Posts tonen met het label pers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pers. Alle posts tonen

maandag 19 november 2012

Hans Laroes over een MIVD'er en een NOS-correspondent

door Hans Laroes
Oud-hoofdredacteur NOS

In mijn boek ‘De Littekens van de Dag’ schrijf ik over pogingen van de Militaire Inlichtingen en Veiligheids Dienst om een NOS-correspondent te rekruteren. Hieronder een aantal passages uit hoofdstuk 7 (‘De Middelvinger van de Spindoctor’) over de poging van de ‘stille’. Opdat iedereen iets kan vinden van mijn afwegingen.

De correspondent klonk bezorgd, aan de telefoon.

-Als ik in Nederland ben, over een paar weken, moet ik echt met je praten, zei hij.

Ik hoorde aan de manier waarop hij sprak dat het geen zin had om meteen door te vragen, hoe nieuwsgierig ik ook was.

De meeste buitenlandse correspondenten hebben hun momenten van grote zenuwachtigheid. Vaak gaat het om hun positie en standplek, soms over geld, over een toevallig die keer bijzonder hoge telefoonrekening, een enkele keer over een Hilversumse chef of een eindredacteur.

Ze zijn individualisten, met alle voordelen van dien, en soms een enkel nadeeltje. Ze zitten meestal op eenmansposten, niet altijd wetend wat hun thuisredactie denkt en in welke richting die zich beweegt.

Het is geen permanente staat waarin de buitenlandse correspondent verkeert; het zijn momenten van twijfel, die de een meer heeft dan de ander, maar die ze allemaal kennen.

Het helpt altijd elkaar te zien en te spreken. Maar vooral, te laten weten dat we elkaar waarderen en dat ‘Hilversum’, of de hoofdredacteur, nog steeds van de correspondent houdt. Misschien ging het hier om, dat telefoontje. Misschien om een verhuizing op termijn.Misschien, toch ook, over geld. Of een andere baan, een aanbod van de concurrent. Maar dit ik moet met je praten klonk anders.

(-)

Soms moet je niet teveel doorvragen

Ik had geen idee wat te verwachten, toen de correspondent binnenkwam.

Hij begon een verhaal dat lang zou duren. Over een man die hij had leren kennen. Een ondernemer, eigenaar van bedrijfjes met puur Hollandse namen. Hij importeerde Nederlandse spullen. Hij bleek ook wel eens wat te weten van buiten zijn directe werk. Iets over dissidenten, over mensen die zich met mensenrechten bezighielden, over politieke activisten.

Hij fluisterde de correspondent wel eens wat in, liet wel eens wat lezen.

En enkele keer had de correspondent wat van die informatie kunnen gebruiken, in de vele maanden waarin ze elkaar leerden kennen en soms opzochten.

Maar nu had hij plots zijn andere gezicht getoond en de contacten gecompliceerd.

Hij zei dat hij voor de MIVD werkte. De Militaire Inlichtingen en Veiligheids Dienst. Zijn bedrijfjes waren dekmantels; hij verzamelde informatie voor ‘Den Haag’.

Daar had de correspondent toch maar mooi gebruik van gemaakt, dankzij hem, zei hij. Zou het niet mogelijk zijn, vroeg de man van de MIVD, om af en toe eens iets terug te doen?

De correspondent zuchtte. Had hij moeten weten dat er iets met de ondernemer was, toen die met heel andere informatie kwam. Maar ja, soms moet je niet al te veel doorvragen maar de ontvangen informatie gebruiken, als die een journalistiek doel dient.

Ik was het er volstrekt mee eens.

Heb je nee gezegd? vroeg ik.
-Ik heb nog niets gezegd, zei de correspondent. -Ik moet nog antwoord geven. Het is iets ingewikkelder.

De man van de MIVD had namelijk duidelijk gemaakt dat een ‘nee’ niet zomaar gegeven kon worden. Dat stelde hij niet op prijs. Hij wilde het natuurlijk liever niet, maar hij kon natuurlijk altijd laten uitlekken dat de correspondent wel voor de dienst werkte. Het was niet moeilijk, zo’n verhaal hier en daar te droppen.

Dan zou de correspondent alsnog zijn positie onmogelijk worden gemaakt, als de leugen rondging. Geen activist, geen dissident, zou nog willen praten. Geen overheidsfunctionaris zou nog de telefoon aannemen.

Wie weet wat er nog meer zou kunnen gebeuren.

De correspondent zou een journalistieke paria zijn geworden, niet alleen op de plek waar hij nu werkte, maar op iedere volgende plek, zelfs op de eigen redactie. –Weten jullie wel dat er een stille voor je werkt?

Het leek een onoplosbare situatie. Ja zeggen zou van de correspondent een onbetrouwbare journalist maken, want een spion. Nee zeggen zou er toe kunnen leiden dat de correspondent in de ogen van ongeveer iedereen de spion zou worden die hij juist niet wilde zijn.

Het hengelen, inhalen, vieren en weer inhalen door de man van de MIVD, het bouwen van een doolhof zonder uitgang, leek succesvol.

Even dacht ik er aan de correspondent weg te halen daar, maar ook zo’n besluit zou de kwaadaardige geruchtenmachine kunnen voeden –was de hoofdredacteur soms getipt dat zijn correspondent niet langer betrouwbaar was? Ik was en ben volkomen overtuigd van de zuiverheid van de correspondent. Ik vond en vind de manier waarop hij met de gelekte informatie was omgegaan juist. Maar ik wist simpelweg geen oplossing op dat exacte moment, om de dreiging met chantage weg te nemen. Hij leek leeg, op dat moment. Onzeker over een onduidelijke toekomst.

(-)

Ik beloofde de correspondent hem te zullen beschermen. Ik kon me goed voorstellen hoe hij zich moest voelen. Alsof je in een moeras bent terechtgekomen, langzaam wegzinkt in de zompige modder,  en er niemand in de buurt is om je te redden, geen tak om je aan vast te houden. Een kwestie van tijd voor de journalist langzaam zou zijn verzwolgen.

Maar voor mij stond het vast: het zou goed komen, dat kon niet anders. Ik had alleen wat tijd nodig om na te denken en een oplossing te vinden.

(-)

Een vuile oorlog met de MIVD?

Er is geen Handboek Hoofdredacteuren dat beschrijft wat je moet doen in dit soort omstandigheden. Ik had besloten er met niemand over te praten. Niet binnen de NOS, zeker niet er buiten.

Mijn enige zekerheid, in mijn persoonlijke en professionele leven: als er iets gebeurt, probeer dan zo snel mogelijk de regie in eigen handen te nemen.

In dit geval leken we lijdzaam te zijn. De man van de MIVD voerde de regie en dat moest stoppen.

Ik dacht na over de wapens die wij hebben, het enige wapen. Publiciteit.

We zouden kunnen overwegen de vlucht naar voren te maken, als het ware: de vlucht naar voren te maken en onthullen wat er speelde. Dat zou ons ongetwijfeld helpen. Er zou opwinding zijn, steun voor de correspondent, Kamervragen, gedoe. De NOS zou dit wel winnen, naar buiten toe, was mijn inschatting.

Maar ik rekende ook op een langer durende, vuile oorlog, die we niet konden regisseren. Een vuile oorlog tussen NOS en MIVD, met lekken, suggesties, verdachtmakingen, publicitaire valkuilen en dubieuze verhalen.Ik wist niet zeker dat het zo zou gaan, maar wist wel dat het zo zou kunnen gaan, en dus moest ik er rekening mee houden. Er leek mij een andere oplossing. Effectiever dan publiciteit kan het dreigen met publiciteit zijn.

(-)

Bellen met Henk Kamp

Ik besloot de minister van defensie te bellen, de politieke baas van de MIVD. Henk Kamp was het, destijds.

Ik legde hem voor wat er gebeurd was en in welke klem de correspondent terecht was gekomen. Het was een open gesprek, met wederzijds respect. Ik zei hem dat ik overwoog om het verhaal naar buiten te brengen, en dat we alle twee precies wisten wat er dan in de Tweede Kamer ging gebeuren. Kamp zag het vermoedelijk al voor zich, op dat moment.

Hij bedankte me voor het gesprek, en vroeg een paar dagen de tijd om uit te zoeken wat er precies aan de hand was. Hij zei van niets te weten, wat mij op mijn beurt vanzelfsprekend leek. Er zal heel veel gebeuren in allerlei uithoeken van de wereld zonder dat al die stappen langs het bureau van de minister gaan, ondanks de ministeriële verantwoordelijkheid.

(-)

Na een paar dagen belde Kamp terug.

Hij had het verhaal uitgezocht, zei hij.

Het klopte, van A tot Z.

De man had, zei Kamp, gehandeld in strijd met de instructies.

De instructies waren aangescherpt. De man was weg.

En belangrijker: Kamp garandeerde dat de correspondent op geen enkele manier met dit verhaal geconfronteerd zou worden, ooit. Hij wilde, op een van zijn reizen, even langs gaan om het persoonlijk uit te leggen.

Kamp bedankte nadrukkelijk voor de ruimte die ik hem gegeven had deze kwestie intern op te lossen.

Ik bedankte hem voor de snelle manier waarop hij had gehandeld.

Ik liet de correspondent weten dat alles was opgelost, en de wijze waarop.

Hij kon verder, de enig juiste oplossing voor een voortreffelijk journalist, op dit punt juist daarom ook in mijn boek anoniem.

(-)

Was dit eerder gebeurd?

Deze kwestie was goed afgelopen, maar deed wel vragen opkomen waarop ik geen antwoord heb. Hoe
vaak is het wel gelukt, zo’n benadering als deze? Hij was zo simpel dat hij ongetwijfeld niet voor de eerste keer is toegepast. Welke journalisten hebben ooit wel eens voor de ‘stillen’ geschnabbeld –omdat het wat geld opleverde? Omdat het voor het vaderland was en wel spannend? Omdat je ook wel eens wat terug kreeg?

Ik heb geen enkele aanwijzing overigens voor meer van dit soort gevallen, maar de voor de ‘stillen’ succesvolle contacten, hoewel ongetwijfeld uitzonderingen, spelen zich nu eenmaal in stilte af. Af en toe komt er wel eens een verhaal naar buiten over infiltratie in kringen van actievoerders, actiejournalisten, gewone journalisten. De Telegraaf onthulde in het voorjaar van 2011 de dubbele identiteit van journalist-AIVD-infiltrant Kraaijer. Fotojournalisten en anderen bleken te zijn geworven om te spioneren tijdens de Olympische Spelen in Bejing. Het gebeurt te vaak om alleen maar van incidenten te spreken.

Het grootste gevaar is journalistieke naïviteit. Denken dat het hier niet gebeurt, en ons niet gebeurt.

(De Jaap, 19 november 2012)

donderdag 13 september 2012

“Daar sta je met je camera en wat doe je dan?”

Verslaggeving in Conflictgebieden 

De training Verslaggeving in Conflictgebieden is geen volledige opleiding, benadrukt luitenant-kolonel Mike Bos. Hij spreekt liever van een oriëntatie. “Maar ik garandeer je wel dat die goed is.” Dit jaar werd de training, georganiseerd door Defensie en NVJ Academy, uitgebreid van twee naar drie dagen. NOS-verslaggever en docent Peter ter Velde vindt het belangrijk om de praktijk zoveel mogelijk te benaderen. “Je kunt uitleggen hoe een geladen Kalashnikov eruit ziet, maar om te ervaren hoe het is om onder vuur te liggen en hoe kogels klinken die binnenkomen en weggaan, nadert toch het dichtst de praktijk.”



Peter ter Velde werd per ongeluk oorlogsverslaggever in Israel, toen daar in 2000 de Tweede Intifada uitbrak en er vuurgevechten uitbraken in Nabloez en Ramallah. “Ik had geen idee, ik had nooit training gehad.” Door schade en schande wijs geworden reisde Ter Velde daarna als verslaggever van het NOS-Journaal naar vele oorlogs- en crisisgebieden, waaronder tientallen keren naar Afghanistan.

Tegenwoordig gebruikt hij zijn ervaring als trainer bij de NVJ-Academy training Verslaggeving in Conflictgebieden. “Alle voorbeelden uit mijn eigen praktijk passeren de revue. Je bent bijvoorbeeld in Afghanistan en je moet je vijftig kilometer verplaatsen. Dan wil je weten welke stammen er in dat gebied wonen, hoe die stammen zich tot elkaar verhouden, of de Taliban actief is, wat de meest recente incidenten geweest zijn. Maar ook: waar slaap je, in welke plek van het hotel slaap je, hoe kies je je chauffeur en fixer. Je bent voortdurend bezig de situaties zo veel mogelijk in kaart te brengen om de risico’s zo klein mogelijk te houden.”

                                        Harskamp
'Cameragun'
Tijdens de training van de NVJ Academy worden de deelnemers door Ter Velde voorbereid op het maken van gevaarlijke reizen. Hij doet dit samen met een andere ervaringsdeskundige, Kees Schaepman. Op de andere twee cursusdagen bezoeken de cursisten de mijnenschool op het defensieterrein in Reek (hoe herken je mijnen, wat moet je doen als je in een mijnenveld staat; ZHKH oftewel Zelf Hulp Kameraden Hulp) en de gevechtsbaan op het terrein van De Harskamp (schietoefening, training gijzeling).

De Harskamp is dit najaar voor het eerst opgenomen in het pakket. Ter Velde: “Je kunt uitleggen hoe een geladen Kalashnikov eruit ziet, maar om te ervaren hoe het is om onder vuur te liggen en hoe kogels klinken die binnenkomen en weggaan, nadert toch het dichtst de praktijk.” Dat was voor Ter Velde reden om de training uit te breiden naar de driedaagse die het nu is. “Ik vond het heel belangrijk om de praktijk zoveel mogelijk te benaderen.” De NVJ zag de uitbreiding zitten en Defensie pakte het plan op.

Kogels
Luitenant- kolonel Mike Bos, hoofd Communicatie bij de Koninklijke Landmacht, noemt de uitbreiding van het pakket niet gering. “De gevechtsbaan is behoorlijk indrukwekkend. Je moet laag blijven, de kogels suizen letterlijk over je heen. Dat is een hele ervaring, ook voor militairen.” Het verrichten van levensreddende handelingen is minstens zo imponerend. “Dan gaat het vooral over het rauwe gedeelte. Wat kan er gebeuren als iemands ledematen afgerukt zijn? Daar sta je met je camera en wat doe je dan?”


Dit is niet de bedoeling: een Kroatische cameraman bracht eigen Uzi mee

De trainingsonderdelen hebben tot doel de drempel te verlagen om naar conflictgebieden af te reizen. Niettemin benadrukt Bos dat de training geen volledige opleiding is. “Dat kan ook niet. Als wij onze eigen mensen maandenlang opleiden, dan kun je niet verwachten dat journalisten een hele opleiding krijgen in enkele dagdelen. Daarom noemen wij het liever oriëntatie. Maar ik garandeer je wel dat die goed is. Dat zag je ook aan de reactie van de journaliste Anneke Verbraeken die gegijzeld werd in Congo. In een split second dacht ze terug aan de training. Zo goed is die oriëntatie dus wel geweest.”

Afgeleide
De training Verslaggeving in Conflictgebieden is een afgeleide van een eerdere opleiding die Defensie gaf in 2007. “We zagen wel in dat Uruzgan een grote missie werd en wij wilden graag dat Nederlanders die missie ook konden zien. Toen hebben we zelf een opleiding van vijf dagen georganiseerd waar we alles uit de kast haalden. Een grote groep journalisten heeft die opleiding gevolgd en is ook daadwerkelijk naar Afghanistan afgereisd.”

Geintje: 'Opposing Media Forces'

Defensie heeft een schat aan expertise, benadrukt Peter ter Velde. “De faciliteiten zijn aanwezig, maar ook de jaren in Afghanistan hebben militairen naar een enorm hoog plan getrokken. Journalisten komen tijdens de training in contact met ervaringsdeskundigen. Dat geeft een hoop extra kennis.”

Relaties
Twee jaar geleden werd Defensie benaderd door de NVJ die aangaf dat er na de opleiding in 2007 nog steeds behoefte bestond aan trainingen voor (freelance) journalisten en fotografen. Bos: “Ik vond het belangrijk genoeg om daaraan bij te dragen.” Inmiddels wordt de training van NVJ Academy en Defensie twee maal per jaar gehouden. Bos zal niet ontkennen dat er voor Defensie ook een eigen belang in zit om mee te werken aan de training voor journalisten. Integendeel, de opleiding in 2007 leverde Defensie een forse imagoverbetering op.

Ook niet de bedoeling maar in geval van nood wel nuttig c.q. noodzakelijk:
Nederlandse journalist probeert wapen uit. 

“Elke drempel die er voor een journalist is om niet te kunnen praten over wat wij doen, moet ik weghalen. Bovendien geloof ik in het opbouwen van relaties. Als ik dus journalisten kan helpen en vertrouwen kan geven om af te reizen naar Kunduz of welk conflictgebied dan ook, dan moet ik daarvoor zorgen. Zij moeten goed voorbereid naar de andere kant van de wereld kunnen afreizen, om daar goede en kritische verhalen te maken.”

Maar journalisten bezoeken niet alleen conflictgebieden waar op dat moment een Nederlandse missie zit. “Dat klopt. Ik vind de training voor alle journalisten belangrijk. Als journalisten meer kunnen vertellen over Nederlandse belangen in het buitenland vind ik dat wij daar als overheidsorganisatie een prima bijdrage aan kunnen leveren.”

Rampgebieden
Inmiddels wordt de training voor de vierde keer georganiseerd en heet deze geen Defensietraining meer maar dus Verslaggeving in Conflictgebieden. Mike Bos: “Dat geeft meer recht aan de training.” Journalisten reizen immers af naar landen in Afrika, Azië, Zuid- en Midden-Amerika en het Midden-Oosten waar ontvoeringen, aanslagen, gewapende conflicten of criminaliteit aan de orde van de dag zijn. Peter ter Velde: “Het gaat om landen waar de omstandigheden moeilijk zijn. Dat kunnen ook rampgebieden zijn of zelfs landen waar gewelddadige demonstraties worden gehouden, zoals Griekenland. Ook voor die bestemmingen is deze training van nut.”

De eerstvolgende training Verslaggeving in Conflictgebieden wordt gegeven op 18, 22 en 23 oktober 2012.

(Nederlandse Vereniging van Journalisten NVJ, 13 september 2012)

dinsdag 14 februari 2012

De krijgsmacht: bouwen aan een publieke tribune

Nieuwspoortlezing van de Commandant der Strijdkrachten, Generaal Peter van Uhm, op 13 februari 2011 te Den Haag.  Let op: Alleen gesproken woord geldt!

Dames en heren,
Voor u staat de Commandant van een van de drie meest betrouwbare instituten van Nederland…


Normaal gesproken zijn wij militairen niet zo van het op de borst kloppen. Wij doen liever gewoon wat moet gebeuren en laten de mooie verhalen liever aan anderen over. Maar deze waardering heb ik niet zelf verzonnen. En ik ben buitengewoon trots op deze plek op het podium. Want het is de Nederlandse bevolking die in een recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau ‘het leger’ heeft aangewezen als één van de drie instituten waarin zij het meeste vertrouwen hebben.


Ik geef toe, hier in gezelschap van de media, dat wij de Radio voor moeten laten gaan. Het instituut Radio eindigde op 1. Van harte aan u, aanwezigen van de Radio. Daarna komt de politie. Wij, de krijgsmacht , eindigden met de steun van 71 procent van de Nederlanders op de derde plaats.

Dan kijk ik met u natuurlijk graag even verder het lijstje af naar beneden… Ná de krijgsmacht komt de geschreven pers, de televisie, justitie en ook de politiek. Dan doen wij het als krijgsmacht toch niet slecht, zou ik zo zeggen.

Waarom benadruk ik dit nu zo? Want ik sta hier natuurlijk niet om met u een wedstrijdje te houden. Omdat de erkenning van de Nederlandse bevolking voor ons van enorm groot belang is. Deze cijfers betekenen voor ons meer dan zomaar een positief bericht in de krant.

Ik leg u graag uit waarom.


De opdracht van de Nederlandse krijgsmacht is heel helder vastgelegd in onze Grondwet. Verdedig het Nederlands grondgebied en de Nederlandse belangen. Verdedig ook het grondgebied en de belangen van onze vrienden. Dat doen ze ook voor ons. Draag bij aan de internationale rechtsorde en stabiliteit.

En help politie, brandweer en gemeenten en steden in Nederland en daarbuiten als de nood aan de man is. Bij overstromingen bijvoorbeeld.

Wij zijn de zwaardmacht van de overheid. Want gelukkig is het in ons land zo geregeld dat niet iedereen met een Diemaco Colt mag rondlopen of op een podium staan. De krijgsmacht, en alleen de krijgsmacht, mag in ons land zware wapens ter hand nemen. De krijgsmacht is bij uitstek een A-politiek instituut. Militairen zijn in hun functioneren ook A-politiek en op die manier kun je ze dus ook niet aanspreken. Want wij besluiten niet zelf over onze missies en over waar wij onze militairen heen sturen.

Wij zijn niet van onszelf. Wij zijn een instrument van ons democratische systeem. Wij voeren uit wat regering en parlement ons opdragen. Of dat nu is piraten en terroristen bestrijden, dijken bewaken, Afghaanse agenten trainen, drenkelingen uit zee of onder het ijs vandaan halen, ons luchtruim bewaken,…… onze digitale samenleving beschermen of sneeuw scheppen voor de Elfstedentocht. Dat vergt veel werk achter de schermen. Trainen, oefenen, maar ook altijd paraat staan. 24 uur per dag, 7 dagen per week, 365 dagen per jaar. Of, zoals dit jaar, zelfs 366 dagen per jaar. Ook als we uiteindelijk niet worden ingezet.

