vrijdag 8 maart 2013

Afbouw geïntegreerde politietrainingsmissie Afghanistan

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 8 maart 2013
Betreft Geïntegreerde politietrainingsmissie Afghanistan

Geachte Voorzitter,

Zoals aangekondigd in de brief van 17 januari jl. (Kamerstuk 27925, nr. 469), wordt u in deze brief geïnformeerd over de gevolgen van de Duitse troepenreductie in Afghanistan in 2013 voor de Nederlandse geïntegreerde politietrainingsmissie.

Op 31 januari jl. heeft het Duitse parlement ingestemd met de verlenging van de Duitse missie in Afghanistan met dertien maanden en met een troepenreductie van 4.500 naar 3.300 man in de periode 2013 - 2014. In het kader van dit besluit wordt de Duitse militaire aanwezigheid in Kunduz in de tweede helft van dit jaar beëindigd. Eind 2012 zijn reeds de activiteiten van het Duitse Provincial Reconstruction Team in Kunduz overgedragen aan de Afghaanse autoriteiten en omstreeks 1 juli 2013 zal ook de leiding van het Duitse Police Training Center (PTC) in Kunduz in Afghaanse handen overgaan. Vanaf dat moment is het voor Duitsland niet langer nodig om een basis in Kunduz open te houden; deze zal dan ook omstreeks 1 november 2013 worden gesloten. De Duitse redeployment verloopt via Mazar-e-Sharif.

De overdracht van de taken aan de Afghaanse overheid en de beëindiging van de Duitse militaire aanwezigheid in Kunduz passen bij de voortgang van het transitieproces in de provincie. Zoals aan uw Kamer gemeld in de brief van 17 januari jl. zijn het Afghaanse leger en de politie inmiddels verantwoordelijk voor de veiligheid in de gehele provincie Kunduz. Zij zullen ook de verantwoordelijkheid voor de politieopleidingen overnemen. Op het PTC geven Afghaanse trainers reeds zelf les onder begeleiding van Duitse en Nederlandse trainers en wordt de Afghaanse staf begeleid zodat deze de leiding kan overnemen. Daarnaast worden Afghaanse instructeurs opgeleid en begeleid om op termijn de door Nederland ontwikkelde aanvullende opleiding te kunnen uitvoeren.

Gezien het voorspoedige verloop van de transitie op het gebied van opleidingen in Kunduz en het daarmee samenhangende besluit van Duitsland om uit de provincie te vertrekken heeft de regering besloten de trainingsmissie in Kunduz per 1 juli 2013 te beëindigen. Tot die datum worden de lopende activiteiten op volle sterkte voortgezet, met dien verstande dat het accent verder verschuift naar de overdracht aan de Afghaanse autoriteiten met het oog op verduurzaming van de Nederlandse inspanningen. Vanaf 1 juli 2013 zal de redeployment via Mazar-e-Sharif beginnen en neemt de omvang van het huidige contingent Nederlandse militairen in Afghanistan af. De Nederlandse aanwezigheid op de Duitse basis in Kunduz zal uiterlijk 1 november 2013 zijn beëindigd.

De plannen van Duitsland hebben ook gevolgen voor het Field Office van de EU Politietrainingsmissie (EUPOL) in Kunduz, aangezien ook EUPOL afhankelijk is van Duitsland voor de veiligheid, medische faciliteiten en legering. EUPOL start de redeployment van haar Field Office in Kunduz naar verwachting ook op 1 juli 2013, waardoor de Nederlandse bijdrage aan EUPOL in Kunduz eveneens wordt beëindigd.

Wat blijft Nederland doen tot midden 2014?

De beëindiging van de trainingsmissie in Kunduz betekent niet dat Nederland geheel uit Afghanistan vertrekt.
Het rule of law programma in de provincie Kunduz zal conform de oorspronkelijke planning worden voortgezet tot midden 2014. De projecten worden uitgevoerd door non-gouvernementele organisaties die niet van de Duitse of Nederlandse aanwezigheid afhankelijk zijn. Het toezicht op de projecten zal door de ambassade in Kabul worden overgenomen, waar nodig met hulp van lokale monitoring officers. Ter versterking van de coördinatiecapaciteiten van UNAMA op het gebied van rule of law financiert Nederland de functie van een deskundige bij het UNAMA-kantoor in Kunduz. Daarnaast worden de detacheringen van een Nederlandse politieadviseur bij UNAMA Kunduz en een militair adviseur bij UNAMA Kabul voortgezet. Overigens blijft Afghanistan een OS-partnerland.

De Nederlandse personele bijdrage van ongeveer 25 politiefunctionarissen en tien civiele deskundigen aan EUPOL in Kabul zal eveneens worden voortgezet. Nederland levert hiermee een zinvolle bijdrage aan de inspanningen van de internationale gemeenschap om de politie- en justitiesector in Afghanistan op nationaal niveau verder te versterken in het kader van het transitieproces. Bovendien biedt deze personele bijdrage aan EUPOL de mogelijkheid om ervaringen en trainings- en mentoringconcepten uit Kunduz zowel in Kabul als in de overige Field Offices te delen en te verankeren binnen de Afghaanse overheidsstructuren.

Ook de inzet van de vier F-16’s vanaf de militaire basis in Mazar-e-Sharif gaat door onder het huidige mandaat. De F-16’s zullen de redeployment van de geïntegreerde politietrainingsmissie ondersteunen en in ISAF-kader bermbommen opsporen, inlichtingen vergaren en Afghaanse en internationale partners in nood te hulp komen.

Als gevolg van de redeployment zal het aantal Nederlandse militaire en civiele staffunctionarissen bij ISAF afnemen.

Het Duits-Nederlandse Legerkorps uit Münster, tenslotte, is volgens het roulatieschema van de NAVO in de periode 15 juli 2013 tot en met 15 januari 2014 weer aan de beurt om militairen te leveren voor staffuncties op het hoofdkwartier van IJC (ISAF Joint Command) in Kabul, zoals voor het laatst in 2009. Dit keer bestaat de bijdrage uit ongeveer 90 Nederlandse militairen.

In de volgende stand van zakenbrief over Afghanistan wordt u nader geïnformeerd over de financiële en personele gevolgen van dit regeringsbesluit.

De Minister van Buitenlandse Zaken
Frans Timmermans
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
De Minister van Defensie
J.A. Hennis-Plasschaert            
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
Drs. E.M.J. Ploumen

(Rijksoverheid, 8 maart 2013)

Nederland beëindigt missie Kunduz

Nederland stopt op 1 juli 2013 met de politietrainingsmissie in Kunduz, zo maakte het kabinet vandaag bekend. Het werk gaat tot die datum onverminderd voort, maar het accent verschuift verder naar de overdracht van taken aan de Afghaanse autoriteiten. Personeel en materieel hebben uiterlijk 1 november de Duitse basis in Kunduz verlaten.

De Nederlandse geïntegreerde politietrainingsmissie heeft sinds de zomer van 2011 een stevige basis gelegd voor de hele justitieketen in Kunduz. De Afghanen zijn eerder dan gepland klaar om zelf de verantwoordelijkheid voor politietrainingen te dragen in Kunduz. Zo geven Afghaanse trainers al zelf les en begeleidt Duits en Nederlands personeel de Afghaanse staf, zodat die de leiding kan overnemen. Vanaf 1 juli is Afghanistan zelf verantwoordelijk voor de politieopleidingen en wordt het trainingscentrum overgedragen door de Duitsers aan de Afghanen.

Het regeringsbesluit is deels ook het gevolg van de Duitse troepenreductie in Afghanistan. De oosterburen trekken hun militairen in de tweede helft van dit jaar terug uit Kunduz. Nederlands personeel in het gebied is voor veiligheid en legering afhankelijk van Duitse eenheden. Dit geldt ook voor de Nederlanders die voor EUPOL in Kunduz het hogere politiekader opleiden. EUPOL sluit hun trainingslocatie in Kunduz naar verwachting eveneens op 1 juli.

Nederland blijft actief
Nederland vertrekt niet helemaal uit Afghanistan. De ontwikkeling van de rechtsstaat in Kunduz is een zaak van lange termijn. Daarom gaat het zogenoemde rule of law-programma volgens planning tot in 2014 door. Lokale, niet-gouvernementele organisaties die niet afhankelijk zijn van Duitse of Nederlandse aanwezigheid voeren de projecten uit en zij blijven met de Nederlandse ambassade in Kabul de projecten monitoren.

Nederland blijft in Kunduz ook militair betrokken met de inzet van de 4 F-16’s vanaf  Mazar-e-Sharif. De jachtvliegtuigen voeren de taken uit onder het huidige mandaat en ondersteunen daarnaast de terugverplaatsing van de Nederlandse eenheden.

Nederland blijft EUPOL ondersteunen in Kabul met politiefunctionarissen en deskundigen die werken aan de versterking van de politie- en justitiesector op nationaal niveau.

Positief
Nederland is sinds de zomer van 2011 actief in Kunduz. Het kabinet is voorzichtig positief over de resultaten, staat in een tussentijdse evaluatie die vandaag ook aan het parlement is gezonden. De waardering voor de Nederlandse inspanningen is groot bij zowel de Afghanen als de internationale partners. Door de gehele justitiële keten heen zijn er nu beter opgeleide agenten, advocaten, rechters en aanklagers.

Het is volgens het kabinet nu te vroeg om vast te stellen wat het effect op langere termijn zal zijn van de politietrainingsmissie.

(ministerie van Defensie, 8 maart 2013)

Bijlagen:

Kamerbrief Geïntegreerde politietrainingsmissie Afghanistan

Kamerbrief Tussentijdse evaluatie politietrainingsmissie in Afghanistan

Bijlage Tussentijdse evaluatie politietrainingsmissie in Afghanistan

Nederlanders deze zomer weg uit Kunduz

Het kabinet stopt eerder met de politiemissie in Afghanistan. De ruim 350 militairen en politiemensen keren al deze zomer terug uit de Afghaanse provincie Kunduz. Bronnen rond het kabinet bevestigen dat de ministerraad daarover vandaag een besluit neemt. RTL-redacteur Jos Heymans over de precieze aantallen: "300 mlitairen Kunduz keren per 1 juli terug. 70 man blijven in Kabul net als 120 man bij F-16''s. Tot einde missie eind dit jaar. (@JosHeymans)

Nederland traint sinds de zomer van 2011 de politiemensen in het noorden van Afghanistan. De Nederlandse militairen worden beschermd door Duitse eenheden in de omgeving en door vier eigen gevechtsvliegtuigen die in de buurt van Kunduz zijn gestationeerd.

Aanvankelijk zou de missie tot volgend jaar duren. Maar de Duitsers vertrekken al deze zomer, waardoor de bescherming van de Nederlandse troepen komt te vervallen. Het kabinet wil daarom tegelijk met de Duitsers weggaan. Daar komt bij dat de training van de Afghaanse politie zo goed als afgerond is. De Afghanen zijn al in staat hun eigen mensen op te leiden.

Wel naar Somalië
Het kabinet zal vandaag ook besluiten om deel te nemen aan een EU-trainingsmissie voor Somalische troepen. Het gaat om een tiental Nederlanders die in de Somalische hoofdstad Mogadishu trainingen gaan geven.

De missie in Kunduz was politiek omstreden. Het eerste kabinet-Rutte moest de steun van de oppositiepartijen D66 en GroenLinks vragen om de militairen te kunnen uitzenden. Vooral de achterban van GroenLinks had grote moeite met de gegeven steun aan het kabinet.

(RTL Nieuws, 8 maart 2013)

donderdag 7 maart 2013

VS: Stop bezuinigingen op Defensie

sitestat

Nederland en de andere NAVO bondgenoten kunnen niet eindeloos doorgaan met het bezuinigen op Defensie. Dat zegt Ivo Daalder, ambassadeur van de Verenigde Staten bij de NAVO in een interview met EenVandaag: "Er zit een ondergrens aan wat er nog van af kan. Ga je daar overheen dan heeft dit direct gevolgen voor de slagkracht van de NAVO en voor de veiligheid in het Westen"

Financiële bijdragen aan NAVO totaal uit balans
Daalder zegt zich zorgen te maken over de solidariteit binnen de NAVO. Het verschil in de financiële bijdragen aan het bondgenootschap is volgens Daalder politiek niet meer uit te leggen in Amerika. Europa betaalt 28 procent van de NAVO-begroting. De Amerikanen dragen 72 procent bij. “Dat was ooit fifty-fifty, dat werd later zestig-veertig en in de laatste tien jaar is dat verschoven naar driekwart voor Amerika tegen een kwart voor Europa”, aldus Daalder. De consequenties voor de militaire alliantie kunnen groot zijn als het budget niet wordt rechtgetrokken. “Dan is bijvoorbeeld een operatie als in Libië over een jaar of 10 niet meer mogelijk.”

Visie op de Nederlandse Krijgsmacht
Daalder vindt het goed dat in Nederland wordt nagedacht over een nieuwe visie op de toekomstige krijgsmacht. Hij adviseert het Nederlandse leger zich te specialiseren en de samenwerking te zoeken met andere bondgenoten. Daalder: “Nederland moet zich afvragen waar zij de beste bijdrage kan leveren voor zichzelf en voor het bondgenootschap. Hoe krijg ik het meest efficiënte leger voor de euro’s de ik heb.”

Politici moeten belang veiligheid beter uitleggen
Het belang van het investeren in veiligheid moet volgens Daalder beter worden uitgelegd door politici. “Het is makkelijk om te zeggen ‘we geven alles uit aan onderwijs en niets aan defensie’, maar waar het uiteindelijk om gaat is dat de kinderen in rust en veiligheid onderwijs kunnen genieten.”

