maandag 8 oktober 2012

HCSS-rapport: Europese defensiesamenwerking

(Hoofdstuk uit het HCSS-rapport 'De Waarde van Defensie')

3.6 Internationale samenwerking: kosten gaan voor de baten

De rekening bij anderen neerleggen is slecht voor de samenwerking 

Diverse politieke partijen stellen dat de bezuinigingen (groten)deels kunnen worden opgevangen door ver(der)gaande Europese defensiesamenwerking. Dit zou op verschillende manieren kunnen. Men kan in gezamenlijk Europees verband materieel aankopen en onderhouden, opleidingen en trainingen opzetten, bestaande militaire capaciteiten bundelen en delen (pooling en sharing) en capaciteiten uitruilen of verdelen (specialisatie). Inderdaad kan de Europese defensieinspanning veel efficiënter worden georganiseerd dan via de huidige versnipperde krijgsmachten.

Maar intensivering van de Europese samenwerking, hoe zinvol ook, biedt op korte en middellange termijn (=kabinetsperiode) geen of nauwelijks mogelijkheden voor bezuinigingen. Aan het op gang brengen van de samenwerking zijn namelijk opstartkosten verbonden. Daarnaast wordt een land dat alvast eenzijdig in zijn capaciteiten snijdt gezien als een weinig betrouwbare en minder aantrekkelijke samenwerkingspartner.

Andere landen zien zich daardoor voor voldongen feiten geplaatst en daarmee bij voorbaat al beperkt in hun keuzevrijheid. Europese defensiesamenwerking is dan ook vooral een lange termijn proces, waarbij gezamenlijk keuzes worden gemaakt over wie op langere termijn wat reduceert of juist intensiveert.

Daar komt bij dat Europa ook bepaalde capaciteiten zal moeten verwerven om minder afhankelijk van de VS te zijn. Dit is voor de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) een belangrijke reden voor de constatering dat de noodzaak tot Europese defensiesamenwerking groter is dan ooit. De oorlog in Libië toonde (opnieuw) aan dat zelfs in de eigen achtertuin Europa nauwelijks zonder hulp van de Verenigde Staten kan optreden. Voor de luchtaanvallen leunden Europese luchtmachten sterk op Amerikaanse capaciteiten wat betreft doelwitverkenning, tankvliegtuigen en elektronische oorlogvoering.

De AIV ziet deze afhankelijkheid als een probleem omdat de Verenigde Staten zich steeds meer op Azië richten, waardoor Europa meer verantwoordelijkheid voor de eigen veiligheid zal moeten dragen. Zonder zélf te beschikken over kostbare militaire capaciteiten die in het verleden, maar mogelijk niet in de toekomst, door de VS werden gegarandeerd, heeft ook een efficiënt Europees leger last van wezenlijke tekortkomingen. Europese samenwerking betekent ook investeren in het opheffen van dergelijke tekortkomingen.

Verder is er de politieke dimensie. Pooling, sharing en taakspecialisatie houden in dat landen er onderling op moeten kunnen vertrouwen dat een ieder te allen tijde garant staat voor zijn bijdrage aan een operatie. Indien Nederland zich als enige Europese partner zou specialiseren in, bijvoorbeeld, het optreden met gevechtshelikopters, betekent dit dat die gevechtshelikopters ook altijd klaar moeten staan. Dan kan het niet zo zijn dat Nederland om binnenlandse politieke redenen afziet van deelname aan een bepaalde operatie, terwijl de andere partners juist op de Nederlandse gevechtshelikopters rekenen.

In reactie op het genoemde AIV-rapport over Europese defensiesamenwerking heeft het kabinet benadrukt dat onze vrijheid van handelen niet los gezien kan worden van de vraag of we überhaupt in staat zijn te handelen. Pooling en sharing kan het verschil maken tussen een capaciteit noodgedwongen moeten afbouwen. Verder is bij pooling en sharing de nationale besluitvorming over inzet van militairen gegarandeerd. Deze samenwerkingsvorm maakt dus geen inbreuk op onze soevereiniteit maar draagt daar juist toe bij. Slechts bij specifieke, geïntegreerde vormen van operationele samenwerking en bij rol- en taakspecialisatie neemt de wederzijdse afhankelijkheid van de betrokken landen zo sterk toe dat de mogelijkheden om nationale afwegingen tot inzet te maken worden beperkt.

Een opstap naar verregaande Europese integratie kan worden gevormd door intensievere samenwerking tussen België, Nederland en Luxemburg. De AIV heeft de regering reeds in 2007 geadviseerd de samenwerking binnen de Benelux verder te intensiveren. In het verleden is gebleken dat de drie landen door onderlinge afstemming van standpunten en door gezamenlijk initiatieven een meer dan evenredige invloed op de Europese besluitvorming kunnen hebben. Daarbij hebben zij kunnen profiteren van het gegeven dat de buitenwereld de Benelux als een natuurlijk samenwerkingsverband zien. Gelet op de historische banden van de Benelux-landen, hun bestaande samenwerking op tal van gebieden en het feit dat andere Europese landen die samenwerking als voorbeeld zien, lijkt intensivering van de militaire samenwerking een levensvatbare optie. Zo bestaat al sinds 1996 een samenwerking tussen de marines van België en Nederland in de geïntegreerde operationele staf van de Admiraal Benelux in het Maritiem Hoofdkwartier Benelux te Den Helder. Voorts wordt de oprichting onderzocht van een Helikoptercommando Benelux, waarin alle Belgische en Nederlandse defensiehelikopters onder één commando worden gebracht. Verdere samenwerkingsmogelijkheden worden nog onderzocht.

De Nederlandse regering is tevens van plan de samenwerking met Duitsland uit te breiden en te intensiveren. De samenwerking binnen het Duits-Nederlandse legerkorps is nu nog de belangrijkste activiteit, maar er wordt gewerkt aan diverse andere mogelijkheden op het gebied van operationele eenheden, materieel, opleidingen en training.

De wens voor meer Europese militaire samenwerking is logisch en terecht. Maar daar hoort wel een budget bij dat deze ambitie mogelijk maakt. Vooraf reeds inboeken van kostenbesparingen plaatst een hypotheek op mogelijke samenwerking voordat deze goed en wel op gang komt. Daarnaast kan de keuze voor rol- en taakspecialisatie het inleveren van een aanzienlijk deel van de nationale soevereiniteit betekenen, met name het ‘oppergezag over de krijgsmacht’ zoals dat in de Grondwet is verwoord. Militaire samenwerking binnen de Benelux en met Duitsland zou op termijn een mooie tussenstap kunnen zijn met een Europees vervolg. Maar ook hier geldt dat de kosten voor de baten uit gaan. Pas op termijn treden besparingen op.

(HCSS, De Waarde van Defensie, 8 oktober 2012)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen