil men in staat zijn om
internationale afspraken te maken over de aanpak van digitale dreigingen.
De digitale dreiging
3. De regering constateert dat de afhankelijkheid van het functioneren van digitale netwerken nieuwe veiligheidsrisico’s met zich meebrengt. Naast digitale criminaliteit, dat grotendeels buiten het bestek van dit advies valt, lijkt er sprake van een toename van digitale spionageactiviteiten. Er is echter meer systematisch en kwantitatief onderzoek nodig
naar de omvang van de verschillende digitale dreigingsvormen. Aangezien het bij uitstek
grensoverschrijdende problematiek betreft en omdat de aanwezige capaciteiten zo het
best gebundeld kunnen worden, beveelt de AIV/CAVV aan een dergelijk onafhankelijk
onderzoek in EU- en NAVO-verband te initiëren.
Het digitale domein wordt naast land, lucht, zee en ruimte beschouwd als de ‘vijfde
dimensie’ waarin sprake kan zijn van militair optreden. Op grond van welke politieke en
militaire doelstellingen moeten operationele cybercapaciteiten worden ontwikkeld en
kunnen worden ingezet? Wat is de aard en rol van operationele cybercapaciteiten bij
militaire operaties?
4. Het digitale domein zal naar verwachting in elk toekomstig conflict een belangrijke rol
spelen. Een ‘cyberoorlog’, die uitsluitend in het digitale domein wordt uitgevochten, en met
verwoestende gevolgen, is echter niet aannemelijk. Daarom wordt in dit advies de meer
afgebakende term ‘digitale oorlogvoering’ gebruikt, te beschouwen als onderdeel van een
militaire operatie die ook andere (niet digitale) dimensies kan omvatten.
5. Operationele cybercapaciteiten – deel uitmakend van militair vermogen – kunnen een
bijdrage leveren aan het bereiken van een politiek doel. Voor de inzet van deze capaciteiten
is een helder politiek kader essentieel. De bestaande nationale veiligheidsstrategie is
nationaal gericht. De AIV/CAVV beveelt aan dat operationele cybercapaciteiten en ontwikkelingen op dit gebied een plaats krijgen in een geïntegreerde strategie voor het binnenlands en buitenlands veiligheidsbeleid.
6. Naast de ontwikkeling van operationele cybercapaciteiten is het tevens van belang te
investeren in een samenhangende ‘cyberdiplomatie’, waarbij als reactie op concrete
dreigingen met kennis van zaken een breed palet aan maatregelen wordt overwogen,
variërend van politieke druk, de inzet van economische sancties, het aandringen op
strafrechtelijke maatregelen tot – in laatste instantie – het gebruik van gesanctioneerd
geweld.
7. De inzet van cybercapaciteiten dient ten dienste te staan van de hoofdtaken van de
krijgsmacht. Deze inzet kan betrekking hebben op de beveiliging van de eigen defensiesystemen, het vergaren van inlichtingen en digitale aanvallen gericht op het verstoren, beschadigen of vernietigen van computers en netwerken van de tegenstander.
8. Digitale wapens worden weliswaar gekenmerkt door geringe materiële instapkosten,
maar de ontwikkeling van een technisch complexe aanval vereist gespecialiseerde kennis.
Digitale wapens kennen een beperkte houdbaarheidsduur, de inzet ervan brengt
veelal indirecte effecten met zich mee en de aanvaller is moeilijk herleidbaar. Het kan
echter zeker mogelijk zijn om mede door het gebruik van niet-technische attributie de
identiteit van de aanvaller vast te stellen.
9. De AIV/CAVV beveelt aan dat – gezien de technologische ontwikkelingen – wordt bezien
of het huidige onderscheid in de Wet- op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (WIV)
tussen kabelgebonden en niet-kabelgebonden data gehandhaafd moet blijven.
10. Het is om goede redenen op basis van de WIV niet toegestaan dat een inlichtingendienst
een geplaatste exploit gebruikt voor een netwerkaanval met een militair oogmerk,
die het wijzigen of beschadigen van een systeem tot doel heeft. Een dergelijke aanval
dient onder verantwoordelijkheid van de Commandant der Strijdkrachten (CDS) plaats
te vinden, na verkregen politieke toestemming. Het is noodzakelijk binnen de krijgsmacht
ook op digitaal terrein duidelijke procedurele afspraken te maken, die volgen uit deze
functiescheiding.
11. Bij het uitvoeren van militaire operaties kan er voor worden gekozen ook gebruik te maken van digitale aanvallen. In essentie gaat het om de inzet van een middel – digitale
capaciteit – uit de toolbox van militaire middelen die een bijdrage kunnen leveren aan
het bereiken van een politiek doel. De operationele inzet van cybercapaciteiten, die
overeenkomstig de juridische kaders dient plaats te vinden, wordt begrensd door de
technische kenmerken van digitale wapens en de beschikbare kennis binnen de krijgsmacht.
De AIV/CAVV beveelt daarom aan om vooralsnog de schaarse defensiemiddelen
slechts op beperkte schaal in te zetten voor het ontwikkelen van offensieve capaciteiten
en de nadruk te leggen op het verbeteren van de verdediging van de eigen netwerken
en het opbouwen van een adequate inlichtingencapaciteit op digitaal gebied.
12. Mede gezien de schaarse technische kennis en capaciteiten wordt een nog meer ontkokerde aanpak binnen het per januari 2012 operationele Nationaal Cyber Security
Centrum bepleit. Het centrum zou zich op termijn kunnen ontwikkelen tot een soort
nationale CERT die de geaggregeerde monitoring van vitale netwerken voor zijn rekening
neemt, meer gebruikmakend van capaciteit die nu aanwezig is bij GOVCERT.NL,
MIVD, AIVD, KLPD en soms wordt aangevuld door commerciële en wetenschappelijke
organisaties. Verder is ten aanzien van de inlichtingentaak verdergaande samenwerking
tussen de AIVD en de MIVD mogelijk. De AIV/CAVV beveelt aan om de beschikbare kapitaal- en kennisintensieve signals intelligence (SIGINT) en cybercapaciteiten in een gezamenlijke eenheid onder te brengen.
Onder welke omstandigheden kan een cyberdreiging worden beschouwd als het gebruik
van geweld of een dreiging hiermee, in de zin van artikel 2 lid 4 van het VN-Handvest?
Onder welke omstandigheden kan een cyberaanval worden beschouwd als een
gewapende aanval waartegen geweld mag worden gebruikt ter zelfverdediging op basis
van artikel 51 van het VN-Handvest?
13. Artikel 2 lid 4 van het Handvest van de Verenigde Naties verbiedt het gebruik of dreigen
met het gebruik van geweld in internationale betrekkingen. Onder het verbod valt gewapend geweld met een feitelijk of mogelijk fysiek effect op de staat die het doelwit is. Het
verbod heeft echter ook betrekking op andere vormen van geweld die hebben geleid of
hadden kunnen leiden tot dood, letsel of schade aan goederen of infrastructuur.
14. Het gebruik van geweld in het kader van zelfverdediging op basis van artikel 51 van het
VN Handvest is volgens het internationaal recht een uitzonderlijke maatregel, die bij
gewapende digitale aanvallen slechts gerechtvaardigd wordt in situaties die uitstijgen
boven de drempel van digitale criminaliteit of spionage. Voordat een digitale aanval het
recht tot zelfverdediging rechtvaardigt, moet deze gevolgen hebben die vergelijkbaar zijn
met die van een conventionele gewapende aanval. Wanneer een digitale aanval leidt
tot een aanmerkelijk aantal dodelijke slachtoffers of grootschalige vernietiging van of
schade aan vitale infrastructuur, militaire platforms of installaties of civiele goederen,
moet deze gelijk gesteld worden met een ‘gewapende aanval’.
15. Een georganiseerde digitale aanval op essentiële functies van de staat moet, ook wanneer
deze geen fysieke schade of letsel tot gevolg heeft, maar mogelijk of daadwerkelijk
leidt tot ernstige verstoring van het functioneren van de staat of ernstige en langdurige
gevolgen voor de stabiliteit van de staat, worden aangemerkt als een ‘gewapende
aanval’ in de zin van artikel 51 van het VN-Handvest. Hierbij moet dan sprake zijn van
een (aanhoudende poging tot) ontwrichting van de staat en/of de samenleving en niet
slechts een belemmering of vertraging bij het normaal uitvoeren van taken.
16. Het gebruik van geweld naar aanleiding van een digitale aanval moet voldoen aan de
vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit ten aanzien van de uitoefening van
het recht tot zelfverdediging. De maatregelen moeten gericht zijn op het beëindigen van
de aanval en het voorkomen van herhaling ervan in de nabije toekomst en er moeten
geen bruikbare alternatieven zijn.
17. Het principe van proportionaliteit vereist niet dat een respons op een aanval van dezelfde
aard is als de aanval zelf. Een digitale aanval die voldoet aan de voorwaarden van een gewapende aanval kan een respons met conventionele gewapende middelen rechtvaardigen.
18. Het treffen van maatregelen tegen digitale agressie is voorts uitsluitend rechtmatig
indien er een voldoende mate van zekerheid bestaat omtrent de herkomst en bron van
de aanval.
