woensdag 10 september 2014

Hennis: brief aan Eerste Kamer over de defensie-uitgaven

De Voorzitter van de Eerste Kamer
der Staten-Generaal

9 september 2014

In de motie-Kuiper (Kamerstuk EK 33 750 X, E) wordt de regering verzocht "aan te geven op welke termijn en op welke wijze Nederland zich in zijn budgettaire beleid kan voegen naar een niveau van uitgaven dat past bij zijn eigen Veiligheidsstrategie en afgesproken internationale verplichtingen." In mijn initiële reactie heb ik u laten weten de motie sympathiek te vinden. De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking heeft mij vervolgens om een nadere toelichting gevraagd.

Afgelopen donderdag en vrijdag is de Navo-top in het Verenigd Koninkrijk gehouden. Het verslag van deze bijeenkomst, waarbij de lidstaten ook afspraken hebben gemaakt over de ontwikkeling van hun defensie-uitgaven, krijgt u binnenkort separaat toegestuurd. Feit is dat deze Top een belangrijk moment markeerde in de transatlantische veiligheidsagenda. Sinds de vorige Navo-top, twee jaar geleden in Chicago, is de wereld immers in belangrijke opzichten veranderd. Zo zijn we de afgelopen maanden geconfronteerd met het destabiliserende militaire optreden van Rusland op de Krim en in Oost-Oekraïne. De situatie in het Midden-Oosten is zeer explosief en ook in Noord-Afrika laait het geweld op. We worden, kortom, in toenemende mate omgeven door ernstige brandhaarden en conflicten die, naar verwachting, langdurig van aard zijn. Dit heeft gevolgen, direct of indirect, voor de Nederlandse samenleving en de Nederlandse staatsburgers in het buitenland.

Ook de diversiteit aan dreigingen neemt onmiskenbaar toe. Het gaat al lang niet meer alleen om territoriale dreigingen, al blijven deze - zo toont de Oekraïne-crisis aan - relevant. Terrorisme en cyberdreigingen zijn welhaast per definitie grensoverschrijdend. De toenemende verwevenheid van interne en externe veiligheid is dan ook een groeiende bron van zorg. De veiligheidsvraagstukken zijn prangend en de komende tijd zullen, in nationaal en internationaal verband, overtuigende antwoorden moeten worden geformuleerd. Hieraan wordt, in nauwe samenwerking met onze bondgenoten, hard gewerkt.

Het is in het belang van de Nederlandse staat om antwoord te kunnen blijven geven op de geopolitieke ontwikkelingen. Het kabinet acht het daarbij van belang om niet alleen de input te beschouwen maar ook de output die met de beschikbare defensiemiddelen wordt bereikt. De hoogte van het defensiebudget zegt immers niet alles over de prestaties van een krijgsmacht. Ook een optimale besteding van de middelen, zoals (gezamenlijke) investeringen in geprioriteerde capaciteiten, doet er toe. Voorts moeten capaciteiten ook werkelijk beschikbaar worden gesteld. De politieke bereidheid om aan missies deel te nemen is, met andere woorden, evenzeer een factor van belang.

Dit laat onverlet dat van Nederland wordt verwacht dat het zijn militaire bijdrage aan de bondgenootschappelijke veiligheid ten minste op peil houdt en, waar mogelijk, versterkt. De Europese landen moeten meer verantwoordelijkheid nemen, zowel binnen de Navo als daarbuiten. De recente ontwikkelingen onderstrepen de urgentie van eensgezind optreden en de bundeling van Europese inspanningen op veiligheidsgebied. De huidige crises moeten ons allen aansporen om het reactievermogen te vergroten en de aanpak van militaire tekorten voortvarend ter hand te nemen. De Nederlandse defensie-inspanning is hierop gericht. De begrotingsafspraken van medio oktober 2013 hebben tot extra middelen voor Defensie geleid (Kamerstuk TK 33 763, nr. 7). Op Prinsjesdag wordt u nader geïnformeerd over de afspraken die zijn gemaakt voor de begroting van 2015. Duidelijk is dat de tijd van bezuinigingen op Defensie voorbij is.

De NAVO en de EU hebben de militaire tekortkomingen geïnventariseerd en Nederland streeft ernaar deze tekortkomingen, in samenwerking met onze bondgenoten, weg te werken. De Nederlandse krijgsmacht staat immers niet op zichzelf. Aansluiting bij het NAVO-planningsproces maar ook bij NAVO en EU-initiatieven, zoals Smart Defence en Pooling & Sharing, is dan ook de leidraad. Bestaande samenwerkingsverbanden worden voorts zoveel mogelijk benut en verder versterkt. Wel is het duidelijk dat het de komende jaren veel inspanning en politieke betrokkenheid zal vergen, ook van de nationale parlementen, om de gezamenlijke strategische focus te behouden.

Geopolitieke ontwikkelingen en recente internationale en nationale veiligheidsanalyses nopen tot een aanpassing van het ambitieniveau van de krijgsmacht. Deze trendbreuk heeft gevolgen voor de samenstelling en toerusting van het materieel en personeel van de krijgsmacht, en zo ook voor het bijbehorende niveau van de defensiebestedingen. Goed werkgeverschap blijft daarbij centraal staan. De intentie is om deze trendbreuk de komende jaren, waar dat mogelijk en nodig is, verder door te zetten. De richting die met de nota ‘In het belang van Nederland’ is ingeslagen, geldt daarbij onverminderd als uitgangspunt. Internationale samenwerking is nadrukkelijk een kernbegrip in die nota evenals toekomstbestendigheid.

Het debat over de Nederlandse defensie-inspanning in relatie tot de beoordeling van de nationale en internationale veiligheidssituatie zal het komende jaar veel aandacht krijgen. Ik zal u hierover op de hoogte houden.


DE MINISTER VAN DEFENSIE

J.A. Hennis-Plasschaert

bron

Zie ook: NAVO-top: sneller op crises reageren

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen