woensdag 13 november 2013

Antwoord op Kamervragen over het bericht ‘Geheime dienst wijst legerliefjes af’

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hierbij bied ik u aan mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de antwoorden op vragen van de leden Eijsink en Recourt (beiden PvdA) over het bericht ‘Geheime dienst wijst legerliefjes af’ (ingezonden 24 oktober 2013 met kenmerk 2013Z20370).

DE MINISTER VAN DEFENSIE
J.A. Hennis-Plasschaert

Vragen van de leden Eijsink en Recourt (beiden PvdA) aan de ministers van Defensie en van Veiligheid en Justitie over het bericht ‘Geheime dienst wijst legerliefjes af’ (ingezonden 24 oktober 2013)

1 
Heeft u kennisgenomen van het bericht ‘Geheime dienst wijst legerliefjes af’?  1)

Ja.

2 
Klopt het dat medewerkers van Defensie alleen maar relaties mogen hebben met partners afkomstig uit landen waarmee de Nederlandse Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) een samenwerkingsverband heeft? Zo ja, kunt u toelichten welke criteria hieromtrent gelden?

3
Wat zijn de door de MIVD gehanteerde criteria met betrekking tot vertrouwensfuncties? Op basis waarvan en door wie wordt bepaald welke functies als vertrouwensfuncties worden gekwalificeerd?

Antwoorden op vragen 2 en 3
Veel defensiemedewerkers, waaronder alle militairen, zijn geplaatst op een vertrouwensfunctie. Dit vereist een veiligheidsonderzoek dat zich ook uitstrekt tot de partner. Voor een juiste beoordeling moeten voldoende gegevens over de (aspirant) medewerker en de partner voorhanden zijn. Dit is onlangs in de nieuwe beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie vastgelegd (Staatscourant Nr. 29945).

De criteria voor het vaststellen van een vertrouwensfunctie zijn opgesteld door de Beveiligingsautoriteit van Defensie. Die criteria omvatten de mate van omgang met gerubriceerde gegevens en de mate waarin een functie als vitaal kan worden omschreven. Op grond van die criteria wijst de commandant van het defensieonderdeel de vertrouwensfuncties aan en bepaalt hij de hoogte van het veiligheidsmachtigingsniveau.

Tot slot is instemming van de directeur van de MIVD nodig.

In mijn brief van 22 oktober jl. aan uw Kamer over veiligheidsonderzoeken na een verblijf in het buitenland, heb ik u geïnformeerd over de recente wijzigingen in de criteria die worden gebruikt in geval van langdurig buitenlands verblijf van betrokkenen.


Zie verder ook het antwoord op vraag 11.

4
Deelt u de mening van het College voor de Rechten van de Mens, dat het vooral de partners van buitenlandse afkomst zijn die in het bijzonder worden getroffen door dit beleid? Zo nee, waarom niet? 2) 

5
Deelt u de mening dat deze medewerkers zwaar in hun (persoonlijke) belangen worden getroffen door het beleid?

8
Wat is uw oordeel over de suggestie die in het artikel wordt gewekt door advocaat S.M. Diekstra dat er door dit beleid mogelijk sprake is van een schending van het recht op ‘family life’ zoals vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?

9
Bent u bereid te laten onderzoeken of er inderdaad sprake is van schending van het recht op ‘family life’ zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM? Zo ja, indien mocht blijken dat er sprake is van schendig van het recht op ‘family life’ zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM, welke maatregelen gaat u dan nemen?

Antwoorden op vragen 4, 5, 8 en 9

Het geldende beleid treft verhoudingsgewijs meer partners van de (aspirant) defensiemedewerkers uit een land waarmee geen samenwerkingsverband bestaat voor het uitwisselen van de noodzakelijke gegevens. Het College van de Rechten van de Mens heeft dit inderdaad overwogen (zie referte in voetnoot 2). Vervolgens heeft het College onderzocht in hoeverre er een objectieve rechtvaardiging voor dit beleid bestaat. Het College acht het voldoende aannemelijk dat er geen geschikt alternatief is waarmee de nationale veiligheid kan worden gewaarborgd en heeft aldus geoordeeld dat er een objectieve rechtvaardiging voor het beleid bestaat. (Bij toetsing aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is dit niet anders).

Indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens oplevert over de (partner van) de (aspirant)vertrouwensfunctionaris, is een beoordeling niet mogelijk. Dat leidt tot het niet verstrekken of verlengen van de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB). De Raad van State heeft dit beleid aangemerkt als niet onredelijk.

6
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medewerkers in de afgelopen jaren de (negatieve) gevolgen van dit beleid hebben ondervonden?

In de periode van september 2010 tot en met december 2012 heeft de MIVD ruim 31.000 veiligheidsonderzoeken uitgevoerd. In vijf gevallen is de VGB ingetrokken en in 25 gevallen is de VGB geweigerd door onvoldoende gegevens door een verblijf in het buitenland. In zestien van de dertig gevallen kon de dienst onvoldoende gegevens over de partner achterhalen en in veertien gevallen leverde het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens op over de (aspirant) medewerker. In vijf gevallen betrof het onderzoeken naar medewerkers van zogenaamde defensieorderbedrijven. De overige 25 waren onderzoeken naar (aspirant) defensiemedewerkers.

7
Klopt het dat het enkele feit dat er geen samenwerkingsverband op dit gebied is met een ander land, zoals bijvoorbeeld Turkije, voldoende is om de verklaring van geen bezwaar te weigeren?

In elk onderzoek wordt maatwerk verricht. In dat kader verwijs ik kortheidshalve naar mijn brief van 22 oktober jl. aan uw Kamer over veiligheidsonderzoeken na een langdurig verblijf in het buitenland.

10
Bent u voornemens om naar mogelijkheden te kijken om de medewerkers die het betreft (tijdelijk) te plaatsen op een niet-vertrouwensfunctie? Zo nee, waarom niet?

Alle militaire functies zijn aangemerkt als vertrouwensfuncties. Defensie kent slechts een zeer beperkt aantal niet-vertrouwensfuncties. Indien een dergelijke functie een vacature betreft ben ik bereid mogelijkheden te onderzoeken voor een (tijdelijke) plaatsing op een niet-vertrouwensfunctie van de betrokken medewerker (niet zijnde militair). 

11
Welke criteria gelden er voor de zusterdiensten die worden ingeschakeld ten behoeve van informatie-uitwisseling? 

12
Welke criteria gelden er voor andere diensten waarvan (mogelijk) gebruikt wordt gemaakt bij informatie-uitwisseling? Welke soort diensten betreft het?

Antwoorden op vragen 11 en 12

In beginsel worden in het kader van veiligheidsonderzoeken slechts gegevens uitgewisseld met collega-diensten waarmee op basis van verdragen een langdurige samenwerkingsrelatie op beveiligingsgebied bestaat. Hierbij kan worden gedacht aan het Navo-verdrag en bilaterale beveiligingsverdragen. Daarnaast onderhoudt de MIVD relaties met tal van collega-diensten zonder dat de samenwerking op basis van een verdrag is geregeld. Uitgangspunt bij deze samenwerking is dat alleen informatie over individuele personen wordt uitgewisseld met diensten van landen die aan de naleving van mensenrechten de vereiste prioriteit geven, en als er geen vraagtekens kunnen worden gezet bij de professionaliteit, de betrouwbaarheid en de democratische inbedding van de dienst in het desbetreffende land. 3) Buiten de sfeer van verdragsverplichtingen wordt slechts met een beperkt aantal diensten op het gebied van veiligheidsonderzoeken samengewerkt. Het reciprociteitsbeginsel speelt bij de informatie-uitwisseling een belangrijke rol. Als de Nederlandse diensten op basis van bovenvermelde criteria geen gegevens mogen verstrekken aan een collega-dienst, dan zal die collega-dienst ook geen gegevens verstrekken aan de Nederlandse diensten.

1)  de Telegraaf, 22 oktober 2013
2)  http://mensenrechten.nl/publicaties/oordelen/2013-129/detail
3) Deze criteria zijn tevens beschreven door de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) in het toezichtsrapport Nr. 22a inzake de samenwerking van de AIVD met buitenlandse inlichtingen- en/of veiligheidsdiensten (d.d. okt 2009)

(ministerie van Defensie, 12 november 2013)

dinsdag 12 november 2013

Turkey asks NATO to extend Patriot mission

NATO UNCLASSIFIED

TUDEL/2013/737

Brussels, 8  November 20 13

Dear Mr. Secretary General,

Thanks to Your able leadership and the solidarity demonstrated by the Allies, the Council,  in response to our request dated 21 November 2012, had agreed at its meeting of 4 December 2012 at the level of Ministers of Foreign Affairs to augment Turkey's air defense capabilities within the framework of the NATO Integrated Air Defense System (NATINADS) to preserve, protect and enhance the ability to defend the population and territory of my country. Furthermore, the Council had decided to regularly assess the implementation of its decision of 4 December 2012.

We welcome and continue to appreciate the deployment of Patriot missile batteries by Germany, the Netherlands and the United States in line with the Council decision, concretely demonstrating Alliance solidarity and resolve.

In view of the continuing instability along NATO's south-eastern border, the rationale for the continuation of the augmentation of Turkey's air defence capabilities still remain valid. Indeed, SACEUR's last report dated 27 September 2013 (P0(2013)0469) regarding NATO Support to Turkey-Patriot Deployment confirms that "the overall assessment of  risks and threat to Turkey remains unchanged. The risk to Turkey posed by Syria's ballistic missile capability remains credible". The report also refers to the use of chemical weapons on 21 August 2013 and concludes that "the situation in Syria remains unstable".

On  this basis, we request the continuation of the existing augmentation of Turkey's air defence capabilities by maintaining  the deployment of Patriot batteries as well as the affiliated personnel, in line with our previous request of 21 November 2012 and the Council decision of 4 December 2012. In this context, the deployment will continue to be defensive only; it will in no way support a No Fly Zone or any offensive operation, and Turkey will continue to provide Host Nation Support as specified in the Implementing Agreement signed between SHAPE and Turkey on 12 January 2013.

The continuation of the deployment would reaffirm the determination of NATO to deter threats and defend Turkey, reflecting and confirming once again the Alliance solidarity.

I  am sending a copy of this letter to the Allied Permanent  Representatives, Chairman of the Military Committee and SACEUR.

(signed)

(Fatih Ceylan)

H.E. Anders Fogh Rasmussen
NATO Secretary General
Brussels

(Defensie weblog, 12 November 2013)

zondag 10 november 2013

Dutch troops to go to Mali

At the request of the United Nations, the Netherlands is to deploy around 380 personnel as part of the Multidimensional Integrated Stabilisation Mission (MINUSMA). The objective of this UN mission is to restore security and stability in Mali. As yet, the deployment is scheduled to last until the end of 2015 and the first units are expected to leave for Mali at the end of this year. The cabinet will inform the House of Representatives to this effect today.

Robust contribution
Defence Minister Jeanine Hennis-Plasschaert: “The mission in Mali matters. We will therefore provide a robust contribution. A contribution for which our armed forces are ready. Our military personnel are well-trained, professional and motivated.”

Intelligence gathering
The greater part of the Dutch contribution will consist of military personnel. They will be deployed in the Gao area, mainly to gather, process and analyse intelligence. “In addition to special forces, we will deploy our sensor capability, unmanned systems and 4 Apache attack helicopters. We will be the eyes and ears of the UN, enabling them to operate more effectively”, Hennis explains. The Apaches will also be used as a deterrent and to protect the Dutch personnel.

Archive photo: Dutch Special Forces in Afghanistan

Not a combat mission
The Dutch analysts will be stationed at the headquarters in Bamako and Gao, with the long-range reconnaissance personnel (special forces) operating in the field. Hennis: “It is certainly not a combat mission. But that does not mean to say that our troops will never find themselves in a combat situation. And if they do, they will be able to act. These are robust units and they have a firm mandate.” The special forces may also be given specific assignments, such as dismantling arms depots and arresting suspects.

Training Malian police
The military personnel will be joined by a number of police officers and civilian experts. They will focus on training the Malian police force, developing the constitutional state and reforming the security sector. This contribution ties in with the Dutch development cooperation efforts that are already in place in Mali.

Breeding ground
Northern Mali had become a breeding ground for extremism and a haven for the training of terrorists. The objective of the UN’s efforts is to prevent a return to that situation once and for all. Mali lies at a crossroads of smuggling routes for drugs, weapons, people and illegal migration, which lead to the Mediterranean. The money made from these practices is an important source of funding for terrorism.

Dutch interest
It is in the interest of the Netherlands to prevent an uncontrollable situation from emerging close to home. A trading nation such as the Netherlands benefits particularly from international security, stability and a properly functioning rule of law. But solidarity with the civilian population of Mali is also an important consideration for participation in MINUSMA. They have been hit hard by poverty, human rights violations and a lack of security. It is therefore important to contribute to the strengthening of government structures which will offer the population equal opportunities and rights.

(Dutch Ministry of Defence, 1 November 2013)

zaterdag 9 november 2013

Gewonde veteranen op bezoek bij de Staten-Generaal

Ruim 1.400 gewonde oudgedienden en actief dienende militairen hebben vandaag en gisteren in het Tweede Kamergebouw in Den Haag een veteranenbijeenkomst bijgewoond. De door de Staten-Generaal georganiseerde samenkomst is gehouden om veteranen erkenning en waardering te tonen voor hun inzet en de daarbij gebrachte offers.



Centraal tijdens de bijeenkomst stond een ontmoeting met de leden van de Eerste en Tweede kamer. Genodigden die tijdens missies gewond zijn geraakt of daarvan psychische schade hebben opgelopen, kregen de kans om hun ervaringen te delen met de volksvertegenwoordigers,die beslissen over het uitzenden van militairen. Ook werden de veteranen toegesproken door minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert en Commandant der Strijdkrachten generaal Tom Middendorp.

Respect
“De verhalen die ik hoor, maken diepe indruk op mij”, sprak de minister. “U verdient enorm veel waardering en respect voor de offers die u heeft gebracht.”

Volgens de 87-jarige Gerrib Hartman is een dag als vandaag en de toespraak van de minister belangrijk voor oudgedienden. “Ik was oorlogsvrijwilliger. Het gevoel dat ik had na de bevrijding van Nederland was zo intens mooi. Ik wilde dat geluk anderen ook gunnen. Toch kom je terug met herinneringen die je tekenen. Erkenning en waardering zijn dan noodzakelijk om dat te verwerken.”

De speciaal georganiseerde bijeenkomst is ontstaan op initiatief van enkele Kamerleden. Mede naar aanleiding van het verzoek van getroffen militairen om in gesprek te gaan met parlementariërs, is de samenkomst uiteindelijk tot stand gekomen.

(ministerie van Defensie, 9 november 2013)

donderdag 7 november 2013

Notaoverleg Defensie in het teken van de F-35

In de Vaste Commissie voor Defensie tekende zich gisteravond laat een meerderheid voor de aanschaf van tenminste 37 toestellen af. Het ruim 13 uur durende debat met de bewindslieden Dijsselbloem, Kamp en Hennis-Plasschaert over de toekomstplannen voor de krijgsmacht ging vooral over de F-35. Het debat bood coalitiepartij PvdA voldoende garanties om zich, naast de VVD, CDA, ChristenUnie en SGP, te laten overtuigen.

Minister Hennis maakte het kabinetsbesluit voor de F-35 onlangs bekend in de nota ‘In het belang van Nederland’. “Met de keuze voor de F-35 kiest Defensie weloverwogen voor een technisch hoogwaardige en toekomstgerichte luchtmacht. Het toestel beidt in militair- operationeel perspectief de meeste opties.” Maar voor een definitief besluit is een Kamermeerderheid nodig. Die tekende zich gisteravond laat af. “Dit is een mooie dag voor de luchtmacht, voor de krijgsmacht en voor Nederland”, zo zei Hennis aan het einde van het debat. “Eindelijk duidelijkheid voor het personeel van Defensie, duidelijkheid voor onze internationale partners.”

Speciale vertegenwoordiger
Minister Henk Kamp van Economische Zaken maakte bekend dat het kabinet een speciale vertegenwoordiger voor het bedrijfsleven aanstelt. Deze gaat de Nederlandse industrie helpen bij het verwerven van opdrachten in het project. Volgens Kamp kan Nederland tijdens de productie van het toestel tot 2045 voor € 8 miljard tot € 10 miljard aan opdrachten binnenhalen.

Ontwikkelingsprijs
De risico’s zijn volgens minister Hennis te overzien. Ze is er van overtuigd dat binnen het budget van € 4,5 miljard alle 37 toestellen kunnen worden gekocht. “We hanteren een risicoreservering van 10% en de aanschafprijs van de toestellen gaat de komende jaren naar onze verwachting  nog omlaag.” Vliegtuigbouwer Lockheed-Martin levert in 2019 het eerste Nederlandse toestel, het laatste 5 jaar later.

Van Ghentkazerne
Behalve de F-35 kwamen ook het Joint Support Ship Karel Doorman, het voortbestaan van 45 Pantserinfanteriebataljon en het openblijven van de kazerne in Assen ter sprake. Een aantal fracties heeft de minister ook gevraagd naar mogelijkheden te kijken om de Van Ghentkazerne in Rotterdam open te houden. “Ik ben daarover in gesprek met de gemeente”, liet Hennis weten.

De Kamer gaf aan tijdens de begrotingsbehandeling van komende week nog verder te willen spreken over een aantal andere onderwerpen uit de Nota. Na de begrotingsbehandeling stemt de Kamer over de ingediende moties.

(ministerie van Defensie, 7 november 2013)

dinsdag 5 november 2013

Opinie: 'Geen effectieve rechtsbijstand voor militairen in Mali bij schietincidenten'

Door Sébas Diekstra
Advocaat Militair Straf- en Tuchtrecht

Het kabinet heeft ingestemd met een militaire missie naar Mali. Het is een missie in een fragiele regio met duidelijk risico’s. Ook lijkt het onvermijdelijk dat er gevochten zal worden. Het Ministerie van Defensie heeft laten weten dat onze militairen goed materieel meekrijgen, maar krijgen zij ook effectieve rechtsbijstand als zij bij schietincidenten betrokken raken? Dit laatste blijkt nog niet het geval.

Als militairen tijdens een missie betrokken raken bij een schietincident dan worden zij in principe als getuige gehoord. De verklaringen die de militairen afleggen als getuige kunnen later mogelijk belastend zijn wanneer zij als verdachte worden aangemerkt. Dit is een onwenselijke situatie. Militairen moeten in hun bereidwilligheid om verklaringen af te leggen enigszins worden beschermd, al is het maar tegen zichzelf. Militairen doorzien niet altijd de reikwijdte van hun verklaringen.

Militairen moeten bij schietincidenten altijd op hun rechten worden gewezen. Met name het recht om te zwijgen en het recht op consultatie van een advocaat. Zij dienen slechts gehoord te worden in het bijzijn van een advocaat. Dit geldt eveneens voor verhoren door de commandant. Uit de vele voorbeelden uit de militaire praktijk blijkt dat militairen tijdens missies vaak al gehoord worden zonder dat zij een advocaat hebben kunnen raadplegen.

In sommige gevallen worden militairen wel in de gelegenheid gesteld om met een advocaat in Nederland te bellen. Dit is echter onvoldoende om te spreken van effectieve rechtsbijstand. Het doel van consultatie van een advocaat is de militair bewust maken van de consequenties van zijn eventuele verklaringen. Dat vergt een sfeer van vertrouwen en van rust. Daarvoor is dan ook face-to-face contact vereist. Dat kun je middels een telefoongesprek of videogesprek op afstand niet of onvoldoende bereiken. Daar komt nog bij dat bij gebruik van het (tele)netwerk van Defensie de vertrouwelijkheid geenszins is gewaarborgd.

Natuurlijk is het uitermate onhandig als een militair op missie een advocaat wil consulteren, want deze is ter plaatse niet voorhanden. Maar er worden wel parlementsleden, ministers en journalisten ingevlogen. Een enkele advocaat kan daar ook nog wel bij. Om de advocaat snel te kunnen oproepen en in te kunnen vliegen zal er een officiële piketregeling moeten komen. Deze piketregeling zou er voor moeten zorgen dat er altijd een advocaat beschikbaar en bereikbaar is om af te reizen naar het missiegebied.

Mede gelet op de grote nationale belangen die zijn gediend met de militaire missies in het buitenland zou het op de weg van het kabinet liggen om met een gedegen regeling met rechtswaarborgen voor de militair te komen. Helaas is er nog weinig beweging bij hen te zien. Sterker nog: kort geleden hebben de verantwoordelijke bewindspersonen, te weten de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de minister van Defensie bij de beantwoording van Kamervragen van Tweede Kamerlid Eijsink over het militair strafproces op geen enkele wijze laten blijken zich bewust te zijn van het gebrek aan waarborgen voor de betrokken militair.

Duidelijk is dat er nog niet gesproken kan worden van effectieve rechtsbijstand voor militairen op missie. Dit geldt dus ook voor de nieuwe missie naar Mali. De afwachtende houding van de verantwoordelijke bewindspersonen doet geen recht aan de militairen die over de gehele wereld opereren met alle gevaren van dien. Onze militairen verdienen beter!

Sébas Diekstra

Speech: Dutch Minister of Defence on European defence cooperation

Speech by the Minister of Defence, J.A. Hennis‐Plasschaert, at the European Parliament (SEDE) on 5 November 2013

Dear MEPs,

Dear former colleagues,

It is a great pleasure to be here today. As some of you know, I was a member of this house for six years. I left the European Parliament in 2010. Being here again brings back fond memories.

Long before my time as an MEP, I spent a few years in Riga (Latvia) as a civil servant of the European Commission. Latvia was still a candidate member state at the time. A country struggling to make the transition. And living in Latvia made me realize – more than ever before – that liberty, security and prosperity can never be taken for granted. I came to the conclusion that a free and safe environment – such as the one I grew up in – is never self‐evident. That it is worth fighting for, every single day.

Years later, that understanding struck me even more on one of my trips to Belarus to visit the opposition. Let me rephrase that: I went to Belarus in an attempt to visit the opposition, for as soon as I arrived I was interrogated and denied entry by Lukashenko and his people. This incident strengthened my belief that Europe has a key role to play in securing and defending democratic values in other countries. I sincerely hope that your committees are still actively supporting the fight for democracy in Belarus.

Stability and democracy in countries such as Belarus not only benefit the citizens of those countries, they are also very much in Europe’s interest.

For by now, we all surely agree that events in other parts of the world (close to our boarders or far away) have a direct impact on our own security and prosperity.

Clearly, European involvement in conflict regions serves not only to curb terrorism, but also to secure our trading routes, for example, as well as access to raw materials that are vital to our industry. So, for this reason too, Europe cannot afford to turn its back on the fires burning in other regions.

And fires are indeed burning around the world, ladies and gentlemen, constantly shifting and taking us by surprise as the wind abruptly changes direction or speed. The global geopolitical landscape is in a state of flux: the balance of power is shifting, and new actors are gaining influence. As a result, the world has become more complex and less predictable. I would go so far as to say that nowadays, uncertainty is the most important feature in international relations.

And I am convinced that in this complex global setting, Europe can only deal with current and emerging threats if we work together. The need for a more active, more coherent and more capable European Union in the field of security and defence is urgent. We must carry our share of the burden, including the risks. This would also send a clear signal to the United States, our indispensable partner in European security for over 65 years.

In the past, there were those who argued that a strong Europe in the field of security and defence would harm NATO. I am convinced, however, that a strong Europe will only benefit NATO and reinforce the transatlantic bond. Obviously, we should not aim for duplication of what is being done effectively under NATO. Nor should we strive to decouple ourselves from the US. We need to ensure complementarity, cooperation and coordination.

And that is why our Heads of State and Government must not miss the opportunity to send a strong message at December’s European Council meeting that security and defence do matter! We must position Europe to become a credible provider of security, in its immediate region and beyond.

Today, just weeks away from that important European Council meeting, we have to ask ourselves whether or not we are on the right track. I believe we are. But at the same time I would like to emphasize the need for stepping up our efforts.

It is time to take our cooperation to the next level.

And this holds in particular for our military cooperation. Given that financial austerity will remain an issue for all of us in the years to come, it makes sense to join forces to achieve the economies of scale that will enable us to boost our military effectiveness. Besides, we should always spend our taxpayers’ money wisely.
But most importantly, Europe’s military shortfalls – identified by NATO as well as the EU – can only be fixed if we develop joint approaches. And this means closer political cooperation. EU Member States should not be counteracting each other, but rather complementing each other. If we want to enhance our ability to act, this is the only way to do it. Only then can we say that we are truly committed to the Common Security and Defence Policy. Only then can Europe become a credible provider of security. And only then will Europe be a reliable and capable ally.

This is not the prelude to a European army, nor a NATO army. Member States or combinations of Member States will have to provide Europe with the military means to act. This means that each and every European nation is both indispensable to and responsible for European security. As the famous quote goes, it is “All for one and one for all”.

The next steps we need to take are outlined in Lady Ashton’s recent report, which reflects the consensus that has emerged on the areas, or clusters, we need to focus on in order to further strengthen the CSDP. The report rightly notes that Europe still lacks the capabilities as well as the coherence to take on more responsibility.

Another good thing about the report is that it is pragmatic and concrete, making optimal use of mechanisms that are already in place. And I wholeheartedly agree with such an approach. Let me be frank: we do not need more headquarters, more civil servants or more bureaucracy. What we do need is leadership, long‐term commitment and courage. A pragmatic bottom‐up approach enabled by top‐down guidance.

Now let me comment on some aspects of the report.

To start with, the comprehensive approach. The Netherlands strongly supports the call for a more coherent use of the various EU instruments. This is the only way to secure sustainable peace and stability in failing states. I hope the High Representative and the Commission will come up with the expected Joint Communication very soon.

Moving on to the EU Battle Groups. I have repeatedly stated: use them or lose them. Of course, the Battle Groups have been – and still are – instrumental in helping to reinforce the interoperability and effectiveness of Member States’ armed forces. However, they have yet to be deployed.

I am convinced the EU Battle Groups are not been used to their full potential. They could, for instance, be deployed at the beginning of an EU Training Mission, providing force protection. Why not use forces that are well‐trained and available for EU operations?

Decision‐making is cumbersome and takes too long. This can be remedied by holding regular political consultations in which emerging crises and likely scenarios are discussed. Such consultations would help prepare the ground for swift decision‐making when needed.

The five countries contributing to this year’s UK‐led EU Battle Group are Latvia, Lithuania, the Netherlands, Sweden and, obviously, the UK. These countries recently made a number of suggestions to speed things up. These include holding exercises in EU‐wide political decision‐making, a regular Battle Group certification process as well as fixed planning scenarios.

I truly hope that we can arrive at some clear conclusions during the Defence ministers’ meeting in mid‐November. And I would welcome specifics on this in the Council’s Conclusions.

Now, the enhancement of capability development should, in my view, be considered the centrepiece of the report. I repeat: Europe’s military shortfalls can only be fixed by developing joint approaches.

Lady Ashton’s report very rightly states that Member States should share their capability plans. And that also means breaking new ground with respect to planning, acquisition, training and logistical support. It means that we must align our collective requirements and national priorities. If we are serious about preventing further gaps in essential military capabilities in Europe, we should end the current practice of making military investments in splendid national isolation.

I firmly believe European cooperation in the field of capability development is no longer a choice or a nice‐to‐have but a necessity. It is therefore also important that Member States act in line with the Code of Conduct on Pooling & Sharing and commit themselves to the delivery of key capabilities through major cooperative projects. This would allow us to create capabilities in an efficient manner
while increasing military effectiveness at the same time. And of course, we need to remain fully interoperable – not only with European allies and partners but also with the US.

Should the 28 Member States always act in unison? My answer would be no. As I have said, a bottom‐up approach enabled by top‐down guidance is the way forward.

As noted in Lady Ashton’s report, it is natural that cooperation is deepening in smaller groups. This will yield faster results than initiatives involving all 28 Member States. The good thing is that the capabilities developed in smaller groups can be used at the European level and can inspire other Member States to undertake similar initiatives. The cooperation achieved by smaller groups could also be opened up to other Member States at a later stage.

My country’s cooperation with Belgium, for example, has resulted in fully integrated navies. The Netherlands is also cooperating with Germany in a joint German‐Netherlands Army Corps with a permanent headquarters. And there is much more to come. Last week I signed a letter of intent with my Belgian counterpart on integrated air policing, including Quick Reaction Alert and national Renegade tasks. Now that is a perfect example of broadening cooperation in the area of defence by pooling and sharing resources. And there is also the UK‐NL amphibious force. These are just a few examples from a long list of cooperation initiatives.

Dear Members of the European Parliament,

A crucial aspect of closer European cooperation is the understanding that such cooperation can only be effective if partner nations are trustworthy and predictable in their responses. Saying ‘yes’ to military cooperation means saying ‘yes’ to military participation. Reliable partners do not pull back their shared capabilities at the last minute. It would create political havoc and could threaten military partnerships.

This understanding, however, has yet to be generally accepted. It is therefore essential that the members of this house but also the members of our national parliaments become truly engaged in this debate.

And this is where your committees could play an important role, for example by facilitating regular political consultations between parliaments. I am convinced that a structural dialogue will be of added value to political decision‐making in the EU Member States.

When it comes to enhancing our strength, to maximizing the use of our capabilities and to optimizing our joint operations…all of us should feel ownership. And for continued public support, all of us should be ‘on message’.

However, closer military cooperation is still perceived by many as a constraint on sovereignty and national control. And as a result, we are all too often undermining our efficiency and effectiveness. The bottom line is that if we want to protect our sovereignty through military means, cooperation is indispensable. And when we consider our armed forces working effectively within the EU and within NATO, enhancing our ability to act in times of crises…we can only conclude that closer European cooperation is not a constraint but rather an enhancement of our sovereignty and security.

In closing, I would point out that our armed forces are well aware that there is a strong case for greater European cooperation in the field of security and defence. They understand the need for Europe to become a credible provider of security, in its immediate region and beyond. It is at the political level that we find obstacles to closer cooperation. But I repeat, the need for a more active, more coherent and more capable EU in the field of security and defence is urgent.

So let us act accordingly. And I do hope that this house will spread the word too.

Thank you!

(NLD ministry of Defence, 5 November 2013)

maandag 4 november 2013

Opnames voor groetenprogramma 'Missie Max'

Omroep Max maakt zaterdag 23 november de opnamen voor het jaarlijkse groetenprogramma voor uitgezonden militairen: Missie Max. Plaats van handeling is een hangar van het voormalig Marinevliegkamp Valkenburg.



Voor de zesde keer alweer neemt Max dit initiatief, in samenwerking met de gezamenlijke thuisfrontorganisaties van zowel Defensie als politie. Het evenement begint om 10.00 uur en eindigt om 16.00 uur. In de tussentijd zijn er optredens van artiesten als zanger Jannes en de sterren van de musical Soldaat van Oranje. Voor kinderen zijn er diverse activiteiten.

Podium
Een aantal relaties krijgt de kans op het podium rechtstreeks met hun relatie te spreken. Deze mogelijkheid is wel beperkt in verband met de duur van de beeldverbinding. Wie hiervoor niet in aanmerking komt, kan een groet overbrengen die op een speciale dvd wordt gebrand. Deze opnamen gaan nog voor kerst naar de diverse uitzendgebieden.

Meer verhalen
Omroep MAX zendt rond de feestdagen een programma uit van deze dag aangevuld met opgenomen groeten, het bezoek van Omroep MAX aan een aantal missiegebieden en meer verhalen. De tv-uitzendingen zijn op Nederland 1 op 21 december om 17.00 uur en op 30 december om 16.40 uur.

Aanmelden
Aanmelden kan tot uiterlijk donderdag 14 november via internet: www.defensie.nl/actueel/missiemax/aanmeldingsformulier 

(ministerie van Defensie, 4 november 2013)

Laatste eer voor soldaat uit Meidagen 1940

Op donderdag 7 november vindt op het Militaire Ereveld Grebbeberg in Rhenen de herbegrafenis plaats van Soldaat Peter Johannes Litjens. Militairen van het 42e Pantserinfanteriebataljon Limburgse Jagers dragen hem naar zijn laatste rustplaats.  Soldaat Litjens sneuvelde op 10 mei 1940 nabij zijn stelling in Katwijk aan de Maas. De stoffelijke resten van Litjens zijn op verzoek van zijn nabestaanden overgebracht vanuit het Limburgse Meterik. Dit gebeurde door de Bergings- en Identificatie Dienst van de Koninklijke Landmacht (BIDKL), in opdracht van de Nederlandse Oorlogsgravenstichtring.  

Peeldivisie
Peter “Piet” Litjens werd in 1905 geboren in Horst, was landbouwer van beroep en ongehuwd. In 1925 had hij zijn dienstplicht vervuld. In april 1939 werd hij opnieuw opgeroepen en diende hij bij het 2e Bataljon van het 26e Regiment Infanterie. Dit regiment maakte deel uit van de Peeldivisie en was tijdens de mobilisatie verantwoordelijk voor de bezetting van stellingen en kazematten op de westelijke oever van de Maas nabij Cuijk.

Kazemat 115 nu


Kazemat 115
In de vroege ochtend van 10 mei 1940 naderden sterke Duitse troepen de oostelijke oever van de Maas. Onder dekking van mitrailleurvuur en infanteriegeschut deden de Duitse troepen twee oversteekpogingen met rubberbootjes, die succesvol werden afgeslagen. De sectie van Soldaat Litjens bemande kazemat 115 en de naastgelegen schuttersputten. Door de overweldigende vijandelijke overmacht slaagde de derde oversteekpoging. Tijdens deze aanval sneuvelde de sectiecommandant en raakte Soldaat Litjens ernstig gewond. Kort daarop bezweek hij aan zijn verwondingen en moesten de overlevenden zich onder de grote vijandelijke druk overgeven. Drieënzeventig jaar na zijn overlijden wordt Soldaat Piet Litjens nu met zijn gesneuvelde kameraden op het Ereveld Grebbeberg herenigd.

(ministerie van Defensie, 4 november 2013)

vrijdag 1 november 2013

Artikel 100-brief Nederlandse bijdrage aan VN-missie in Mali

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Datum 1 november 2013
Betreft artikel 100-brief MINUSMA

Met deze brief informeren wij u, in overeenstemming met artikel 100 van de Grondwet, over het besluit van het kabinet een Nederlandse bijdrage te leveren aan de UN Multidimensional Integrated Stabilisation Mission in Mali (MINUSMA)

Essentie
Het kabinet heeft naar aanleiding van een verzoek van de VN besloten de volgende bijdrage te leveren aan MINUSMA:

 220 militairen voor de inlichtingenketen van de militaire component van de VN-missie. Dit betreft:

-  70 analisten en inlichtingenpersoneel voor de All Source Information Fusion Unit (ASIFU), werkzaam op en vanuit hoofdkwartieren in Bamako en Gao.

- Een verkenningseenheid van 90 militairen van de speciale eenheden (special forces) opererend vanuit Gao.

-  Een detachement van 60 militairen met vier Apache gevechtshelikopters, gestationeerd op het vliegveld bij Gao.

-  128 militairen ter ondersteuning, werkzaam bij bovengenoemde eenheden. Ook een nationaal ondersteuningsdetachement maakt hiervan deel uit.

-  Zoals gebruikelijk zijn bij aanvang en de beëindiging van militaire missies extra militairen nodig in de ondersteuning.

-  30 functionarissen voor de politiecomponent (maximaal 20 KMar functionarissen en tien politieagenten), bij voorkeur ondergebracht op dezelfde locaties als de Nederlandse militairen.

-  Een bijdrage van civiele deskundigen, onder meer op het terrein van bescherming van burgers, rechtsstaatontwikkeling, hervorming van de veiligheidssector, gender en de bescherming van cultureel erfgoed. Het streven is deze ook in Gao en Bamako geplaatst te krijgen.

De VN begeleidt Mali op weg naar een functionerende overheid die veiligheid en andere diensten aan de bevolking levert in het hele land. De Nederlandse bijdrage van 368 militairen ondersteunt de VN in de eerste fase van de VN-missie en levert een specifieke bijdrage om de VN-missie op de rails te krijgen. Met deze bijdrage, gericht op een militaire niche-capaciteit, te weten inlichtingen en verkenningen, kan Nederland voorzien in een kritieke behoefte van de VN. De Nederlandse bijdrage vergroot de effectiviteit (en daarmee de kans op succes) van de missie aanzienlijk. Voor een land als Nederland, dat sterk gebaat is bij internationale samenwerking, is het belangrijk om in internationaal verband medeverantwoordelijkheid te dragen.

De inhoud van de militaire bijdrage worden bepaald door het streven een wezenlijke bijdrage te leveren aan het welslagen van deze missie. De omvang wordt mede bepaald door de wens een samenhangende, zelfredzame bijdrage te leveren, die maakt dat Nederlandse militairen uiteindelijk zo min mogelijk afhankelijk zijn van anderen voor het uitvoeren van hun taken en voor hun bescherming. Anders dan in het verleden, bijvoorbeeld in Uruzgan en Srebrenica, dragen de Nederlandse militairen geen gebiedsverantwoordelijkheid.

De Nederlandse bijdrage wordt in beginsel geleverd tot eind 2015, ervan uitgaande dat de VN Veiligheidsraad het mandaat van MINUSMA na 25 april 2014 verlengt. Halverwege 2015 zal het kabinet een tussentijdse evaluatie opstellen. Mede op grond van deze evaluatie zal het kabinet een besluit nemen over de verlenging of de beëindiging van (elementen van) de Nederlandse bijdrage aan deze VN-missie vanaf eind 2015.

De complexe problematiek in Mali vraagt om een geïntegreerde (‘3D’-)benadering. Interventies op het gebied van veiligheid, rechtsorde, het versterken van overheidsstructuren, sociaaleconomische ontwikkeling en bevordering van het politieke proces moeten in onderlinge samenhang worden uitgevoerd. Door samenhang tussen de Nederlandse inzet in MINUSMA en het bilaterale ontwikkelingsprogramma wordt het geïntegreerde karakter van de Nederlandse inspanningen verder versterkt.

Met inachtneming van het toetsingskader wordt hieronder achtereenvolgens ingegaan op gronden voor deelneming, de ontwikkelingen in Mali, de organisatie van MINUSMA, de operationele aspecten van de Nederlandse inzet en financiën.



Gronden voor deelneming
Deelneming aan deze VN-missie dient verscheidene Nederlandse belangen. Nederland heeft belang bij internationale veiligheid, stabiliteit en een goed functionerende rechtsorde. In de recent uitgebrachte Internationale Veiligheidsstrategie (IVS) kondigt het kabinet aan bij de verwezenlijking van deze strategische doelstellingen de aandacht vooral te richten op instabiele regio’s in de nabijheid van Europa. De Sahel in Afrika is zo’n regio. Op dit moment is er sprake van verschuivende machtsverhoudingen waarbij de Verenigde Staten zich meer dan voorheen richten op Azië. Europa, en daarmee Nederland, zal zijn belangen in toenemende mate zelfstandig moeten behartigen, zeker in de directe nabijheid. Europa zal zelf moeten voorkomen dat er dicht bij huis een onbeheersbare situatie ontstaat. Daarbij is het van belang de problemen in landen van oorsprong aan te pakken en niet te wachten tot ze overslaan naar Europa en Nederland.

De problematiek in Mali kent een sterke regionale dimensie. Het internationale terrorisme en de criminele netwerken gaan landsgrenzen ver te buiten. De combinatie van het ontbreken van effectief en legitiem staatsgezag, grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme dreigt niet alleen Mali, maar ook de toch al fragiele regio aan de zuidgrens van Europa verder te destabiliseren.

Het noorden van Mali is een broedplaats geworden van extremisme en een vrijplaats voor het opleiden van terroristen en het voorbereiden en uitvoeren van terroristische aanslagen. Dit wordt geïllustreerd door de aanslagen op een Algerijns gascomplex (januari 2013) en een uraniummijn in Niger (mei 2013). Deze werden gepleegd door een splinterbeweging van Al Qaeda in the Islamic Maghreb (AQIM) die vanuit Mali opereerde.

Mali ligt van oudsher op een kruispunt van smokkelroutes. Deze lopen vanuit Zuid-Amerika naar Europa, waar ze aansluiten op Europese criminele netwerken, of naar oostelijk of zuidelijk Afrika. Via deze routes worden drugs en wapens verhandeld en gesmokkeld. Daarnaast is Mali inmiddels een belangrijk verzamelpunt in Afrika op de zuid-noord route voor mensenhandel en illegale migratie. Via de grote, ongecontroleerde ruimte in noord-Mali vinden mensen en goederen via onder andere Niger hun weg naar Libië en de kust van de Middellandse Zee. Opbrengsten uit deze activiteiten en losgeld dat naar aanleiding van ontvoeringen wordt betaald, vormen ook een belangrijke financieringsbron van terroristische activiteiten. Verdere destabilisering van deze kwetsbare regio zal de aanwas van de stroom van migranten tot gevolg hebben die vanuit en via de Sahel Europa proberen te bereiken.

Solidariteit met de burgerbevolking van Mali vormt een andere belangrijke overweging die ten grondslag ligt aan het kabinetsbesluit. De Malinese bevolking wordt hard getroffen door de armoede, instabiliteit, onveiligheid en de mensenrechtenschendingen als gevolg van de crisis in het land. De crisis heeft geleid tot 350.000 ontheemden en 170.000 vluchtelingen. Artikel 90 van de Nederlandse Grondwet stelt dat de regering de internationale rechtsorde bevordert, waarbij het waarborgen van mensenrechten nadrukkelijk een rol speelt. Deelneming aan MINUSMA sluit ook aan bij de actieve rol die Nederland speelt in de internationale discussie over het grote belang van ‘human security’.

Een bijdrage aan MINUSMA is in overeenstemming met ons langdurige partnerschap met Mali op het terrein van ontwikkeling en biedt de mogelijkheid om in samenhang met het bilaterale OS-programma de effectiviteit van de totale Nederlandse inspanningen een impuls te geven.

Voorts is het in economisch perspectief van belang de grondstoffen en energiebronnen in de regio bereikbaar en beschikbaar te houden voor de industrie en handel. Hiermee is onder andere de positie van de Nederlandse havens gemoeid. Noord-Afrika is voor Nederland een belangrijke grondstoffenpartner. In West-Afrika is Nederland gemiddeld de vijfde handelspartner.

MINUSMA
Resolutie 2100 (april 2013) vormt de basis voor MINUSMA. De missie heeft eenbreed en geïntegreerd mandaat gekregen, voor een initiële periode van twaalf maanden (tot 30 juni 2014). Het is waarschijnlijk dat de VN Veiligheidsraad de missie enige jaren in stand houdt. Centrale doelstellingen zijn de stabilisering van belangrijke bevolkingscentra, steun voor het herstel van het staatsgezag in heel Mali, bemiddeling bij politieke dialoog en verzoening, steun bij de organisatie van verkiezingen, bescherming van burgers en ondersteuning bij humanitaire hulp. Van belang zijn ook de doelstellingen om te helpen oorlogsmisdaden te bestraffen en cultureel erfgoed te beschermen. Om de doelstellingen te bereiken, met uitzondering van de bemiddeling bij dialoog, verzoening en verkiezingen, mag de missie op basis van hoofdstuk VII van het VN Handvest alle noodzakelijke middelen inzetten. Een unicum in het mandaat is de aanwijzing van Frankrijk als militaire escalatiemacht (parallel force). Frankrijk is in resolutie 2100 geautoriseerd om MINUSMA te ondersteunen: “to intervene in support of elements of MINUSMA when under imminent and serious threat”. De precieze uitvoering van deze afspraak is vastgelegd in een technische overeenkomst tussen Frankrijk en de VN. Hierin is onder meer bepaald dat de Force Commander van MINUSMA namens de Secretaris-Generaal van de VN de hulp van de Franse troepen direct kan inroepen. De verkleining van operatie Serval heeft geen invloed op deze overeenkomst.

Geleerde lessen uit het verleden, zoals de noodzaak om robuust te kunnen optreden en te beschikken over een goede informatiepositie en een stevige inlichtingencapaciteit, zijn in het MINUSMA-mandaat verwerkt. De VN begeleidt Mali op weg naar een functionerende overheid die veiligheid en andere diensten aan de bevolking levert in het hele land. De Nederlandse bijdrage is erop gericht de VN in de eerste fase van de missie te ondersteunen. Nederland levert een specifieke militaire bijdrage om de VN-missie op de rails te krijgen, namelijk een integrale bijdrage aan de inlichtingencapaciteit. Deze is goed overdraagbaar aan andere landen, wanneer Nederland besluit de deelneming aan de missie te beëindigen.

Politiek
In januari 2012 brak opnieuw, na eerdere opstanden in de jaren zestig, negentig en in 2007, een Toeareg-rebellie uit in het noorden van Mali. Vervolgens werd op 22 maart 2012 president Touré afgezet door een groep militairen onder leiding van kapitein Amadou Sanogo, uit onvrede over de zwakke positie van het leger dat niet was toegerust om de opstand te bestrijden. Mede door het onvermogen van de overheid om het staatsgezag te herstellen, veranderde het noorden van Mali in de loop van 2012 in een vrijhaven voor gewapende en terroristische groeperingen. Zij werkten regelmatig in tijdelijke en wisselende coalities samen. Daarbij wisten jihadistische groeperingen de (seculiere) Toeareg-rebellen te marginaliseren en de controle in noord-Mali over te nemen. In april 2012 maakten de coupplegers onder internationale druk plaats voor een interim-regering. In december 2012 was het politieke transitieproces geheel vastgelopen en werd interim-premier Diarra tot aftreden gedwongen door de coupplegers. Begin januari 2013 begonnen jihadistische groepen een opmars richting het zuiden en wisten zij door te breken tot de de facto grens tussen het noorden en zuiden van Mali. Op 11 januari jl. startte Frankrijk, op verzoek van de Malinese autoriteiten en met steun van de VN Veiligheidsraad, een militaire interventie (operatie Serval) met als doel de Malinese territoriale integriteit te herstellen. De komst van de Fransen werd door de Malinese bevolking verwelkomd. De Fransen, ondersteund door de African-led International Support Mission to Mali (AFISMA) en het Malinese leger, wisten het noorden te heroveren op de rebellen. De interim-regering nam eind januari een routekaart voor transitie aan om de territoriale integriteit en de constitutionele orde in Mali te herstellen.

Een langdurig onderhandelingsproces in Ouagadougou, onder bemiddeling van de president van Burkina Faso, leidde op 18 juni 2013 tot een voorlopig akkoord tussen de interim-regering en verschillende gewapende groepen uit het noorden, met als voorwaarde dat vredesonderhandelingen zouden worden voortgezet binnen zestig dagen na het aantreden van een gekozen regering. Naast een staakt het vuren regelde dit akkoord de terugkeer van het bestuur en het leger naar Kidal. Daardoor werden presidentsverkiezingen in heel Mali mogelijk, een van de voorwaarden van de routekaart. Een eerste stap in de ontwapening van gewapende groeperingen was hun ‘cantonnement’ (kampen ingericht voor opvang van strijders) in afwachting van een definitief akkoord. Het akkoord voorzag ook in een internationale commissie die ernstige misdrijven en mensenrechtenschendingen onderzoekt.

De presidentsverkiezingen vonden plaats in juli en augustus 2013 en verliepen naar omstandigheden goed. Ibrahim Boubacar Keita werd met duidelijke meerderheid gekozen. De verwachtingen voor zijn presidentschap zijn bij zowel de bevolking als de internationale gemeenschap hooggespannen. Met de benoeming van de ministersploeg op 8 september jl. kan de regering haar beleid formuleren.

Nu zal moeten blijken of Keita inderdaad in staat is de nodige hervormingen door te voeren. Er was kritiek op enkele van zijn ministersbenoemingen. Tegelijk trad hij krachtig op tegen de voormalige coupplegers. De invloed van couppleger Sanogo is sterk teruggedrongen. Sanogo’s eerdere bevordering tot 4-sterren generaal wordt gezien als handreiking om hem vrijwillig te laten terugtreden; hij vervult op dit moment geen formele positie meer binnen het Malinese leger. Veelzeggend is de uitspraak van Keita dat ‘er geen ruimte is voor twee kapiteins op dit schip’. Ook het merendeel van Sanogo’s handlangers is van het toneel verdwenen.

Keita wil zich richten op verzoening, oplossing van de problemen in het noorden, aanpak van corruptie, hervorming van de staat (o.a. door decentralisatie) en ontwikkeling (met specifieke aandacht voor de positie van het noorden), landbouw, werkgelegenheid, onderwijs en gezondheidszorg. Door middel van regionale en nationale consultaties wil de regering de Malinese bevolking inspraak geven in de koers die Mali nu moet inslaan. De eerste onderhandelingen met vertegenwoordigers uit het noorden zijn in september jl. gestart. Daarnaast zal de regering het mandaat en de samenstelling van de door de interim-regering aangestelde, maar ineffectieve, verzoeningscommissie aanpassen. Veel Malinezen zijn van mening dat het verzoeningsproces, waarbij de aanpak van straffeloosheid een basisvoorwaarde is, van onderaf moet groeien en niet van bovenaf moet worden opgelegd.

Veiligheid
De VN Veiligheidsraad autoriseerde in december 2012 AFISMA en de EU richtte in februari 2013 een trainingsmissie op ter versterking van het Malinese leger (EUTM Mali). Op 25 april 2013 richtte de VN Veiligheidsraad de opvolger van AFISMA op, MINUSMA.

Mede dankzij operatie Serval en MINUSMA is de situatie in het noorden inmiddels relatief kalm. Het is echter onzeker in hoeverre de situatie werkelijk stabiel is. Er is nog steeds een groep aanwezig die streeft naar een onafhankelijk noord-Mali (‘Azawad’) en de jihadisten zijn nog niet volledig verdwenen. De dreiging die nog steeds uitgaat van de jihadisten blijkt ook uit de aanslagen die eind september en begin oktober werden gepleegd in de noordelijke steden Timboektoe, Gao en Kidal. Tegelijk wisten Serval en MINUSMA verschillende terroristen uit te schakelen en explosieven in beslag te nemen, ook recentelijk nog middels operatie Hydra van eind oktober. Op 23 oktober jl. kwamen twee Tsjadische MINUSMA-militairen om bij een aanslag in Tessalit. Er zijn bovendien etnische conflicten tussen en binnen Arabische, Toeareg en Peuhl gemeenschappen. Banditisme en drugshandel blijven een veiligheidsprobleem en de terugkeer van ontheemden (naar schatting 140.000) zorgt voor spanning. In sommige gevallen worden zij door achterblijvers van collaboratie met jihadisten beschuldigd. Ook ontstaan er door de terugkeer van ontheemden disputen over land. Voedselschaarste, mede als gevolg van langdurige droogte en andere ecologische omstandigheden, vormt een andere bron van potentiële conflicten.

Gewapende groepen in Mali vormen een complex en continu wisselend geheel. De
belangrijkste gewapende partijen zijn op dit moment de Mouvement National pour
la Liberation de l’Azawad (MNLA, Toeareg-groepering), AQIM (jihadistische groepering), en de Mouvement pour l’Unicité et du Jihad en Afrique de l’Ouest (MUJAO, jihadistische groepering).1 De verschillende partijen hebben zware verliezen geleden en zijn versplinterd. Buitenlandse jihadisten hebben Mali naar verluidt grotendeels verlaten, terwijl veel Malinese jihadisten zijn opgegaan in de bevolking. De recente fusie tussen MUJAO en een splintergroepering van AQIM en de voorzichtige toenadering tussen MNLA en AQIM, laten zien dat jihadisten zich aanpassen aan de nieuwe situatie. Vooral rondom Kidal zijn er nog steeds spanningen tussen de MNLA en het Malinese leger en heerst er wantrouwen ten opzichte van de overheid. Daarnaast zijn er sterke aanwijzingen dat groepen uit noord-Mali banden hebben met andere terroristische organisaties in de regio, zoals Boko Haram in Nigeria. De ontwikkelingen in Mali en de regio beïnvloeden elkaar over en weer. Hierdoor blijft de regionale veiligheidssituatie instabiel, zoals de eerder genoemde aanslagen in Algerije en Niger illustreren.

Malinese strijdkrachten
Nadat het Malinese leger in 1991 een staatsgreep pleegde, hebben achtereenvolgende regeringen geprobeerd het leger te verzwakken, om het risico van toekomstige staatsgrepen te verkleinen. Rekrutering werd een zaak van politieke- en familieconnecties, waardoor het kopen van functies gebruikelijk werd, in plaats van benoemingen op grond van verdienste. Deze ontwikkeling heeft de kwaliteit van het Malinese leger ernstig aangetast. De gevechtscapaciteit is minimaal, moreel en discipline zijn onder de maat, leiderschap ontbreekt en de bevelstructuur functioneert in sommige gevallen niet. Inmiddels beseft de Malinese regering dat het leger in staat moet worden gesteld zelfstandig de territoriale integriteit van Mali te handhaven. De legerleiding en de overheid staan positief tegenover de benodigde hervormingen. De EU-trainingsmissie (EUTM Mali) ondersteunt de Malinese regering om deze politieke wil in de praktijk te brengen. Keita benoemde bovendien een burger tot minister van Defensie. Hiermee toont de regering dat zij belang hecht aan een professioneel leger onder democratisch toezicht.

Politie en justitie
De binnenlandse veiligheidsdiensten bestaan uit de nationale politie, gendarmerie en nationale garde. Deze diensten functioneren matig tot slecht en zijn in sommige regio’s onzichtbaar. Waar ze aanwezig zijn, zijn corruptie en nepotisme de norm. Ook in de justitiesector is corruptie breed vertakt en diep geworteld. In combinatie met de beperkte toegang tot het rechtssysteem (vooral in het noorden), leidt dit tot een mate van straffeloosheid die een destabiliserend effect heeft op de democratische instituties in Mali. De corruptie wordt veelal gefinancierd uit de illegale doorvoer van onder andere drugs en wapens. De bestrijding van corruptie in de veiligheidsdiensten en justitie is dan ook van cruciaal belang voor de stabilisering van het land. UNPOL, dat wil zeggen de politie- en justitiecomponent van MINUSMA, zet zich hiervoor in door training en advisering van de veiligheidsdiensten en versterking van het justitieapparaat. Voor de langere termijn is er behoefte aan verdere structurele versterking en hervorming van het politie- en justitieapparaat.

Daarnaast zijn verschillende andere, minder prominente, (gewapende) partijen actief in
noord-Mali zoals Ansar ed-Dine, de groep onder leiding van Mokhtar bel Mokhtar en de
Haut Consil pour l’Unité de l’Azawad.

Mensenrechten
Sinds de bezetting van het noorden door rebellengroeperingen hebben zich enkele
incidenten van ernstige mensenrechtenschendingen voorgedaan. Na het uitbreken van de gevechten in januari jl. hebben ook groepen binnen het Malinese leger wraakacties uitgevoerd en mensenrechtenschendingen begaan (Kamerstuk 32735, nr. 73). Ruim tweehonderd verdachten zitten inmiddels vast. Het Internationaal Strafhof is een onderzoek begonnen naar oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid sinds het uitbreken van gewelddadigheden in 2012. Met de ondertekening van het pre-akkoord van 18 juni 2013 is het aantal mensenrechtenschendingen afgenomen. Hoewel Mali veel internationale mensenrechtenverdragen heeft geratificeerd, zijn deze niet allemaal omgezet in nationale wetgeving.

De vrouwenrechten in Mali staan onder druk. De traditionele Malinese cultuur draagt bij aan een maatschappelijk taboe ten aanzien van het spreken over geweld tegen vrouwen. De prioriteiten van de nieuwe regering op dit vlak moeten nog blijken. De wens van de commandant van het Malinese leger om met UN Women samen te werken op het gebied van preventie van gender based violence door de Malinese strijdkrachten is een positieve ontwikkeling.

Humanitaire situatie
Ruim vijf miljoen mensen zijn getroffen door de crisis in Mali. Bijna 350.000 mensen vluchtten van het noorden naar het zuiden, waar zij veelal door familie zijn opgevangen. Dankzij de toegenomen veiligheid is de terugkeer van deze ontheemden naar het noorden inmiddels op gang gekomen, met name naar de regio’s Gao en Timboektoe. Daarnaast bevinden zich nog altijd ruim 170.000 Malinese vluchtelingen in buurlanden (70.000 in Mauritanië, 50.000 in Niger en 50.000 in Burkina Faso). Tot slot kampen 3,5 miljoen mensen met voedselonzekerheid, waarvan circa 1,4 miljoen onmiddellijk voedselhulp nodig hebben. De voedselzekerheidssituatie in het noorden is verslechterd. Daar is momenteel 85 procent van de bevolking afhankelijk van voedselhulp, terwijl de autoriteiten nog niet in staat zijn om deze dienstverlening op zich te nemen. Op dit moment is, gegeven de voortdurende onveiligheid buiten de steden, de 'humanitaire ruimte' voor organisaties zeer beperkt.

De VN heeft in 2013 circa 477 miljoen dollar nodig voor humanitaire hulp. Van deze behoefte is momenteel slechts 35 procent gefinancierd. Ontwikkelingen op het gebied van onveiligheid, droogte en de toenemende terugkeer van ontheemden en vluchtelingen kunnen ertoe leiden dat de humanitaire situatie in de nabije toekomst verslechtert. Deze kan bovendien nog verder verslechteren door de aanhoudende ondervoeding bij jonge kinderen. Er is een coördinatieplatform opgezet voor het herstel van de getroffen gebieden. Het platform stimuleert de politieke dialoog met nationale autoriteiten om een efficiënte transitie van humanitaire hulp naar ontwikkelingssamenwerking te waarborgen. Naast de reguliere humanitaire hulp die via organisaties als het United Nations Children’s Fund (UNICEF), de VN Vluchtelingenorganisatie (UNHCR) en het Wereldvoedselprogramma (WFP) loopt, heeft Nederland dit jaar 2 miljoen euro voor humanitaire hulp in de Sahel vrijgemaakt. Deze bijdrage loopt via het Wereldvoedselprogramma. In 2012 was de Nederlandse bijdrage voor humanitaire hulp in de Sahel 20,1 miljoen euro, hiervan was 7,2 miljoen euro voor Mali bestemd.

Ontwikkelingssamenwerking
Mali is een van de armste landen ter wereld. Het land kampt met een hoge bevolkingsgroei, analfabetisme, hoge moeder- en kindersterfte en een zeer hoge werkloosheid, met name onder jongeren. Verder laten zich de negatieve effecten gelden van voedselschaarste en grensoverschrijdende criminaliteit. De Malinese overheid is niet goed in staat om basisdiensten te leveren aan de bevolking. Daarnaast heeft de centrale overheid zich sinds de jaren negentig de facto teruggetrokken uit het noorden waardoor de bevolking gemarginaliseerd raakte. Mali is al sinds de jaren zeventig een partnerland van Nederland op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en ook de Europese Unie is al lange tijd in Mali actief als donor.

In reactie op de staatsgreep in 2012 schortten donoren de hulp aan de Malinese overheid op. Deze maatregel diende als signaal aan de Malinese regering dat het er geen sprake was van ‘business as usual’. De sancties hebben politiek een gunstig effect gehad en hebben er mede toe geleid dat de coupplegers afstand deden van de macht ten gunste van een civiele interim-regering en dat in een later stadium verkiezingen werden georganiseerd. De keerzijde van de maatregel was dat de terugval in de Malinese overheidsfinanciën de basisdienstverlening nog verder onder druk zette. In februari 2013 stemde de Raad Buitenlandse Zaken in met geleidelijke en voorwaardelijke hervatting van de EU-hulp, middels een State Building Contract van 225 miljoen euro waarvan in juni jl. een eerste tranche van 90 miljoen euro is overgemaakt. Deze middelen worden ingezet om de prioriteiten uit het door de Malinese interim-regering geformuleerde ‘Plan pour la Relance Durable du Mali (PRED) 2013-2014’ te ondersteunen op het gebied van onder meer democratisering, verkiezingen en verzoening, veiligheid, justitie, basisdienstverlening, water en infrastructuur, ook in het noorden van het land.

Tijdens de internationale donorconferentie op 15 mei jl. in Brussel werd het PRED positief ontvangen door de internationale gemeenschap en werd ruim drie miljard euro aan steun toegezegd, waarvan ruim een miljard aan nieuwe middelen. Nadat Nederland begin 2012 de bilaterale hulp aan Mali opschortte, is deze steun geleidelijk en onder voorwaarden hervat (Kamerstuk 32605, nr. 122, april 2013).

In de periode 2013-2017 worden de decentrale overheid en het maatschappelijk middenveld ondersteund om de lokale basisdienstverlening in de regio’s Mopti, Segou, Gao en Timboektoe op het gebied van voedselzekerheid/water alsook seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) te verbeteren. Ook wordt een Veiligheid en Rechtsorde-programma uitgerold, gericht op versterking van de decentrale justitie- en veiligheidsketens die de belangen van de burger dienen, inclusief vergroting van de toegang tot recht. Hiermee wil Nederland bijdragen aan de aanpak van de grondoorzaken van het conflict, structurele straffeloosheid, corruptie binnen de justitie- en veiligheidsketens, de kloof tussen staat en burger en de gebrekkige uitvoering van decentralisatieprocessen. Met genoemde aanpak brengt Nederland de geleerde lessen uit het verleden in praktijk. Concreet betekent dit dat in het OS-programma meer aandacht aan het noorden zal worden geschonken waarbij veiligheid een belangrijkere rol zal spelen. Tevens zal in de komende jaren meer aandacht worden besteed aan het op gang brengen van stabiliteit en duurzame ontwikkeling in het noorden. Feitelijk is daar door de gewijzigde context nu al een begin mee gemaakt.

Samenhang
De complexe problematiek in Mali vraagt om een geïntegreerde (‘3D’-)benadering. Interventies op het gebied van veiligheid, rechtsorde, het versterken van overheidsstructuren, sociaaleconomische ontwikkeling en bevordering van het politieke proces moeten in onderlinge samenhang worden uitgevoerd. Nederland zal niet op al die terreinen even ambitieus bijdragen en zoekt daarom naar een aansluiting tussen de eigen activiteiten en die van andere partners, zoals de VN en de EU. Beide organisaties streven, net als Nederland, naar een sterk geïntegreerde inzet van militaire en civiele capaciteiten. Bovendien stellen zij zich ten doel de coördinatie van inspanningen van zowel multilaterale als bilaterale donoren op het terrein van politiek en ontwikkelingssamenwerking te versterken. Voorbeelden van fora waar deze coördinatie plaatsvindt en waar Nederland aan deelneemt, zijn de Groupe de Soutien et Suivi sur le Mali en donorconferenties.

Mali is een partnerland op het terrein van ontwikkelingssamenwerking. In de afgelopen decennia heeft ons land een stevige positie en uitgebreid netwerk opgebouwd hetgeen veel goodwill oplevert, vooral in de regio’s waar Nederland actief is met zijn ontwikkelingsprogramma. Deze positie bevordert een effectieve inzet in MINUSMA. Nederland zal die inzet vooral concentreren op Mali. Indien initiatieven gericht op de wijdere regio passen bij de Nederlandse beleidsprioriteiten en meerwaarde bieden voor ons land, zal worden bezien of hierbij kan worden aangehaakt.

Naast de algemene aansluiting bij de inzet van andere (multilaterale) partners zal ook worden bezien hoe onze bijdrage aan MINUSMA gekoppeld kan worden aan de overige inspanningen van Nederland in Mali. Daarbij wordt vooral gekeken hoe het Veiligheid en Rechtsorde-beleid en MINUSMA elkaar aanvullen en wederzijds versterken (zie operationele aspecten). De civiele experts die Nederland aan MINUSMA aanbiedt zullen, met dit element in het achterhoofd, worden geselecteerd. Ook zal worden bezien of Nederlandse civiele politiefunctionarissen en marechaussee binnen UNPOL ingezet kunnen worden in Gao, waar de Nederlandse Ambassade reeds actief is met haar ontwikkelingsprogramma’s.

Hierbij wordt initieel gekeken naar de ondersteuning van het justitieapparaat, een belangrijk onderdeel van het Veiligheid en Rechtsorde-programma. Bovendien zal worden bezien of het Veiligheid en Rechtsorde-programma moet worden bijgesteld of uitgebreid, om middels langere termijn hervormingsprogramma’s nog beter aan te sluiten bij de politiecomponent van MINUSMA. Door zo’n samenhang tussen de inzet in MINUSMA en het bilaterale ontwikkelingsprogramma wordt het geïntegreerde karakter van de Nederlandse inspanningen verder versterkt. In de afgelopen periode is, met het oog op de initiële stabilisering van Mali, al een aantal initiatieven genomen om de samenhang van de Nederlandse en internationale inzet vorm te geven. Zo heeft Nederland financieel bijgedragen aan de inzet van de Afrikaanse vredesmacht AFISMA, die inmiddels is opgegaan in MINUSMA. Ook levert Nederland een financiële bijdrage aan de training van AFISMA-troepen door het African Contingency Operations Training and Assistance (ACOTA) programma van de Verenigde Staten. Ook heeft Nederland luchttransportcapaciteit beschikbaar gesteld ten behoeve van operatie Serval via het European Air Transport Command (EATC). Daarnaast levert Nederland momenteel een staffunctionaris in het Belgische detachement dat deelneemt aan EUTM Mali en een senior analist in de Joint Mission Analysis Cell van MINUSMA. Op het gebied van menselijke veiligheid (human security) ondersteunt Nederland de verificatie van mensenrechtenschendingen door een lokale organisatie. Ook financiert Nederland de training van Malinese troepen door UN Women op het gebied van gender, bescherming van vrouwen en kinderen en internationaal humanitair recht. De EUTM-trainingsmodules op het gebied van gender en mensenrechten zijn complementair aan de trainingen verzorgd door UN Women.

Ook draagt Nederland door steun aan het Centre for Civilians in Conflict bij aan de ontwikkeling van richtlijnen voor het voorkomen en adresseren van burgerschade tijdens internationale en nationale militaire (vredes)operaties in Mali.

Regionale dimensie
De problematiek in Mali kent een sterke regionale dimensie. Het internationale terrorisme en de criminele netwerken gaan landsgrenzen ver te buiten. Ook omringende landen (met name Mauritanië, Niger en Algerije, maar ook Tunesië en Libië) hebben hiermee te maken. De VN en EU zijn op verschillende manieren en met wisselend succes in de regio actief, om de regionale dimensie van het probleem aan te pakken (onder andere via het UN Office on Drugs and Crime (UNODC), het United Nations Office for West Africa (UNOWA), de EU capaciteitsopbouwmissie EUCAP Sahel Niger, de EU grensbewakingsmissie in Libië en programma’s in het kader van de EU contra-terrorisme strategie voor de Sahel). Hun visie op de aanpak van de regionale problematiek is verwoord in hun respectievelijke Sahel-strategieën. Ondanks accentverschillen in deze strategieën, benadrukken beide het belang van de nexus tussen veiligheid en ontwikkeling en hechten sterk aan een leidende rol voor regionale actoren, vooral voor de Afrikaanse Unie (AU) en de Economic Community Of West African States (ECOWAS).

Landen in de regio zijn actief betrokken. Burkina Faso heeft als vertegenwoordiger van ECOWAS een leidende rol op zich genomen in de bemiddeling tussen Bamako en de opstandelingen. De AU speelde een coördinerende rol bij het instellen van Groupe du Suivi et du Soutien pour le Mali en de organisatie van de donorconferentie in Addis Abeba in januari jl. Op veiligheidsterrein zijn AU- en ECOWAS-lidstaten de belangrijkste troepenleveraars, eerst aan AFISMA en nu aan MINUSMA. De Sahellanden werken samen op het gebied van voedselzekerheid via het Committee on Drought Control in the Sahel (CILSS). Op veiligheidsterrein hebben Algerije, Mali, Mauritanië en Niger een eerste stap gezet door het instellen van een joint chiefs of staff committee in Algerije. Deze samenwerking is echter nog weinig effectief. Daarom is een andere prioriteit in de aanpak van de VN en de EU het bevorderen van de verdergaande samenwerking tussen de Sahellanden en de landen van Noord-Afrika op het gebied van veiligheid. Dit gebeurt door politieke bemiddeling. Speciaal Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal Bert Koenders is zeer actief op het terrein van het op gang brengen en houden van de politieke dialoog tussen landen en verantwoordelijke organisaties. De VN zou zijn convening power actief moeten inzetten. Nederland dringt daar in de geëigende fora ook op aan.

Operatieconcept en organisatie MINUSMA
Speciaal Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal Bert Koenders (SRSG) staat aan het hoofd van MINUSMA. De militaire inspanningen staan onder leiding van de Rwandese Force Commander Jean Bosco Kazura. De missie heeft een geautoriseerde omvang van 11.200 militairen, 1440 politie/justitie-functionarissen (UNPOL) en civiele staf (omvang nog onbekend). Volledig gevuld is MINUSMA in grootte de vierde VN-missie. MINUSMA is duidelijk nog een missie in opbouw en de organisatiestructuur is nog niet geformaliseerd. MINUSMA beoogt samenhang te creëren door een multidimensionale en decentrale opzet van de organisatie. De ondersteuning van politieke processen moet worden gecombineerd met de ‘robuustere’ inzet ten behoeve van stabilisering en met de ontwikkelingsprocessen langere termijn, zoals de hervorming van de veiligheidsinstituties. Het hoofdkantoor van de missie is gevestigd in Bamako en er zijn regionale kantoren in Gao, Timboektoe en Kidal. Er is een breed draagvlak voor de missie, hetgeen blijkt uit de diversiteit aan landen die een bijdrage leveren. Zo neemt ook China (voor het eerst in VN-kader) deel met gewapende eenheden.

Direct na aanvang op 1 juli jl. moest de missie aan de slag met de presidentsverkiezingen en het politieke onderhandelingsproces in Ouagadougou.

Nu een nieuwe Malinese regering is aangesteld, zal MINUSMA in overleg met de regering haar strategische plannen op de Malinese beleidsprioriteiten kunnen afstemmen. De SRSG verwacht het Integrated Strategic Framework, waarin de doelstellingen van MINUSMA en van de in Mali opererende VN-organisaties zijn samengebracht, begin 2014 te voltooien. Het wegnemen van de grondoorzaken van het conflict door middel van structurele ontwikkeling behoort niet tot de taken van MINUSMA. Dat is een verantwoordelijkheid van de Malinese regering die daarbij wordt ondersteund door VN-organisaties en andere donoren. De missie heeft een militair Concept of Operations en een civiel Mission Concept opgesteld en voorgelegd aan het hoofdkwartier in New York. Per 1 juli 2013 zijn AFISMAtroepen opgegaan in MINUSMA. De uitrol van de militaire component is momenteel het verst gevorderd, maar nog niet volledig. MINUSMA zal op zijn vroegst in het eerste kwartaal van 2014 volledig zijn ontplooid.

MINUSMA heeft een stevig mandaat op het gebied van mensenrechten. De mensenrechteneenheid richt zich op transitional justice, het onderzoeken van mensenrechtenschendingen en capaciteitsopbouw van de Malinese overheid op dit terrein (onder andere ten aanzien van het gevangeniswezen, opsporingsdeskundigen, rechters/aanklagers en access to justice). Ook zal MINUSMA de Malinese Mensenrechtencommissie ondersteunen. Verschillende activiteiten zijn reeds gestart. De samenwerking met het maatschappelijk middenveld verloopt goed. De rol van MINUSMA met betrekking tot verzoening moet nog worden gedefinieerd, afhankelijk van de prioriteiten van de nieuwe regering. MINUSMA is niettemin voornemens om Malinese instituties met verzoeningsmandaat te ondersteunen op zowel nationaal als lokaal niveau met financiële en technische middelen alsook via bemiddeling van de SRSG.

De Malinese autoriteiten zijn eerstverantwoordelijk voor de bescherming van burgers. In haar ondersteunende rol is MINUSMA echter gemandateerd om alle noodzakelijke middelen te gebruiken om burgers te beschermen. Het mandaat berust op twee elementen, namelijk de bescherming van burgers die worden bedreigd met fysiek geweld en van kinderen en vrouwen in gewapend conflict (inclusief seksueel geweld). Het belang dat de missie hecht aan burgerbescherming blijkt onder andere uit de plaatsing van de Protection of Civilians-eenheid binnen MINUSMA; deze valt rechtstreeks onder de SRSG. De elementen bescherming van kinderen en vrouwen in gewapend conflict zijn ondergebracht in twee zelfstandige eenheden. Daarnaast is aan de staf van de missiecommandant een Protection of Civilians risk advisor toegevoegd.

Gender is een prioriteit voor MINUSMA. De gender-eenheid van de missie richt zich vooral op de beleidsvorming om de participatie van vrouwen in het politieke proces te verbeteren en de gender-dimensie in transitional justice (meerwaarde van vrouwen in verzoeningsproces) en veiligheidssector hervormingsprocessen te integreren. MINUSMA werkt daarbij nauw samen met een netwerk van vrouwenleiders en met de nieuwe regering. Daarnaast richt UN Women zich op de meer ontwikkelingsgerelateerde aspecten van gender in Mali (verbetering van toegang tot onderwijs en gezondheidszorg voor meisjes en vrouwen, terugdringen huiselijk en seksueel geweld, etc.).

Uitdagingen
De doelstellingen van MINUSMA op het gebied van stabilisering, noodhulp en organisatie van verkiezingen lijken op korte termijn goed haalbaar. De lange termijn doelstellingen, zoals het verzoeningsproces, herstel van staatsgezag en het professionaliseren van de veiligheidssector, zullen een lange adem vergen en staan onder invloed van externe factoren, zoals de daadkracht van de Malinese overheid en de bereidheid van (de verschillende groepen onder) de bevolking. In de komende periode zal de samenwerking tussen de nieuwe regering en MINUSMA op deze terreinen vorm krijgen, resulterend in een aantal strategische documenten op het gebied van bijvoorbeeld politie- en justitiehervorming.

De kwalitatieve capaciteit van MINUSMA is een aandachtspunt. De missie investeert hierin door AFISMA-troepen in het kader van de overgang naar MINUSMA te ondersteunen op basis van de Human Rights Due Diligence Policy en de MINUSMA-troepen te trainen op het gebied van mensenrechten. Met de overgang van AFISMA naar MINUSMA is bovendien nog niet aan de volledige kwantitatieve behoefte voldaan. Met de terugtrekking van een deel van de Nigeriaanse troepen is de opbouw naar volledige militaire capaciteit vertraagd. In een aantal landen moet nog een besluit worden genomen over een mogelijke bijdrage. Daarnaast kampt de missie in deze beginfase nog met aanzienlijke logistieke uitdagingen en een tekort aan enablers zoals transporthelikopters, die de missie de flexibiliteit van optreden geven die in een groot land als Mali noodzakelijk is. Voor ondersteuning van de civiele aspecten van de missie zal de VN deze capaciteit commercieel inhuren. Om ook voor militaire acties over transporthelikopters te beschikken, heeft de VN andere landen actief benaderd. De missie werkt volgens het olievlek principe: eerst wordt de aandacht gericht op de steden. Afhankelijk van de beschikbare capaciteit wordt de focus uitgebreid naar kleinere steden in de regio’s. Het zwaartepunt ligt op noordoost Mali (regio Gao), waar al een relatief grote Franse footprint aanwezig is en blijft.

Coördinatie
De verschillende missies die momenteel actief zijn in het gebied coördineren hun
activiteiten op het gebied van veiligheid. Dit gebeurt onder meer door middel van
de uitwisseling van liaisonofficieren, dagelijks overleg en de wederzijdse
betrokkenheid bij het plannen van operaties. Om veiligheid en rechtsorde op lange
termijn te verankeren is het noodzakelijk om de capaciteit van politie, nationale
garde, gendarmerie en justitie te versterken. MINUSMA zal hieraan een bijdrage
leveren, maar ook de EU onderzoekt of ondersteuning geboden kan worden, in
aanvulling op andere inspanningen in de regio (EUCAP Sahel Niger, EUBAM Libië
en in het kader van de EU contra-terrorisme strategie voor de Sahel).

Operatie Serval richt zich op de acute veiligheidsdreiging. Frankrijk zal, synchroon met de opbouw van MINUSMA, zijn operatie over de komende maanden afslanken. Serval zal wel als parallel force beschikbaar blijven, hetgeen is vastgelegd tussen Frankrijk en de VN. Ook zal Frankrijk zich blijven richten op contraterrorisme en het bestrijden van opstandige elementen (counterterrorism/counter-insurgency), zoals vastgelegd in een bilaterale overeenkomst met Mali.

EUTM Mali richt zich op training en reorganisatie van het Malinese leger, waaronder het herzien en versterken van de commandostructuur. Om naast de operationele ook de institutionele capaciteit van de strijdkrachten te waarborgen zet de internationale gemeenschap, vooral via EUTM Mali, ook in op sterker civiel toezicht op het leger. Binnenkort spreekt de EU over mogelijk verlenging van het EUTM-mandaat waarbij gekeken wordt naar het trainen van extra bataljons. Door het Malinese leger naar een aanvaardbaar niveau te brengen kan het op termijn de taken die nu door Serval en MINUSMA worden uitgevoerd, overnemen. Het succes van EUTM Mali is in die zin mede bepalend voor de mogelijkheden tot afbouw van de militaire component van MINUSMA.

Operationele aspecten

Inzet Koninklijke Marechaussee en Nationale Politie 
De inzet van de Nederlandse bijdrage in UNPOL zal zich richten op de staf van UNPOL, het Directoraat-Generaal van de Police Nationale en de scholen van de veiligheidsdiensten. Nederland kan in totaal ongeveer dertig Nederlandse kandidaten (twintig KMar en tien politie) voor diverse functies aandragen. De uiteindelijke aantallen en werkgebieden hangen af van het selectieproces bij UNPOL.

Er zal worden bezien of de Nederlandse bijdrage aan UNPOL in de regio Gao kan worden geconcentreerd, waar het bilaterale Veiligheid en Rechtsorde-programma wordt uitgerold. In Gao worden gemengde teams van politie en Koninklijke Marechaussee voorzien, waarbij de politie zich kan richten op ondersteuning van de Police Nationale en de KMar meer op de ondersteuning van de gendarmerie en de Garde Nationale. Het doel is bij te dragen aaneen gezamenlijke en brede ontwikkeling van de veiligheidsdiensten in de regio Gao.

De Nederlandse politiebijdrage aan MINUSMA zal zich richten op de ontwikkeling van community policing, access to justice, politie-justitie samenwerking en grensbewaking gerelateerd aan de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, waaronder het tegengaan van drugssmokkel. Op het verzoek van UNPOL zullen Nederlanders deel uitmaken van de staf van de transnational crime eenheid en de gender-eenheid. Deze bijdragen zijn van belang om meer zicht te krijgen op grensoverschrijdende criminele stromen, waaronder drugs-, wapensen mensensmokkel. Bovendien is gender een van de speerpunten van het Nederlandse beleid. Bij de school van de Police Nationale en de Gendarmerieschool zal de Nederlandse inzet zich richten op de advisering van de staven en op de ontwikkeling van algemene trainingsconcepten en curricula.

Militaire bijdrage aan inlichtingenketen
Om de effectiviteit van MINUSMA zo groot mogelijk te maken heeft de VN besloten om, voortbouwend op ervaringen in andere VN-missies, de inlichtingencapaciteit van de missie stevig op te zetten. Nederland kan een belangrijke bijdrage leveren met deze niche-capaciteit en richt de bijdrage zo in dat onderdelen aan andere lidstaten kunnen worden overgedragen als de vermindering of beëindiging van de Nederlandse bijdrage aan de orde is. De VN is dan verantwoordelijk voor de vervanging.

Met een samenhangende bijdrage aan de gehele inlichtingenketen ontstaat een herkenbare nationale inbreng die bovendien niet wordt versnipperd over verschillende locaties en onderdelen. Nederland verkrijgt een sterke informatiepositie die zowel ten goede komt aan andere onderdelen binnen MINUSMA als aan de eigen Nederlandse bijdrage.

De All Sources Information & Fusion Unit (ASIFU) van in totaal 230 personen, van wie Nederland er 70 levert, is verantwoordelijk voor het verzamelen, verwerken en analyseren van informatie op basis waarvan de militaire leiding van MINUSMA orders aan de eenheden verstrekt. De inlichtingen die de ASIFU verzamelt en analyseert, zijn afkomstig van onder meer verkenningseenheden, helikopters en onbemande vliegtuigen. De Nederlandse bijdrage aan de ASIFU bestaat uit twee componenten. Enerzijds de commandant van de eenheid en enkele stafofficieren in de ASIFU-staf in Bamako die zich met name op analyse richt. Anderzijds een groot deel van de Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (ISR) compagnie in Gao, die zich vooral op inlichtingenvergaring richt.

Ter versterking van de positie van de ASIFU levert Nederland voorts een verkenningseenheid van ongeveer 90 militairen van de speciale eenheden (special forces). De primaire taak van deze eenheid is het verzamelen van inlichtingen door middel van lange-afstandspatrouilles waarbij een grote mate van zelfredzaamheid is vereist. De verkenningseenheid is daarmee een van de sensoren voor de ASIFU. De analyse van de inlichtingen door de ASIFU vormt de basis voor de plannen van de staf van de Force Commander. Andere taken van de militairen van de verkenningseenheid zijn denkbaar, maar vergen per operatie de instemming van de Commandant der Strijdkrachten (CDS). Hierbij kan worden gedacht aan operaties die de risico’s voor andere MINUSMA-eenheden verminderen, zoals het ontmantelen van verdekte wapen- en logistieke opslagplaatsen en het aanhouden van opponenten. Met de Nederlandse verkenningseenheid krijgt de Force Commander de beschikking over een kwalitatief hoogwaardige militaire capaciteit, die kan worden ingezet in gebieden die voor reguliere eenheden niet toegankelijk zijn. De verkenningseenheid is een afgebakende bijdrage, die een ander land kan overnemen, als Nederland besluit te stoppen met de bijdrage.

Defensie levert voorts een eenheid met vier Apache gevechtshelikopters. Met hun kwalitatief hoogwaardige sensoren zijn de Apaches zeer geschikt om inlichtingen te verzamelen voor de ASIFU. De vier helikopters versterken de inlichtingenketen aanzienlijk. Ook kunnen ze worden ingezet om gewapende groeperingen af te schrikken en om vuursteun te leveren. De Apaches leveren een bijdrage aan de bescherming van Nederlands personeel en zij vertegenwoordigen de escalatiedominantie van de Nederlandse bijdrage. Ook deze eenheid met gevechtshelikopters kan, als Nederland besluit te stoppen, door een ander land worden overgenomen.

Overige zaken
De geografische nadruk van de inzet komt te liggen op de regio Gao, waar de VN de meeste behoefte heeft aan informatie en inlichtingen en waar de Franse operatie Serval met veel materieel en personeel aanwezig is. Samenwerking met de Franse eenheden op het gebied van operaties en logistiek is goed mogelijk.

Defensie is in staat om op korte termijn de eenheden voor de Nederlandse bijdrage te leveren en beschikt over voldoende capaciteit en voortzettingsvermogen om de deelneming voor langere tijd te garanderen. De Nederlandse bijdrage zal in overleg met MINUSMA gefaseerd worden ingezet, afhankelijk van de capaciteit van MINUSMA en partnerlanden om de eenheden de benodigde faciliteiten te bieden.

MINUSMA helpt de overheid van Mali haar legitimiteit te versterken en haar autoriteit over het gehele grondgebied van Mali te herstellen. Het mandaat en de Rules of Engagement (ROE) geven de missie voldoende armslag om haar taken te kunnen uitvoeren.

Omvang bijdrage
De militaire bijdrage bestaat uit 240 militairen in operationele functies (ASIFU (70), verkenningseenheid (90), individuele politiefunctionarissen (20 KMar), gewapende helikopters (60)) en 128 personen ten behoeve van bescherming van gevoelig materieel en logistieke ondersteuning. Bij de planning is uitgegaan van logistieke ondersteuning door de VN zoals beschreven in de VN-richtlijnen voor troepenleverende landen. In aanvulling hierop zal operatie Serval ondersteuning leveren. Zoals gebruikelijk wordt in het begin van de operatie een eenheid toegevoegd om de ontplooiing van de Nederlandse bijdrage mogelijk te maken. Er van uitgaande dat de VN inderdaad de benodigde logistieke ondersteuning levert, is een bijdrage van 368 militairen voorzien, naast de bijdrage van ongeveer tien civiele politiefunctionarissen en een aantal civiele experts. Bepalend voor de omvang van de Nederlandse militaire bijdrage is de keuze voor een integrale, samenhangende bijdrage aan de inlichtingenketen, om een voldoende niveau van zelfbescherming en ondersteuning te garanderen en om daadwerkelijk impact op de effectiviteit van de missie te hebben.

Commandovoering
De Nederlandse militaire eenheden staan onder bevel van de Force Commander vanuit Bamako. Ongeveer tien Nederlandse officieren, afkomstig uit de drie eerdergenoemde modules, maken deel uit van de staf van de Force Commander, waaronder een à twee sleutelfuncties. Hierdoor heeft Nederland te allen tijde direct invloed op de uitvoering van operaties. Er zijn geen caveats van toepassing op de inzet van Nederlandse militairen. Wel kan de hoogste Nederlandse militair in de staf van de Force Commander in opdracht van de CDS een opdracht van de Force Commander aan Nederlandse eenheden verbieden (red card holder). De CDS houdt te allen tijde volledige zeggenschap en kan dus zo nodig het bevel over de Nederlandse eenheden terugnemen. Deze werkwijze is mede ingegeven door geleerde lessen van eerdere missies.

Medische keten
In Bamako kunnen de militairen voor medische zorg terecht in een ziekenhuis dat
door de VN wordt bekostigd. In Gao is een Chinese faciliteit voorzien die medische
zorg op het niveau van een ziekenhuis biedt. Nederlanders kunnen ook een
beroep doen op de Franse medische faciliteit in Gao. De Nederlandse eenheid in
Gao wordt voorts voorzien van een eigen medische capaciteit met algemeen militair verpleegkundigen en een militair arts (niveau huisarts). In de regio Gao is medische evacuatie (medevac) gegarandeerd door operatie Serval. Hiermee is kwaliteit en tijdigheid van medische hulp gegarandeerd. In de beginfase van de missie zal Nederland bezien of de opbouw van de geplande medische voorzieningen van de VN volgens schema verloopt en aan de Nederlandse standaarden voldoet.

Operationele risico’s

Veiligheid
De Nederlandse eenheden zullen opereren vanuit Bamako en Gao. Vooralsnog is er geen sprake van een dreiging van een groot gewapend conflict. Er is echter wel een dreiging van terroristische activiteiten. De dreiging in Bamako en Gao wordt als beperkt beoordeeld, maar in de directe omgeving van deze steden is die hoger. Korte, hevige gevechtscontacten in de regio Gao, waar Nederlanders worden ingezet, zijn niet uitgesloten. Hoewel het een Nederlandse bijdrage aan inlichtingenketen betreft, valt dus niet uit te sluiten dat Nederlandse militairen worden blootgesteld aan geweld of bij gevechtshandelingen betrokken zullen zijn. Hiermee is bij de samenstelling van de militaire bijdrage rekening gehouden. Die garandeert voldoende capaciteit voor zelfbescherming. De keuze voor een samenhangende bijdrage en de gewenste robuustheid van zelfbescherming bepalen de omvang van de militaire bijdrage.

Gezondheid
Als gevolg van tropische ziektes, beperkte lokale hygiënische omstandigheden en extreme klimatologische omstandigheden, zijn de gezondheidsrisico’s hoog. Om de risico’s te beperken worden alle Nederlandse militairen gevaccineerd, nemen zij aanvullende hygiënische maatregelen en doorlopen zij een acclimatisatieprogramma.

IED dreiging
Gewapende jihadistische groeperingen beschikken over de capaciteit om Improvised Explosive Devices (IED’s) te plaatsen. De MIVD oordeelt dat de dreiging van het gebruik van IED’s door jihadistische groeperingen vooralsnog matig is. Bij bezoeken aan het missiegebied is gebleken dat de bevolking helpt bij het zoeken naar IED’s. Het huidige dreigingsniveau vergt geen extra personeel en materieel. De verkenningseenheid telt wel enige IED-deskundigen. Indien de dreiging toeneemt, zal die capaciteit vanuit Nederland worden versterkt.

Force protection
De Force Protection is gelaagd opgebouwd en biedt voldoende escalatiedominantie. Als Nederlandse eenheden door gewapende groepen worden aangevallen, zijn ze in eerste instantie robuust genoeg om zichzelf te kunnen beschermen. Het optreden wordt dagelijks afgestemd op het actuele dreigingsbeeld. Aanvullend kan de eenheid een beroep doen op de zogenaamde Quick Reaction Force (QRF) die MINUSMA heeft ingericht voor dit soort situaties. Daarnaast kunnen de aanwezige Nederlandse gevechtshelikopters worden ingezet ter ondersteuning van de Nederlandse eenheden. Mochten al deze middelen niet voldoende zijn, dan kan MINUSMA een beroep doen op de Franse operatie Serval die in Gao eveneens over een QRF en gevechtshelikopters beschikt.

Deelneming andere landen
Omdat MINUSMA zich in de opbouwfase bevindt, is de informatie over bijdragen van andere landen nog veranderlijk. Westerse militaire bijdragen aan MINUSMA worden geleverd door Duitsland, Finland, Frankrijk, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Zweden en Zwitserland. Niet-westerse militaire bijdragen worden geleverd door Bangladesh, Benin, Burkina Faso, China, Côte d'Ivoire, Ghana, Guinee, Liberia, Niger, Nigeria, Rwanda, Senegal, Sierra Leone, Tsjaad, Togo. Vooral Afrikaanse landen zijn sterk vertegenwoordigd in de missie: veruit de grootste troepenleveranciers zijn Tsjaad, Senegal, Togo, Niger en Nigeria. Met een bijdrage van 368 militairen is Nederland de grootste Westerse contribuant aan MINUSMA. Dit hangt nauw samen met de aard van de gekozen bijdrage. Na Nederland volgen Frankrijk en Duitsland met ieder 150 militairen. Qua omvang van de totale Europese militaire inspanningen in Mali bevindt Nederland zich met zijn bijdrage achter Frankrijk (2360) en vóór Duitsland (330).

Verantwoord vertrek, monitoring en evaluatie
De verantwoordelijkheid voor het meten van de voortgang, de strategiebepaling en het vaststellen van operationele doelstellingen ligt bij de VN. In lijn met het voor iedere VN-missie geldende Integrated Mission Planning Process zal MINUSMA op een zo kort mogelijke termijn (naar verwachting begin 2014) een Integrated Strategic Framework presenteren, waarin strategie, werkplan, doelen en indicatoren nader worden uitgewerkt. De missie zal hiervoor ook, in lijn met de VN-regels voor result-based management, contextanalyses en nulmetingen uitvoeren. Ook de Malinese overheid en andere lokale actoren worden hierbij nauw betrokken. De analyse en meting die wordt uitgevoerd in het kader van de bilaterale OS-inspanningen van Nederland zal, indien relevant en mogelijk, worden gedeeld met de VN. Elke drie maanden rapporteert Secretaris-Generaal van de VN Ban Ki Moon aan de VN Veiligheidsraad over de situatie in Mali en de voortgang die MINUSMA (en Nederland als onderdeel daarvan) boekt.

In 2015 beoordelen wij onder meer hoe de opbouw en operationalisering van de inlichtingenketen van MINUSMA is verlopen. Het doel van de Nederlandse bijdrage aan de inlichtingenketen van MINUSMA is het vergroten van de effectiviteit van deze keten en daarmee aan het succes van MINUSMA als geheel. De Nederlandse activiteiten binnen de keten worden zodanig ingericht dat deze bij beëindiging van de bijdrage zijn over te dragen aan andere landen.

De versterking van de Malinese politie- en justitie vergt naar verwachting meer tijd. Een belangrijk element in het bepalen van de omstandigheden waaronder dit deel van de Nederlandse bijdrage verantwoord kan worden beëindigd, is de koppeling met projecten en programma’s die zullen doorlopen na het vertrek van Nederland. Het Veiligheid en Rechtsorde-programma, als onderdeel van ons OSbeleid in Mali, zal ook op dit punt aansluiting zoeken bij de activiteiten van MINUSMA en de Nederlandse bijdrage ten behoeve van politie en justitie. Op deze manier hoopt de regering de resultaten van de bijdrage aan MINUSMA te verduurzamen en daar ook na beëindiging van deelname aan MINUSMA op voort te bouwen.

Na beëindiging van de Nederlandse bijdrage zal de Kamer zoals te doen gebruikelijk een eindevaluatie toegaan, opgesteld onder verantwoordelijkheid van de ministers van Buitenlandse Zaken, Defensie, Veiligheid en Justitie en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Financiën
De geraamde additionele uitgaven voor de militaire bijdrage aan MINUSMA bedragen €51 miljoen per jaar. Daarnaast bedragen de uitgaven voor (na)zorg van militairen op jaarbasis naar verwachting ongeveer €2 miljoen. In 2014 zijn er nog extra additionele uitgaven voor de ontplooiing van de missie geraamd op €11,5 miljoen. Dat brengt de totale additionele uitgaven voor MINUSMA in 2014 op €64,5 miljoen, waarbij wordt uitgegaan van een volledige logistieke ondersteuning van de VN. Als de VN niet in staat is om tijdig volledige logistieke ondersteuning te leveren, kunnen de additionele uitgaven voor MINUSMA met maximaal €10 miljoen toenemen. Hierover zal nog met de VN worden overlegd. Het totaal komt in dat geval voor 2014 op maximaal €74,5 miljoen.

De additionele uitgaven voor 2015 bedragen €53 miljoen, waarbij er vanuit wordt gegaan dat de VN dan inmiddels volledige logistieke ondersteuning kan bieden. Zo niet, dan geldt ook voor 2015 dat de additionele uitgaven voor MINUSMA met maximaal €10 miljoen kunnen toenemen tot een totaalbedrag van €63 miljoen.

Uitgaande van het initiële mandaat bedragen de geraamde additionele uitgaven in 2016/2017 in totaal €19,5 miljoen. Dit betreft de additionele uitgaven voor redeployment en herstelwerkzaamheden aan het materieel.

De additionele uitgaven voor de militaire bijdrage komen uit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) en daarmee ten laste van de HGIS. Het BIV zal hiervoor in 2014 bij Voorjaarsnota via de eindejaarsmarge van de HGIS worden verhoogd met de onderbesteding op de begrote uitgaven aan crisisbeheersingsoperaties in 2013 binnen de HGIS. Conform de systematiek die in de brief aan de Kamer van 12 juli 2013 al werd gemeld zullen de voor deze missie in 2014 benodigde middelen bij eerste suppletoire wet binnen de HGIS worden overgeheveld van de begroting van BH&OS naar de begroting van Defensie. Zoals bij VN-missies het geval is, komt Nederland in aanmerking voor restitutie door de VN van een deel van de additionele uitgaven. In bovenstaande ramingen is dit nog niet meegenomen. Door deze restitutie via een kasschuif binnen de HGIS naar voren te halen kan, indien nodig, ruimte worden geschapen voor eventuele verlengingen van bestaande missies.

De uitgaven voor de inzet van civiele politiefunctionarissen bedragen op jaarbasis ongeveer €2 miljoen. Deze komen ten laste van de HGIS-voorziening voor civiele crisisbeheersingsmissies/uitzending politiefunctionarissen op de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

De uitgaven voor de civiele experts bedragen op jaarbasis naar verwachting maximaal €2 miljoen. Deze kosten worden binnen de BZ-begroting gedekt.

De Minister van Buitenlandse Zaken,  Frans Timmermans
De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Lilianne Ploumen
De Minister van Veiligheid en Justitie,  I.W. Opstelten