zondag 22 september 2013

Mariniers in actie bij Sarajevo (archief)

Verslag van Petra de Koning

Ze werden binnengehaald als bevrijders. Eindelijk zagen de inwoners van Sarajevo groene helmen. Echte mariniers dus, die ook elk moment in actie kunnen komen. Nederlandse helden. Want hier ging niets mis, zoals bij de landmacht in Srebrenica, vinden ze. Een reportage over de euforie op de berg Igman.

De compagniescommandant van de mariniers in Bosnië, majoor Ingo Piepers, legt zijn verrekijker neer en strekt in een breed gebaar zijn arm uit over de vallei van Sarajevo. `In deze stad, zegt hij, `is het eindelijk rustig.' Hij staat bij de Nederlandse observatiepost aan de oostkant van de berg Igman. `En dat komt door onze acties. We hebben goed werk gedaan. Niet dat ik daar verder flink over wil doen.' Maar flink vinden ze het wel, de mariniers van de mortiercompagnie uit Doorn.

Dagenlang schoten ze vanaf de berg op Servische doelen. Close air support heette dat,' voor de F-16's die stellingen van de Serviërs bombardeerden na de granaatinslag op de markt van Sarajevo eind augustus. Drie weken later zijn de meeste zware wapens van de Serviërs teruggetrokken, konvooien rijden de stad in, het vliegveld is open.

De mariniers, ondergebracht bij de multinationale brigade van de Rapid Reaction Force (Fransen, Britten en Nederlanders), zeggen dat zij de stad hebben `ontzet', zij hebben met hun mortieren `de vrede dichterbij gebracht'.

Dat de Serviërs het net óók moeilijk hadden in het westen van Bosnië, dat de Amerikaan Holbrooke al weken eerder was begonnen met nieuwe onderhandelingen, dat de NAVO-vliegtuigen het meeste werk deden in de Operation Deliberate Force- op de berg Igman is niemand zo flauw om daardoor het eigen feestje te laten verpesten.

Begin september, een week na de eerste bombardementen, reden majoor Piepers en een paar korporaals naar Sarajevo. In groene rupsvoertuigen, de kleur van de snelle reactiemacht Ze waren op weg naar zes mariniers in observatiepost White, aan de rand van de stad, die door de Serviërs onder vuur waren genomen. Op de berg Igman praten ze er nog steeds over: het werd een triomftocht. De inwoners van Sarajevo stonden te juichen en te klappen langs de weg. Voor het eerst zagen ze groene wagens in hun stad, met daarin de VN-soldaten die de Serviërs hadden aangevallen.

Majoor Piepers, uitgelaten over de onverwachte hulde, riep naar zijn korporaals: `We gaan een rondje maken door de stad.' De verslaggever van het RTL-nieuws rende zijn hotel uit, de majoor trok zijn pet recht. Op de televisie zou iedereen kunnen zien dat hij de commandant was. `Het was net mei 1945,' zegt Piepers, breed grijnzend bij de herinnering. `We werden binnengehaald als bevrijders.' En de mariniers kennen hun rol.

Elke week brengen ze eten - `alles wat we anders toch weggooien'- naar het dorp Lukavac, in de buurt van hun kamp. In het dorp, platgebombardeerd door de Serviërs, wonen een paar vrouwen, bejaarde mannen, en ongeveer tien kinderen. Onder zeildoek en planken.

De eerste keer stond kapitein Peter Hengeveld daar nog in zijn eentje zakjes chips uit te delen. Hij is gelovig en hij komt uit Kampen. De andere mariniers vonden dat hij maar `Jezusje moest spelen' - zij bleven op een afstand staan kijken. Nu willen anderen ook want, zeggen ze, `die mensen zijn zo blij als we komen'.

Bijna hadden de mariniers het allemaal gemist. Vijf weken zaten ze vast in de Kroatische havenstad Split. De Bosnische federatie, bang dat de snelle reactiemacht was gekomen om het terugtrekken van de VN-soldaten te begeleiden, weigerde toestemming voor het vervoer van de 120 mm mortieren De federatie wilde ook niet dat groene legervoertuigen naar Midden- Bosnië reden.

Wekenlang onderhandelde het hoofdkwartier van Unprofor in Sarajevo met vertegenwoordigers van de federatie. De 120 mariniers en ongeveer dertig soldaten van de landmacht - aan de mortiercompagnie toegevoegd voor het opzetten en bedienen van de opsporingsradar verveelden zich op het strand. Die onderhandelingen duurden lang. Véél te lang, vonden de officieren van het Korps mariniers. Zij zouden dit zelf wel regelen - dat doen mariniers gráág. De groene trucks schilderden ze wit, de pantservoertuigen zetten ze op witte VN-diepladers, en de mortieren verstopten ze onder een stapel rugzakken.

Luitenant-kolonel Patrick Cammaert, assistent chief of staff van de multinationale brigade en óók marinier, zorgde ervoor dat de voertuigen en verborgen mortieren in een Frans konvooi naar de Igman reden. 'List en bedrog was het,' zegt overste Cammaert nu, glimlachend. `Daar was niet iedereen even blij mee.' Op 28 augustus gaf de Bosnische federatie toestemming voor de doortocht van de mariniers, één dag voordat het vuren vanaf de berg Igman begon.

Het Unprofor-hoofdkwartier, tevreden over het resultaat van hun inspanningen, meldde het per fax aan de commandant. Die berichtte terug: bedankt, maar we zitten er al.

Majoor Piepers: `Ze gingen totaal over de zeik. Ze noemden het een "diplomatiek incident".' De mariniers treurden daar maar even over. Zij waren in elk geval net op tijd. Ze reden met hun mortieren de berg op, leenden munitie van de Fransen en begonnen onmiddellijk te vuren toen ze daartoe opdracht kregen.

Eten was er nauwelijks op de stellingen, de uitrustingen waren nog niet compleet, het was koud en het regende. Twee nachten achter elkaar sliepen ze niet. Maar ze vonden het prachtig. Eindelijk konden ze doen waarvoor ze waren opgeleid: oorlog voeren. Heel soms was er paniek. Want hoe hoor je precies het verschil tussen in- en uitkomend vuur als je nog niet eerder aan het front hebt gezeten? Bij een oefening schieten ze nooit terug.

Kapitein Amon van den Borg vuurde die dagen op een Servisch munitiedepot, vanuit de Nederlandse waarnemingspost in Sarajevo. De Serviërs vuurden ook: één granaat sloeg in naast de voordeur. Van den Borg zat al weken in Sarajevo, als forward observation officer, met blauwe VN-helm. Pas toen de Navo-acties begonnen mocht hij zijn eigen groene helm op. Ineens werd hij op straat als een held begroet. Het was afgelopen met de stenen naar zijn hoofd. De kapitein: `Voor de mensen in Sarajevo staan de witte Verenigde Naties voor machteloosheid en afwachten.'

En voor hemzelf?

Van den Borg, minachtend: `Een blauwe helm glimt in de zon. Met zo'n ding loop je als een lantaarnpaal door de voortuin, als schietschijf.' En het ergste is, vindt de kapitein, dat je met zo'n helm niks mag. `Dat gaat in tegen de natuur van de militair. Die moet niet twijfelen, die moet maximaal geweld toepassen. Als je soldaten te snel opleidt voor vredestaken, zal de militaire mentaliteit worden aangetast.'

Hij denkt na, zegt dan: `Het werd godverdomme tijd dat er hier rond Sarajevo eens wat klappen werden uitgedeeld.' Zijn stem slaat bijna over. `Dat is niet alleen voor Bosnië belangrijk, maar voor de hele wereld. Misschien dat wij nu de krijgsheertjes in den vreemde een lesje hebben geleerd.' Even werd de euforie op de Igman verstoord. De Serviërs meldden dat een ziekenhuis was geraakt door een granaat van de
snelle-reactiemacht (later zeiden ze dat het een bushalte was geweest). Opgelucht waren de Nederlanders toen bleek dat die granaat van de Fransen kwam.

De eerste zondag na de beschietingen organiseerde de humanistisch raadsman van de mariniers, Mart Vogels, een `bezinningsbijeenkomst'. In zijn tent, op het kamp, vertelt hij erover. Vogels had muziek uitgezocht, een liedje over de nazi's, van Herman van Veen. Hij legde de mariniers uit hoe ze konden nadenken over het gebruik van geweld, en vooral: dat. ze erover konden nadenken. Hij gebruikte de theorieën van Thomas Hobbes en Sigmund Freud - `dat trek ik naar een niveau waarop ze het begrijpen' - en hij hield de mariniers voor dat ze hun geweten niet konden ontlopen. Een enkeling, zegt de raadsman, reageerde verbaasd: had dan iedereen een geweten? Zij ook? Er werd ook geroepen dat de aanval op de Serviërs wel `wat steviger' had gekund.