Wanneer is er sprake van toepasselijkheid van het humanitair oorlogsrecht op gedragingen in het digitale domein? Moeten deze samenhangen met kinetisch geweldsgebruik? Hoe zou bij een dergelijke toepassing gestalte moeten worden gegeven aan de oorlogsrechtelijke principes van onderscheid en proportionaliteit, en aan de verplichting tot het nemen van voorzorgsmaatregelen?
19. Het humanitair oorlogsrecht is alleen van toepassing in de context van een gewapend
conflict, in internationaal of niet-internationaal verband. Cyberoperaties waarbij de
drempel van een gewapend conflict niet wordt overschreden, vallen derhalve
buiten het toepassingsveld van het humanitair oorlogsrecht.
20. Digitale aanvallen die meer zijn dan sporadische, geïsoleerde gewapende incidenten
en die resulteren in verlies van mensenlevens, letsel, vernietiging of langdurige schade
aan fysieke objecten tot gevolg (kunnen) hebben, kunnen worden gekwalificeerd als gewapend conflict in de zin van het humanitair oorlogsrecht. Dit is in de eerste plaats het
geval bij digitale aanvallen die in combinatie met een kinetische aanval worden uitgevoerd.
Dit geldt echter ook voor een digitale aanval die – zonder de inzet van kinetische
middelen van oorlogvoering – leidt tot vernietiging of langdurige en ernstige schade aan
computersystemen voor het beheer van kritieke militaire of civiele infrastructuur, of die
het vermogen van de staat om essentiële overheidsfuncties te vervullen ernstig aantast
en daarbij ernstige en langdurige schade toebrengt aan de economische of financiële
stabiliteit van de staat en zijn bevolking.
21. In ieder gewapend conflict, zowel in internationaal als niet-internationaal verband, zijn
de regels inzake het voeren van vijandelijkheden van toepassing op het gebruik van alle
soorten, middelen en methoden van oorlogvoering, inclusief middelen en methoden
van digitale aard. Deze regels betreffen onder meer de beginselen van onderscheid,
proportionaliteit en het nemen van voorzorgsmaatregelen. Verder geldt er een verbod
op het voorwenden van een beschermde of neutrale status met het oogmerk aanvallen
uit te voeren en het misbruiken van een dergelijke status, waaronder de IP-identiteit, als
schild tegen een aanval.
Hoe zou in het cyberdomein gestalte moeten worden gegeven aan de volkenrechtelijke
begrippen soevereiniteit, neutraliteit?
22. Het neutraliteitsrecht is van toepassing bij de inzet van digitale wapens en methoden
van oorlogvoering. Het belet in principe het gebruik door belligrente partijen van computers
of computersystemen die zich op neutraal grondgebied bevinden, voor zover dit
mogelijk is, evenals aanvallen op computernetwerken of informatiesystemen op neutraal
terrein. Het staat een neutrale staat toe een oorlogvoerende partij te verhinderen
gebruik te maken van computers en informatiesystemen die zich op zijn grondgebied
bevinden of onder zijn rechtsmacht vallen. De enkele doorgifte van gegevens via een op
neutraal grondgebied gelegen deel van internet levert echter geen schending of verlies
van de neutraliteit op.
In hoeverre kunnen internationale gedragsnormen over het gebruik van het digitale domein een effectieve bijdrage leveren aan het vergroten van cyber security? Kunnen we lering trekken uit ervaringen met bestaande gedragscodes, bijvoorbeeld op het gebied van nonproliferatie?
23. Gedragsnormen kunnen betrekking hebben op de bescherming van netwerken, strafrechtelijke samenwerking, de toepassing van het internationaal recht en wederzijdse
informatievoorziening. Het is van belang de bestaande afspraken binnen het kader
van de Raad van Europa Conventie inzake Cybercrime een bredere reikwijdte te geven.
Belangrijk is dat de conventie stelt dat landen dienen over te gaan tot vervolging of uitlevering van groepen of individuen die zich schuldig maken aan digitale criminaliteit in
derde landen vanaf het grondgebied van de staat in kwestie. Dit biedt aanknopingspunten
om illegale activiteiten, zoals grootschalige zwarte handel in malware en identiteits40
gegevens, aan te pakken. Hierboven is geconcludeerd dat het bestaande internationaal
recht van toepassing is op het digitale domein waar het gaat om de voorwaarden van
geweldsgebruik, het oorlogsrecht en principes van soevereiniteit en neutraliteit. Het
is daarom niet noodzakelijk hiervoor een speciaal ‘cyberverdrag’ op te stellen. Wel is
de AIV/CAVV van mening dat er een belangrijke versterkende werking vanuit zou gaan
indien staten aan deze principes door middel van een internationale gedragscode of
verklaring nadere uitwerking zouden geven.
24. In algemene zin zou de private sector meer verantwoordelijkheid kunnen nemen voor
de bescherming van de kritieke infrastructuur die het beheert. Dit zou kunnen worden
bevorderd door de (financiële) aansprakelijkheid van bedrijven op dit punt beter te regelen.
Ook dient te worden gewaarborgd dat een minimum aan dienstverlening is gegarandeerd
bij gedeeltelijke uitval van kritieke infrastructuur.
25. Het valt op dat waar de Nederlandse regering – met recht – erg actief is op het terrein
van de vrijheid van meningsuiting op internet, de Nederlandse betrokkenheid tot op
heden minder groot is bij mondiaal overleg gericht op het formuleren van normen met
als doel conflictbeheersing op digitaal gebied. De AIV/CAVV beveelt aan dat Nederland
zich als deelnemer aansluit bij initiatieven die het formuleren van normen op dit terrein
tot doel hebben zoals een wederom door de SGVN in te stellen Group of Governmental
Experts.
26. Er is noch de mogelijkheid noch de noodzaak tot het overeenkomen van een wereldwijd
non-proliferatieregime. Er zijn belangrijke verschillen tussen massavernietigingswapens
en digitale ‘wapens’. Er zijn evenmin voldoende aanknopingspunten voor het instellen
en afdwingen van beperkingen aan de uitvoer van bepaalde digitale technologie en software
ter bescherming van de eigen militaire en civiele digitale infrastructuur.
Hoe kunnen de NAVO en de EU concreet inhoud geven aan de principes van common
defence, deterrence en de solidariteitsclausule ten aanzien van cyberdreigingen? Hoe
kunnen de NAVO en de EU de informatie-uitwisseling ten behoeve van dreigingsanalyses
verbeteren?
27. De NAVO zal naar verwachting slechts bescheiden offensieve digitale capaciteiten kunnen ontwikkelen ter bescherming van de eigen systemen en netwerken, ofwel in het
kader van de actieve verdediging. Van de conventionele en nucleaire middelen waarover
afzonderlijke NAVO-landen beschikken gaat al een afschrikwekkende werking uit. Bij
toekomstige NAVO-operaties kunnen wel offensieve digitale capaciteiten van de afzonderlijke lidstaten worden ingezet.
28. Het is noodzakelijk dat er meer samenhang komt in de activiteiten op het terrein van digitale veiligheid van de verschillende directoraten-generaal van de Europese Commissie – waaronder Binnenlandse Zaken (HOME), Informatiemaatschappij en media (INFSO), Justitie (JUST) en Interne Markt en Diensten (MARKT) – evenals EDEO, door uitvoering te geven aan een gezamenlijke strategie.
29. Artikel 4 en 5 van het NAVO-verdrag kunnen betrekking hebben op aanvallen in het
digitale domein. Artikel 5 is dermate algemeen geformuleerd dat hier alle vormen van
gewapend geweld onder kunnen worden geschaard. Het minder verstrekkende artikel 4
kan van toepassing zijn op digitale aanvallen die raken aan de nationale veiligheid maar
nog niet de drempel van een gewapende aanval overschrijden. Naar verwachting zal er
in praktijk bij digitale aanvallen eerder een beroep op dit artikel 4 worden gedaan.
30. De bijstandsclausule van de EU (artikel 42.7 van het EU-Verdrag) zal waarschijnlijk vooral worden aangewend ten behoeve van politieke steunbetuigingen. De EU kan wel een
leidende rol vervullen bij het bevorderen van de digitale beveiliging in de private sector
van de lidstaten.
31. Informatie-uitwisseling tussen de EU en de NAVO op het terrein van digitale veiligheid
loopt tegen dezelfde bekende institutionele belemmeringen aan als de samenwerking
tussen beide organisaties op andere terreinen. Bijkomend probleem is dat mogelijke
informatievoorziening de eerstkomende periode vooral eenrichtingsverkeer zal blijken,
aangezien zowel de beleidsvorming als de capaciteiten van de EU op het terrein van het
GBVB en cyber beperkt zijn. Informele inlichtingenuitwisseling tussen de staven van de
EU en NAVO, met inachtneming van de privacyregels, moet vooralsnog zoveel als mogelijk
worden benut.
------------------------
Labels:
AIVD,
cyber defense,
cyberwar,
digitale veiligheid,
EU,
GOVCERT.NL,
KLPD,
krijgsmacht,
MIVD,
NAVO,
NSO
Locatie:
Den Haag, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)