Verslag Kimo Demoed, redactie Johann de Graaf

(EenVandaag, 7 maart 2013)

RTL NIeuws: 'Militairen eerder weg uit Kunduz'

Het kabinet stopt eerder met de politiemissie in Afghanistan. De ruim 500 militairen en politiemensen keren al deze zomer terug uit de Afghaanse provincie Kunduz. Bronnen rond het kabinet bevestigen dat de ministerraad daarover morgen een besluit neemt.

Nederland traint sinds de zomer van 2011 de politiemensen in het noorden van Afghanistan. De Nederlandse militairen worden beschermd door Duitse eenheden in de omgeving en door vier eigen gevechtsvliegtuigen die in de buurt van Kunduz zijn gestationeerd.

Aanvankelijk zou de missie tot volgend jaar duren. Maar de Duitsers vertrekken al deze zomer, waardoor de bescherming van de Nederlandse troepen komt te vervallen. Het kabinet wil daarom tegelijk met de Duitsers weggaan. Daar komt bij dat de training van de Afghaanse politie zo goed als afgerond is. De Afghanen zijn al in staat hun eigen mensen op te leiden.

De missie was politiek omstreden. Het eerste kabinet-Rutte moest de steun van de oppositiepartijen D66 en GroenLinks vragen om de militairen te kunnen uitzenden. Vooral de achterban van GroenLinks had grote moeite met de gegeven steun aan het kabinet.

(RTL Nieuws, 7 maart 2013)

Zo ver ons Koninkrijk reikt (blog minister Hennis)

De krijgsmacht moet alles kunnen. Militairen overleven in bittere kou boven de poolcirkel of vechten in een allesverzengende hitte. Ze observeren urenlang in opperste concentratie maar volbrengen ook loodzware terreintochten met tientallen kilo’s op de rug. Ze brengen wekenlang met twintig man door op een paar vierkante meter in onze onderzeeboten of dragen hoog in de lucht in hun eentje de verantwoordelijkheid voor een heel wapensysteem (F-16).

De veelzijdigheid van onze Nederlandse militairen is daarmee een afspiegeling van de veelzijdigheid van het Koninkrijk der Nederlanden.

Want wie staat er dagelijks bij stil dat ons Koninkrijk (Caribisch Nederland) grenst aan Venezuela? Dat onze buitengrenzen feitelijk zijn opgeschoven naar landen als Estland, Letland, Litouwen, Bulgarije maar ook Marokko, Tunesië en Turkije? We gaan allang niet meer bij Venlo de grens over. Dat betekent andersom dat mensensmokkelaars, terroristen en criminelen ook allang niet meer bij Venlo Nederland binnenkomen maar al veel eerder. Langs al deze grenzen moeten en kunnen onze militairen paraat staan.

Het is daarom goed om deze week een bezoek te brengen aan de eenheden van de Krijgsmacht in Caribisch Nederland. Onze militairen vervullen hier een indrukwekkende taak. Zo bracht onze marine met Hr. Ms. Pelikaan 70.000 liter water naar het door watergebrek getroffen Saba. Regelmatig worden grote drugsvangsten gedaan waarmee we de internationale criminaliteit en corruptie de voet dwars zetten. Juist in deze regio blijft een sterke kustwacht noodzakelijk. En met het sociale vormingsprogramma helpen onze militairen lokale jongeren weer op het juiste pad.

Onze militairen bewaken niet alleen de grenzen maar ook de belángen van ons Koninkrijk. Die belangen houden evenmin op bij Venlo. Nederland presteert heel wat op het wereldtoneel. Ons bedrijfsleven exporteert over de gehele wereld en we zijn de toegang tot Europa. Zie het succes van Schiphol en Rotterdam, samen alleen al goed voor honderdduizenden banen en tientallen miljarden euro’s aan toegevoegde waarde voor onze economie.

Wie die kurk van onze vrijheid en welvaart wil behouden, en zelfs wil laten groeien, moet bereid zijn in actie te komen. Voor onze koopvaardij en tegen piraterij bij Somalië, tegen drugshandel aan de grens met Caribisch Nederland, ter bescherming van NAVO-bondgenoten met onze Patriots in Turkije, tegen terreur in Afghanistan, tegen identiteitsfraude en mensensmokkel op Schiphol en ga zo maar door.

Zo wijd de wereld strekt. Zo ver ons Koninkrijk reikt!

Jeanine Hennis-Plasschaert
Minister van Defensie
4 maart 2013

(ministerie van Defensie, 7 maart 2013)

Koning Willem-Alexander: geen actieve militaire status

"Ik ben trots op onze krijgsmacht wier inzet bijdraagt aan de veiligheid en welvaart van ons land" 

Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander wordt 30 april ingehuldigd als Koning der Nederlanden. Een bijzonder moment voor het hele land en zeker ook voor de Nederlandse krijgsmacht. De hechte verbondenheid tussen haar en het Koningshuis bestaat al eeuwen, maar voor het eerst sinds 1849 krijgen we weer een koning die als militair heeft gediend.

Deze bijzondere gelegenheid heeft een aantal consequenties. Als aanstaand staatshoofd doet de Kroonprins na bijna 28 jaar afstand van zijn actieve militaire status. Maar afstand of afscheid van de krijgsmacht neemt hij daarmee zeker niet.

“Aangezien de Koning behoort tot de Nederlandse regering, kan ik geen actief dienend militair meer zijn”, zo stelt de Kroonprins. “Ik neem daarom ontslag, maar blijf straks als Koning mijn trots voor en verbondenheid met de Nederlandse krijgsmacht uitdragen.”

Eervol ontslag
De Kroonprins is nu nog militair in de rang van commandeur bij de marine en heeft een overeenkomstige opperofficiersrang bij de andere krijgsmachtdelen. Voor zijn inhuldiging als Koning der Nederlanden wordt hem op eigen verzoek eervol ontslag verleend.

De Koning is in ons land immers niet de opperbevelhebber van de krijgsmacht en heeft daarbinnen ook geen functie. Integendeel: in de Nederlandse rechtsstaat is wettelijk geregeld dat een militair in dienst geen deel kan uitmaken van de regering. Hij zou daar namelijk dan tegelijkertijd aan onderworpen zijn. De regel geldt ook voor de Koning, die grondwettelijk deel uitmaakt van de regering.

Koning Willem-Alexander behoudt wel het recht zijn uniform te dragen bij gelegenheden die hij daarvoor ceremonieel en representatief geschikt acht.

“Om onze sterke band te onderstrepen, zal ik graag gebruik maken van dat recht”, zegt de Kroonprins. “Ik ben trots op onze krijgsmacht en haar militairen. Ik heb zelf ervaren en met eigen ogen gezien wat onze mannen en vrouwen doen en laten voor onze vrede en veiligheid - en die van anderen. Daar kan elke Nederlander trots op zijn. Als koning zal ik mijn waardering voor Defensie onverminderd tonen, in woord, daad en militair ceremonieel.”

Geen rang
De Koning zal dus ook op gepaste momenten in uniform deelnemen aan ceremoniële activiteiten. Dit doet hij als Koning en niet als actief dienend militair. De Koning staat boven alle partijen, ook de krijgsmacht. Dat moet zichtbaar zijn.