Daar is de raadsman toen `dieper op ingegaan'. `Ik heb gezegd: aan beide kanten lopen mensen die deze oorlog nooit hebben gewild.' Echte problemen door de oorlog hebben de mariniers niet, zegt Vogels en hij kijkt naar de dokter van de mariniers, op het veldbed naast hem: `Toch, Henk?' `Nee,' zegt Henk Pijning, `er zijn wel een páár jongens die niet rustig slapen.'

Majoor Piepers stapt de tent in. Hij heeft een boodschap voor de raadsman. Een psychologe van de landmacht, van het kamp in Busovaca, zestig kilometer verderop, wil met de mariniers komen praten. De commandant: `Laat één ding duidelijk zijn: ik wil het niet hebben. Als er geestelijke nood is, maar die is er niet, dan lossen we het zelf op. De raadsman en de dokter proberen nog iets te zeggen. Piepers onderbreekt: `Het gebeurt gewoon niet.' Wat denkt die psychologe wel. Het kamp van de mariniers is toch geen dierentuin? Het is, zegt hij, alleen maar nieuwsgierigheid, `militair toerisme'. Ze zou, denkt de commandant, de mannen wel eens problemen kunnen aanpraten.

Donderdag 21 september, de dag na het laatste ultimatum aan de Serviërs. De VN en de Navo hebben het einde van de luchtacties aangekondigd. Majoor Ingo Piepers en twee korporaals, Jan van Rijn en Peter Bercx, rijden voor de tweede keer door Sarajevo, nu in een witte VN-jeep. Ze vallen niet op, ze kijken. Tussen de flats, gebarricadeerd met balken en stenen, liggen kleine moestuintjes naast vuilnishopen. Van de huizen die nog overeind staan, is er niet één zonder kogelgaten. Mensen sjouwen met hout en jerrycans water.

Alleen op sniper alley wordt nog geschoten. Op de VN-basis in het TV2-gebouw heeft een
Nederlandse verbindingsofficier tegen Piepers gezegd: `Denk eraan, we hebben nog geen
toestemming om er met niet-gepantserde voertuigen over te gaan.'

Maar als we hard rijden is er niks aan de hand, vonden de majoor en de korporaals. Met
honderd kilometer per uur gaan ze in de richting van het oude gedeelte van de stad, voor de
lunch. In restaurant Gurman, tegenover het pand waar Benetton een dezer dagen een zaak
opent, gaat het wéér over de glorieuze intocht van de Nederlandse mariniers.

`De lui die Nederland hebben bevrijd,' zegt Piepers, `lulden er nog vijftig jaar over. Geef mij
ook een weekje.' Want, nogmaals, het was niet zomaar een actie. Hij haalt een fax te
voorschijn die hij vandaag heeft ontvangen uit Den Haag. Een brief van minister Voorhoeve.

De eenheid van Piepers, schrijft de minister, vervulde samen met de Fransen en de Britten
`een uiterst belangrijke rol bij het doorbreken van de omsingeling van Sarajevo'. En verder:
`Wij zijn vol bewondering en uiterst dankbaar voor het belangrijke werk dat uw eenheid in dit
verband verricht. De Rapid Reaction Force is een belangrijk onderdeel van de pogingen van
de VN en de Navo om aan de strijdende partijen duidelijk te maken dat zo spoedig mogelijk
een einde moet komen aan de burgeroorlog in Bosnië-Herzegowina.'

Drie keer belangrijk. De minister heeft het begrepen.

Majoor Piepers: `Hij heeft hier natuurlijk ook politiek de vruchten van kunnen plukken.'
Misschien ook wel `belangrijk' voor zijn eigen positie, na Srebrenica.