Altijd gereed en inzetbaar zijn voor Nederland en de Nederlandse belangen, dat is ons doel en daar staan we ook voor. Dat de Nederlandse bevolking ons grote betrouwbaarheid toedicht, is voor ons als Defensie daarom het beste compliment dat we kunnen krijgen.

Ik ga nu iets zeggen dat u wellicht zal verbazen. Wij hebben die steun heel hard nodig. Veel harder dan u op het eerste gezicht misschien denkt… De krijgsmacht is een veeleisende organisatie voor het personeel. Wij vragen niet, wij eisen. Wij hebben strakke regels.

Bij een uitzending vragen we niet wie er misschien op uitzending wil, wij wijzen aan. En tenzij er ernstige overmacht is, gaan ze gewoon op uitzending. Militairen mogen ook niet staken. We werken met harde middelen. Bij ons gaat het over geweren, over onderzeeboten en bewapende fregatten, over gevechtsvliegtuigen, pantserhouwitsers en munitie.

Militairen werken in min dertig of plus veertig graden, ze overleven én ze vervullen hun opdracht. Ook al bepalen we die opdracht niet zelf, wij zijn van niet zeuren, doorpakken, je regelt het maar (Romeo Delta – Regel Dat!). De krijgsmacht gaat altijd door, wat er ook gebeurt.

Maar die ‘’harde’’ krijgsmacht is ook een warme organisatie. Het is een hechte club mensen. Mensen die soms met gevaar voor eigen leven hun opdracht uitvoeren. Mensen die maandenlang hun gezin thuis achterlaten, mensen die door hun werk soms blijvend gewond raken. We zorgen voor het thuisfront en voor onze gewonden. Steun en waardering betekent daarom veel voor ons.

Diezelfde ‘’harde’’ krijgsmacht is ook op een andere manier kwetsbaar. Want de Nederlandse bevolking ziet slechts een fractie van wat wij doen. Wij rijden niet zichtbaar en hoorbaar, zoals politie en brandweer, met sirenes door de stad, wij hebben geen kazernes waar mensen naar binnen kunnen lopen. De krijgsmacht heeft van nature geen publieke tribune. En ik zal u zeggen, wij missen die. Wij missen een publieke tribune. Zeker in de huidige tijden.

Want we leven hier in Nederland in een hoge mate van vrijheid, veiligheid, relatieve welvaart en democratie. Wij ervaren dat als een vanzelfsprekendheid, en gelukkig maar. De krijgsmacht is een van de pijlers onder deze stabiele situatie. Wij dragen daarmee bij aan een groot goed in Nederland. Maar, zoals dat gaat met zaken die vanzelfsprekend lijken, je hebt de neiging om ze als vanzelfsprekend te beschouwen…

En hoewel de Nederlander grote waardering heeft voor de militair en vertrouwen heeft in het instituut ‘leger’, prijkt Defensie bij diezelfde burger hoog bovenaan de lijstjes waarop mag worden bezuinigd. Een van de logische verklaringen daarvoor is dat de beeldbepalende missies van de krijgsmacht plaatsvinden in het buitenland, in een context van onveiligheid, instabiliteit, andere culturen en complexe omstandigheden. Onze missies worden echter door een Nederlandse bril bekeken en vanuit een Nederlandse context beoordeeld.

Die context is sterk contrasterend. Want laten we eerlijk zijn, ondanks de economische crisis en de voor sommigen pijnlijke gevolgen daarvan, is de Nederlandse context er nog steeds een van een veilig, welvarend, stabiel en overzichtelijk land. De omstandigheden waarin wij moeten werken, zijn per definitie vaak tegenovergesteld: onveilig, instabiel, complex en onoverzichtelijk.

De Chinese denker Sun Tzu noemde zijn boek niet voor niets ‘The Art of War’, de kunst van het oorlogvoeren. Om aan te geven dat het militair oplossen van problemen niet even een simpel rekensommetje is. De bekende 18de eeuwse Pruissische militair analist Carl von Clausewitz sprak zelfs over de ‘Fog of War’, de mist van oorlog, om aan te geven hoe onoverzichtelijk en complex de situaties zijn waarin militairen hun werk moeten doen. Vaak komen wij in actie, als anderen hun tanden al op het probleem hebben stukgebeten of als de situatie volledig uit de hand is gelopen. Dat betekent meestal niet veel goeds. Er zijn spanningen of er is oorlog, er zijn wapens, de bevolking kent heel andere lokale gebruiken en is arm en slecht opgeleid. De mensen daar hebben meestal al veel te lijden gehad van geweld en van rechteloosheid.

Als wij met de Hercules een paar honderd militairen invliegen, hebben we die problemen niet één, twee, drie opgelost. Wat is dan, in die omstandigheden een goed resultaat? Wanneer zijn we tevreden?

Door een Nederlandse bril bekeken en vanuit de Nederlandse context is er vaak de verwachting van snelle, zichtbare opbrengsten. Maar die zijn lang niet altijd te leveren. Het aangaan en uitvoeren van militaire missies is een kwestie van doorzetten en geduld. Een lange adem hebben. Net als ontwikkelingsorganisaties die armoede en analfabetisme niet zo maar even kunnen uitbannen. Net als een medicijnfabrikant bij een complexe ziekte niet zomaar even hét medicijn uit de hoge hoed kan toveren. In een paar maanden tijd of zelfs een paar jaar neem je helaas niet even de bron van conflicten weg. Vaak kennen conflicten een lange geschiedenis en vele partijen met tegengestelde belangen. Dat is de realiteit waarmee wij als Defensie elke dag te maken hebben.

Als dan vanuit de maatschappij al snel de vraag komt: wat heeft de missie voor tastbaars opgeleverd?, dan is het antwoord helaas niet altijd even opwindend. ‘We zijn om tafel gaan zitten om vertrouwen te winnen’. ‘We hebben de omgeving verkend, we hebben een kazerne geverfd om les in te kunnen geven’. Dat is niet echt een Opening Krant, dat begrijp ik ook wel. Maar voor ons zijn het kleine, maar cruciale stappen om ons doel te bereiken. Als je er middenin zit, zie je dit. Van een afstand lijkt zo’n kleine stap nog kleiner.

De krijgsmacht bouwt daarom hard aan een publieke tribune om de militaire belevingswereld dichterbij te brengen. Om verantwoording af te leggen. Ons werk ligt altijd onder de loep van de maatschappij. Militairen hebben een voorbeeldfunctie. Dat is volstrekt logisch en terecht. Militairen mogen geen drugs gebruiken, om maar een voorbeeld te noemen. Maar wij bouwen ook aan die publieke tribune om zoveel mogelijk context te kunnen geven bij ons werk. Defensie heeft hierin de laatste jaren enorme vorderingen gemaakt.

We oefenen zoveel mogelijk in Nederland. Zodat burgers kunnen zien wat wij doen. Ik denk ook aan het videoproject Dagboek van onze Helden, waarin op soms rauwe wijze duidelijk werd hoe de werkelijkheid van de uitgezonden militair eruit ziet. Ik denk aan de expositie die ik zojuist hier in Nieuwspoort heb geopend, waarin Afghanistan en de Afghaanse mensen dankzij schilderijen en foto’s dichterbij komen. En heeft u wel eens gekeken op ons Youtube kanaal?

Maar liever nog nemen we mensen mee, willen we ze laten ruiken en voelen aan de lokale omstandigheden. Influentials, journalisten, parlementsleden en anderen gaan met ons mee naar missiegebieden. Iets wat vijftien jaar geleden nog ondenkbaar was. We hebben de laatste jaren forse stappen gezet om ons open te stellen.

Dat was niet gemakkelijk, zeg ik u eerlijk. Maar ook na een zuur artikel, terecht of misschien wel onterecht, is een journalist gewoon weer welkom op onze kazernes, schepen en in de missiegebieden. Al zeg ik eerlijk dat we dan wel eens wat moeite moeten doen om de lokale commandant te overtuigen van het nut van een bezoek en een interview… Die moeite doen we.

Nee is geen optie. We stellen ons kwetsbaar op. En we proberen ons steeds opnieuw te verplaatsen in de maatschappij en in wat u nodig heeft om uw werk te doen. Maar mag ik dan ook van u iets vragen. Om hetzelfde doen met betrekking tot de krijgsmacht. Om ter plekke te komen kijken.

Ik durf die wedstrijd wel aan. En komt u dan niet alleen aan het begin van een missie. Maar juist ook daarna. Om zorgvuldig en in de plaatselijke context de balans op te kunnen maken.
Werken vanachter het bureau en met de telefoon in de hand, is niet altijd genoeg om ‘smoel op het terrein te krijgen’ zoals wij dat bij de krijgsmacht zeggen. Dat geldt zeker voor lastige militaire missies. Echt smoel op het terrein krijgen, dat is toch uiteindelijk de kracht van de ware journalistiek: Niet de gemakkelijke, snelle berichtjes, die vinden we wel gratis op internet en Twitter.


De kracht en toekomst van de serieuze journalistiek ligt in mijn ogen in het onderzoeken, analyseren en duiden op basis van feiten en dat in de context geplaatst. Daar ligt uw toegevoegde waarde. Mag ik u een simpel voorbeeld geven om deze oproep te verduidelijken. Wij geven in Kunduz zoals u weet, trainingen aan Afghaanse politieagenten. 

Bij een van de lessen viel een Afghaanse agent steeds in slaap. Daar is ook een foto van. Een pakkende Nederlandse krantenkop bij deze foto zou kunnen zijn: ‘Afghanen slapen tijdens training door onze militairen’ Of: ‘Afghanen niet geïnteresseerd in politietrainingsmissie’

Dames en heren,

De militair sliep, dat is een feit. Maar is hij echt ongeïnteresseerd? Bij navraag blijkt het volgende: de man wordt door zijn lokale commandant steeds ingedeeld in het nachtrooster. Hij heeft dus de gehele nacht zijn dienst gedraaid. Hij had kunnen denken, bekijk het maar, ik ga lekker in bed liggen. Toch komt hij na zijn nachtdienst naar de opleiding. Ik zie dus geen ongeïnteresseerde, maar juist een enorm gemotiveerde Afghaanse agent.

Een ander voorbeeld. Als jonge kapitein kwam ik voor het eerst in aanraking met journalisten tijdens mijn uitzending in Libanon. De journalisten kwamen een dagje meelopen met mij. Hun verhaal hadden ze overigens al geschreven... Ik nam ze mee op patrouille en na afloop bedankten ze mij hartelijk. Een van hen stak zijn hand uit en zei: Van Uhm, als dank willen we je graag iets geven. Wat doe je dan? Je neemt het kadootje aan. Het bleek een blad dat vooral bij mannen populair is. Daar stond ik dan. Met dat blad in mijn handen. Ik heb een week gezweet of daar een foto van was genomen. Ik kan u zeggen, ik was enorm opgelucht dat die foto niet bij het verhaal verscheen… Ik zal niet beweren dat dat blad bij ons in de krijgsmacht niet wordt gelezen. Maar die foto had geen recht gedaan aan de situatie. Zo gemakkelijk is beeldvorming.

Dames en heren,

Het succes van Nederland is gelegen in zijn open handelseconomie. Mede dankzij kalme handelsroutes en een vrije zee, verdienen wij in Nederland een goede boterham. Wie over de dijken heenkijkt, ziet een wereld die snel verandert. De militaire en economische opkomst van nieuwe machtsblokken, bijvoorbeeld in Azië. De groei van de wereldbevolking en de klimaatverandering die leiden tot competitie rond schaarse grondstoffen als water, voedsel en energie. En de toenemende kwetsbaarheid van onze digitale samenleving voor cyberaanvallen. Tegen deze achtergrond geven wij in Nederland per inwoner per dag 1 euro 30 uit aan Defensie……Een krant kost 1 euro 50, een biertje 2 euro 20 en een kop koffie 2 euro 25.

Voor minder dan de prijs van een biertje heeft Nederland elke dag de beschikking over een professioneel beroepsleger dat voor ons allemaal klaarstaat in binnen- en buitenland. Om onze veiligheid en onze belangen te beschermen op het hoogste niveau.

Nederland vertrouwt erop dat de krijgsmacht dat doet, getuige onze plek in de top-3 van meest betrouwbare instituten. Maar de krijgmacht kan dat niet alleen. Wij zijn er voor de samenleving. Wij hebben ons te verantwoorden aan de samenleving en wij gaan tot het uiterste om de belangen van de samenleving te dienen en te beschermen. Maar dat moeten we wel samen doen! De krijgsmacht heeft de samenleving en u - influentials en de media - evenzeer nodig. Ik vraag u en iedereen in Nederland daarom om fair te zijn. Gun ons de kans op wederhoor, beoordeel ons en ons werk in de context die daarbij past.

Ik hoop…dat de krijgsmacht voluit steun zal krijgen om het vertrouwen van de Nederlandse bevolking blijvend waar te maken en Nederland ook in de toekomst op het hoogste niveau te blijven dienen.

Dank u wel.

(Originele versie (PDF) met aanvullende onderstrepingen, emoticons etc. is hier te lezen, hdv)