De hoogste militair van ons land is de Commandant der Strijdkrachten met de rang van generaal. Wij kennen in Nederland geen hogere rang (zoals admiraal of maarschalk) meer. De Kroonprins wordt daarom in zijn huidige rang ontslag verleend en zal na zijn inhuldiging als Koning een uniform dragen zonder rangonderscheidingstekens.

Een keuze met een bijzondere historische achtergrond. “Mijn voorvader Koning Willem I had aan het eind van de achttiende eeuw als officier ervaring opgedaan in de strijd tegen de Fransen en zou op grond daarvan een zeer acceptabele opperbevelhebber zijn geweest. Hij koos er voor zich buiten de hiërarchie van de krijgsmacht te plaatsen. Hij droeg een generaalsuniform zonder de daarbij behorende onderscheidingstekens.

Koninklijk distinctief
Ook Koning Willem-Alexander zal bij gelegenheid een uniform dragen, gebaseerd op dat van de vlag- en opperofficieren van de betreffende krijgsmachtdelen, maar zonder rangonderscheidingstekens. Op de plaats van galon of epaulet draagt de Koning een nieuw Koninklijk distinctief, een wapenbeeld opgemaakt met de Rijksappel, het Rijkszwaard en de Scepter, drie van de symbolen van de Koninklijke macht (regalia). Samen vormen zij een samensmelting van de beveiliging en verdediging (Rijkszwaard) van ons grondgebied en de wereld (Rijksappel) én de waardigheid van de Koning (Scepter).

Het vierde Koninklijke symbool, de Koningskroon is niet in het ontwerp opgenomen, omdat het al in veel functietekens binnen de krijgsmacht wordt gebruikt.

Verbonden
Als de Prins van Oranje op 30 april wordt ingehuldigd als Koning der Nederlanden, is hij officieel gewezen militair. De krijgsmacht kan zich echter geen betere ‘vaandeldrager’ wensen dan de Koning, constitutioneel staatshoofd in militair uniform.

“Wij zijn en blijven immers voorgoed aan elkaar verbonden,” stelt de aanstaande Koning. “Defensie, het Huis van Oranje en de Nederlandse samenleving.”

(Defensiekrant, 7 maart 2013)

No criminal inquiry in Srebrenica case

PRESS RELEASE

The Public Prosecution Service will not initiate a criminal inquiry against Messrs. Karremans (Commander Dutchbat III), Franken (Deputy Commander Dutchbat III) and Oosterveen (Human Resources Officer Dutchbat III). On the basis of intensive and conscientious examinations of the facts, the Public Prosecution Service decided that Karremans, Franken and Oosterveen cannot be held liable under criminal law for having been involved in the crimes committed by the Bosnian-Serbian army (VRS) in July 1995 in Srebrenica.

Report
On 5 July 2010, the Public Prosecution Service received a report concerning the involvement of Karremans, Franken and Oosterveen in offenses committed in Srebrenica in July 1995. The report had been filed following the death of Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic and Muhamed Nuhanovic and not the deaths of the other evacuees who perished after they had left the compound. In the report, Karremans, Franken and Oosterveen are accused of having removed afore-mentioned victims from the compound and of handing them over to the VRS knowing that this would eventually lead to their deaths. The VRS was under the command of Mladic.

Examination of the facts
Following the report, an examination of the facts was initiated. The reason for this examination was to judge – based on (already) available data and on data referred to in the report – whether with regard to Karremans, Franken and Oosterveen there was cause to initiate a criminal inquiry.

In 1998, the Public Prosecution Service conducted an inquiry into, among other matters, the criminal involvement of the Dutch military forces in the evacuation of the population in the Srebrenica enclave in July 1995. At the time, there was no evidence that the Dutch soldiers who formed part of Dutchbat III had been guilty of any offense while carrying out their supervising tasks.

Various sources referred to in the report as well as other available sources have been examined comprehensively for the existence of incriminating and exculpatory evidence with regard to the report.

An analysis was made of the context in which the imputable conduct took place and the legal scope against which this conduct should be assessed. Important sources which served as reference included: the defense report ‘Debriefing Srebrenica’ (October 1995), the ‘Accounts of the Facts Debriefing Srebrenica’ (22 September 1995), the NIOD report ‘Srebrenica, a ‘Safe’ Area’ (2002), the reports of the Secretary-General of the UN (November 1995 and November 1999), the testimonies rendered by the Dutch soldiers before the International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY) and the testimonies rendered in the civil proceedings of those who filed the report against the Dutch State. The inquiry has taken considerable time since the report was made in July 2010. Not only because of the huge quantity of data which was examined. This is also an extremely complex and sensitive case. At various moments, there has been extensive internal consultation of the sub-results of the inquiry and the analysis, and more detailed investigative instructions were formulated and executed. In addition to this, advice was obtained from a number of other departments of the Public Prosecution Service (National Office of the Public Prosecution Service, Office of the Prosecutor General and the Appeal Court Public Prosecution Office Arnhem- Leeuwarden).

Events around the Fall of Srebrenica
After Srebrenica was designated as a ‘safe area’ by the UN Security Council in 1993, an area in which the population was supposed to be safe from weapons and other threats, in the summer of 1993, the Dutch government appeared to be prepared to provide, for the duration of 18 months, an infantry battalion for the UN-Mission in Bosnia-Herzegovina.

The first battalion (Dutchbat I) arrived in March 1994. In July of that year, this battalion was succeeded by Dutchbat II, which in turn was relieved by Dutchbat III in January 1995.

The tasks of Dutchbat were aimed at a traditional peace keeping mission, i.e. an operation in which the battling forces have made peace and the ‘blue helmets’ act as independent third parties. It was Dutchbat’s task to discourage battling forces to attack the safe area just by their presence in this area. The mandate did not provide for protection of the population by defending the safe area.

Neither Dutchbat, nor UNPROFOR and the international community proved to be capable to influence the developments during the months, weeks and days prior to the fall of the Srebrenica enclave, and to prevent the attack on the enclave or to stop it. The different investigations carried out in the course of the years into the events surrounding the fall of Srebrenica attribute this failure to a significant extent to a deficient mandate, faulty (international) political and military supervision, insufficient troops, light armament and the restrictions with respect to the use of violence.

After the VRS did not permit the entrance of fuel transports in the enclave in February 1995, Dutchbat faced serious fuel shortages. Also, applications for supply convoys were systematically hindered and at the end of April, the VRS even closed off the enclave hermetically. Because of this approximately 150 soldiers on leave were unable to return to the area and the delivery of supplies became impossible. Soon after, shortages of the barest necessities arose such as heating, lighting, warm water and bathing facilities. Also, drinking water and food supplies took on worrying proportions which led to various physical complaints of the soldiers which hindered their proper functioning. Since the UNHCR aid convoys were unable to reach the enclave anymore either, a very precarious food situation arose for the population in the enclave as well.

Early June, the first Observation Post (OP) fell into the hands of the VRS. After the enclave was attacked by the VRS on 6 July 1995, the other OPs were captured one after the other by the VRS, during which actions the VRS did not shy away from the use of violence. In many cases the men were forced to leave their weapons behind and a number of Dutch soldiers fell into the hands of the VRS. In the evening of 9 July 1995, the VRS had approached Sebrenica-city up to one kilometer.

Although on 10 July 1995, Dutchbat had placed themselves in different blocking positions, the VRS advanced incessantly. Despite several requests, air support failed to arrive. In the afternoon of 11 July 1995, air support arrived but was immediately stopped after the VRS had threatened to kill the Dutchbat soldiers who had been taken hostage. The VRS continued its advance and, using abundant violence, Srebrenica-city was captured in the late afternoon of 11 July 1995.

The consequence of the attack on the enclave was that the population and the units of the Bosnian Muslim Army (ARBiH) present in the enclave fled the enclave. In the course of the day, a large part of the population had found a safe haven in the Potocari compound.

Since the VRS threatened to use artillery fire if Dutchbat were to allow refugees into the compound, the refugees were entered, out of sight of the VRS, through a hole in the fence at the back side of the compound. Around 5000 refugees were housed in a large factory on the premises. The other refugees, approximately 27.000, remained outside the compound.

In view of the furtherance of the humanitarian situation for the refugees who were staying in and around the compound, in the early evening of 11 July 1995, Karremans received the instruction from Headquarters in Sarajevo to take every possible measure to protect the refugees. Shortly thereafter, he also got the instruction to start negotiations with the VRS concerning the evacuation of the refugees. In this respect, Karremans opted for an evacuation executed by UNPROFOR and, from the very start, he indicated that he wanted to take the local staff along. According to Karremans, Mladic made the requirement that the local staff would have to be in possession of a UN-pass. Upon this, Karremans instructed his staff to draw up a list of names.

In the early morning of 12 July 1995, Mladic unexpectedly stated that the VRS was to arrange for the transport. In addition to this, Mladic wanted to see all the men between the ages of 17 and 60 in order to determine whether there were any war criminals amongst them. Around 1.00 PM that day, the first busses and trucks arrived at the compound in Potocari and the first busses carrying refugees left. In addition, the VRS started to separate the men from their families. The men were taken to a house called ‘the White House’ where they were interrogated by the VRS. Quite soon, the battalion commander received reports which unmistakably indicated that (serious) physical violence was used by the VRS in that house.

The initial plan to have a Dutch soldier ride on each bus soon appeared not to be workable. The plan to send a military vehicle along with each convoy was frustrated by the VRS. The VRS took possession of weapons and vehicles that belonged to the Dutch soldiers. Dutchbat was powerless to do anything about that. Later that day it became clear to Karremans and Franken that the buses with the men did not arrive at the agreed destination. (Kladanj).

Around noon all refugees who had been staying outside the compound had left. Next the refugees who were still at the compound in Potocari were evacuated. Early in the evening these refugees had also left.

Criminal liability for being involved in taking the lives of the victims named in the report On the basis of the examination of the facts the Public Prosecution Service has formed the following picture of the events which took place on 13 July 1995 concerning Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic and Muhamed Nuhanovic and the role played by Karremans, Franken and Oosterveen in relation to these events.

Muhamed Nuhanovic
Muhamed Nuhanovic was the brother of Hasan Nuhanovic (who filed the report) and who was acting as interpreter for the monitoring mission of the United Nations (UNMO). Hasan Nuhanovic feared for the fate of his brother and was searching for a possibility to prevent that Muhamed Nuhanovic was forced to leave the compound. During the negotiations with Mladic, Karremans had made it a condition that the local personnel that was employed by the United Nations would leave the enclave together with Dutchbat. Karremans instructed his staff to draw up a list of names (the so-called “list of 29”) in order to set out clearly which persons were concerned. The VRS had demanded Dutchbat to submit a list of names. A Dutch UNMO officer was prepared to pretend that Muhamed Nuhanovic had been employed shortly before as a cleaner and therefore needed to be considered as a member of the staff who would enjoy the protection agreed upon by Mladic. In the morning of 13 July 1995, the Dutch UNMO officer handed the list to Franken. However, Franken did not want any names on the list of persons who did not possess the required documents that could prove their employment with the United Nations or another international organization.

Muhamed Nuhanovic did not possess such evidence. Franken instructed his staff to inquire whether it would be possible to produce a copy of a UN identity card at the compound. It appeared that this was not the case. Franken was seriously taking into account that the VRS would conduct an inspection and feared for reprisals in case of discovery of the forged document and consequently for the life of the local personnel who did possess a UN identity card.

In the eyes of the Public Prosecution Service, the given circumstances of that moment and the powerless position of Dutchbat justify the weighing up of interests made by Franken and the decision taken by him on the basis of these circumstances. For that reason Franken cannot be held liable under criminal law. The Public Prosecution Service has established that Karremans’ involvement in the events concerning Muhamed Nuhanovic has not been relevant and that Oosterveen’s involvement was nil. Therefore both cannot be held liable under criminal law either.

Ibro Nuhanovic
Ibro Nuhanovic was staying at the compound together with his wife and two sons, Hasan Nuhanovic (who filed the report) and Muhamed Nuhanovic. Together with two other refugees, Ibro Nuhanovic formed part of the refugee committee which assisted Karremans during the negotiations with Mladic concerning the evacuation of the refugees. On that occasion Mladic had given the impression that Ibro Nuhanovic had been granted safe-conduct and would therefore be allowed to stay at the compound. Franken pointed this out to Ibro Nuhanovic when early in the evening of 13 July 1995 he saw that Ibro Nuhanovic was heading towards the entrance gate of the compound together with his family and the last group of refugees. Ibro Nuhanovic did not want to let his wife and son leave without him and decided to leave the compound together with them. Oosterveen cannot be linked in any way to Ibro Nuhanovic’s departure from the compound. The Public Prosecution Service believes that Karremans, Franken and Oostveen have not committed any relevant unlawful actions in this respect. Ibro Nuhanovic’s decision to leave the compound can be traced back to the decision taken by Franken to not allow Muhamed Nuhanovic to evacuate together with Dutchbat. Now that this decision taken by Franken is not deemed to be culpable behavior, Karremans nor Franken can be held liable for Ibro Nuhanovic’s decision to leave the compound and his subsequent death within the scope of criminal law.

Rizo Mustafic
Rizo Mustafic together with his family had also taken refuge within the compound. He had been employed by the local government of Srebrenica (Opstina) and worked at the compound as an electrician. Considering the fact that he had been working for Dutchbat since the beginning of 1994, he had acquired a special position compared to other Opstina personnel.

Although Rizo Mustafic was employed by the Opstina and therefore not employed by the United Nations, there is some evidence that his name had been on the list of names and that Rizo Mustafic was aware of this. In the morning of 13 July 1995, Rizo Mustafic walked up to Oosterveen and they had a short conversation during which Rizo Mustafic made it clear that he would stay in the compound. Based on instructions which he had received earlier from the battalion commander, Oosterveen observed that only local staff which had been employed by the United Nations was entitled to stay in the compound. That same evening, after Rizo Mustafic had already left the compound and Oosterveen had informed Franken about their conversation of that morning, Franken told Oosterveen that Rizo Mustafic would have been allowed to stay in the compound. Franken considered Rizo Mustafic to be a local staff member who enjoyed special protection and he reproached Oosterveen for having made an enormous and stupid mistake.

Karremans did not see Rizo Mustafic during those days and only noticed his departure after 13 July 1995. Karremans considered Rizo Mustafic to be a permanent staff member and had not realized that Rizo Mustafic had not actually been employed by the United Nations. The events around Rizo Mustafic are due to a dramatic misunderstanding. Karremans, Franken and Oosterveen cannot be held liable for this misunderstanding under criminal law.

Conclusion
Based on the examination of the facts the Public Prosecution Service concludes that no criminal charges may be filed against Karremans, Franken and Oosterveen for having been involved in the killing of Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic and Muhamed Nuhanovic by the VRS. According to the opinion of the Public Prosecution Service there is no evidence which obliges them to conduct further (criminal) inquiries.

Meanwhile, the Court of Appeal in The Hague has ruled that the State of the Netherlands is liable for the death of Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic and Muhamed Nuhanovic under civil law, which judgment was contested in cassation, so therefore this judgment is not final yet.

Nevertheless, the nature of the examination which resulted in that judgment is essentially different from the examination in connection with the question whether any relevant charges may be filed against Karremans, Franken and Oosterveen individually under criminal law.

District Public Prosecutor’s Office / Netherlands East
7 March 2013)

Geen strafrechtelijk onderzoek Srebrenica (II)

Het Openbaar Ministerie stelt geen strafrechtelijk onderzoek in tegen de heren Karremans (commandant Dutchbat III), Franken (plaatsvervangend commandant Dutchbat III) en Oosterveen (personeelsfunctionaris Dutchbat III). Op basis van intensief en nauwgezet feitenonderzoek, komt het Openbaar Ministerie tot het oordeel dat Karremans, Franken en Oosterveen niet strafrechtelijk verwijtbaar betrokken zijn geweest bij de door het Bosnisch-Servische leger (VRS) gepleegde misdaden in juli 1995 in Srebrenica. 

Aangifte 
Op 5 juli 2010 ontving het Openbaar Ministerie een aangifte over betrokkenheid van Karremans, Franken en Oosterveen bij strafbare feiten begaan in Srebrenica in juli 1995. De aangifte heeft betrekking op de dood van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic en niet op de andere evacués die om het leven zijn gekomen nadat ze de compound hadden verlaten. In de aangifte wordt Karremans, Franken en Oosterveen verweten dat ze voornoemde slachtoffers hebben verwijderd van de compound en overgedragen hebben aan de VRS in de wetenschap dat dit zou hebben geleid tot hun dood. De VRS stond onder leiding van Mladic.

Feitenonderzoek 
Naar aanleiding van de aangifte is een feitenonderzoek gestart. Dit onderzoek was erop gericht om – op basis van (reeds) beschikbare informatie en op basis van informatie genoemd in de aangifte – te beoordelen of er ten aanzien van Karremans, Franken en Oosterveen aanleiding is om strafrechtelijk onderzoek te doen. Het Openbaar Ministerie heeft in 1998 een onderzoek ingesteld naar onder meer de strafrechtelijke betrokkenheid van Nederlandse militairen bij de evacuatie van de bevolking van de enclave Srebrenica in juli 1995. Er zijn toen geen aanwijzingen gevonden dat Nederlandse militairen, deel uitmakend van Dutchbat III, zich bij hun regelende taken schuldig hebben gemaakt aan enig strafbaar feit.

Diverse bronnen waar in de aangifte naar wordt verwezen alsook andere beschikbare bronnen zijn integraal onderzocht op aanwezigheid van belastend en ontlastend materiaal in relatie tot de aangifte. Er is een analyse gemaakt van de context waarbinnen de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden en het juridische kader waartegen deze gedragingen moeten worden afgezet. Belangrijke bronnen waaruit is geput zijn onder meer: het defensierapport ‘Debriefing Srebrenica’(oktober 1995), het ‘Feitenrelaas debriefing Srebrenica’ (22 september 1995), het NIOD rapport ‘Srebrenica, een ‘veilig’ gebied’ (2002), de rapporten van de Secretaris-Generaal van de VN (november 1995 en november 1999), de getuigenverklaringen die onder meer door Nederlandse militairen voor het Joegoslaviëtribunaal zijn afgelegd en de getuigenverhoren in de civiele procedure van aangevers tegen de Nederlandse Staat.

Het onderzoek heeft, na de aangifte in juli 2010, geruime tijd in beslag genomen. Dit niet alleen vanwege de enorme hoeveelheid aan informatie die is onderzocht. Het betreft ook een uiterst complexe, gevoelige zaak. Op verschillende momenten is breed intern overleg geweest over de deelresultaten van het onderzoek en de analyses en zijn nadere onderzoeksopdrachten geformuleerd en uitgevoerd. Daarnaast is er ook advies ingewonnen bij een aantal andere OM-onderdelen (Landelijk Parket, Parket-Generaal en het Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden).

Gebeurtenissen rondom de val van Srebrenica 
Nadat Srebrenica in 1993 door de VN-Veiligheidsraad werd aangewezen als safe area, een gebied waar de bevolking veilig moest zijn voor wapens en andere dreigingen, heeft de Nederlandse regering zich in de zomer van 1993 bereid verklaard om gedurende anderhalf jaar een infanteriebataljon te leveren voor de VN-missie in Bosnië-Herzegovina. Het eerste bataljon (Dutchbat I) arriveerde in maart 1994. Dit bataljon werd in juli van dat jaar opgevolgd door Dutchbat II, dat op zijn beurt in januari 1995 werd afgelost door Dutchbat III.
De taken van Dutchbat waren gericht op een traditionele vredeshandhavende operatie, dat wil zeggen een operatie waarbij de strijdende partijen vrede hebben gesloten en de ‘blauwe baretten’ als onpartijdige derde optreden. Dutchbat had tot taak om door hun aanwezigheid ter plaatse strijdende partijen af te schrikken om de safe area aan te vallen. Het mandaat voorzag niet in bescherming van de bevolking door verdediging van de safe area.
Noch Dutchbat, noch UNPROFOR en de internationale gemeenschap zijn in staat gebleken om de ontwikkelingen in de maanden, weken en dagen voorafgaand aan de val van de enclave Srebrenica te beïnvloeden en de aanval op de enclave te voorkomen of te stoppen. De verschillende onderzoeken die in de loop der jaren zijn gedaan naar de gebeurtenissen rondom de val van Srebrenica schrijven dit falen in belangrijke mate toe aan het gebrekkige mandaat, een gebrekkige (internationaal) politieke en militaire sturing, onvoldoende troepensterkte, de lichte bewapening en de restricties met betrekking tot het gebruik van geweld.

Nadat de VRS vanaf februari 1995 geen brandstoftransporten meer toeliet tot de enclave kampte Dutchbat met een ernstig brandstoftekort. Ook de aanvragen voor bevoorradingskonvooien werden stelselmatig gehinderd en eind april sloot de VRS de enclave zelfs hermetisch af, waardoor circa 150 verlofgangers van Dutchbat niet konden terugkeren in het gebied en de bevoorrading onmogelijk werd. Hierdoor ontbrak het al snel aan een aantal eerste levensbehoeften zoals verwarming, verlichting, warm water en bewassing. Ook de drinkwater- en voedselvoorraad nam zorgwekkende vormen aan, hetgeen leidde tot diverse lichamelijk klachten bij de militairen waardoor het functioneren werd belemmerd. Doordat de UNHCR hulpkonvooien de enclave ook niet meer bereikten ontstond er ook voor de bevolking in de enclave een zeer precaire voedselsituatie.

Begin juni viel de eerste Observation Post (OP) in handen van de VRS. Nadat op 6 juli 1995 de enclave door de VRS werd aangevallen werden de overige OP’s door de VRS overlopen, waarbij het gebruik van geweld door de VRS niet werd geschuwd. De bemanning werd veelal gedwongen haar wapens achter te laten en een aantal Nederlandse militairen viel in handen van de VRS. In de avond van 9 juli 1995 was de VRS Srebrenica-stad tot op een kilometer genaderd. Hoewel er door Dutchbat op 10 juli 1995 verschillende blocking positions werden ingenomen, rukte de VRS steeds verder op. Ondanks meerdere verzoeken om luchtsteun, bleef deze uit. In de middag van 11 juli 1995 werd wel luchtsteun ingezet, maar weer stopgezet nadat de VRS had gedreigd de gegijzelde militairen van Dutchbat te zullen doden. De VRS zette zijn opmars voort en met gebruikmaking van veel geweld werd Srebrenica-stad aan het eind van de middag op 11 juli 1995 ingenomen.

De aanval op de enclave had tot gevolg dat de bevolking en de in de enclave aanwezige eenheden van het Bosnische moslimleger (ARBiH) op de vlucht sloegen. Een groot deel van de bevolking zocht in de loop van 11 juli 1995 een veilig heenkomen op de compound in Potocari. Aangezien de VRS dreigde met artillerievuur als Dutchbat vluchtelingen toe zou laten op de compound, werden de vluchtelingen uit het zicht van de VRS binnengelaten via een gat in het hek aan de achterkant van de compound. Circa 5000 vluchtelingen werden ondergebracht in een grote fabriekshal op het terrein. De overige vluchtelingen, circa 27.000, verbleven buiten de compound.

Met het oog op het bevorderen van de humanitaire situatie voor de vluchtelingen die zich inmiddels op en om de compound bevonden, ontving Karremans in de vroege avond van 11 juli 1995 de opdracht van het hoofdkwartier in Sarajevo om alle mogelijke maatregelen te treffen ter bescherming van de vluchtelingen. Kort daarna kreeg hij ook de instructie om met de VRS in onderhandeling te gaan over de evacuatie van de vluchtelingen. Karremans zette hierbij in op een evacuatie door UNPROFOR, waarbij hij van meet af aan aangaf dat hij het lokale personeel wilde meenemen. Volgens Karremans werd door Mladic de eis gesteld dat het lokale personeel in bezit moest zijn van een VN-pas. Hierop gaf Karremans zijn staf de instructie om een namenlijst op te stellen.

In de ochtend van 12 juli 1995 deelde Mladic onverwacht mee dat de VRS voor het vervoer zou zorgdragen. Verder wilde Mladic alle mannen tussen de 17 en 60 jaar zien om na te gaan of er oorlogsmisdadigers tussen zaten. Rond 13:00 uur die dag arriveerden de eerste bussen en vrachtwagens bij de compound in Potocari en vertrokken de eerste bussen met vluchtelingen. Daarnaast begon de VRS met het scheiden van de mannen van hun families. De mannen werden overgebracht naar een huis (“het witte huis”) waarin zij door de VRS werden verhoord. Al snel ontving de bataljonsleiding berichten die er onmiskenbaar op duidden dat daar door de VRS (ernstig) fysiek geweld werd gebruikt.

Het aanvankelijke plan om een Nederlandse militair met iedere bus mee te laten rijden bleek al snel niet
uitvoerbaar. Het plan om per konvooi een militair voertuig mee te sturen werd door de VRS gedwarsboomd. De VRS nam de Nederlandse militairen voertuigen en wapens af. Dutchbat stond hier machteloos tegen over. Later die dag werd het Karremans en Franken duidelijk dat de bussen met mannen niet arriveerden op de afgesproken bestemming (Kladanj).

Rond het middaguur waren de vluchtelingen die buiten de compound verbleven allemaal vertrokken. Vervolgens werden de vluchtelingen die zich nog op de compound in Potocari bevonden geëvacueerd. Vroeg in de avond waren ook deze vluchtelingen vertrokken.

Strafrechtelijk verwijtbare betrokkenheid bij het ombrengen van de in de aangifte genoemde slachtoffers
Op basis van het feitenonderzoek heeft het Openbaar Ministerie zich het volgende beeld gevormd over de gebeurtenissen op 13 juli 1995 rondom Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic en de rol die Karremans, Franken en Oosterveen hierbij hebben gespeeld.

Muhamed Nuhanovic
Muhamed Nuhanovic was de broer van Hasan Nuhanovic (aangever) die als tolk in dienst was van de monitormissie van de Verenigde Naties (UNMO). Hasan Nuhanovic vreesde voor het lot van zijn broer en zocht naar een mogelijkheid om te voorkomen dat Muhamed Nuhanovic de compound moest verlaten. Karremans had tijdens de onderhandelingen met Mladic bedongen dat het lokaal personeel dat in dienst was van de Verenigde Naties samen met Dutchbat de enclave zou verlaten. Karremans liet zijn staf ter zake een namenlijst (de zogenoemde “lijst van 29”) opmaken om inzichtelijk te kunnen maken welke personen dit betrof. De VRS eiste dat Dutchbat een namenlijst zou overleggen. Een Nederlandse UNMO-officier was bereid om te doen alsof Muhamed Nuhanovic kort daarvoor in dienst was genomen als schoonmaker en derhalve als personeelslid moest worden beschouwd die de met Mladic overeengekomen bescherming genoot. In de ochtend van 13 juli 1995 leverde de Nederlandse UNMO-officier de lijst in bij Franken. Franken wilde echter geen namen op de lijst hebben staan van personen die niet beschikten over de vereiste papieren waarmee ze hun dienstverband met de Verenigde Naties of een andere internationale organisatie konden aantonen. Muhamed Nuhanovic was niet in het bezit van een dergelijk bewijs. Franken liet door zijn staf onderzoeken of het mogelijk was om op de compound een VN-identiteitspas na te maken. Dit bleek niet het geval. Franken hield ernstig rekening met een controle door de VRS en vreesde bij ontdekking voor represailles en daarmee voor het leven van het lokaal personeel dat wel over een VN-identiteitspas beschikte. De gegeven omstandigheden van dat moment en de machteloze positie waarin Dutchbat zich bevond, billijken in de ogen van het Openbaar Ministerie de belangenafweging die Franken heeft gemaakt en het besluit dat hij op basis daarvan heeft genomen. Om die reden treft Franken geen strafrechtelijk verwijt. Het Openbaar Ministerie heeft vastgesteld dat de betrokkenheid van Karremans ten aanzien van de gebeurtenissen rondom Muhamed Nuhanovic niet relevant is geweest en die van Oosterveen nihil. Ook hen treft om die reden geen strafrechtelijk verwijt.

Ibro Nuhanovic 
Ibro Nuhanovic bevond zich met zijn vrouw en twee zonen, Hasan Nuhanovic (aangever) en Muhamed Nuhanovic, op de compound. Ibro Nuhanovic maakte samen met twee andere vluchtelingen deel uit van het vluchtelingencomité dat Karremans bijstond bij de onderhandelingen over de evacuatie van de vluchtelingen met Mladic. Daar is door Mladic de indruk gewekt dat Ibro Nuhanovic een vrijgeleide had en dientengevolge op de compound mocht blijven. Franken wees Ibro Nuhanovic hierop toen hij zag dat Ibro Nuhanovic vroeg in de avond van 13 juli 1995 zich met zijn gezin en de laatste groep vluchtelingen naar de toegangspoort van de compound begaf. Ibro Nuhanovic wilde zijn vrouw en zoon niet alleen laten en verliet samen met hen de compound. Oosterveen kan op geen enkele wijze in verband worden gebracht met het verlaten van de compound door Ibro Nuhanovic. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat Karremans, Franken en Oosterveen in deze geen strafrechtelijk relevante gedragingen hebben gepleegd. Het besluit van Ibro Nuhanovic om de compound te verlaten is terug te voeren op de beslissing van Franken om Muhamed Nuhanovic niet toe te staan tesamen met Dutchbat te evacueren. Nu deze beslissing van Franken geen strafrechtelijk verwijt met zich brengt, kan ook het besluit van Ibro Nuhanovic om de compound te verlaten en zijn daaruit voortvloeiende dood in strafrechtelijke zin niet verweten worden aan Karremans of Franken.

Rizo Mustafic 
Rizo Mustafic had eveneens met zijn gezin zijn toevlucht gezocht op de compound. Hij was in dienst van het gemeentebestuur (Opstina) van Srebrenica en als electriciën te werk gesteld op de compound. Aangezien hij al sinds begin 1994 voor Dutchbat werkte, had hij een bijzondere positie verworven in vergelijking met het andere opstina-personeel.

Hoewel Rizo Mustafic in dienst was van de Opstina en dus niet in dienst van de Verenigde Naties, zijn er aanwijzingen dat zijn naam op deze namenlijst heeft gestaan en dat Rizo Mustafic hiervan op de hoogte was. In de ochtend van 13 juli 1995 liep Rizo Mustafic op Oosterveen af waarna een kort gesprek volgde waarin Rizo Mustafic meedeelde dat hij op de compound zou blijven. Op basis van instructies die hij eerder van de bataljonsleiding had gekregen, merkte Oosterveen op dat alleen lokaal personeel dat in dienst was van de Verenigde Naties op de compound mocht blijven. Oosterveen hoorde die avond van Franken, nadat Rizo Mustafic de compound reeds had verlaten en Oosterveen Franken over de ontmoeting die ochtend had geïnformeerd, dat Rizo Mustafic op de compound had mogen blijven. Franken beschouwde Rizo Mustafic als een lokaal personeelslid die bijzondere bescherming genoot en verweet Oosterveen, een immense stommiteit te hebben begaan. Karremans heeft Rizo Mustafic die dagen niet gezien en diens vertrek viel Karremans pas op na 13 juli 1995. Karremans beschouwde Rizo Mustafic als een vaste medewerker en had zich niet gerealiseerd dat Rizo Mustafic niet in dienst was van Verenigde Naties. De gebeurtenissen rondom Rizo Mustafic zijn terug te voeren op een dramatisch misverstand. Ten aanzien van dit misverstand treft Karremans, Franken en Oosterveen niet een strafrechtelijk verwijt.

Conclusie 
Het Openbaar Ministerie concludeert op basis van het feitenonderzoek dat Karremans, Franken en Oosterveen geen strafrechtelijk verwijt treft ten aanzien van het ombrengen van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic door de VRS. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie zijn er geen aanwijzingen die noodzaken tot verder (strafrechtelijk) onderzoek. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft inmiddels geoordeeld dat de Staat der Nederlanden naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de dood van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic, welk oordeel in cassatie is bestreden en daarom nog niet definitief is. De aard van het onderzoek dat tot dat oordeel heeft geleid verschilt evenwel wezenlijk van dat van het onderzoek naar aanleiding van de vraag of Karremans, Franken en Oosterveen individueel enig strafrechtelijk relevant verwijt treft.

(Openbaar Ministerie, 7 maart 2013)

Geen strafrechtelijk onderzoek Srebrenica

Arrondissementsparket Oost-Nederland

Het Openbaar Ministerie stelt geen strafrechtelijk onderzoek in tegen de heren Karremans (commandant Dutchbat III), Franken (plaatsvervangend commandant Dutchbat III) en Oosterveen (personeelsfunctionaris Dutchbat III). Op basis van intensief en nauwgezet feitenonderzoek, komt het Openbaar Ministerie tot het oordeel dat Karremans, Franken en Oosterveen niet strafrechtelijk verwijtbaar betrokken zijn geweest bij de door het Bosnisch-Servische leger (VRS) gepleegde misdaden in juli 1995 in Srebrenica.

Aangifte
Op 5 juli 2010 ontving het Openbaar Ministerie een aangifte over betrokkenheid van Karremans, Franken en Oosterveen bij strafbare feiten begaan in Srebrenica in juli 1995. De aangifte heeft betrekking op de dood van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic nadat ze de compound hadden verlaten. In de aangifte wordt Karremans, Franken en Oosterveen verweten dat ze voornoemde slachtoffers hebben verwijderd van de compound en overgedragen hebben aan de VRS in de wetenschap dat dit zou hebben geleid tot hun dood. De VRS stond onder leiding van Mladic.

Feitenonderzoek
Naar aanleiding van de aangifte is een feitenonderzoek gestart. Dit onderzoek was erop gericht om - op basis van (reeds) beschikbare informatie en op basis van informatie genoemd in de aangifte - te beoordelen of er ten aanzien van Karremans, Franken en Oosterveen aanleiding is om strafrechtelijk onderzoek te doen.

Conclusie
Het Openbaar Ministerie concludeert op basis van het feitenonderzoek dat Karremans, Franken en Oosterveen geen strafrechtelijk verwijt treft ten aanzien van het ombrengen van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic door de VRS. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie zijn er geen aanwijzingen die noodzaken tot verder (strafrechtelijk) onderzoek.

(Openbaar Ministerie, 7 maart 2013)