De majoor schrikt. Dat is een taboe-onderwerp. En dat weten al zijn mannen. Een paar dagen
eerder heeft hij ze bij elkaar geroepen: Vrij Nederland, was de boodschap, hoeft niet te weten
hoe wij denken over Srebrenica. Daar mag niemand iets over zeggen, want wij willen geen
ruzie met de landmacht. Alleen korporaal Bercx, tegenover hem aan tafel, was daar niet bij.

Hij was in Nederland voor een begrafenis. Gaat het over Srebrenica? Bercx pakt een
notitieblok uit zijn zak. Hij zegt: `Ik vind het moeilijk onder woorden te brengen hoe ik
daarover denk. Daarom heb ik wat overgeschreven, uit HP / De Tijd.' Hij leest voor, een
column van Hans Binneveld, hoogleraar maatschappijgeschiedenis in Rotterdam: `Ik vind het
gênant hoe de Nederlandse regering op kunstmatige wijze iets heldhaftigs probeert te peuren
uit deze blamage. Alles wat kon misgaan, ging mis.' En: `Hoezo hebben ze het goed gedaan?
We hebben er toch niet de eerste de beste padvindersclub uit Edam heen gestuurd? Als dit
voor onze elitetroepen exceptionele omstandigheden waren, wat gebeurt er dan in
hemelsnaam als we in een echte oorlog verzeild raken? (...) Hoe men het wendt of keert, we
hebben uitsluitend onszelf uit de brand geholpen en er verder niets van gebakken.'

Korporaal Van Rijn, naast hem, zit met een rood hoofd te luisteren. Piepers kijkt strak voor zich uit. Als Bercx het boekje dichtklapt zegt de majoor: `Ik heb er ook een mening over. We hebben er allemáál een mening over.' Ineens begint hij te lachen. `Weten jullie nog,' vraagt hij Van Rijn en Bercx, `dat er toen bij ons werd geroepen dood boven schande?'

Dan is hij weer ernstig. `Maar ik wil niet dat de verhoudingen met de landmacht verstoord raken. Ik moet met die lui samenwerken.' En op de berg Igman is dat al moeilijk genoeg.

Een radareenheid van de landmacht, ongeveer dertig man, is voor deze VN-actie gekoppeld aan de mortiercompagnie van de mariniers. Zij staan onder bevel van majoor Piepers. Maar daar is iets bijzonders mee. De eenheid, zo berichtten ze op het ministerie in Den Haag aan de commandant van de mariniers, staat onder administratief bevel van Piepers. (`Administratief stond in de papieren steeds vet gedrukt.) Dat betekent: de mariniers zorgen voor de `logistieke ondersteuning' van de landmachteenheid, het onderkomen en de bevoorrading. Operationeel, over het werk en de inzet van de radareenheid zelf, heeft Piepers niks te zeggen.

De verhoudingen tussen de drie krijgsmachtonderdelen (landmacht, luchtmacht en marine) zijn nu eenmaal erg gevoelig. Ze koesteren alle drie hun eigen cultuur.

Vorige week ontdekte majoor Piepers in de tenten van de radareenheid whisky en bier. De mariniers drinken alleen hun `bavjes' (Bavaria malt), en daar zijn ze trots op. Vierentwintig uur per dag nuchter en klaar om te werken.

Wat nu? Adjudant Hein Thomassen van de radareenheid zag geen enkel probleem: `Wij zijn een zelfstandige eenheid. Piepers gaat daar niet over.' Maar Piepers - `stel je voor dat de commandant met een stuk in z'n giechel ineens de radar moet verplaatsen' - stuurde zijn kapitein Hengeveld erop af. Die zei: hier wordt niet gedronken. En voor alle duidelijkheid: dit is een administratieve regel. Luitenant-kolonel Patrick Cammaert, lid van de staf van de multinationale brigade op het hoofdkwartier in Tomislavgrad, vroeg al vijf weken geleden in Den Haag hoe het nu zat met de bevelstructuur. Een probleem over drank zou wel worden opgelost. Maar wat als het om echt ernstige zaken ging, in crisissituaties? Een antwoord heeft hij nog niet.

Hij zegt: `Het zou geen probleem moeten zijn. Als een klein clubje, zoals hier de landmacht, bij een grotere club komt, past de kleine zich snel aan.'

En als een klein clubje van mariniers zou worden ondergebracht bij een grote eenheid van de landmacht? Cammaert: `Dáár zou ik wel problemen mee hebben. Want de mens is van nature lui. Als hij in een organisatie komt waar hij niet genoeg achter z'n vodden wordt gezeten, neemt hij dat over.' Snel zegt hij: `Daar geef ik verder geen commentaar op.' Maar wat bedoelt hij? `Het gaat gewoon om verzorgdheid, stiptheid, gedisciplineerd optreden.'

De mariniers op de berg Igman praten graag en veel over hun landmachtcollega's van het  logistiek transportbataljon in het kamp Busovaca, een paar uur rijden naar beneden. `Watjes',`jankerds'. Als ze gaan eten, gooien ze hun wapens ergens op een tafel en - ongehoord voor mariniers - onder het ochtendappel eten ze boterhammen. Hun kamp, zeggen ze boven, is net Center Parcs. Een zwembad, fitnesszaal, tennisbanen. En er is een bar, die nog door de vorige minister Relus ter Beek is geopend. (`Bij óns,' zegt majoor Piepers, `mag de minister de eerste schuttersput komen openen. Begrijp je wat ik bedoel?') Maar een goede beveiliging van hun kamp, dat al drie jaar bestaat, was er niet. Er werd veel gestolen van het terrein. Een paar maanden geleden bouwden mariniers die in het kamp overnachtten een nieuwe omheining, ze verbeterden de bunker en verstevigden de toegangspoort.

Dan komen de mariniers vanzelf op Srebrenica. Want hoe zagen die soldaten er daar uit, ook toen ze aan het werk waren? Korte broek, baseballpetjes en zonnebrillen. Op die manier, zeggen officieren van de mariniers, dwing je toch geen respect af?

Maar het kan nog erger. Een Nederlandse landmachtofficier loopt op het hoofdkwartier van Unprofor in Sarajevo rond op klompen en in korte broek.

`Ook daar wil ik geen commentaar op geven,' zegt overste Cammaert. `Ik zeg alleen: de vis stinkt het eerst bij de kop. Als de baas er niet voor zorgt dat hij z'n zaken voor elkaar heeft, hebben zijn ondergeschikten dat ook niet.' Ook Srebrenica is een `geen commentaar' onderwerp voor de overste van de mariniers. En toch, opnieuw, niet helemaal. Hij zegt: `Het heeft Nederland geen goed gedaan. Hier op het hoofdkwartier werd ik er af en toe scheef op aangekeken. Ze gaven me krantenknipsels die erover gingen, met foto's. Verder zeiden ze niks.'

`Wat we nu moeten doen,' zegt Cammaert, `is hard werken aan een professionele uitstraling om dit voorval te doen vergeten.'

Een week voordat de mariniers naar Bosnië vertrokken, hield majoor Piepers een briefing voor zijn mannen, in de kazerne van Doorn. Hij zei: `Ik wil twee dingen. Eén: respect voor de bevolking, wat ze ook tegen ons doen. Wij zijn daar te gast. Twee: we moeten onze militaire professionaliteit laten zien. Zo van: nu is het afgelopen. Buitenstaanders moeten denken: daar staat een cluppie waar we met onze vingers afblijven.'

De mariniers willen graag indruk maken met hun optreden. Het liefst door weer te schieten. Kapitein jan ten Hoven, die een week geleden zijn intrek nam op de observatiepost in Sarajevo, is een beetje teleurgesteld over het stopzetten van de NAVO-acties. `Ik had nog wel een paar fire missions willen uitvoeren.'

Hij gelooft er `geen ruk' van dat de Serviërs zoveel wapens hebben teruggetrokken. Vóór het
aflopen van het laatste ultimatum tuurde zijn team dagenlang door een verrekijker naar de
Servische stellingen, maar ze zagen niets bewegen. `Ik denk dat ze er één grote show van
hebben gemaakt.' `Misschien,' zegt een van zijn korporaals, `mogen we ze dan toch nog een
keertje bang maken.'

Oorlog is hollen en veel stil staan, luidt het cliché op de Igman. Nu staat het stil. De mariniers houden zich zelf voor dat het elk moment kan veranderen. Kapitein Hengeveld: "Wij zijn de knuppel achter de deur. Als het nodig is, knuppelen wij de partijen wel weer de goede richting op."

(Vrij Nederland, 30 september 1995)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen